GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.359.402/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/361926 / HA ZA 25-69
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] , België,
appellant,
advocaat: mr. H.C.J. Oomen te Beuningen,
tegen
TRANSAVIA AIRLINES C.V.,
gevestigd te Schiphol,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.I. Niesert te Rotterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Transavia genoemd.
1. De zaak in het kort
Bij het boarden van een Transavia-vlucht op de luchthaven Eindhoven heeft zich een incident voorgedaan tussen [appellant] en een gate-agent van Transavia. Daarom heeft Transavia [appellant] voor vijf jaar op haar ‘no fly list’ geplaatst. Groepsmaatschappijen KLM en KLM Cityhopper hebben dit ook gedaan. [appellant] vordert Transavia te veroordelen hem te schrappen van de ‘no fly list’ en ervoor te zorgen dat [appellant] ook van de ‘no fly list’ van KLM wordt verwijderd. Daarnaast vordert [appellant] schadevergoeding. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Het hof komt tot hetzelfde oordeel.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 29 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 13 augustus 2025 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Transavia als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis;
- memorie van antwoord.
Op 17 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Transavia heeft nog een productie in het geding gebracht. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] en zijn echtgenote hebben tickets geboekt voor een vlucht van Transavia op 23 juli 2024 vanaf Eindhoven naar Palma de Mallorca. Daarbij hebben zij ook betaald voor ruimbagage. Daarmee is een vervoersovereenkomst tot stand gekomen. Op die overeenkomst heeft Transavia haar Algemene Vervoersvoorwaarden (hierna: de vervoersvoorwaarden) van toepassing verklaard.
In artikel 7 lid 1 van de vervoersvoorwaarden staat onder meer dat Transavia het recht heeft het vervoer van een passagier of zijn bagage te weigeren om redenen van orde en veiligheid, of indien, naar het redelijk oordeel van Transavia, deze maatregel noodzakelijk is:
b. omdat de Passagier niet de redelijke instructies heeft nageleefd, die Vervoerder gegeven heeft om een veilig, efficiënt en comfortabel Vervoer voor alle Passagiers te verzekeren of om in staat te zijn aan zijn verplichtingen tegenover andere Passagiers te voldoen;
c. omdat de Passagier uitlatingen heeft gedaan of zulk gedrag heeft getoond, die twijfel doen ontstaan met betrekking tot het veilig Vervoer van deze persoon, andere Passagiers bemanningsleden alsmede de veiligheid van het luchtvaartuig. Dergelijke uitlatingen en/of gedrag omvat(ten) tevens dreigende, grove of beledigende taal en/of gedrag richting het grondpersoneel (…);
(…)
e. omdat het toepasselijke tarief of verschuldigde toeslagen (…), kosten of heffingen niet betaald zijn (…);
(…)
k. omdat de Passagier de veiligheid, goede orde en/of discipline in gevaar gebracht heeft voorafgaand aan de vlucht (…).
Artikel 7 lid 2 van de vervoersvoorwaarden luidt:
2. Besluit tot beperking of weigering vervoer Transavia
Indien de Passagier voor of tijdens een eerdere vlucht van Transavia de veiligheid, goede orde en/of discipline (ernstig) in gevaar heeft gebracht, dan kan Transavia, geheel naar eigen inzicht, besluiten de Passagier en zijn/haar Bagage:
a. voor een periode van drie jaar uitsluitend onder aanvullende voorwaarden toe te laten aan boord van vluchten van Transavia.; of
b. voor een periode van, in beginsel, vijf jaar te weigeren aan boord van vluchten van Transavia Airlines C.V.
Op 22 juli 2024 heeft Transavia een e-mail aan (de echtgenote van) [appellant] gezonden met de melding dat vanaf dat moment online ingecheckt kon worden. In de e-mail staat verder onder meer:
Ѵ 1 stuk handbagage (40 x 30 x 20 cm). Bijvoorbeeld een kleine rugzak of handtas. Deze plaats je altijd onder de stoel voor je.
Ѵ Goed om te weten:
Je hebt geen cabinebagage bijgeboekt. Wil je toch een extra stuk bagage (55 x 35 x 25 cm), zoals een trolley mee in de cabine? Boek dit dan bij in Mijn Transavia vóórdat je online incheckt.
[appellant] heeft online ingecheckt, maar geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid alsnog cabinebagage bij te boeken.
Op 23 juli 2024 hebben [appellant] en zijn echtgenote zich gemeld bij boarding gate 8 van de luchthaven Eindhoven. Zij hadden een trolley bij zich die zij mee wilden nemen in de cabine. De gate-agent heeft [appellant] daarop gezegd dat hij moest bijbetalen voor de trolley, omdat deze te groot was voor handbagage. [appellant] heeft dit geweigerd en is enige tijd bij de gate blijven staan, waarbij hij anderen verhinderde te boarden. Vervolgens zijn [appellant] en zijn echtgenote het boardingloket voorbij gelopen en in de pre-boardruimte gaan zitten. Toen de andere passagiers het boardingtraject doorlopen hadden, is [appellant] naar de gate-agent gelopen met de vraag hoe dit nu kon worden opgelost. De gate-agent heeft [appellant] toen gezegd dat hij inmiddels van de vlucht was gehaald. [appellant] heeft de gate-agent naar zijn naam gevraagd. De gate-agent heeft geweigerd die te geven. [appellant] heeft de gate-agent vervolgens bij zijn schouder of nek gepakt. Met zijn andere hand heeft [appellant] de keycord met de personeelspas van de nek van de gate-agent getrokken, waarbij de keycord brak. Hierbij is de gate-agent bovendien ten val gekomen. [appellant] heeft daarna de op de grond gevallen personeelspas opgeraapt om de naam van de gate-agent te weten te komen. Hij is met de pas aan de balie gaan staan om de naam op te schrijven. Een collega van de gate-agent heeft de pas van [appellant] afgepakt. Daarna heeft [appellant] geprobeerd met zijn telefoon een of meer foto’s of video’s van de betrokken gate-agent te maken. Agenten van de gealarmeerde Koninklijke Marechaussee hebben [appellant] aangehouden en hem geboeid meegenomen.
De gate-agent heeft de volgende dag aangifte gedaan. Het Openbaar Ministerie heeft aan deze aangifte opvolging gegeven door een strafbeschikking uit te vaardigen. Daarin is aan [appellant] een boete opgelegd van € 400,00. [appellant] heeft daartegen verzet ingesteld. De zaak is vervolgens door de politierechter behandeld, die [appellant] heeft veroordeeld tot betaling van deze boete wegens mishandeling van de gate-agent. [appellant] is hiertegen niet in hoger beroep gegaan.
Op 30 juli 2024 heeft Transavia [appellant] een ‘Notice of Refusal of Carriage’ gezonden. Daarin deelt Transavia [appellant] mee dat hij voor een periode van vijf jaar niet als passagier toegelaten zal worden op vluchten van Transavia en haar partner KLM. Transavia schrijft daarbij onder meer het volgende:
We, Transavia Airlines C.V. (“Transavia”) , hereby inform you that as a consequence of your unruly behavior you will be denied transportation on all flights carried out by Transavia and our partner company KLM Royal Dutch Airlines N.V. (“KLM”) .
Reason for refusal of carriage
This decision was taken for the following reason(s). On 23-7-2024 you have travelled or intended to travel with Transavia (…). During or prior to this flight you have shown unruly behavior by means of:
Using unacceptable language towards a crew member/ground staff
Not following the instructions of our staff/crew
Behaving physically abusive towards a crew member/ground staff
Consequences of refusal of carriage
Airlines are under an obligation to guarantee the flight safety of the crew, aircraft and other passengers and your unruly behavior has put that safety at risk.
Due to the severe nature of your actions and in accordance with Transavia’s General Conditions of Carriage you will not be accepted as a passenger on any flights carried out by Transavia and our partner company KLM for a period of 5 years effective from 23-7-2024 and ending on 23-7-2029.
(…)
Existing bookings with Transavia or KLM are no longer valid and will be refunded.
(…)
If you believe an error has been made, you can contact Transavia (…).
[appellant] heeft Transavia bij brief van zijn advocaat van 1 augustus 2024 verzocht de maatregel in te trekken. Daarbij heeft [appellant] onder meer naar voren gebracht dat hij betreurt dat de beslissing is genomen zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen zijn kant van het voorval toe te lichten, te meer omdat hij t zeer regelmatig (acht tot tien keer per jaar) vliegt en heeft gevlogen met zowel Transavia als KLM en hij (onder meer) Amex/Flying Blue Platinum Card-houder is. Hij heeft betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan fysiek geweld en gezegd dat hij zich daarom niet herkent in de wijze waarop Transavia het voorval heeft beschreven.
Vervolgens hebben partijen gedurende vier maanden gecorrespondeerd. In de correspondentie heeft [appellant] onder meer excuses aangeboden aan de gate-agent, verzocht om een gesprek en gezegd dat de maatregel disproportioneel is, ook omdat de gate-agent onredelijke instructies heeft gegeven. Transavia is niet ingegaan op het verzoek om een gesprek en heeft haar besluit gehandhaafd.
Door de plaatsing op de ‘no fly list’ heeft [appellant] geen gebruik kunnen maken van een aantal tickets voor vluchten met Transavia en KLM die hij eerder al (voor hemzelf en zijn echtgenote) had gekocht, waaronder tickets voor KLM-vluchten naar en van Zuid-Afrika. De echtgenote van [appellant] heeft besloten eveneens af te zien van deze vluchten. KLM heeft gedurende de hogerberoepsprocedure de kosten voor het ticket naar en van Zuid-Afrika van [appellant] terugbetaald, die voor het ticket van diens echtgenote niet.
[appellant] is een kort geding gestart. Bij vonnis van 24 december 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland Transavia veroordeeld om [appellant] in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure van de ‘no fly list’ te halen. Transavia heeft hieraan gevolg gegeven.
[appellant] heeft Transavia op 21 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij heeft geleden door de plaatsing op de ‘no fly list’ gedurende de periode 30 juli 2024 tot en met 2 januari 2025. In een meegestuurd overzicht heeft [appellant] zijn schade berekend op € 10.005,63.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd om Transavia te veroordelen:
[appellant] binnen twee werkdagen na het vonnis definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ te halen;
KLM binnen twee werkdagen na het vonnis schriftelijk mee te delen dat Transavia op grond van het vonnis [appellant] definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ moet halen, met mededeling van de verplichting voor KLM om binnen twee werkdagen na de mededeling [appellant] definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ van KLM te halen;
een dwangsom aan [appellant] te betalen van € 5.000,00 voor iedere werkdag dat Transavia in gebreke blijft om gevolg te geven aan een van beide of beide veroordelingen;
aan [appellant] een schadevergoeding te betalen van € 10.005,63, met handelsrente;
de proceskosten te betalen, met rente.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Zij heeft aan dit oordeel in de kern ten grondslag gelegd dat [appellant] , in het licht van de betwisting door Transavia, onvoldoende heeft onderbouwd dat Transavia onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat het besluit om [appellant] op de ‘no fly list’ te plaatsen niet onrechtmatig is, komt de gevorderde schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking, aldus de rechtbank.
5. Hoger beroep
[appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert, na eiswijziging:
te verklaren voor recht dat Transavia onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] en zijn echtgenote op 23 juli 2024 van hun vlucht naar Palma de Mallorca te halen en door ten aanzien van [appellant] een ‘no fly besluit’ te nemen;
Transavia te veroordelen om binnen vijf dagen na dit arrest [appellant] definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ te halen;
Transavia te veroordelen om KLM binnen vijf dagen na het arrest schriftelijk mee te delen dat [appellant] op grond van dit arrest definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ moet worden gehaald, met mededeling van de verplichting voor KLM om binnen vijf dagen na de mededeling van Transavia [appellant] definitief en onvoorwaardelijk van de ‘no fly list’ van KLM te halen;
Transavia te veroordelen tot het betalen van een dwangsom aan [appellant] van € 5.000,00 voor iedere werkdag dat zij in gebreke blijft om gevolg te geven aan een van beide of beide veroordelingen;
Transavia te veroordelen om aan [appellant] een schadevergoeding te betalen van € 6.277,86, met handelsrente;
Transavia te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.
Transavia concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] , met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep, inclusief nakosten.
6. Beoordeling
[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Met zijn grieven betoogt [appellant] in de kern dat (hij wel degelijk voldoende heeft onderbouwd dat) Transavia onrechtmatig heeft gehandeld door hem van de vlucht van 23 juli 2024 te halen en hem op de ‘no fly list’ te plaatsen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
[appellant] woont in België. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. De rechtsmacht van dit hof is terecht niet in geschil. Immers, op grond van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (Brussel I-bis) wordt de bevoegdheid van de rechter gebaseerd op de woonplaats van de verweerder. Omdat Transavia in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse rechter bevoegd. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van de vorderingen van [appellant] . Ook dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Geen onrechtmatig handelen van Transavia
[appellant] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat Transavia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het is aan [appellant] om feiten en omstandigheden te stellen – en bij betwisting te bewijzen – waaruit blijkt dat aan de vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan.
[appellant] heeft aangevoerd dat de opgelegde sanctie disproportioneel is, onder meer wanneer zijn handelen op 23 juli 2024 wordt vergeleken met veel ergere vergrijpen waarvoor Transavia eenzelfde sanctie oplegt. [appellant] is het er niet mee eens dat Transavia vrij zou zijn in de wijze waarop zij invulling geeft aan haar vervoersvoorwaarden. Hij meent bovendien dat Transavia die vervoersvoorwaarden onjuist en onzorgvuldig, en dus maatschappelijk onbetamelijk en met misbruik van bevoegdheid, heeft toegepast. Van Transavia mocht namelijk worden verwacht dat zij voorafgaand aan het nemen van het besluit navraag bij [appellant] zou hebben gedaan. Een sanctie als het plaatsen op de ‘no fly list’ heeft grote gevolgen en is diffamerend voor [appellant] (een ‘frequent flyer’). Alvorens op rechtmatige wijze tot zo’n sanctie over te gaan, behoort Transavia eerst de feiten zorgvuldig vast te stellen. Dat is volgens [appellant] niet gebeurd; Transavia heeft geweigerd hem te horen, heeft de camerabeelden van het gebeurde niet aan [appellant] ter beschikking gesteld, de nadere verklaring van de gate-agent wijkt af van zijn aangifte en de door het grondpersoneel afgelegde verklaringen dateren van geruime tijd na 23 juli 2024. Dit alles is in strijd met het kernbeginsel van een ‘fair trial’ (zoals neergelegd in artikel 6 EVRM). Ook de rechtbank heeft niet mogen uitgaan van de juistheid van de overgelegde verklaringen en had alle getuigen, inclusief [appellant] en zijn echtgenote, moeten horen. Transavia is de feiten bovendien gaandeweg steeds zwaarder gaan aanzetten. [appellant] heeft geen fysiek geweld gepleegd en dus geen fysiek ontoelaatbaar gedrag vertoond. Het is onbegrijpelijk en onzorgvuldig dat Transavia geen betekenis heeft willen toekennen aan het feit dat er geen reden was voor de gate-agent om [appellant] op de vlucht te weigeren. Het voorval met de personeelspas zou zich niet hebben voorgedaan als de gate-agent met oog voor de belangen van [appellant] (een ‘frequent flyer’ die niet op de hoogte was van de beleidswijziging ten aanzien van handbagage) een praktische oplossing zou hebben voorgesteld, aldus steeds [appellant] .
Het hof oordeelt, net als de rechtbank, dat [appellant] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat Transavia onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Het hof legt aan dit oordeel het volgende ten grondslag.
Uit de vervoersvoorwaarden volgt – kort gezegd – dat Transavia het recht heeft om te besluiten een passagier (voor een periode van vijf jaar) te weigeren aan boord van vluchten indien deze voor een vlucht de veiligheid, goede orde en/of discipline (ernstig) in gevaar heeft gebracht (zie 3.2 hierboven).
Transavia heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat zij een zerotolerancebeleid voert en dat de hiervoor aangehaalde bepalingen in de vervoersvoorwaarden daarop zien. Transavia voert dit beleid met het oog op de veiligheid, die steeds meer in het gedrang komt vanwege een toenemend aantal incidenten met passagiers. Volgens Transavia zijn er diverse niveaus (‘levels’) van wangedrag (‘unruly behavior’) in de zin van de vervoersvoorwaarden. Het eerste level is enkel verstorend gedrag (als [appellant] het enkel bij woorden had gelaten), bij level 2 gaat het om fysiek ontoelaatbaar gedrag. Dat is hier aan de orde; de mishandeling van de gate-agent staat vast. Daarbij komen de andere gedragingen van [appellant] . Hierbij passen besluiten zoals deze zijn genomen, aldus Transavia. Bij (nog) ernstiger gedrag is het overigens mogelijk een zwaardere sanctie op te leggen, en wel op grond van artikel 7 lid 3 van de vervoersvoorwaarden, zo heeft Transavia nog toegelicht.
Vast staat dat [appellant] de gate-agent bij zijn schouder of nek heeft gepakt en met zijn andere hand de keycord met de personeelspas van de nek van de gate-agent heeft getrokken, waarbij de keycord brak. Hierbij is de gate-agent bovendien ten val gekomen. De politierechter heeft dit handelen van [appellant] als mishandeling aangemerkt (zie 3.5 en 3.6 hierboven). Het hof heeft geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Niet in geschil is bovendien dat [appellant] heeft geweigerd bij te betalen voor zijn bagage, het toegangspoortje heeft geblokkeerd en daarmee andere passagiers heeft gehinderd, zonder toestemming in de pre-boardruimte is gaan en blijven zitten, zonder toestemming foto’s heeft gemaakt van personeel en de personeelspas van de gate-agent heeft geweigerd terug te geven.
Transavia heeft dit handelen van [appellant] kunnen aanmerken als ‘level 2 unruly behavior’. Door het niet naleven van redelijke instructies, het hinderen van andere passagiers en, bovenal, het mishandelen van de gate-agent, kon bij Transavia gerede twijfel ontstaan omtrent het veilige vervoer van [appellant] , overige passagiers en de bemanning en de veiligheid van het vliegtuig, een en ander zoals bedoeld in artikel 7 (lid 2) van de vervoersvoorwaarden (op grond waarvan het besluit tot plaatsing op de ‘no fly list’ is genomen). De gate-agent heeft bovendien in het niet-naleven van redelijke instructies (het niet willen bijbetalen voor de bagage en zonder toestemming plaatsnemen in de pre-boardruimte) en het hinderen van andere passagiers aanleiding kunnen zien om [appellant] te weigeren op de vlucht, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 van de vervoersvoorwaarden.
Dat [appellant] een ‘frequent flyer’ is, doet aan dit alles niet af; ook ‘frequent flyers’ moeten redelijke instructies opvolgen en zich onthouden van ontoelaatbaar gedrag. Onder al deze omstandigheden gaat het bovendien niet aan om de verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd bij de gate-agent te leggen, zoals [appellant] wel lijkt te doen. Veiligheid in de luchtvaartsector is een groot goed en het is begrijpelijk dat het voor luchtvaartmaatschappijen noodzakelijk is om een streng veiligheidsbeleid te voeren.
Hoewel het Transavia zou hebben gesierd als zij [appellant] de gelegenheid zou hebben gegeven zijn verhaal te doen in een persoonlijk gesprek, volgt het hof [appellant] niet in zijn standpunt dat Transavia hiermee het in artikel 6 EVRM neergelegde ‘fair trial’-beginsel heeft geschonden. Nog los van het gegeven dat Transavia geen gerecht is in de zin van dit artikel en er (daarom) geen rechtsregel bestaat die Transavia tot horen verplicht, heeft zij [appellant] immers wel uitvoerig schriftelijk gehoord (zie 3.9 hierboven). Dat Transavia hierin geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op haar beslissingen, maakt deze op zichzelf niet onrechtmatig. Over het hierboven in 3.5 en 6.8 weergegeven feitencomplex bestaat bovendien geen discussie. De omstandigheden dat de camerabeelden niet ter beschikking zijn gesteld, dat de nadere verklaring van de gate-agent afwijkt van zijn aangifte en dat de getuigenverklaringen ruim een half jaar na het incident zijn opgesteld, wat hiervan verder ook zij, maken dan ook niet dat Transavia tot andere besluiten had moeten komen.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat Transavia in redelijkheid heeft kunnen besluiten om [appellant] te weigeren op de vlucht en hem voor de duur van vijf jaar op haar ‘no fly list’ te plaatsen. Zij heeft hiermee niet onrechtmatig gehandeld jegens [appellant] .
De vordering tot terugbetaling van de kosten van het ticket van de echtgenote van [appellant] naar Zuid-Afrika, is op een andere grondslag evenmin toewijsbaar. Het betreft immers een KLM-ticket en KLM is geen partij in deze procedure. Transavia kan niet worden veroordeeld tot betaling van deze (schade)vergoeding.
Alle grieven en vorderingen van [appellant] stuiten op het voorgaande af.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Ten dele omdat [appellant] in het licht van de vaststaande feiten en tegenover de gemotiveerde betwisting van Transavia te weinig heeft gesteld, en verder omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van concrete stellingen die, indien bewezen, kunnen leiden tot een andere beslissing. [appellant] heeft immers niet toegelicht wat de door hem genoemde getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al gedaan hebben.
[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van Transavia. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 1.824,00 (tarief I, twee punten)
Totaal € 2.651,00.
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.651,00;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.J.W. Pulles, A.S. Arnold en I. de Greef en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.