ECLI:NL:GHAMS:2026:251

ECLI:NL:GHAMS:2026:251

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 16-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 200.360.201/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Art. 1:253a BW. Zorgregeling. Opbouw naar herstel van oorspronkelijke, in kort geding geschorste, zorgregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.360.201/01

zaaknummer rechtbank: C/15/360904 / FA RK 25-193

beschikking van de meervoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. R.M. Vessies te Haarlem ,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. G.J. van der Klei te Bennebroek.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem (hierna: de raad).

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vaststelling van een verdeling van de zorg en opvoedingstaken voor [minderjarige] (7 jaar) en het verzoek van de vader tot het gelasten van een onderzoek daarover door de raad. Op dit moment heeft de moeder begeleide omgangsmomenten met [minderjarige] . De verdeling van de tijd die [minderjarige] bij zijn ouders doorbrengt is eerder ongeveer bij helfte geweest.

De rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem ) heeft in een beschikking van 14 juli 2025 een (tijdelijke) zorgregeling vastgesteld. Daarbij is bepaald dat de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] , die de voorzieningenrechter in kort geding in januari 2025 had geschorst, op 16 januari 2026 weer zal worden hervat. Die zorgregeling was vastgelegd in een eerdere beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024. Daarin was de zorg voor [minderjarige] ongeveer gelijk verdeeld tussen de ouders. De rechtbank heeft op 14 juli 2025 bepaald dat in zes maanden moet worden toegewerkt naar de hervatting van de oude regeling. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het aan partijen is om onder regie en begeleiding van de omgangsbegeleidster de zorgregeling verder in te vullen en weer op te bouwen tot de eerder vastgestelde zorgregeling.

De vader is het daar niet mee eens en verzet zich tegen zowel de uitbreiding van de tijdelijke zorgregeling als tegen de opheffing van de schorsing van de zorgregeling per 16 januari 2026. Verder wenst de vader dat de omgang begeleid blijft tot aan bepaalde veiligheidseisen is voldaan. Ten slotte verzoekt hij het hof alsnog een onderzoek door de raad te gelasten.

De moeder is het eens met de bestreden beschikking.

2. De procedure in hoger beroep

De vader is op 10 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).

De moeder heeft op 4 november 2025 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 16 oktober 2025 met bijlage;

- een bericht van de zijde van moeder van 17 november 2025 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de vader van 23 december 2025 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de moeder van 7 januari 2026 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de vader van 8 januari 2026 met een bijlage;

- een bericht van de zijde van de moeder van 8 januari 2026 met bijlagen.

Het hof heeft ter zitting van 8 januari 2026 beslist dat de ingekomen stukken van 7 januari 2026 en 8 januari 2026, hoewel laat ingediend, worden toegelaten vanwege de aard van de zaak en omdat partijen over en weer verklaarden daartegen geen bezwaar te hebben.

De zitting heeft op 8 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark, die in verband met de weersomstandigheden via een videoverbinding deelnam aan de zitting.

Ter zitting heeft het hof besloten de behandeling van de zaak aan te houden, omdat geen tolk voor de man beschikbaar was.

De mondelinge behandeling is vervolgens voortgezet op 16 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk in de Poolse taal, mevrouw B. Kloc;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

Aangezien vanwege het spoedeisend belang een schriftelijke uitspraak niet kon worden afgewacht, heeft het hof aan het slot van de mondelinge behandeling op de voet van artikel 29a leden 5 en 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

3. De feiten

De vader en de moeder hebben tot medio juli 2022 een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , die is geboren [in] 2018 in de gemeente [gemeente] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

De hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is bij beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024 bepaald bij de vader.

Bij dezelfde beschikking heeft de rechtbank de volgende zorgregeling vastgesteld:

- [minderjarige] verblijft van zondag 19.00 uur tot en met woensdag 19.00 uur bij de vader en van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de moeder;

- de weekenden worden afgewisseld zodat iedere ouder om de week een weekend met [minderjarige] doorbrengt;

- tijdens schoolvakanties zullen partijen de zorgregeling doorzetten, tenzij een van de ouders aangeeft met vakantie te willen. Partijen zullen elkaar hiervoor toestemming geven.

Bij vonnis in kort geding van 14 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank de zorgregeling geschorst. Uit dat vonnis blijkt dat partijen ter zitting hebben afgesproken dat zij zich voor hulp en begeleiding bij de omgang tussen de moeder en [minderjarige] zullen wenden tot de gemeente zodat begeleide omgang zo snel mogelijk van start kan gaan.

De moeder heeft in 2025 vanaf eind mei op regelmatige basis begeleide omgang met [minderjarige] gehad. De omgangsmomenten duurden anderhalf uur en werden begeleid door mevrouw [naam] . Op 15 januari 2026 heeft het begeleide omgangscontact voor het eerst gedurende drie uren plaatsgevonden.

4. De omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat van 16 juli 2025 tot en met 15 januari 2026 een tijdelijke zorgregeling geldt, waarin de zorgregeling onder regie van mevrouw [naam] wordt opgebouwd naar een gelijke verdeling tussen de vader en de moeder zoals vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024. Vanaf 16 januari 2026 wordt de schorsing van de zorgregeling uit de beschikking van 15 februari 2024 opgeheven. Vanaf dan zal de in beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024 vastgelegde zorgregeling gelden (zie 3.3).

De vader verzoekt het hof, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en:

- de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 15 februari 2024 te schorsen;

- een onderzoek door de raad te gelasten;

- te bepalen dat tot de uitslag van het raadsonderzoek alleen begeleide omgang zal plaatsvinden tussen de moeder en [minderjarige] , waarbij de omgang onder toezicht van een professional moet plaatsvinden en de moeder uiterlijk 15 minuten voor aanvang van de omgang een negatieve alcoholtest moet blazen;

- een nader, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek van de raad, door de vader verzochte omgangsregeling vast te stellen.

De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de vader te veroordelen in de proceskosten.5. De motivering van de beslissing

De vader heeft de Poolse nationaliteit en de moeder een onbekende nationaliteit. Omdat [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om de verzoeken te beoordelen. De rechtbank heeft het Nederlandse recht toegepast. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof dat zal doen.

Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan (voor zover hier van belang) omvatten:

a. een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat partijen ter zitting volledige overeenstemming hadden bereikt over een hervatting van de geschorste zorgregeling en dat tussen hen nog slechts in geschil was op welke termijn die hervatting plaats zou moeten hebben. De vader is Pools en spreekt gebrekkig Nederlands. Hierdoor heeft hij vermoedelijk niet alles begrepen. Er is een misverstand over de exacte inhoud van de afspraken die toen ter zitting zijn gemaakt. De vader was het ermee eens dat mevrouw [naam] betrokken zou zijn bij de opbouw en uitbreiding van de omgangsmomenten, maar hij heeft geen akkoord gegeven voor het door de rechtbank bepaalde tijdspad en hij wenste veiligheidswaarborgen. Ook heeft de vader geen akkoord gegeven voor onbegeleide omgang en heeft hij niet ingestemd met een regeling waarbij de omgangbegeleidster de volledige regie heeft over de zorgregeling. Volgens de vader was de afspraak dat zonder toestemming van beide ouders geen omgang kan plaatsvinden en dat telkens op basis van adviezen en conclusies van de omgangbegeleidster nieuwe afspraken zouden worden gemaakt.

Verder meent de vader dat de rechtbank ten onrechte geen veiligheidswaarborgen ter bescherming van [minderjarige] in de beschikking heeft opgenomen, in de vorm van een risicotaxatie en een veiligheidsplan. De vader vreest voor de veiligheid van [minderjarige] bij contact met de moeder. Hij verwijst naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 14 januari 2025, waarbij de zorgregeling is geschorst. De moeder is gediagnosticeerd met PTSS en kampt met een alcoholverslaving. Er hebben twee incidenten plaatsgevonden waarvan [minderjarige] getuige was. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat de incidenten schadelijk voor [minderjarige] waren en daarom werd de omgang tussen [minderjarige] en de moeder geschorst. Volgens de vader vertoont de moeder nog steeds ongeremd en ongecontroleerd gedrag door haar PTSS en alcoholverslaving. Bij de moeder is sprake van emotionele instabiliteit, verslavingsproblematiek en onvoldoende acceptatie van hulp. De vader twijfelt aan haar pedagogische vaardigheden. De vader wil niet dat de moeder contact heeft met [minderjarige] als het niet goed met haar gaat en hij wil dat zij telkens, voordat zij [minderjarige] ziet, een alcoholtest doet. Hij wil dat er veiligheidswaarborgen worden vastgelegd en heeft dit ook aangegeven bij de hulpverlening. De hulpverlening (Jij&Co) heeft geen inhoudelijke reactie gegeven.

Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte onvoldoende expliciet bepaald dat de omgang tussen [minderjarige] en de moeder uitsluitend begeleid zal plaatsvinden en lijkt de rechtbank zo de mogelijkheid van een onbegeleid contact open te hebben gelaten, terwijl hij tegen onbegeleid contact uitdrukkelijk bezwaar maakt omdat het in strijd is met het belang van [minderjarige] . Door de formulering van de rechtbank kan de moeder concluderen dat, afhankelijk van het standpunt van de omgangsbegeleidster, ook onbegeleide omgang kan plaatsvinden. De vader interpreteert de uitspraak zo dat alleen begeleide omgang mag plaatsvinden. De vader wil dat de mogelijkheid van onbegeleide omgang expliciet wordt uitgesloten in de beschikking. Verder vindt de vader dat mevrouw [naam] niet over de opleiding en kennis beschikt om te oordelen over de gezondheidssituatie van [minderjarige] , terwijl [minderjarige] ’s gezondheidssituatie leidend moet zijn in het vormgeven van de zorgregeling. Alleen een kinderpsycholoog kan iets zeggen over [minderjarige] ’s gezondheidssituatie. Ook zijn de contactmomenten te kort om conclusies over de gezondheidssituatie van [minderjarige] te trekken. Na contact met de moeder is [minderjarige] vaak ontregeld.

Volgens de vader heeft de rechtbank ten onrechte (op voorhand al) bepaald dat de schorsing van de zorgregeling met ingang van 16 januari 2026 wordt opgeheven. Het staat niet vast dat de omgang onder regie van mevrouw [naam] leidt tot een situatie waarin de schorsing van de zorgregeling met ingang van 16 januari 2026 veilig kan worden opgeheven. Door recente ontwikkelingen maakt de vader zich zorgen. De feiten en omstandigheden geven aanleiding om op basis van de ontwikkelingen en professionele informatie te bepalen of, en zo ja in welke mate, er contact kan zijn tussen [minderjarige] en de moeder. De keuze voor 16 januari 2026 is niet gemotiveerd.

Ten slotte betoogt de vader dat de rechtbank een raadsonderzoek had moeten gelasten en een voorlopige begeleide omgang en hulpverlening had moeten opleggen. Er is onvoldoende informatie beschikbaar over de ontwikkeling van de moeder, haar alcoholprobleem en haar mentale toestand. Zij heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat haar behandeling duurzaam effect heeft gehad of dat het risico op terugval (aanzienlijk) is verkleind. Ook is er onvoldoende informatie over de effecten van het contact op [minderjarige] . Mevrouw [naam] heeft onvoldoende contact met de moeder om voldoende inzicht in haar situatie te hebben. Ook kan zij geen duidelijkheid scheppen over wat het contact met de moeder doet met [minderjarige] .

De moeder voert verweer. Zij stelt dat de zorgregeling uit de beschikking van 15 februari 2024 in lijn is met de adviezen van de hulpverlening en in het belang van [minderjarige] is. De vader heeft na het kort geding de start van de begeleide omgang tussen haar en [minderjarige] en de verdere opbouw van de omgang vertraagd. Op 12 september 2025 is er een multidisciplinair overleg (MDO) geweest waarbij de bestreden beschikking is uitgelegd en de dwingende manier van communiceren van de vader is benoemd. Vervolgens is er een plan van aanpak en een voorstel van een opbouwplan met veiligheidsafspraken gemaakt door mevrouw [naam] . De moeder is akkoord met dit plan maar de vader niet waardoor de omgang niet kan worden opgebouwd. De vader geeft de moeder geen toestemming om zelfstandig schoolgesprekken te voeren of [minderjarige] zelfstandig op te halen bij de kinderopvang. Verder geeft hij de hulpverlening geen toestemming om met [minderjarige] te praten. De hulpverlening heeft besloten dat de zaak moet worden opgeschaald en de zaak is bij de beschermtafel aangebracht.

Volgens de moeder was er wel degelijk overeenstemming over het toewerken naar hervatting van de geschorste zorgregeling. Partijen hebben op de gang in het bijzijn van hun advocaten afspraken gemaakt. Toen is besloten dat mevrouw [naam] de begeleide omgang zou verzorgen. De vader kon met zijn advocaat overleggen, er mag van worden uitgegaan dat zijn advocaat hem voldoende heeft geïnformeerd en dat hij de inhoud van de afspraken begreep. De overeengekomen regeling is in het belang van [minderjarige] . De veiligheidswaarborgen zijn al in mei 2025 vastgelegd. Door alleen akkoord te geven voor begeleid contact handelt de vader niet in het belang van [minderjarige] . Het bevestigt het signaal van de hulpverlening dat de vader een sterk controlerende houding heeft.

De moeder betwist dat er aanleiding is om veiligheidswaarborgen ter bescherming van [minderjarige] in de beschikking op te nemen. De moeder kreeg en krijgt hulpverlening in het vrijwillige kader. Haar traject bij Jellinek is met goed gevolg afgerond en zij is behandeld voor haar PTSS. Zij voert op eigen initiatief nog wekelijks gesprekken met iemand van Amstelring. Uit de risicoschatting van 15 mei 2025, het huisbezoek en de omgangsverslagen blijkt dat er geen extra veiligheidswaarborgen nodig zijn. De vrees van de man voor de veiligheid van [minderjarige] is onterecht en niet onderbouwd, aldus de moeder.

De regie van de opbouw van de omgang is overgelaten aan mevrouw [naam] . Omdat er toegewerkt zou worden naar de oorspronkelijke 50/50 regeling is het volgens de moeder vanzelfsprekend dat tot aan de hervatting van de oorspronkelijke regeling ook onbegeleid contact kon plaatsvinden. De overgelegde stukken, waaronder de omgangsverslagen, maar ook de risico-analyse, huisverslagen en de overige stukken van verschillende hulpverlenende instanties leiden niet tot de conclusie dat het onverantwoord zou zijn om onbegeleide omgang te laten plaatsvinden.

Ter zitting bij de rechtbank heeft de raad geadviseerd dat de omgang tussen [minderjarige] en zijn moeder op een rustige manier moet worden opgebouwd. Inmiddels heeft de moeder wel zorgen over de houding van de vader waardoor zij een raadsonderzoek op dit moment wel wenselijk acht. Zij wil dat de zorgen zoals opgenomen in het VTO nader worden onderzocht.

Op de zitting van 16 januari 2026 heeft de raad geadviseerd dat op korte termijn de omgang verder moet worden uitgebouwd, zodanig dat de oorspronkelijke regeling over twee maanden kan herleven. Het is van groot belang dat een kind met beide ouders goed contact kan hebben. [minderjarige] heeft eigen problematiek. Zijn ouders moeten beter samenwerken. [minderjarige] moet minder zien dat zij strijd met elkaar hebben. Als er zorgen zijn over gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, moet daarvoor hulpverlening voor [minderjarige] komen. Maar dat neemt niet weg dat omgang nu moet worden opgebouwd. De vader vindt dat er meer veiligheidswaarborgen moeten komen, maar die zijn er al. De opbouwregeling uit de bestreden beschikking loopt vandaag af. Het kan uiteraard niet zo zijn dat [minderjarige] nu meteen een halve week bij moeder dient te zijn. De raad adviseert daarom binnen een opbouwtermijn van twee maanden terug te werken naar de oude zorgregeling van 2024, dit onder begeleiding van mevrouw [naam] . Als mevrouw [naam] ziet dat het toch te snel gaat, dan kan zij aan de bel trekken, aldus de raad.

Het hof overweegt als volgt. De vader meent dat de bestreden beschikking zo moet worden geïnterpreteerd, dat die geen ruimte laat voor onbegeleide omgang in de periode tot 16 januari 2026, althans dat stappen naar onbegeleide omgang slechts zouden kunnen plaatsvinden met instemming van alle betrokkenen, welke instemming de vader niet wil verlenen omdat zijn zorgen onvoldoende zijn weggenomen. In die uitleg volgt het hof hem niet. De bestreden beschikking gaat er immers van uit dat per laatstgenoemde datum de oude zorgregeling hoe dan ook herleeft. Een opbouw daarnaartoe omvat noodzakelijkerwijs na verloop van tijd ook onbegeleide omgangsmomenten uitmondend in overnachtingen. De rechtbank heeft de regie van die opbouw in handen van mevrouw [naam] gelegd. Dat betekent dat partijen haar aanwijzingen daaromtrent dienden te volgen. De vader heeft dat onvoldoende gedaan, als gevolg waarvan er geen wezenlijke opbouw van contact heeft plaatsgevonden. Dit alles neemt niet weg dat het hof in de gegeven situatie een beslissing moet nemen die in het belang van [minderjarige] wenselijk is, daarbij rekening houdend met het feit dat de omgang tot op heden nog slechts begeleid heeft plaatsgevonden en voor periodes die minder dan een dagdeel duurden.

[minderjarige] is nu 7 jaar oud. Hij kampt met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), volgt speciaal onderwijs en heeft logopedie. Hij heeft een grote behoefte aan duidelijkheid en structuur. De ouders hebben een belaste geschiedenis rondom hun scheiding. [minderjarige] is geconfronteerd met ouders die ruzie maakten, waarbij de moeder dronken was en [minderjarige] in die toestand wilde meenemen. De politie moest worden ingeschakeld. Dit gedrag en deze problematiek van de moeder heeft bij de vader grote zorgen doen ontstaan over het contact tussen [minderjarige] en de moeder. Die zorgen zijn alleszins invoelbaar. De moeder was aan alcohol verslaafd geraakt (wat over het algemeen levenslang een probleem blijft). Ook kampte zij met PTSS. De voorzieningenrechter heeft de zorgregeling dan ook terecht geschorst. Sindsdien draagt de vader praktisch de volledige zorg voor [minderjarige] .

Het hof stelt vast dat de moeder in de tussentijd hard aan zichzelf heeft gewerkt. Zij heeft hulp gezocht van de Jellinek, waar zij een klinische opname en een nazorgtraject heeft ondergaan. Uit het laatste verslag van de Jellinek van 25 september 2025 blijkt dat haar alcoholverslaving in remissie is en dat zij met succes een EMDR-behandeling voor haar PTSS heeft ondergaan. De omgangsbegeleidster [naam] constateert dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder positief verloopt. Mevrouw [naam] heeft regelmatig contact gehad met beide partijen en heeft alle omgangscontacten geobserveerd. Zij beveelt al geruime tijd aan dat de omgang onbegeleid kan zijn. Incidenten hebben zich niet meer voorgedaan.

De vader heeft een verslag van [minderjarige] ’s speltherapeut [X] van Praktijk Samenspel van 7 januari 2026 overgelegd. Zij heeft [minderjarige] drie maal geobserveerd en met hem gesproken en komt tot de conclusie dat de behandeling gericht zal moeten zijn op veilige begeleide omgang met de moeder. Evenals de raad plaatst het hof vraagtekens bij dit verslag. Weliswaar heeft de moeder toestemming gegeven voor deze therapie, maar zij is daarbij verder niet betrokken geweest. Het verslag geeft er geen blijk van dat de speltherapeute ervan op de hoogte was dat de moeder met succes behandelingen voor haar alcoholverslaving en EMDR heeft ondergaan. Evenmin blijkt daaruit dat de speltherapeute op de hoogte was van de bevindingen van mevrouw [naam] . De therapeut heeft eenzijdig met de vader gesproken, maar zij doet wel aanbevelingen over wat de ouders samen zouden moeten doen en over het voortzetten van enkel begeleide omgang. Gelet op deze wijze van totstandkoming hecht het hof weinig waarde aan deze aanbeveling, waarmee het hof overigens niet wil zeggen dat [minderjarige] geen baat zou kunnen hebben bij voortzetting van het contact met de therapeut.

Met de raad vindt het hof het van groot belang dat een kind met beide ouders goed contact kan hebben. Waar het in het verleden voorkwam dat de moeder [minderjarige] niet met de vader wilde meegeven, bijvoorbeeld voor een vakantie, lijkt het in de huidige situatie eerder dat de vader [minderjarige] belast vanuit een te grote bezorgdheid over de problematiek van de moeder. Om deze reden heeft de beschermtafel aan de raad verzocht een onderzoek te doen naar een mogelijke jeugdbeschermingsmaatregel en is sinds kort JBRA in het vrijwillig kader betrokken.

Het hof laat in het midden waarover partijen ter zitting van de rechtbank nu precies overeenstemming hebben bereikt. Het hof is namelijk al met al van oordeel dat in het belang van [minderjarige] binnen afzienbare tijd de oude zorgregeling moet gaan herleven. Er zijn geen concrete aanwijzingen meer dat dat niet verantwoord is. De vader heeft nog verklaard dat hij in telefoongesprekken met de moeder merkt dat zij dan onder invloed van alcohol is. Dat wordt echter niet ondersteund door andere aanwijzingen van die strekking en vormt daarom onvoldoende aanleiding om contra-indicaties tegen verdere uitbreiding naar onbegeleid contact aanwezig te achten. Ook ziet het hof onvoldoende aanleiding om de moeder te verplichten voorafgaand aan de omgangsmomenten een alcoholtest te doen, zoals de vader heeft verzocht. De rapportage van Jellinek maakt duidelijk dat de moeder haar alcoholverslaving onder controle heeft.

De vader heeft verzocht om een onderzoek door de raad. Het hof acht zich echter voldoende voorgelicht ten aanzien van de verzoeken die het hof thans voorliggen en wijst dat verzoek daarom af, wat niet wegneemt dat het de raad uiteraard vrijstaat om het voorgenomen beschermingsonderzoek uit te voeren.

Het hof acht de navolgende zorgregeling in het belang van [minderjarige] wenselijk. Het eerstvolgende omgangsmoment tussen [minderjarige] en de moeder, in de week van maandag 19 tot en met vrijdag 23 januari 2026, zal drie uur duren, waarvan het eerste uur nog onder begeleiding van mevrouw [naam] zal zijn. Zij kan dan aan [minderjarige] uitleggen wat er de komende periode gaat gebeuren. De resterende twee uren zijn dan onbegeleid.

Met ingang van woensdag 25 maart 2026 zal de zorgregeling uit de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2024 herleven. In de tussenliggende periode dient de verder onbegeleide omgang onder regie van mevrouw [naam] stapsgewijs zodanig te worden uitgebreid dat daarnaartoe wordt gewerkt. De vader heeft aangevoerd dat mevrouw [naam] niet over de juiste expertise beschikt om te oordelen over de gezondheidssituatie van [minderjarige] . Daaraan gaat het hof voorbij. De vader heeft onvoldoende toegelicht dat een medisch belang van [minderjarige] vergt dat de regie van de opbouw van de omgang door iemand met andere expertise dan die van mevrouw [naam] moet worden verricht. Dat [minderjarige] voorafgaand of na afloop van de omgang met de moeder signalen van onrust laat zien is daarvoor onvoldoende.

Dit alles betekent dat met ingang van woensdag 25 maart 2026 de zorgregeling weer zal zijn zoals vermeld in overweging 3.3. De door de vader verzochte voorwaarden voor omgang (begeleid en voorafgegaan door een negatieve blaastest van de moeder) zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat die voorwaarden nodig zijn.

Partijen dienen ook gedurende de opbouwperiode contact te houden met mevrouw [naam] zodat zij het verloop van de omgang met hen kan bespreken en hun aanwijzingen kan geven over de opbouw. Indien mevrouw [naam] dit nodig acht, moet zij ook in staat worden gesteld om één op één met [minderjarige] te spreken. Zo nodig kan mevrouw [naam] ingrijpen als zich onverhoopt nieuwe incidenten voordoen of anderszins blijkt dat uitbreiding van de zorgregeling toch in strijd komt met het belang van [minderjarige] . Als zij dat nodig vindt, kan zij met JBRA in overleg treden.

De vader heeft verzocht de zorgregeling uit de beschikking van 15 februari 2024 te schorsen, waarmee hij kennelijk bedoelt dat de bestreden beschikking in zoverre wordt geschorst. Aangezien het hof nu een eindbeschikking geeft, heeft hij bij dat verzoek geen belang meer, zodat het hof dat afwijst.

Het hof ziet tot slot onvoldoende aanleiding voor een proceskostenveroordeling van de vader, zoals door de moeder verzocht. Iedere partij dient de eigen kosten te dragen.

6. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover deze betrekking heeft op de zorgregeling in de periode vanaf heden, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het volgende:

- [minderjarige] van zondag 19.00 uur tot en met woensdag 19.00 uur bij de vader verblijft en van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de moeder;

- de weekenden worden afgewisseld zodat iedere ouder om de week een weekend met [minderjarige] doorbrengt;

- tijdens schoolvakanties partijen de zorgregeling zullen doorzetten, tenzij een van de ouders aangeeft met vakantie te willen. Partijen zullen elkaar hiervoor toestemming geven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. R.M. Troost en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 16 januari 2026 in verkorte vorm in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 29 januari 2026 door voornoemde raadsheren en ondertekend door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?