ECLI:NL:GHAMS:2026:2509

ECLI:NL:GHAMS:2026:2509

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 200.356.256
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Borgtocht. Verjaring – artikel 3:323 lid 3 BW. Vordering van bank uit hoofde van borgtocht gedekt door hypotheek? Toepassing van objectieve uitlegmaatstaf.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.356.256/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/747437 / HA ZA 24-231

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026

in de zaak van

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.M.A.C. van Dort te Amsterdam.

Partijen worden hierna ING en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

ING vordert betaling door [geïntimeerde] van € 50.000 uit hoofde van een overeenkomst van borgtocht. De rechtbank heeft de vordering afgewezen omdat deze is verjaard. Volgens de rechtbank is op de vordering van ING een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing en heeft ING aanspraak op betaling gemaakt nadat deze termijn was verlopen. Het hof oordeelt anders. De vordering van ING is gedekt door een recht van hypotheek. Voor zo een vordering geldt een verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:323 lid 3 BW). Toen ING aanspraak op betaling maakte, was deze termijn niet verlopen. Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst de vordering van ING alsnog toe.

2. Het geding in hoger beroep

ING is bij dagvaarding van 25 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 4 december 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen ING als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

Op 17 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Voor [geïntimeerde] heeft ook mr. J. Blakborn, advocaat te Amsterdam, het woord gevoerd. ING heeft bij deze gelegenheid aanvullende producties in het geding gebracht.

Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden voor overleg tussen partijen. Ten slotte is op de rol van 12 mei 2026 arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

In 2001, 2003 en 2007 zijn ten gunste van ING hypotheekrechten gevestigd op – eenvoudig gezegd – een woning waarvan op dat moment [geïntimeerde] en haar inmiddels overleden partner eigenaar waren. Deze hypotheekrechten hielden verband met door [geïntimeerde] en haar partner bij ING afgesloten privéleningen.

[geïntimeerde] was van 2008 tot 2014 indirect bestuurder van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] heeft in 2009 een kredietovereenkomst met ING gesloten, bestaande uit een lening van € 550.000 en een rekening-courantkrediet met een kredietlimiet van € 187.000 (hierna samen: de hoofdschuld). In de kredietovereenkomst is bepaald dat de kredietlimiet van het rekening-courantkrediet per kwartaal met € 25.000 werd verlaagd. Daarbij is afgesproken dat [geïntimeerde] als zekerheid voor terugbetaling van de hoofdschuld een overeenkomst tot borgtocht met ING zou aangaan voor een bedrag van € 50.000 (hierna: de borgtocht).

Partijen hebben op 12 februari 2009 een overeenkomst ondertekend waarboven staat ‘Borgakte’ (hierna: de borgakte). In de borgakte staat onder meer: "(…) de borg [ [geïntimeerde] , hof] verklaart zich hierbij (...) ten behoeve van (…) ING (...) te stellen tot borg voor de na te noemen hoofdschuldenaar, tot een bedrag van ten hoogste EUR 50.000,- (...)”. [bedrijf] wordt in de borgakte als hoofdschuldenaar genoemd.

Op 10 mei 2010 en 7 oktober 2011 is de kredietlimiet van het rekening-courantkrediet opgehoogd met een bedrag van respectievelijk € 59.000 en € 50.000. In de documentatie die hierop betrekking heeft, is in beide gevallen bij “Reeds gevestigde zekerheden” een borgstelling voor een bedrag van € 50.000 van [geïntimeerde] vermeld.

[bedrijf] is haar verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet nagekomen. ING heeft de kredietfaciliteit van [bedrijf] in een brief van 27 augustus 2015 beëindigd waarbij de uitstaande kredietsom (volgens de brief voor [bedrijf] ruim € 376.000) opeisbaar is gesteld. In de periode daarna hebben partijen getracht om alsnog tot een voortzetting van de kredietfaciliteit te komen, maar dit bleek niet mogelijk. ING heeft bij brief van 9 augustus 2016 aan (onder andere) [bedrijf] en gericht aan (onder andere) [geïntimeerde] , laten weten dat de kredietfaciliteit niet zou worden voortgezet en dat het krediet voor de verdere afwikkeling zou worden overgedragen aan de incassogemachtigde van ING.

Na een periode zonder communicatie heeft de incassogemachtigde van ING, bij brief van 13 januari 2021, [geïntimeerde] voor het eerst aangeschreven over de openstaande schuld van [bedrijf] . Volgens die brief bedroeg de openstaande schuld van [bedrijf] op dat moment ruim € 1,15 miljoen. Op 26 augustus 2021 heeft de incassogemachtigde bij [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op betaling van de borgtocht, waarbij [geïntimeerde] een betalingstermijn van veertien dagen is gegeven. De brief bevat de mededeling dat indien niet op tijd wordt betaald, het openstaande bedrag zal worden opgeëist en dat dit zal worden verhoogd met wettelijke rente. Dit heeft niet geleid tot enige betaling door [geïntimeerde] .

4. Procedure bij de rechtbank

ING heeft bij de rechtbank gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van (i) een bedrag van € 50.000 met rente, (ii) een bedrag van € 1.542,75 aan buitengerechtelijke incassokosten ook met rente, en (iii) de proceskosten met rente.

[geïntimeerde] heeft onder meer het verweer gevoerd dat de vordering is verjaard. De rechtbank heeft dit verweer gegrond bevonden. Zij heeft de vorderingen van ING afgewezen en ING in de proceskosten veroordeeld.

5. Vordering in hoger beroep

ING vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van ING, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6. Beoordeling

ING komt met tien grieven op tegen het bestreden vonnis. ING klaagt met de grieven 1 – 6 over het oordeel van de rechtbank dat op de vordering van ING uit hoofde van de borgtocht de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 3:307 BW van toepassing is. ING betoogt dat op deze vordering een verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is omdat haar vordering op [geïntimeerde] moet worden aangemerkt als een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt (artikel 3:323 lid 3 BW). Als die verjaringstermijn van toepassing is, dan is de vordering niet verjaard, aldus ING. Met de grieven 7 – 10 keert ING zich tegen het oordeel van de rechtbank dat, uitgaande van een verjaringstermijn van vijf jaar, haar vordering op [geïntimeerde] is verjaard.

Verjaring?

De grieven 1 – 6 stellen aan de orde welke verjaringstermijn op de vordering van ING van toepassing is. Niet in geschil is dat voor een vordering uit borgtocht op grond van artikel 3:307 lid 1 BW in beginsel een verjaringstermijn van vijf jaar geldt. De vraag is of dat in deze zaak anders is, en op grond van artikel 3:323 lid 3 BW een verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is op de vordering van ING. Als de verjaringstermijn 20 jaar bedraagt dan is, zo heeft ING onweersproken aangevoerd, haar vordering op [geïntimeerde] niet verjaard.

Artikel 3:323 lid 3 BW luidt als volgt:

De rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis tot zekerheid waarvan een hypotheek strekt, verjaart niet voordat twintig jaren zijn verstreken na de aanvang van de dag volgend op die waarop de hypotheek aan de verbintenis is verbonden.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of de hypotheek die in de hypotheekaktes ten gunste van ING is gevestigd strekt tot zekerheid voor de vordering van ING uit hoofde van de borgtocht. Hiervoor is van belang wat op dit punt in de in 3.1 bedoelde hypotheekaktes is overeengekomen.

In deze hypotheekaktes is steeds hetzelfde beding opgenomen waarin staat voor welke vorderingen de hypotheek tot zekerheid strekt. In de aktes staat dat de hypotheek strekt tot meerdere zekerheid voor de betaling van:“het geleende bedrag en al hetgeen de bank nu of te eniger tijd van de schuldenaar [ [geïntimeerde] en haar partner, hof] verder te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of nog te verstrekken geldleningen, al dan niet in rekeningcourant, dan wel uit welken andere hoofde ook, (...)”. Volgens ING is dit een gebruikelijke formulering voor een bankhypotheek. Deze moet zo worden uitgelegd dat alle bestaande en toekomstige vorderingen van ING op [geïntimeerde] door het hypotheekrecht worden gesecureerd, en dus ook de vordering uit hoofde van de borgtocht. [geïntimeerde] bestrijdt dit en voert aan dat de hypotheken enkel zijn verstrekt voor de privéleningen. Volgens haar was het ook niet de bedoeling dat de hypotheken zouden gelden voor de vordering uit hoofde van de borgtocht.

Omdat partijen het niet eens zijn over de reikwijdte van het relevante beding in de hypotheekaktes moet dit worden uitgelegd. Partijen twisten over de maatstaf die hiervoor moet worden gehanteerd. Volgens ING moet uitleg plaatsvinden aan de hand van de objectieve maatstaf terwijl [geïntimeerde] bepleit dat dit moet gebeuren aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

Naar oordeel van het hof moet in een geval als in deze zaak aan de orde, uitleg plaatsvinden aan de hand van de objectieve maatstaf en niet aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het gaat in deze zaak om notariële aktes waarin, zo is niet in geschil, steeds een recht van hypotheek is gevestigd. Voor de beantwoording van de vraag voor welke vordering(en) partijen hebben bedoeld dat recht te vestigen, moet de akte naar objectieve maatstaven worden uitgelegd. Het komt daarbij aan op de partijbedoeling voor zover die in de akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

Wanneer de hiervoor bedoelde bepaling in de hypotheekaktes aan de hand van deze maatstaf wordt uitgelegd, dan moet geconcludeerd worden dat de hypotheekrechten zijn gevestigd voor alle bestaande en toekomstige vorderingen die ING heeft of zal verkrijgen op, voor zover hier van belang, [geïntimeerde] . De desbetreffende bepalingen zijn zeer ruim geformuleerd en spreken over [onderstreping hof]: “ (…) al hetgeen de bank nu of te eniger tijd van de schuldenaar verder te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of nog te verstrekken geldleningen, al dan niet in rekeningcourant, dan wel uit welken andere hoofde ook”. De (verdere) inhoud van de hypotheekaktes biedt geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat bedoeld is de vorderingen waarvoor het hypotheekrecht zal gelden op enige manier te beperken. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering van ING uit hoofde van de borgtocht gedekt wordt door de rechten van hypotheek die in de aktes zijn gevestigd.

[geïntimeerde] heeft verwezen naar verschillende omstandigheden die volgens haar steun geven aan een uitleg die erop neerkomt dat de vordering van ING uit hoofde van de borgtocht niet wordt gedekt door de hypotheekrechten. Dit leidt niet tot een ander oordeel. De genoemde omstandigheden blijken niet uit (een van) de hypotheekaktes en kunnen daarom niet bij de uitleg van de relevante bepaling betrokken worden. Dat [geïntimeerde] de hypotheekaktes aanging als consument, zoals zij aanvoert (en ING betwist), is bij die uitleg niet relevant.

Het voorgaande betekent dat op de vordering van ING uit hoofde van de borgtocht op grond van artikel 3:323 lid 3 BW een verjaringstermijn van 20 jaar van toepassing is. ING heeft dit standpunt verdedigd met (onderdelen van) de grieven 1 - 6, die in zoverre slagen. De relevante hypotheekrechten ten gunste van ING zijn gevestigd in 2001, 2003 en 2007. In elk geval voor de hypotheek uit 2007 geldt dat nog geen 20 jaar zijn verstreken na de dag waarop de hypotheek aan de verbintenis (de borgakte) is verbonden. Daarmee is de vordering van ING op [geïntimeerde] niet verjaard. Bij deze stand van zaken is het niet nodig te beoordelen wanneer ING haar vordering op [geïntimeerde] heeft gestuit.

Bij verdere behandeling van de grieven bestaat geen belang. Deze gaan uit van de in deze zaak niet toepasselijke Haviltex-maatstaf voor de uitleg van het beding in de hypotheekaktes en/of van een verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:307 lid 1 BW), die niet van toepassing is in deze zaak. Het hof komt daarmee, ook gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, toe aan de behandeling van de overige verweren die [geïntimeerde] heeft aangevoerd.

Verdere verweren

[geïntimeerde] heeft het verweer gevoerd dat de borgtocht is komen te vervallen vanwege het tenietgaan van de hoofdschuld. Zij heeft dit als volgt toegelicht. ING heeft op 29 september 2016 het negatieve saldo op het rekening-courantkrediet van [bedrijf] van ruim € 407.000 aangezuiverd met een gelijk bedrag. Direct daarna heeft ING de bankrekening van [bedrijf] die aan het rekening-courantkrediet was gekoppeld, opgeheven. Daarmee was de schuld van [bedrijf] vereffend en is de schuldvordering van ING op [bedrijf] teniet gegaan. De verbintenis van de borg is afhankelijk van die van de hoofdschuldenaar (artikel 7:851 lid 1 BW). Omdat de verbintenis van [bedrijf] als hoofdschuldenaar teniet is gegaan, is ook de verbintenis van [geïntimeerde] uit hoofde van de borgtocht teniet gegaan, aldus steeds [geïntimeerde] .

Het hof verwerpt dit verweer. Het aanzuiveren van het negatieve saldo op het rekening-courantkrediet was niet meer dan een administratieve handeling die nodig was om de desbetreffende bankrekening te kunnen opheffen. ING heeft hierover onbetwist aangevoerd dat het aanzuiveren is gebeurd vanuit haar kredietrisicoreserve. Het aanzuiveren kan daarom niet worden gezien of gelijk worden gesteld met de betaling van een geldsom waardoor de verbintenis teniet gaat.

[geïntimeerde] heeft daarnaast zich erop beroepen dat ING haar rechten heeft verwerkt. Volgens [geïntimeerde] kan ING geen beroep meer doen op de borgakte vanwege rechtsverwerking. [geïntimeerde] wijst op het volgende. ING heeft vanaf medio 2016 tot begin 2021 niets van zich laten horen. Er is meer dan een enkel stilzitten want ING heeft ook met een actieve handeling het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij geen vordering meer zou instellen tegen [bedrijf] en [geïntimeerde] . Dit actieve handelen is gelegen in het aanzuiveren van het rekening-courantkrediet van [bedrijf] en het opheffen van de bijbehorende bankrekening (zoals besproken in rov 6.11).

Naar het oordeel van het hof zijn deze omstandigheden niet toereikend om aan te nemen dat ING haar rechten uit de borgakte heeft verwerkt. Aan [geïntimeerde] kan worden toegegeven dat ING lang heeft stilgezeten, maar enkel tijdsverloop is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Het aanzuiveren van het saldo van de rekening-courant en het opheffen van de bijbehorende bankrekening zijn, ook als deze in samenhang worden bezien met het stilzitten van ING, geen omstandigheden waardoor bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat ING haar rechten uit de borgtocht niet meer geldend zou maken. Het zijn, zoals ook hiervoor overwogen, slechts administratieve handelingen. [geïntimeerde] heeft daar niet uit mogen begrijpen dat ING haar vorderingen op [geïntimeerde] had prijsgegeven.

[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat ING haar rechten die gebaseerd zijn op de hypotheekaktes heeft verwerkt. De hypotheken zijn niet vermeld in de borgakte uit 2009, terwijl daarin wel andere zekerheidsrechten worden vermeld. ING heeft in correspondentie over de openstaande schulden nooit over de hypotheken gerept, ook niet toen [geïntimeerde] tot betaling onder de borgstelling werd gesommeerd. ING heeft zich pas in de loop van deze procedure in 2024 op de hypotheken beroepen. Het heeft dus vijftien jaar geduurd voordat ING zelf de koppeling maakte tussen de verplichtingen uit de borgakte en de hypotheken. Onder die omstandigheden heeft ING haar rechten uit de hypotheekaktes verwerkt, aldus steeds [geïntimeerde] .

Het hof verwerpt ook dit beroep op rechtsverwerking. De omstandigheden waar [geïntimeerde] zich op beroept zijn in wezen niets anders dan stilzitten van ING voor een lange tijd. Zoals hiervoor al overwogen, is dat niet voldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Daar komt bij dat, naar ING onweersproken heeft aangevoerd, zij zich in eerdere jaren niet op de hypotheekaktes heeft beroepen omdat dat niet nodig was. ING was niet van plan haar recht van parate executie uit te oefenen en heeft zich pas op de hypotheekaktes beroepen toen [geïntimeerde] het verweer voerde dat de vordering van ING was verjaard vanwege het verloop van de volgens [geïntimeerde] toepasselijke termijn van vijf jaar.

Anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, levert de omstandigheid dat ING bij het sluiten van de borgakte niet heeft gemeld dat de verplichtingen daaruit werden gedekt door de hypotheken, geen schending op van de bancaire zorgplicht van ING. Het gaat in deze zaak om een door een natuurlijk persoon ( [geïntimeerde] ) afgegeven borgtocht voor zakelijke leningen. De bancaire zorgplicht strekt niet zo ver dat een bank in zo een geval uit eigen beweging aan de borg moet melden dat door de bank verkregen zekerheden dekking bieden voor een vordering uit hoofde van de borgtocht.

Conclusie

De conclusie is dat de vordering van ING op [geïntimeerde] niet is verjaard. Ook de andere verweren van [geïntimeerde] gaan niet op. Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van ING op [bedrijf] meer bedraagt dan het maximumbedrag van de borgtocht, € 50.000. ING kan daarom aanspraak maken op betaling door [geïntimeerde] onder de borgtocht. De vordering van ING tot betaling van € 50.000 kan daarmee worden toegewezen. Op grond van artikel 7:856 lid 1 BW is [geïntimeerde] wettelijke rente verschuldigd over het tijdvak dat zij zelf in verzuim is met de nakoming van haar verplichtingen onder de borgtocht. Gelet op de aanmaning die namens ING op 26 augustus 2021 aan [geïntimeerde] is gestuurd, is [geïntimeerde] vanaf 10 september 2021 in verzuim en is zij vanaf die datum de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 lid 1 BW verschuldigd.

ING heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Zij heeft deze berekend aan de hand van het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] , die bij het aangaan van de borgtocht niet handelde als consument maar in de uitoefening van haar bedrijf, heeft de vordering van ING op dit punt niet betwist. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn daarom toewijsbaar, evenals de daarover gevorderde wettelijke rente.

Afronding, bewijsaanbod en kosten

Het hoger beroep slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van ING zullen worden toegewezen. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en van het hoger beroep.

Het hof stelt de proceskosten van de procedure bij de rechtbank als volgt vast:

- explootkosten € 137,38

- griffierecht € 2.889,00

- salaris advocaat € 2.428,00 (tarief IV, 2 punten)

Totaal € 5.454,38

Het hof stelt de proceskosten van het hoger beroep als volgt vast:

- explootkosten € 146,14

- griffierecht € 2.255,00

- salaris advocaat € 4.704,00 (tarief IV, 2 punten)

Totaal € 7.105,14

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis,

en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan ING te betalen een bedrag van € 50.000, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 10 september 2021 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan ING te betalen een bedrag van € 1.542,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de datum van dit arrest tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 5.454,38 en de kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 7.105,14, alles te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, Y. Steeg-Tijms en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand