Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging, in zoverre zal het vonnis worden vernietigd en met dien verstande dat het hof:
Oplegging van straffen
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Voor het onder 2 bewezenverklaarde heeft de rechtbank een voorwaardelijke geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren opgelegd.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, met daarbij een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft zij gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 750,00.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachten schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop. Zij hebben de weg na het verrichten van oogstwerkzaamheden onvoldoende schoongemaakt en daarmee een gevaarlijke situatie op die weg gecreëerd. Het slachtoffer is met zijn bromfiets uitgegleden over de gladde modder op de weg, waarna hij is gevallen en tegen een tegemoetkomende auto is aangebotst en is overleden.
Aan de nabestaanden van het slachtoffer is hiermee onherstelbaar leed toegebracht. De moeder van het slachtoffer heeft in haar verklaring, zoals zij die ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen, het enorme verdriet beschreven die het gezin ervaart sinds het verlies van hun zoon en broer.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op hetgeen de verdachte over zijn huidige persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht tijdens de zitting in hoger beroep.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 13 januari 2026 is hij niet eerder onherroepelijk veroordeeld.
Strafoplegging
Feit 1 primair
Evenals de rechtbank onderkent het hof dat geen enkele straf de gevolgen die de nabestaanden nog dagelijks ondervinden, kan wegnemen. In de strafoplegging komt tot uitdrukking dat de verdachte een aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft begaan, maar het gevolg daarvan nooit heeft gewild.
Bij de beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft het hof gekeken naar de geldende LOVS-oriëntatiepunten. Het LOVS geeft voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval waarbij sprake is van een aanmerkelijke mate van schuld, als oriëntatiepunt een taakstraf van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van één jaar.
Het hof ziet aanleiding om anders dan de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal een hogere straf op te leggen. Het hof acht dit passend gelet op de eerder genoemde LOVS-oriëntatiepunten. Het hof zal bij strafoplegging wel rekening houden met het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde feit en het gegeven dat de verdachte niet eerder en ook nadien niet meer is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 150 uur waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden.
Anders dan de rechtbank is het hof overigens van oordeel dat de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, niet is overschreden. Het hof merkt daarbij op dat de termijn in eerste aanleg pas is begonnen vanaf de dagvaarding van de verdachte in 2024.
Evenals de rechtbank acht het hof een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, in deze zaak niet passend is. Een ontzegging komt vooral in beeld als er sprake is van gevaarlijk rijden met een voertuig. Dat is in deze zaak niet aan de orde, omdat het gaat om het niet goed schoonmaken van de weg in het kader van oogstwerkzaamheden. Het voorwaardelijk gedeelte van de taakstraf moet de verdachte er wel van weerhouden opnieuw in de fout te gaan bij oogstwerkzaamheden die hij blijkens zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep nog steeds verricht.
Feit 2
Voor het onder 2 bewezenverklaarde feit zal het hof – net als de rechtbank – een voorwaardelijke geldboete van € 750,00 opleggen met een proeftijd van twee jaren.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur en een voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 55 en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 175 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. H.A. van Eijk en mr. A.W.T. Klappe, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 februari 2026.
Mr. Van Eijk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.