GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.360.160/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem: C/15/358601 / HA ZA 24-605
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026
in de zaak van
[appellant] .,
te [plaats 1] ,
appellante in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. J. Evers te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verzoekster in het incident,
advocaat: mr. C.M. Sellmeijer te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een exclusiviteitsbeding in een overeenkomst van onderaanneming met een boetebeding. De onderbouwing van de verweten schending van het beding wordt ook in hoger beroep onvoldoende geoordeeld. Het vonnis waarin de boetevordering werd afgewezen, wordt bekrachtigd.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 19 september 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 25 juni 2025 en verbeterd bij vonnis van 27 augustus 2025, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met twee nieuwe producties (genummerd 5 en 6);
- memorie van antwoord tevens houdende een incidentele vordering tot opheffing van conservatoire beslagen, met producties (alle genummerd 15);
- memorie van antwoord in het incident, met producties.
[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - toewijzing alsnog van haar vorderingen en veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen [appellant] ter uitvoering van het vonnis heeft voldaan, met rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde] heeft in de hoofdzaak geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis en in het incident - uitvoerbaar bij voorraad - tot opheffing van gelegde beslagen, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de hoofdzaak en in die van het incident, met rente.
[appellant] heeft in het incident geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing bij gebrek aan belang en compensatie van de kosten.
Beide partijen hebben in de hoofdzaak bewijs aangeboden.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het vonnis onder 2.1. tot en met 2.11. de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft de juistheid van die feiten niet bestreden. Zij heeft wel geklaagd dat de opsomming van de rechtbank niet volledig is en nog een aantal andere feiten genoemd die zij daaraan toegevoegd wil zien. Voor zover van belang komen die feiten bij de beoordeling aan de orde. Het hof gaat uit van de volgende feiten.
i. i) De vennootschap [bedrijf] . (hierna [bedrijf] ) verzorgt in opdracht van netbeheerder Liander de aanleg van energienetwerken en huisaansluitingen op de energienetwerken in diverse regio’s in Noord-Holland.
ii) In juli 2020 is [bedrijf] als hoofdaannemer met [appellant] als onderaannemer voor de duur van drie jaar een voorkeursovereenkomst aangegaan voor de in bijlage B bij die overeenkomst genoemde postcodegebieden.
iii) Op 1 juni 2021 is [appellant] als hoofdaannemer met [geïntimeerde] als onderaannemer voor de duur van één jaar een overeenkomst van onderaanneming aangegaan. Die overeenkomst houdt onder meer in:
“Artikel 17. Exclusiviteit
a. Het is onderaannemer niet toegestaan om zonder schriftelijke toestemming van hoofdaannemer, gedurende de looptijd van de overeenkomst of enige verlenging daarvan en gedurende de 6 maanden daarna, om direct (indirect via andere hoofdaannemer mag wel, alleen indien op een ander project) werkzaamheden te gaan uitvoeren dan wel diensten te verlenen bij de opdrachtgever van de hoofdaannemer.
b. Bij overtreding van de in artikel 19 lid a lees: artikel 17 a] genoemde bepaling is onderaannemer aan hoofdaannemer een direct opeisbare boete verschuldigd van € 2.500 per dag dat de overtreding voortduurt.“
iv) [geïntimeerde] werkt met ploegen zelfstandige monteurs (zzp’ers). Een van de laatste projecten van [geïntimeerde] voor [appellant] was een project in opdracht van [bedrijf] voor Liander.
v) Per 31 december 2021 is op verzoek van [geïntimeerde] wegens een tekort aan opdrachten van [appellant] de overeenkomst tussen partijen voortijdig beëindigd.
vi) Bij brief van rechtsbijstand-verzekeraar DAS van [appellant] van 25 februari 2022 is [geïntimeerde] aangesproken op schending van het exclusiviteitsbeding, erin bestaande dat zij tijdens de looptijd van het beding voor [bedrijf] op het project Muiderwaard in Alkmaar heeft gewerkt. [appellant] heeft aanspraak gemaakt op betaling van € 18.150 aan daarmee verschuldigd geworden boetes.
vii) [geïntimeerde] heeft bij brief van haar advocaat van 3 maart 2022 betwist dat zij voor [bedrijf] op het project Muiderwaard heeft gewerkt.
viii) Op 23 augustus 2023 heeft [appellant] de rechtbank verzocht om een voorlopig getuigenverhoor te bevelen ter bepaling van de omvang van de door haar gestelde werkzaamheden van [geïntimeerde] op het project Muiderwaard. Bij beschikking van 25 oktober 2023 is het verzoek van [appellant] toegewezen en op 17 januari 2024 zijn op verzoek van [appellant] drie getuigen gehoord; op haar verzoek is op 2 april 2024 nog een vierde getuige gehoord. Van de getuigenverhoren zijn processen-verbaal opgemaakt die zich bij de stukken bevinden.
ix) Bij brief van de advocaat van [appellant] van 21 augustus 2024 is [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling van een bedrag aan tot 1 juli 2022 verschuldigd geworden boetes van totaal € 312.500, onder aanzegging van rechtsmaatregelen bij gebreke van betaling.
x) Bij beschikking van 25 september 2024 is aan [appellant] verlof verleend om ten laste van [geïntimeerde] beslag te leggen tot zekerheid van verhaal van haar vordering begroot op € 405.000. [appellant] heeft op 8 oktober 2024 ten laste van [geïntimeerde] beslagen doen leggen op het bedrijfspand van [geïntimeerde] en onder derden.
xi) [geïntimeerde] heeft [appellant] in kort geding gedagvaard met een vordering tot opheffing van de door [appellant] gelegde beslagen. [appellant] heeft bij memorie van antwoord in het incident producties in het geding gebracht waaronder een op 5 februari 2026 opgemaakt proces-verbaal van opheffing van het beslag op het bedrijfspand van [geïntimeerde] en berichten van het kadaster en van de deurwaarder van 5 en 6 februari 2026 dat de beslagen op het bedrijfspand van [geïntimeerde] en onder [bedrijf] en ING-bank zijn opgeheven.
4. De eerste aanleg
[appellant] heeft bij de inleidende dagvaarding gevorderd - voor zover in hoger beroep nog van belang - verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] het exclusiviteitsbeding heeft geschonden en dat zij dat gedurende 127 dagen heeft gedaan en - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 317.500 aan verschuldigd geworden boetes, met rente, alsmede in de kosten van de procedure met rente. Aan de vordering is ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] met schending van het exclusiviteitsbeding 127 dagen voor [bedrijf] op het project Muiderwaard heeft gewerkt.
[geïntimeerde] heeft de vordering gemotiveerd bestreden.
De rechtbank heeft in het midden gelaten of [geïntimeerde] voor [bedrijf] op het project Muiderwaard heeft gewerkt. Zij heeft voor dat geval aangenomen dat [geïntimeerde] indirect via een andere hoofdaannemer voor [bedrijf] op het project Muiderwaard heeft gewerkt en dat het project Muiderwaard is te kwalificeren als een ander project, zodat de aan [geïntimeerde] verweten werkzaamheden - wat daar ook van zij - niet onder het bereik vallen van het exclusiviteitsbeding. De vordering is afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten.
5. Beoordeling in hoger beroep
in de hoofdzaak
Het hof ziet aanleiding om eerst grief 2 te behandelen. De grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de door [appellant] gestelde werkzaamheden van [geïntimeerde] voor [bedrijf] op het project Muiderwaard niet vallen onder het bereik van het exclusiviteitsbeding. De grondslag van dat oordeel is tweeledig. De grief ziet op beide onderdelen.
i) indirect via een andere hoofdaannemer
De rechtbank heeft als vaststaand aangenomen dat [bedrijf] de opdracht voor het project Muiderwaard voor de duur van het beding - in plaats van aan [geïntimeerde] - aan NSC heeft gegeven. Die vaststelling is gegrond op de door [geïntimeerde] overgelegde samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf] en NSC, aanneembonnen en facturen van NSC aan [bedrijf] en bewijzen van betalingen door [bedrijf] aan NSC en van betalingen door NSC aan de monteurs op het project. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] daarmee voldoende heeft onderbouwd dat voor de duur van het beding voor het project Muiderwaard geen directe contractuele relatie bestond tussen [bedrijf] en haarzelf en dat evenmin was gebleken dat [geïntimeerde] voor de duur van het beding direct (onderstreping hof) werkzaamheden voor [bedrijf] heeft verricht.
Volgens de grief is de overeenkomst met NSC een schijnconstructie in die zin - zo begrijpt het hof - dat tijdens de looptijd van het beding voor het project Muiderwaard tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] wel een directe contractuele relatie bestond en [geïntimeerde] wel direct werkzaamheden voor [bedrijf] op het project Muiderwaard heeft verricht. [appellant] voert in de grief samengevat aan (mvg onder 3.29) dat door [bedrijf] met [geïntimeerde] werd gecorrespondeerd, dat [geïntimeerde] in het Klicbeheer systeem stond en dat [bedrijf] in een gesprek met [appellant] heeft erkend dat feitelijk met [geïntimeerde] werd samengewerkt. Deze argumenten zijn ook in het kader van grief 1 aangevoerd (mvg onder 3.3) en daar onderbouwd met achtereenvolgens e-mails van [bedrijf] van 7 februari en 15 maart 2022, drie screenshots en een gespreksverslag van [bedrijf] van 8 juni 2022. In het kader van grief 1 is verder nog aangevoerd dat M. Sakkali als getuige heeft verklaard dat [geïntimeerde] met NSC, waarvan de eigenaren c.q. bestuurders familie zijn van elkaar, bezig waren een soort constructie op te zetten. Voorts is in grief 1 met een beroep op een whats-appbericht van de tekenaar van [bedrijf] gesteld dat [bedrijf] [geïntimeerde] als opdrachtgever aanmerkte (en niet NSC). Tot slot is in grief 1 met een beroep op foto’s uit januari 2022 gesteld dat op het project monteurs werkzaam waren die hesjes droegen van [geïntimeerde] .
De laatste drie argumenten in de toelichting op grief 1 zijn op zichzelf geen voldoende onderbouwing van de directe betrokkenheid van [geïntimeerde] bij het project Muiderwaard. De verklaring van de getuige Sakkali is daarvoor te algemeen, uit het whats-app bericht kan zonder verdere context niets worden afgeleid en dat monteurs op het project hesjes aan hadden van [geïntimeerde] kan er ook op wijzen dat [geïntimeerde] op dat project indirect heeft gewerkt. Daarbij komt dat de foto’s - waarvan maar één met een medewerker met een hesje van [geïntimeerde] - niet zijn te linken aan het project Muiderwaard. De toelichting van [appellant] gaat niet op reeds omdat - zoals [geïntimeerde] in eerste aanleg al heeft opgemerkt - niet blijkt waar en wanneer de foto’s zijn genomen. Dat geldt ook voor de onderbouwing van [appellant] van de andere drie argumenten. Daartegen heeft [geïntimeerde] - ook in eerste aanleg al - achtereenvolgens ingebracht dat de e-mail van 15 maart 2022 als bulk-e-mail naar alle onderaannemers is gestuurd (waaronder [appellant] en NSC), de screenshots niet afkomstig zijn uit het Klicbeheer systeem, maar uit een intern systeem van [bedrijf] , en in het gespreksverslag niet is vastgelegd dat [bedrijf] rechtstreeks met [geïntimeerde] heeft gecontracteerd, enkel hoe [appellant] tegen de situatie met [geïntimeerde] aankeek. Daarmee is de door [appellant] gegeven onderbouwing niet redengevend voor de door haar gestelde schijnconstructie. De gestelde schijnconstructie is ook anderszins niet onderbouwd. Van een schijnconstructie kan daarom niet worden uitgegaan, zodat de overeenkomst tussen [bedrijf] en NSC als een reële overeenkomst wordt beschouwd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de door [geïntimeerde] onbesproken gelaten e-mail van [bedrijf] van 7 februari 2022 blijkens de hoeveelheid geadresseerden (onder wie ook hier [appellant] zelf en NSC) ook een bulk-e-mail is, en dus evenmin redengevend is in dit verband.
De grief bevat verder de klacht dat NSC geen hoofdaannemer was in de zin van het beding. De klacht is ongegrond. De hoedanigheid van hoofdaannemer is relatief, afhankelijk van de relatie tot de wederpartij. Zo was Nuts Infra op het eerdere project van [bedrijf] tegelijkertijd zowel hoofdaannemer in relatie tot K&L als onderaannemer in relatie tot [bedrijf] . Het wordt ervoor gehouden dat het bestanddeel hoofdaannemer enkel is bedoeld als uitwerking van het bestanddeel indirect en dat met hoofdaannemer in het beding wordt gedoeld op een derde partij tussen de opdrachtgever ( [bedrijf] ) en de onderaannemer die feitelijk is belast met de uitvoering van het werk, zoals [appellant] zelf de tussenliggende partij was tussen [bedrijf] en [geïntimeerde] op het eerdere project van [bedrijf] . Dat NSC om een veelheid van redenen (mvg onder 3.15) de kwaliteiten mist die nodig zijn voor een project als Muiderwaard, is door [geïntimeerde] voldoende weerlegd met een schriftelijke verklaring van Soraya Ekkel, destijds verantwoordelijke voor projectbeheer binnen [bedrijf] . Daarin staat dat NSC eerder al projecten voor [bedrijf] had gedaan en na het project Muiderwaard is blijven doen. Verder kan uit die verklaring worden afgeleid dat de vereiste ervaring van een onderaannemer afhankelijk is van de complexiteit van een project en dat het bij het project Muiderwaard om gestandaardiseerd en ongecompliceerd werk ging (flats), waarop dus ook een (volgens Nuts Infra:) minder ervaren onderaannemer als NSC kon worden gezet. De klacht van Nuts Infra dat [geïntimeerde] in het voorlopig getuigenverhoor Ekkel niet in contra-enquête heeft doen horen, gaat niet op. Nuts Infra had Ekkel immers zelf ook als getuige kunnen doen horen. Dat de betrouwbaarheid van de verklaring van Ekkel niet onder ede is getoetst, heeft Nuts Infra dus aan zich zelf te wijten. Verder is tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] niet komen vast te staan dat Ekkel door [bedrijf] op staande voet is ontslagen en ook overigens is er geen grond om aan de betrouwbarheid van de verklaring van Ekkel te twijfelen.
een ander project
In de grief wordt verder bepleit dat met een ander project in het exclusiviteitsbeding een volledig nieuw project is bedoeld, waar [appellant] niet bij betrokken was en geen kennis van had. Volgens [appellant] gold dat niet voor het project Muiderwaard omdat zij daarvoor al voorbereidingen had getroffen en zij op grond van de voorkeursovereenkomst met [bedrijf] mocht verwachten dat haar de opdracht zou worden gegund (mvg onder 3.39). Die uitleg vindt geen steun in de bewoordingen van het beding en er zijn geen bijkomende verklaringen en/of gedragingen gesteld dat [geïntimeerde] dat redelijkerwijs zo heeft kunnen en moeten begrijpen. Bovendien viel het project Muiderwaard niet binnen het door [appellant] met [bedrijf] afgesproken werkgebied; dat zijn de postcodes 16 en 17, terwijl [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat het bij het project Muiderwaard om postcodegebied 18 ging. Niet is in geschil dat het project Muiderwaard een nieuw project was dat bij het uit elkaar gaan van partijen nog moest beginnen. In aanmerking nemende voorts dat K&L niet onredelijk in haar broodwinning mag worden beperkt, brengt een redelijke uitleg mee dat het project Muiderwaard moet worden gekwalificeerd als een ander project.
Met het falen van grief 2 kan ook in hoger beroep in het midden worden gelaten of K&L daadwerkelijk werkzaamheden op het project Muiderwaard heeft verricht. Ook als veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat zij werkzaamheden op dat project heeft verricht, vallen die werkzaamheden buiten het toepassingsbereik van dat beding, omdat dan het ervoor moet worden gehouden zij dat indirect via een andere hoofdaannemer heeft gedaan op een ander project. Daarmee heeft [appellant] bij een bespreking van grief 1 geen belang meer. Dat geldt bij gebreke van een zelfstandige toelichting ook voor de resterende grieven 3 en 4.
De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Aan bewijslevering is niet toegekomen omdat het aangeboden bewijs niet van belang is voor de uitkomst van de zaak. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.
De kostenveroordeling van [appellant] is opgebouwd uit:
- griffierecht € 6.803
- salaris advocaat € 4.707
Totaal € 11.510
in het incident
Bij de uitkomst van de hoofdzaak zijn de beslagen gelegd voor een ondeugdelijke vordering. Uit de door [appellant] bij memorie van antwoord in het incident overgelegde producties blijkt dat de beslagen inmiddels zijn opgeheven. [geïntimeerde] heeft echter op die producties niet kunnen reageren; die kunnen daarom niet zonder meer voor juist worden gehouden. Voor zover nodig zal de vordering worden toegewezen, met - als door [geïntimeerde] gevorderd - veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident. Als de beslagen inmiddels zijn opgeheven, is de vordering bij gebrek aan belang niet toewijsbaar. Voor dat geval zullen de kosten - als door [appellant] gevorderd - worden gecompenseerd.
De kostenveroordeling van K&L is alsdan opgebouwd uit:
- salaris advocaat € 2.353,50
6. Beslissing
Het hof:
in de hoofdzaak
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 11.510, bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na dit arrest tot de dag van betaling;
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in het incident
hetzij, voor zover nodig:
veroordeelt [appellant] tot opheffing van de gelegde beslagen op straffe van een dwangsom van € 2.500 voor iedere dag dat zij daarmee in gebreke blijft;
veroordeelt voor dat geval [appellant] in de kosten van het incident aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 2.353,50, bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na dit arrest tot de dag van betaling;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
hetzij, voor zover de beslagen al in februari 2026 zijn opgeheven:
wijst de vordering af;
compenseert de kosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, A.S. Arnold en R.J.Q. Klomp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.