ECLI:NL:GHAMS:2026:2475

ECLI:NL:GHAMS:2026:2475

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 200.371.220/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

“Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing”.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.371.220/01

zaaknummer rechtbank: C/15/378883/JU RK 26-911

beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

hierna: de moeder,

en

[de vader] ,

hierna: de vader,

beiden wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk: de ouders,

advocaat: mr. P.A.J. van Putten te Almere,

en

de gecertificeerde instelling stichting De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te [plaats B] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (1 jaar) noodzakelijk is.

De kinderrechter heeft op 9 juni 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier weken verleend, en aansluitend heeft de kinderrechter op 15 juni 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 19 september 2026 verleend.

De ouders zijn het daar niet mee eens en willen dat het verzoek van de GI alsnog wordt afgewezen. De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2. De procedure in hoger beroep

De ouders zijn op 3 juli 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van 9 juni 2026 en 15 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikkingen) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).

De GI heeft op 30 juli 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:

- een bericht van de zijde van de ouders van 5 augustus 2026 met bijlagen.

De zitting heeft op 13 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat; en

- een vertegenwoordiger van de GI.

De raad heeft bij e-mailbericht van 4 augustus 2026 meegedeeld niet ter zitting te kunnen verschijnen.

3. De feiten

De vader en de moeder zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2025, te [plaats C] .

De ouders hebben een affectieve relatie. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

[minderjarige] is op 2 juli 2025 voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. De ondertoezichtstelling is inmiddels verlengd tot 19 september 2026.

[minderjarige] is op 2 juli 2025 met spoed uit huis geplaatst bij de moeder op een neutrale plek (in ieder geval niet in de gemeenschappelijke woning met de vader), dan wel op een crisisplek binnen een pleeggezin, voor de duur van vier weken.

[minderjarige] is op 19 september 2025 uit huis geplaatst in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een moeder-kindhuis, voor de duur van een jaar.

4. De omvang van het hoger beroep

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking van 9 juni 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 juni 2026 tot 7 juli 2026. In de bestreden beschikking van 15 juni 2026 heeft de kinderrechter de eerdere spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 9 juni 2026 gehandhaafd. Aansluitend op de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 7 juli 2026 tot 19 september 2026.

De ouders verzoeken de bestreden beschikkingen te vernietigen en – zo begrijpt het hof – het inleidende verzoek van de GI om een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen alsnog af te wijzen.

De GI verzoekt – zo begrijpt het hof – de bestreden beschikking te bekrachtigen en de ouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek in hoger beroep, dan wel dit verzoek af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:265b, eerste lid, BW volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De standpunten

De ouders stellen dat zij zich niet kunnen verenigen met de beslissing van de kinderrechter om [minderjarige] (met spoed) uit huis te plaatsen. De kinderrechter heeft onvoldoende gemotiveerd waarom minder vergaande maatregelen niet toereikend waren. De ouders stellen dat er geen onmiddellijk ernstig gevaar voor [minderjarige] bestond, en dat de kinderrechter nagelaten heeft dat te weerleggen met een specifieke risicoanalyse gericht op [minderjarige] ’s veiligheid en welzijn. Verder zijn de ouders van mening dat er sprake is van een onvoldoende deugdelijke vaststelling van de feiten. Ook stellen de ouders dat de kinderrechter onvoldoende de hechting van [minderjarige] en de continuïteit van zorg voor [minderjarige] heeft afgewogen. De ouders betreuren dat de plek bij het moeder-kindhuis nu verloren is gegaan.

De GI voert aan dat de (spoed)uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van diens verzorging en opvoeding noodzakelijk is. De ouders hebben veel kansen gekregen om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen, maar de GI vindt dat de ouders onbetrouwbaar zijn gebleken in het nakomen van de veiligheidsafspraken. De GI heeft plaatsing van [minderjarige] met de moeder in een moeder-kindhuis elders overwogen, maar onvoldoende veilig geacht gezien het risico dat de moeder haar locatie deelt en de vader haar direct weer volgt. Ook is daar minder goede begeleiding aanwezig. Verder heeft de GI acuut moeten handelen, omdat de moeder aangaf met [minderjarige] te willen vluchten. De GI betreurt het dat de omgang tussen [minderjarige] en de ouders stil is komen te liggen, en vindt dat er weer contact moet komen. De GI heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels het vertrouwen tussen de GI enerzijds en de beide ouders anderzijds hersteld is en dat in samenspraak wordt onderzocht of [minderjarige] in het netwerk van de ouders, te weten bij de broer en de schoonzus vaderszijde, geplaatst kan worden.

Het hof gaat in de beoordeling verder in op deze en andere argumenten van de partijen.

De beoordeling door het hof

Hoewel de termijn waarvoor de kinderrechter de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van 9 juni 2026 heeft verleend inmiddels is verlopen, hebben de ouders, gelet op het door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, toch belang om de rechtmatigheid van die spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te laten toetsen. Het hof dient te beoordelen of de gronden voor een spoedmachtiging van [minderjarige] aanwezig waren.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en de behandeling ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Sinds het verblijf van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kindhuis zijn er met de ouders veiligheidsafspraken gemaakt. Een van deze veiligheidsafspraken was dat de ouders niet onbegeleid samen met [minderjarige] zijn. Deze afspraak is gemaakt vanwege de zorgen over de spanningen in de relatie tussen de ouders en het effect hiervan op [minderjarige] . Deze zorgen zijn gebaseerd op het feit dat er binnen de relatie van de ouders sprake is geweest van huiselijk geweld. Daarnaast waren er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] omdat de vader cocaïne verhandelde en verdacht werd van bezit van wapens en munitie. Tijdens huiszoekingen zijn verdovende middelen aangetroffen en inmiddels is de woning van de ouders gesloten door de burgemeester van [gemeente] . De vader verblijft sindsdien in een caravan, waar de moeder sinds de beëindiging van het verblijf in het moeder-kindhuis eveneens verblijft.

Het hof constateert dat de ouders zich tijdens het verblijf van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kindhuis meerdere keren niet aan de veiligheidsafspraken hebben gehouden. Zo heeft de moeder, in strijd met de gemaakte afspraak, samen met [minderjarige] de vader bezocht en heeft de vader, tegen de veiligheidsafspraken in, het moeder-kindhuis meerdere keren bezocht. Daarnaast hebben de ouders geen openheid gegeven over het contact dat zij met elkaar hebben gehad. Ook heeft de moeder aangegeven van plan te zijn met [minderjarige] te vluchten. Naar het oordeel van het hof was hierdoor onvoldoende zicht op de veiligheid van [minderjarige] . Daarbij komt dat de andere moeders en kinderen die in het moeder-kindhuis wonen door de ontoelaatbare bezoeken van de vader ook onveilig waren. Omdat de ouders zich steeds weer opnieuw niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken hielden, kon er niet vanuit worden gegaan dat de ouders zich wel aan andere maatregelen, zoals een schriftelijke aanwijzing, zouden houden. Nu de veiligheid van [minderjarige] in het moeder-kindhuis niet langer gewaarborgd kon worden is het hof met de kinderrechter van oordeel dat de spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] voor de duur van vier weken noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding. Het hof zal de beschikking van 9 juni 2026 dan ook bekrachtigen.

Over de aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing overweegt het hof als volgt. Zoals de GI ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, lukt het de ouders onvoldoende om de verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Zo heeft de GI verklaard dat de vader zich verbaal agressief uitlaat in het bijzijn van zijn oudere zoon. Hij heeft met regelmaat zijn emoties niet onder controle. Deze zorgen over het gedrag van de vader gelden ook voor het gedrag van de vader tegenover [minderjarige] . Uit het spoedrapport van de raad van 3 juli 2025 volgt dat ook destijds bij de betrokken professionals zorgen waren over de houding, uitlatingen en emotie-regulatie van de vader. De GI heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven dat de vader moet leren op welke wijze hij op een passende manier invulling kan geven aan zijn ouderlijke verantwoordelijkheid. De zorgen over de moeder zijn gelegen in het feit dat zij onvoldoende in staat is aan de belangen van [minderjarige] voorrang te geven, doordat zij de zorgen over het gedrag van de vader onvoldoende onderkent. De moeder zal ook aan haar weerbaarheid moeten werken. Daarnaast is gebleken dat zowel de moeder als de vader zich tijdens de plaatsing van de moeder en [minderjarige] in het moeder-kindhuis niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken hebben gehouden. Gelet op dit alles acht het hof de ouders niet in staat om [minderjarige] op dit moment een veilige opvoedomgeving te bieden. Concluderend is het hof van oordeel dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking van 15 juni 2026 aanwezig waren en op dit moment ook nog aanwezig zijn. Het hof zal daarom de bestreden beschikking van 15 juni 2026 bekrachtigen.

Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er nu een vaste jeugdbeschermer bij het gezin betrokken is in wie het vertrouwen van de ouders aanmerkelijk groter is dan in de telkens wisselende personen in het verleden. Het hof complimenteert de ouders en de jeugdbeschermer met deze positieve ontwikkeling waardoor de samenwerking verbetert en het zicht op hervatting van het contact van [minderjarige] met de ouders in zicht komt.

Ten overvloede overweegt het hof dat de door de ouders verzochte terugplaatsing bij het moeder-kindhuis van de moeder met [minderjarige] feitelijk niet meer mogelijk is, omdat de plaats die de moeder in het moeder-kindhuis had inmiddels aan iemand anders is toegewezen. Omdat de ouders hebben aangegeven dat zij niet van elkaar gescheiden willen leven, maar als gezin samen willen functioneren, zou ook indien die plaats nog wel beschikbaar was, een terugkeer naar het moeder-kindhuis geen alternatief voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] kunnen vormen.

Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt beide beschikkingen waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M. Overmars en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.L. Lusink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand