GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 25/1048 en 25/1049
10 maart 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , wonende te [Z], belanghebbende,
tegen de uitspraak van 18 maart 2025 in de zaken met kenmerken HAA 24/754 en HAA 24/757 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
2016
De inspecteur heeft met dagtekening 14 december 2018 aan belanghebbende in afzonderlijke geschriften voor het jaar 2016 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd.
Belanghebbende heeft tegen de bovenstaande aanslagen bezwaar ingesteld. Bij uitspraak op bezwaar van 11 juli 2019 heeft de inspecteur het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft een aangiftebiljet ingediend dat door de inspecteur is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Het verzoek is door de inspecteur ontvangen op 6 januari 2022.
Het verzoek is bij beschikking van 16 februari 2022 afgewezen. Belanghebbende heeft op 30 maart 2022 per e-mail een bezwaar tegen de afwijzing verzonden.
Belanghebbende heeft op 6 februari 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank.
2017
De inspecteur heeft met dagtekening 10 januari 2019 aan belanghebbende in afzonderlijke geschriften voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw opgelegd.
Belanghebbende heeft tegen de bovenstaande aanslagen bezwaar ingesteld. Bij uitspraken op bezwaar van 23 mei 2020 heeft de inspecteur de bezwaren gedeeltelijk toegewezen.
Belanghebbende heeft een aangiftebiljet ingediend dat door de inspecteur is aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Het verzoek is door de inspecteur ontvangen op 30 december 2022.
Het verzoek is bij beschikking van 28 maart 2023 door de inspecteur afgewezen.
De rechtbank heeft op 15 mei 2023 een beroepschrift tegen de beschikking ontvangen. De rechtbank heeft het beroepschrift aangemerkt als bezwaarschrift en dit doorgestuurd naar de inspecteur.
De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 9 januari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft op 6 februari 2024 beroep ingesteld bij de rechtbank.
2016 en 2017
De rechtbank heeft in haar uitspraak de volgende beslissing genomen (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de inspecteur als ‘verweerder’):
“Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover zij ziet op het belastingjaar 2016;
- verklaart het beroep ongegrond voor zover zij ziet op het belastingjaar 2017.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht.
2. Feiten
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“Belastingjaar 2016
1. Verweerder heeft met dagtekening 14 december 2018 aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 8.098 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van nihil. Bij datzelfde geschrift is belastingrente in rekening gebracht.
2. Verweerder heeft met dagtekening 14 december 2018 aan eiseres voor het jaar 2016 een aanslag Zvw opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 8.173. Ook heeft verweerder bij beschikking een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht.
3. Eiseres heeft met datum van ondertekening 27 december 2022 een hernieuwde aangifte IB/PVV en Zvw ingediend voor het jaar 2016. Dit is door verweerder aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001. Verweerder heeft dat verzoek op 16 februari 2022 afgewezen (c.q. niet in behandeling genomen) omdat het verzoek niet binnen de zogenoemde vijfjaarstermijn zou zijn ingediend.
4. Eiseres heeft daartegen op 6 februari 2024 beroep ingesteld.
Belastingjaar 2017
5. Verweerder heeft met dagtekening 10 januari 2019 aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 14.270 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van nihil. Bij datzelfde geschrift is belastingrente en een revisierente in rekening gebracht.
6. Op 30 december 2022 heeft eiseres verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017. Dit verzoek is bij beschikking met dagtekening 28 maart 2023 door verweerder (gedeeltelijk) afgewezen.
7. Op 15 mei 2023 heeft de rechtbank een bezwaarschrift tegen het afwijzingsbesluit van 28 maart 2023 ontvangen. Dit bezwaarschrift heeft de rechtbank aan verweerder doorgezonden.
8. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2024 het bezwaar tegen het afwijzingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn zou zijn ingediend. Het bezwaar is door verweerder tevens aangemerkt als nieuw verzoek om ambtshalve vermindering. Dit verzoek is in hetzelfde geschrift van 9 januari 2024 afgewezen (c.q. niet in behandeling genomen) omdat het verzoek niet binnen de zogenoemde vijfjaarstermijn zou zijn ingediend.
9. Eiseres heeft op 6 februari 2024 beroep ingesteld tegen die besluiten.”
Het Hof voegt hier de volgende feiten aan toe.
Bij beschikking van 16 februari 2022 (zie 1.1.4) is het verzoek om ambtshalve vermindering voor het belastingjaar 2016 afgewezen. In de brief is onder meer het volgende opgenomen:
“Beslissing op uw verzoek
Ik wijs uw verzoek om ambtshalve vermindering af. Dit is een voor bezwaar vatbare beschikking. Als u het niet eens bent met de beschikking kunt u in bezwaar gaan. U moet dan binnen zes weken na de dagtekening van deze brief een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst. In de bijlage van deze brief staat vermeld op welke wijze en binnen welke termijn u bezwaar kunt maken.”
En:
“U kunt in bezwaar gaan tegen de beslissing op uw verzoek bij de inspecteur. Het adres is:
Belastingdienst kantoor Arnhem
Postbus 9001
6800 DB ARNHEM
Als u in bezwaar gaat gelden de volgende regels:
1. U moet uw bezwaarschrift binnen zes weken na dagtekening van deze beslissing indienen.
2. In uw bezwaarschrift geeft u gemotiveerd aan waarom u het niet eens bent met deze beslissing.
Ook het volgende is voor u van belang:
A. Als u een bezwaarschrift indient kunt u in beginsel uitstel van betaling krijgen. U moet daarvoor een verzoek aan de ontvanger richten. Het adres van de ontvanger is ook het hiervoor genoemde adres. Als u uitstel van betaling krijgt bent u rente verschuldigd.
B. Als u in het gelijk wordt gesteld, geldt een rentevergoedingsregeling.
U kunt uw bezwaarschrift ook digitaal indienen. Kijk hiervoor op www.belastingdienst.nl.”
Belanghebbende heeft op 30 maart 2022 een e-mail gestuurd aan het e-mailadres van een medewerkster van de Belastingdienst met de volgende tekst:
“LS
Zie bijgaand mijn bezwaar tegen afgewezen herzieningsverzoek IB/PVV en ZWV 2026.”
De e-mail onder 2.4 bevat twee bestanden: een foto van een geschrift en een pdf bestand van een uitspraak van de rechtbank van 5 januari 2012 in een geding tussen belanghebbende en de inspecteur aangaande de aanslag IB/PVV voor het jaar 2009. In het geschrift staat onder andere het volgende vermeld:
“LS
Hierbij maak ik bezwaar tegen de afwijzing ambtshalve herziening IB/PVV en ZVW 2016. (…) Dit moslimvrouwtje wil niet dat correspondentie weer weggepleurd wordt. Vandaar de email ipv papieren brief.”
De inspecteur heeft op 1 april 2022 op de e-mail onder 2.4 gereageerd met een e-mailbericht met onder andere de volgende tekst:
“Geachte [belanghebbende],
Hartelijk dank voor onderstaande bericht van 30 maart 2022, waarin u bezwaar maakt tegen de afwijzingsbeschikking die ziet op de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2016.
Ik kan dit bezwaar niet in behandeling nemen, omdat deze per e-mail is toegestuurd. De Belastingdienst heeft dit kanaal niet opengesteld voor het indienen van bezwaren of verzoeken tot ambtshalve vermindering.
U kunt het bezwaar opnieuw indienen, meer informatie over de juiste indieningswijze kunt u vinden op de afwijzingsbeschikking met dagtekening 16 februari 2022 of op onze website ([Hof: volgt url]).
(…)”
Belanghebbende heeft haar bezwaar niet opnieuw ingediend via de digitale weg die de inspecteur daartoe wel had opengesteld. Zij heeft ter zitting van het Hof onder andere verklaard:
“Op uw vraag waarom ik bijna twee jaar niet op het bericht van de inspecteur van 1 april 2022 heb gereageerd, verklaar ik dat ik mij afvraag of het nog relevant is dat ik daarop niet reageer. Voordat ik bezwaar instelde, is mij niet verteld dat het niet per e-mail mocht. Als je het per e-mail stuurt, weet je tenminste dat het aankomt.”
3. Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep voor zover het ziet op het belastingjaar 2016, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens is in geschil of de rechtbank het beroep voor zover het ziet op het belastingjaar 2017 terecht ongegrond heeft verklaard.
4. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft over het geschil als volgt overwogen:
“Vooraf: prorogatie
12. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen – alvorens beroep in te stellen – bezwaar te maken. Op grond van artikel 7:1a van de Awb is het mogelijk om onder in het artikel genoemde voorwaarden rechtstreeks in beroep te komen. Dit wordt ook wel ‘prorogatie’ genoemd. Het doorlopen van de bezwaarfase wordt dan als het ware overgeslagen.
13. Vast staat dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2016. Eiseres heeft in haar stukken en desgevraagd ter zitting verklaard dat zij gebruik wenst te maken van de in artikel 7:1a van de Awb geboden mogelijkheid om rechtstreeks beroep in te stellen. Verweerder heeft in de beroepsfase toestemming gegeven om de bezwaarfase voor wat betreft de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering voor het jaar 2016 over te slaan. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Awb is voldaan, zal de rechtbank partijen hierin om redenen van proceseconomie volgen (vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3053, r.o. 4.2.8.).
14. Voor het jaar 2017 is wel eerst bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering. In zoverre speelt prorogatie voor dat jaar geen rol. In de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2024 heeft verweerder het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering tevens aangemerkt als een nieuw verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen. Het beroep van eiseres is – naar de rechtbank begrijpt – tevens tegen deze hernieuwde afwijzing gericht. In zoverre speelt prorogatie voor het jaar 2017 wel een rol. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, maakt de rechtbank op dat (alleen) op dit punt voor het jaar 2017 eveneens prorogatie moet worden toegepast en de rechtbank zal het beroep op dit punt dan ook rechtstreeks behandelen.
15. De rechtbank verduidelijkt dat prorogatie niet betekent dat zij de tijdigheid van de beroepen niet nader beoordeelt. Het betekent alleen dat de bezwaarfase is overgeslagen, en de rechtbank het beroep rechtstreeks behandelt. Van belang blijft dat het beroep ook tijdig is ingesteld. Voor het jaar 2016 is dit in het bijzonder van belang. De rechtbank behandelt dat hierna.
Belastingjaar 2016
16. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Awb een termijn van zes weken. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is anders als het niet-tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
17. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 16 februari 2022 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden. Deze beroepstermijn is daarom aangevangen op 17 februari 2022 en eindigde dus op 31 maart 2022. De rechtbank heeft het beroepschrift pas op 6 februari 2024 ontvangen.
18. De rechtbank constateert aldus dat eiseres het beroepschrift buiten de daarvoor geldende wettelijke termijn heeft ingediend. Eiseres heeft in dit verband ter zitting desgevraagd verklaard dat zij al haar zaken zelf moet behandelen, dat zij geen hulp heeft of kan veroorloven, en dat dit haar veel tijd en energie kost. De rechtbank ziet daarin evenwel geen feiten of omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht op grond van artikel 6:11 van de Awb.
19. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het beroep voor het jaar 2016 niet-ontvankelijk zal verklaren. Dit betekent dat de rechtbank niet aan een inhoudelijke beoordeling van de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2016 en aanslag Zvw 2016 kan toekomen.
Belastingjaar 2017
20. Voor het jaar 2017 constateert de rechtbank dat eiseres wel tijdig beroep heeft ingesteld tegen verweerders besluit van 9 januari 2024.
21. Verweerder heeft in het besluit van 9 januari 2024 het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2017 niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft hij het bezwaar opnieuw aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek vervolgens afgewezen.
22. De rechtbank beoordeelt eerst of verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In dit verband overweegt de rechtbank dat een bezwaarschrift op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig is ingediend wanneer het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen. Wanneer het bezwaarschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Awb onder voorwaarden ook tijdig is ingediend. Die voorwaarden zijn dat het bezwaarschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan.
23. De rechtbank stelt vast dat de termijn voor bezwaar op grond van artikel 6:7 van de Awb eindigde op 10 mei 2023 (namelijk 6 weken na de dag waarop het afwijzende besluit van 28 maart 2023 was genomen). Het bezwaar van eiseres is pas op 15 mei 2023 door de rechtbank ontvangen en daarna aan verweerder doorgestuurd (zie hiervoor onder 7.). Volgens verweerder blijkt uit de poststempel op de envelop waarin het bezwaarschrift was verzonden dat deze op 12 mei 2022 op de post is gedaan. De rechtbank heeft dit ter zitting aan eiseres voorgehouden en zij heeft de datering van de poststempel niet weersproken. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet binnen de termijn van 6 weken is verstuurd. Het bezwaar is daarom niet tijdig ingediend. De rechtbank ziet in de toelichting van eiseres ter zitting geen feiten of omstandigheden die ertoe kunnen leiden dat de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Verweerder heeft het bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
24. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of verweerder het – door verweerder als zodanig aangemerkte – nieuwe verzoek om ambtshalve vermindering dat was opgenomen in het op 15 mei 2023 ontvangen bezwaarschrift, terecht heeft afgewezen. De rechtbank komt aan deze beoordeling toe onder toepassing van prorogatie (zie hiervoor onder 14.). Verweerder heeft in dit verband toegelicht dat het nieuwe verzoek terecht is afgewezen nu deze niet binnen 5 jaren na afloop van het betreffende belastingjaar is ontvangen.
25. De rechtbank overweegt dat uit artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling
Inkomstenbelasting 2001 volgt dat een verzoek om ambtshalve vermindering moet worden gedaan binnen 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft. Het voorliggende verzoek om ambtshalve vermindering ziet op het belastingjaar 2017 en is op 15 mei 2023 door verweerder ontvangen. Dit is buiten de termijn van 5 jaren na afloop van het kalenderjaar waar de belastingaanslag betrekking op heeft. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft verklaard geen aanleiding om de overschrijding van deze termijn verschoonbaar te achten. De omstandigheid dat eiseres ook al eerder een verzoek om ambtshalve vermindering voor het belastingjaar 2017 had ingediend, maakt dat niet anders. Dat verzoek was namelijk al eerder – in het besluit van 28 maart 2023 – door verweerder afgewezen. Het verzoek van 15 mei 2023 betreft een nieuw verzoek en moet naar eigen indieningsdatum worden beoordeeld.
26. De rechtbank bemerkt tot slot dat zij bij de voorgaande beoordeling ook in aanmerking heeft genomen wat eiseres heeft gesteld met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiseres – zo begrijpt de rechtbank het betoog – moet aan eiseres een rechtsherstel worden geboden omdat zij gelijk wil worden behandeld als de belastingplichtigen die thans procedures voeren over de inkomstenbelastingheffing in box 3. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. Het gelijkheidsbeginsel noopt ertoe om gelijke gevallen gelijk te behandelen. Eiseres eist ten aanzien van haar inkomen uit werk en woning (box 1) een verliescompensatie voor door haar in het verleden vanwege effectenhandel geleden verliezen. Deze klacht betreft de belasting van inkomsten uit werk en woning (box 1) en niet belasting van inkomsten uit sparen en beleggen (box 3). Eiseres is in de jaren 2016 en 2017 verder ook geen inkomstenbelasting in box 3 verschuldigd. De rechtbank is van oordeel dat de situatie van eiseres niet vergelijkbaar is met de situatie van belastingplichtigen die de heffing in box 3 ter discussie stellen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat in de discussie over de box-3-heffing diverse arresten zijn gewezen door de Hoge Raad (zie o.a. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 en HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705) waaruit volgt dat – kort gezegd – de box-3-heffing kan leiden tot een ongeoorloofde en discriminatoire inbreuk op het eigendomsrecht. In de situatie die eiseres aan de orde stelt, is geen daarmee vergelijkbare inbreuk aannemelijk geworden. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat geen sprake is van gelijke gevallen en verwerpt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank verduidelijkt daarbij dat zij tot het voorgaande oordeel is gekomen, los van de vraag of belastingplichtigen in zaken over de box-3-heffing überhaupt rechtsherstel kunnen krijgen als zij niet-tijdig bezwaar hebben gemaakt. Die vraag moet namelijk nog door de Hoge Raad worden beantwoord in een procedure die is aangewezen als massaal-bezwaar-plus (zie het Besluit van 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stcrt. 2023, 2860).
Slotsom
27. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ten aanzien van het jaar 2016 niet-ontvankelijk worden verklaard. Het beroep ten aanzien van het jaar 2017 dient ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
28. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5. Beoordeling van het geschil
Het belastingjaar 2016
Het Hof verstaat dat de rechtbank, met “uitspraak op bezwaar” in onderdeel 17 van haar uitspraak, doelt op de afwijzing door de inspecteur van het verzoek van belanghebbende om ambtshalve vermindering voor het belastingjaar 2016 (zie 1.1.4). De rechtbank is in haar uitspraak niet ingegaan op het e-mailbericht dat belanghebbende op 30 maart 2022 aan de inspecteur verzond. Het Hof zal in het navolgende veronderstellen dat het e-mailbericht als een bezwaar beschouwd dient te worden. Deze veronderstelling leidt dit het Hof tot de volgende gevolgtrekkingen.
Het door belanghebbende langs elektronische weg gemaakte bezwaar voldeed niet aan de eisen die de inspecteur op de voet van artikel 2:15, lid 1, eerste volzin, Awb (zoals dat bij het indienen van het bezwaar in 2022 luidde) had gesteld aan het gebruik van die weg. Na ontvangst van het bezwaar heeft de inspecteur belanghebbende op dit vormgebrek gewezen en heeft hij haar in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Hij had haar echter daarnaast een termijn voor dat herstel moeten bieden (artikel 6:6 Awb) en, indien belanghebbende binnen die termijn van deze gelegenheid geen gebruik had gemaakt, het bezwaar niet-ontvankelijk kunnen verklaren (vgl. HR 11 augustus 2017, nr. 17/00877, ECLI:NL:HR:2017:1612). Dit heeft de inspecteur echter nagelaten.
Gelet hierop ziet het Hof zich gesteld voor de vraag of het door belanghebbende op 6 februari 2024 ingestelde beroep beschouwd dient te worden als een beroep gericht tegen het niet tijdig doen van een uitspraak op het bezwaar van belanghebbende. Artikel 6:12, lid 1, Awb bepaalt immers dat een dergelijk beroep niet aan een termijn gebonden is, zodat bij positieve beantwoording van die vraag de rechtbank het beroep niet vanwege overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 6:7 Awb niet-ontvankelijk had mogen verklaren, hetgeen zij wel heeft gedaan.
Daarvan uitgaande is het evenwel de vraag of het bepaalde in artikel 6:12, lid 4, Awb tot dezelfde uitkomst leidt: namelijk dat het beroep tegen een ‘fictieve weigering’ niet-ontvankelijk is indien het beroepschrift onredelijk laat is ingediend. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het beroep is bijna twee jaar ingediend na de ontvangst door belanghebbende van het bericht van de inspecteur op haar bezwaar van 30 maart 2022 (zie 2.6). Na kennisname van dat bericht moet belanghebbende duidelijk zijn geweest dat het bezwaar (bij deze indieningswijze) niet door de inspecteur in behandeling zou worden genomen. Ook had de inspecteur belanghebbende in zijn bericht gewezen op een wel voor het bezwaar opengestelde elektronische weg, zodat haar bedenkingen bij het indienen van een ‘papieren’ bezwaar (zie 2.5) niet meer aan herstel van het verzuim in de weg stonden. Naar het oordeel van het Hof was belanghebbende daarmee ‘aan zet’ en diende haar langdurig talmen geen redelijk doel. Belanghebbende heeft ook desgevraagd ter zitting van het Hof verklaard dat zij het bericht van de inspecteur had ontvangen maar zij heeft niet kunnen verduidelijken waarom zij daarop niet (eerder) heeft gereageerd (zie 2.7). Op de vraag waarom zij bijna twee jaar heeft gewacht met het indienen van haar beroep heeft belanghebbende ter zitting van de rechtbank verklaard dat dat is omdat zij haar administratie alleen moet doen en geen geld heeft voor hulp. Naar het oordeel van het Hof is dat in dit geval geen geldige reden voor de late indiening.
Onder de in 5.4 beschreven omstandigheden is het Hof van oordeel dat belanghebbende het beroepschrift onredelijk laat heeft ingediend, zodat het beroep – ook indien wordt uitgegaan van de in 5.1 gedane veronderstelling – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De conclusie is dat de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, ook indien de grond waarop zij dat deed een onjuiste was. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het belastingjaar 2016 dient te worden bevestigd.
Het belastingjaar 2017
Het Hof overweegt dat bezwaartermijn van zes weken van artikel 6:7 Awb voor de afwijzende beschikking van 28 maart 2023 (zie 1.2.4) op het verzoek ambtshalve vermindering voor het belastingjaar 2017, op 9 mei 2023 verliep. Indien het geschrift dat op 15 mei 2023 door de inspecteur is ontvangen en dat een poststempel draagt met de datum 12 mei 2023, dient te worden opgevat als bezwaar tegen die afwijzende beschikking, is het niet tijdig ingediend. Evenals de rechtbank acht het Hof de verschoonbaarheid van deze termijnoverschrijding niet aannemelijk geworden. Het bezwaar is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep daartegen terecht ongegrond.
Voor zover het in 5.7. bedoelde geschrift dient te worden aangemerkt als een hernieuwd verzoek om ambtshalve vermindering acht het Hof hetgeen is overwogen in de onderdelen 24 en 25 van de uitspraak van de rechtbank, juist en maakt het Hof deze overwegingen tot de zijne. Het beroep is ook in zoverre terecht ongegrond verklaard.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep voor beide jaren ongegrond is en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dient te worden.
6. Kosten
Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, M.J. Leijdekker en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 10 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: