Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni, 15 juni, 22 juni, 26 juni 2026 en 26 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte en het Openbaar Ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de onder feit 3 (cumulatief) ten laste gelegde diefstal c.q. heling van de Volkswagen Multivan met kenteken: [kenteken 7] (zaaksdossier 9), Audi A4 met kenteken: [kenteken 28] (zaaksdossier 10), Volkswagen Transporter met kenteken: [kenteken 9] (zaaksdossier 13) en Volkswagen Transporter met kenteken: [kenteken 10] (zaaksdossier 14). Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen deze beslissingen tot vrijspraak. Hiertegen is echter geen hoger beroep mogelijk. Het hof zal de verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.
Dit onderdeel van de tenlastelegging is in hoger beroep overigens wel aan de orde omdat ook het Openbaar Ministerie tegen deze vrijspraken hoger beroep heeft ingesteld.
Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging – en voor zover in hoger beroep nog aan de orde – is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2019 tot en met 30 november 2019 te Utrecht en/of Soest en/of Amsterdam en/of Nieuwegein en/of Zandvoort en/of Heerlen en/of Vleuten en/of Houten en/of Kerkrade en/of Brunssum en/of Hoensbroek, gemeente Heerlen en/of Voorburg en/of elders in Nederland, leiding heeft gegeven aan, althans heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of een of meerdere anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
2. primair
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 6] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 8] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 6] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 8] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
meer subsidiair:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan,
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders:
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan;
meer subsidiair:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel, heeft/hebben toegebracht, door deze opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam te slaan,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
meer subsidiair:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 6] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 8] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):
meer subsidiair:
hij op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair:
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meerdere ander(en) op of omstreeks 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door die [medeverdachte 6] en/of die [medeverdachte 7] en/of die [medeverdachte 8] en/of hun/zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal met een of meerdere (vuist)hamer(s) en/of moker(s) en/of een of meerdere honkbalknuppel(s), in elk geval met een of meerdere zware voorwerp(en), met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 7 september 2019 tot en met 30 oktober 2019 te Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door
3. hij op één of meer tijdstip(pen) of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 september 2019 te Utrecht en/of Nieuwegein en/of Zandvoort en/of Heerlen en/of Vleuten en/of Houten en/of Kerkrade en/of Brunssum en/of Hoensbroek, gemeente Heerlen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een of meerdere personenauto’s en/of een of meerdere scooters heeft weggenomen, te weten (onder meer)
(zaaksdossier 3)
- een personenauto (merk Audi, type S4, voorzien van het kenteken [kenteken 1] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 4)
- een personenauto (merk Renault, type Megane, voorzien van het kenteken [kenteken 2] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 2] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 5)
- een personenauto (merk Renault, type Megane, voorzien van het kenteken [kenteken 3] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 6)
- een personenauto (merk Audi, type RS5, voorzien van het kenteken [kenteken 4] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 7)
- een personenauto (merk Audi, type A5, voorzien van het kenteken [kenteken 5] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 8)
- een personenauto (merk Audi, type S4, voorzien van het kenteken [kenteken 6] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 9] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 9)
- een personenauto (merk Volkswagen, type Multivan, voorzien van het kenteken [kenteken 7] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 11)
- een motorscooter van het merk Piaggio, type Skipper 125 (voorzien van het kenteken [kenteken 8] )
(zaaksdossier 13)
- een personenauto (merk Volkswagen, type Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken 9] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of
(zaaksdossier 14)
- een personenauto (merk Volkswagen, type Transporter, voorzien van het kenteken [kenteken 10] ) geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),
waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen personenauto’s en/of scooters onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutels;
en/of
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 te Amsterdam en/of Utrecht en/of Voorburg en/of Soesterberg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een of meerdere personenauto’s en/of een of meerdere scooters, te weten (onder meer)
(zaaksdossier 3)
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] en/of [kenteken 12] ) en/of
(zaaksdossier 4)
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] ) en/of
(zaaksdossier 5)
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] ) en/of
(zaaksdossier 6)
- een personenauto van het merk Audi, type RS5 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] ) en/of
(zaaksdossier 7)
- een personenauto van het merk Audi, type A5 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 16] ) en/of
(zaaksdossier 8)
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] en/of [kenteken 17] ) en/of
(zaaksdossier 9)
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Multivan (voorzien van het valse kenteken [kenteken 18] ) en/of
(zaaksdossier 11)
- een motorscooter van het merk Piaggio, type Skr 125
(zaaksdossier 13)
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Transporter (voorzien van het valse kenteken [kenteken 19] ) en/of
(zaaksdossier 14)
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Transporter (voorzien van het valse kenteken [kenteken 20] )
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waartegen beroep
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.
Bewijsoverwegingen
Identificatie telefoonnummers, PGP-nummers en Sky-ID’s
Het bewijs dat de verdachten betrokken waren bij de feiten die in dit arrest bewezen worden verklaard, berust onder andere op telefoongegevens en de inhoud van (chat)berichten. Het hof zal hieronder vaststellen welke (crypto)telefoons (hierna ook aangeduid als: PGP), telefoonnummers en Sky-ID’s bij de verdachte en medeverdachten in gebruik waren in de bewezen verklaarde periodes.
Telefoonnummer, PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: * [telefoonnummer 1] ) veelal in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 2] en de [adres 3] te Soest in de omgeving van de [adres 4] in Soest, het woonadres van [medeverdachte 1] . Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 werd een iPhone aangetroffen met daarin de simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] . De telefoon is na de aanhouding van [medeverdachte 1] ontgrendeld, door zijn vinger en/of duimafdruk. [medeverdachte 1] heeft op 26 mei 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij de telefoon met dit nummer al jaren gebruikt.
Voorts werd tijdens de doorzoeking van de woning van [medeverdachte 1] in een zak op de salontafel in de woonkamer een PGP-toestel met goednummer [goednummer] aangetroffen. In dat PGP-toestel zat een simkaart met PGP-nummer [PGP-nummer 1] (hierna: * [PGP-nummer 1] ). Het Sky-ID [Sky-ID 1] bleek via de in de metadata geregistreerde gegevens van het IMEI-nummer ( [IMEI 1] ) en historische verkeersgegevens te zijn gekoppeld aan * [PGP-nummer 1] .
Uit het voorgaande concludeert het hof dat [medeverdachte 1] tot in elk geval 20 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , het PGP-nummer * [PGP-nummer 1] en het Sky-ID [Sky-ID 1] , en dat hij degene was die hiermee deelnam aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
Telefoonnummers en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 9]
Het hof concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] (hierna: * [telefoonnummer 2] ) in de bewezen verklaarde periode in gebruik was bij [medeverdachte 9] . Het IMEI-nummer [IMEI 2] (hierna: * 8798) kwam naar voren tijdens de inzet van een IMSI-catcher. Uit opgenomen en afgeluisterde gesprekken bleek dat in het telefoontoestel met voormeld IMEI-nummer een simkaart met het telefoonnummer * [telefoonnummer 2] zat. Op basis van stemherkenning bleek dat [medeverdachte 9] de gebruiker was van * [telefoonnummer 2] . Dit wordt ondersteund door het feit dat het toestel met eerdergenoemd IMEI-nummer in de voor de feiten relevante periode, na de nachtrustperiode, het meest gebruik maakte van de Cell-ID’s aan de [adres 2] 21 en de [adres 5] in Soest. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest, waar ook [medeverdachte 9] toen verbleef. Verder blijkt uit afgeluisterde telecommunicatie dat * [telefoonnummer 2] frequent contact had met [naam 2] en [naam 3] , de broer en zus van [medeverdachte 9] .
Tevens kwam het IMEI-nummer [IMEI 3] naar voren bij de genoemde IMSI-catch. Ook op dit nummer werd vervolgens een technische actie uitgevoerd. Hieruit bleek dat het telefoonnummer dat in het toestel met voormeld IMEI-nummer werd gebruikt het nummer [telefoonnummer 3] (hierna: * [telefoonnummer 3] ) was. Uit een CIOT-bevraging bleek dat [medeverdachte 9] als abonnementhouder van * [telefoonnummer 3] stond geregistreerd. Het toestel maakte na de nachtrustperiode bijna dagelijks contact met Cell-ID's in Soest, aan de [adres 2] 17 en de [adres 5] . Zoals hiervoor vermeld, verbleef [medeverdachte 9] daar in de directe omgeving. Dat [medeverdachte 9] in de voor de bewezenverklaring relevante periode de gebruiker was van dit telefoonnummer blijkt verder uit de stemherkenning van vanaf 26 augustus 2019 gevoerde gesprekken met de * [telefoonnummer 3] . Uit dit [bijnaam slachtoffer] leidt het hof af dat [medeverdachte 9] in de bewezen verklaarde periode, in elk geval vanaf 25 juni 2019, de gebruiker was van * [telefoonnummer 3] .
Voorts werd tijdens een doorzoeking van de woning aan de [adres 6] in Utrecht op 26 november 2019 een PGP-telefoon met IMEI-nummer [IMEI 4] in beslag genomen. [medeverdachte 9] stond toen op dit adres ingeschreven. Uit de SkyECC-metadata volgt dat het IMEI-nummer van die aangetroffen PGP-telefoon gekoppeld was aan Sky-ID [Sky-ID 2] , met als gebruikersnaam ‘ [naam 4] ’ en actief was in de periode van 20 november 2019 tot en met 25 november 2019. Het hof concludeert, omdat deze PGP-telefoon in de woning van [medeverdachte 9] is aangetroffen, in combinatie met de omstandigheid dat het procesdossier geen enkele aanwijzing bevat dat een ander dan [medeverdachte 9] de gebruiker was van die telefoon en dat Sky-account – hetgeen overigens door of namens [medeverdachte 9] ook niet is weersproken – dat [medeverdachte 9] in deze periode de gebruiker was van deze telefoon en dit Sky-account.
PGP-nummers en Sky-ID’s die worden toegeschreven aan [medeverdachte 1] / [medeverdachte 9]
Tijdens een IMSI-scan op [medeverdachte 9] op onder meer 2 september 2019 kwam het IMSI-nummer [IMSI 1] (hierna * [IMSI 1] ) naar voren. Dit IMSI-nummer is gekoppeld aan het PGP-nummer [PGP-nummer 2] (hierna: * [PGP-nummer 2] ), zo bleek uit onderzoek aan het IMEI-nummer dat gekoppeld was aan * [IMSI 1] . Het betrof een PGP-nummer dat actief was in de periode van 18 augustus 2019 tot en met 18 september 2019. In deze periode maakte het toestel, na de nachtrustperiode, gebruik van de Cell-ID’s aan de [adres 2] of de [adres 5] in Soest, gelegen dus in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] te Soest. Op dit adres verbleef als gezegd toen ook [medeverdachte 9] . [medeverdachte 1] was van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in [land] . * [PGP-nummer 2] was in die periode, te weten in de periode tussen 22 augustus 2019 en 30 augustus 2019, uitsluitend actief geweest in het [land] netwerk. Hieruit, in combinatie met de hiervoor genoemde bevindingen, leidt het hof af dat * [PGP-nummer 2] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Het hof concludeert, nu dit nummer tijdens een IMSI-scan tot twee keer toe op 2 september 2019 naar voren is gekomen bij [medeverdachte 9] en [medeverdachte 9] toen verbleef in de woning die onder de dekking van de hiervoor genoemde Cell-ID’s in Soest viel, dat ook [medeverdachte 9] in de periode vanaf in elk geval 31 augustus 2019 de (mede)gebruiker van dit nummer was.
Het nummer * [PGP-nummer 2] werd gebruikt in een telefoon met het IMEI-nummer [IMEI 5] (* [IMEI 5] ). Met deze telefoon werd het Sky-ID [Sky-ID 3] met de bijnamen ‘ [bijnamen] ’ gebruikt.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] dit Sky-ID gebruikten.
Het PGP-nummer [PGP-nummer 3] (hierna: * [PGP-nummer 3] ) is op 7 mei 2019 geactiveerd. Het nummer werd gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI 6] en was in gebruik in de periode van 25 juni 2019 tot en met 24 september 2019. Uit een analyse van historische telecomgegevens van * [PGP-nummer 3] in relatie tot andere nummers in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] blijkt het volgende. Tijdens de reis naar [land] van [medeverdachte 1] in de periode van 18 augustus 2019 tot 30 augustus 2019 had * [PGP-nummer 3] registraties in Nederland en was er wat betreft locaties en tijdstippen waar de * [PGP-nummer 3] zich dan bevond, samenhang te zien met * [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 9] . Die samenhang liep door tot en met 5 september 2019. Voor het vertrek van [medeverdachte 1] naar [land] waren er vanaf 25 juni 2019 meerdere dagen waarop * [PGP-nummer 3] samenhangende registraties in tijd en plaats had met * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] . Op grond hiervan, in combinatie met de omstandigheid dat * [PGP-nummer 3] in voormelde periode onder meer in de nacht gebruik maakte van Cell-ID’s aan de [adres 3] en [adres 2] in Soest, concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] in deze periode de gebruikers waren van * [PGP-nummer 3] . Dit nummer was gekoppeld aan het Sky-ID [Sky-ID 4] met de gebruikersnamen ‘ [gebruikersnaam 1] ’ en ‘ [gebruikersnaam 2] ’, hetgeen impliceert dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] ook de gebruikers van dat Sky-ID waren.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (hierna: * [telefoonnummer 4] ) is vanaf in elk geval 11 oktober 2019 gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI 7] (* [IMEI 7] ). In afgeluisterde gesprekken werden zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 9] op basis van hun stem herkend als de gebruiker van * [telefoonnummer 4] . Ook noemde [medeverdachte 1] in meerdere gesprekken zijn naam. Verder vertoonde * [telefoonnummer 4] een vergelijkbaar bewegingspatroon wat betreft tijd en plaats ten opzichte van telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 3] ). Op basis hiervan stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] de gebruikers waren van het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] .
Telefoonnummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 2]
Op 26 november 2019 is tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 2] ( [adres 7] in Utrecht) een Nokia-telefoon type 105 met IMEI-nummer [IMEI 8] in beslag genomen. Uit historische verkeersgegevens volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 5] (hierna: * [telefoonnummer 5] ) in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 in gebruik was in die telefoon.
Uit tapgesprekken tussen het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 2] en * [telefoonnummer 5] volgt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 5] opnam met “Hallo pa” en de vader van [medeverdachte 2] antwoordde met “Hee [voornaam 1] ”. [voornaam 1] is de voornaam van [medeverdachte 2] . Ook zijn er meerdere berichten in de telefoon aangetroffen van het telefoonnummer van de vader van [medeverdachte 2] waarin hij de gebruiker van * [telefoonnummer 5] aansprak met “ [voornaam 1] ” en “m’n geliefde zoon”.
Op grond van het bovenstaande, in onderlinge samenhang bezien, concludeert het hof dat [medeverdachte 2] in de periode van 13 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 de gebruiker was van * [telefoonnummer 5] .
Ook concludeert het hof dat het telefoonnummer [telefoonnummer 6] (hierna: * [telefoonnummer 6] ) werd gebruikt door [medeverdachte 2] in de periode van 2 juli 2019 tot en met 7 augustus 2019. Dit nummer maakte in de nachtelijke uren het meest gebruik van een Cell-ID aan de [adres 8] in Utrecht, gelegen in de directe omgeving van de woning van [medeverdachte 2] aan de [adres 7] . Het nummer * [telefoonnummer 6] had het meeste contact met telefoonnummers die werden gebruikt door de vader van [medeverdachte 2] en [naam 1] , de vriendin van [medeverdachte 2] . Verder zijn in de telefoon van [naam 1] WhatsApp-berichten aangetroffen tussen haar en * [telefoonnummer 6] , waarin de gebruiker van * [telefoonnummer 6] ‘ [voornaam 1] ’ werd genoemd.
Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat het telefoonnummer [telefoonnummer 7] (hierna * [telefoonnummer 7] ) op verschillende dagen in oktober 2019 door [medeverdachte 2] werd gebruikt, zulks gelet op het onderzoek naar de onder [naam 1] (vriendin van [medeverdachte 2] ) in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019. [naam 1] voegde op 17 september 2019 dit telefoonnummer aan haar contactenlijst toe onder de naam [bijnaam 1] . [bijnaam 2] is een bijnaam van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] werd voorts tijdens gesprekken aan zijn stem herkend. Overigens werd dit nummer ook gebruikt door [medeverdachte 10] , die door verbalisanten ook aan zijn stem werd herkend.
Uit het onderzoek naar de onder [naam 1] in beslag genomen iPhone XS op 12 december 2019 bleek verder dat zij op 16 oktober 2019 het contact ‘ [voornaam 1] ’ met telefoonnummer [telefoonnummer 8] (hierna: * [telefoonnummer 8] ) aan de contactenlijst heeft toegevoegd. Uit tapgesprekken blijkt dat de gebruiker van * [telefoonnummer 8] zichzelf [medeverdachte 2] noemde. Voorts werd [medeverdachte 2] aan zijn stem herkend tijdens gesprekken die met de * [telefoonnummer 8] worden gevoerd. Het hof concludeert dan ook dat [medeverdachte 2] de gebruiker was van * [telefoonnummer 8] .
PGP-nummer en Sky-ID die worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 9]
Aan het PGP-nummer [PGP-nummer 4] (hierna: * [PGP-nummer 4] ) was het IMEI-nummer [IMEI 9] (* [IMEI 9] ) gekoppeld. Dit is naar voren gekomen uit IMSI-scan sessies en historische printgegevens.
Uit de verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 4] ook was gebruikt in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI 10] (* [IMEI 10] ). Het PGP-nummer * [PGP-nummer 4] was tussen 15 augustus 2019 en 20 november 2019 actief geweest in het Nederlandse mobiele netwerk, zo blijkt uit de verkeersgegevens van dit nummer. In de periode van 15 augustus 2019 tot en met 24 september 2019 maakte de * [PGP-nummer 4] tijdens de voor de nachtrust bestemde uren het meest gebruik van Cell-ID’s gelegen aan de [adres 8] en de [adres 9] in Utrecht. Deze Cell-ID’s liggen in de omgeving van het BRP-adres van [medeverdachte 2] , aan de [adres 7] in Utrecht. Uit analyse van de telecombewegingen van * [telefoonnummer 5] , dat in gebruik was bij [medeverdachte 2] zoals hierboven uiteengezet, volgt dat de * [PGP-nummer 4] op meerdere dagen in de eriode van 19 augustus 2019 tot en met 1 oktober 2019 ‘meebewoog’ met * [PGP-nummer 4] . Op grond van dit [bijnaam slachtoffer] komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 2] de gebruiker is geweest van * [PGP-nummer 4] .
In de periode van 8 oktober 2019 tot 19 november 2019 was de * [PGP-nummer 4] meerdere malen actief in Soest. Op deze momenten waren de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] (hierboven uiteengezet) en * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 9] (hierboven uiteengezet) op dezelfde data – te weten 16 oktober 2019, 21 oktober 2019, 5 november 2019, 10 november 2019 en 19 november 2019 – en rond dezelfde tijdstippen ook actief in Soest. Daarnaast bewogen de * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] en de * [telefoonnummer 2] van [medeverdachte 9] op 11 oktober 2019 mee met de * [PGP-nummer 4] van Rotterdam naar Amsterdam en op 28 oktober 2019 bewogen de * [telefoonnummer 1] en * [telefoonnummer 3] mee met de * [PGP-nummer 4] van Soest naar Nieuwerkerk aan de IJssel. Tot slot werd [medeverdachte 1] op 20 november 2019 aangehouden, terwijl hij reed in een Peugeot. In deze auto werd onder andere een Apple iPhone aangetroffen. Deze telefoon bevatte een simkaart met het IMSI-nummer [IMEI 10] (kennelijk abusievelijk vermeld als [IMEI 10] ). Sky-ID [Sky-ID 5] werd via de geregistreerde IMEI-nummers gekoppeld aan * [PGP-nummer 4] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat zowel [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] als [medeverdachte 9] in voornoemde periode de gebruikers waren van de telefoonnummers * [PGP-nummer 4] en daarmee het Sky-ID [Sky-ID 5] en aldus dat zij degene waren die via dit nummer en dit account deelnamen aan het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer.
PGP-nummers die worden toegeschreven aan [medeverdachte 5]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat PGP-nummer [PGP-nummer 5] (hierna: * [PGP-nummer 5] ) bij [medeverdachte 5] in gebruik was in de bewezen verklaarde periode. Uit een analyse van historische telecomgegevens blijkt dat tot 29 juli 2019 de * [PGP-nummer 5] in de nachtelijke uren het meest gebruik maakte van Cell-ID’s in de directe omgeving van de [adres 33] 33 in Utrecht, het adres van de oma van [medeverdachte 5] , waar hij destijds woonde. Daarnaast is op camerabeelden te zien dat [medeverdachte 5] op 16 augustus 2019 een Renault met kenteken [kenteken 14] de garagebox aan de [straat garagebox] uitreed. * [PGP-nummer 5] bewoog vervolgens samen met deze Renault mee. Op 16 augustus 2019 wisselde [medeverdachte 5] van * [PGP-nummer 5] naar het PGP-nummer [PGP-nummer 6] (* [PGP-nummer 6] ). Het bewegingspatroon bleef na deze overgang gelijk. Ten slotte zijn er overeenkomsten tussen de registraties van de OV-chipkaart van [medeverdachte 5] en de aansluitende en/of opvolgende registraties van * [PGP-nummer 5] .
Naar aanleiding van vergelijkend onderzoek binnen opgevraagde historische verkeersgegevens afkomstig van de netwerkmetingen [adres 11] te Amsterdam en de wijk [adres 12] te Utrecht kwam één gemeenschappelijk PGP-nummer naar voren, te weten het PGP nummer * [PGP-nummer 6] . Uit de historische verkeersgegevens volgt dat * [PGP-nummer 6] is gebruikt in de telefoon met het IMEI-nummer [IMEI 11] (hierna: * [IMEI 11] ). In de nachtelijke uren maakte * [PGP-nummer 6] gebruik van Cell-ID’s aan de [adres 13] , de [adres 14] en de [adres 15] in Utrecht. Deze Cell-ID’s zijn gelegen in de directe omgeving van de [adres 16] , het verblijfadres waar [medeverdachte 5] sinds 13 september 2019 ingeschreven stond. Verder blijkt uit de reisgegevens van de OV-chipkaart van [medeverdachte 5] dat de weergegeven locaties bij het reizen met het openbaar vervoer aansluiten op geregistreerde Cell-ID’s in de historische verkeersgegevens van * [PGP-nummer 6] .
Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 5] in de periode van in elk geval 29 juli 2019 tot en met 16 augustus 2019 de gebruiker was van het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] en vanaf 16 augustus 2019 de gebruiker van de * [PGP-nummer 6] .
Sky-ID die wordt toegeschreven aan [medeverdachte 11]
Het hof concludeert dat [medeverdachte 11] in de bewezen verklaarde periode de gebruiker was van het Sky-account [Sky-ID 6] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 4]
gaf op 8 augustus 2019 zijn telefoonnummer op bij de politie. Dit betreft het telefoonnummer [telefoonnummer 9] (hierna: * [telefoonnummer 9] ). is, zo volgt uit de bewijsoverwegingen, een contact van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] . Uit afgeluisterde gesprekken van de * [telefoonnummer 9] volgt dat de gebruiker van die * [telefoonnummer 9] op 4 november 2019 telefonisch contact had met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 4] in de periode van in elk geval 8 augustus 2019 tot en met 4 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 9] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 7]
Met een IMSI-catcher werd op 21 februari 2020 is het IMSI-nummer [IMSI 2] verkregen. Telefoonnummer [telefoonnummer 10] (hierna: * [telefoonnummer 10] ) was aan dit IMSI-nummer gekoppeld. Uit de historische verkeersgegevens van * [telefoonnummer 10] bleek dat het telefoonnummer frequent contact had met het telefoonnummer van de zus van [medeverdachte 7] . Verder bleek uit de historische verkeersgegevens dat * [telefoonnummer 10] op 30 december 2019 om 16:48 uur en 17:33 uur meerdere zendmasten heeft aangestraald in [plaats 1] . Uit de politiesystemen bleek dat [medeverdachte 7] op dat moment in [plaats 1] werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 7] de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 10] . Het hof concludeert ook dat [medeverdachte 7] in oktober 2019, rond het moment van het geweld tegen [slachtoffer] , de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] . Redengevend daarvoor acht het hof dat de * [telefoonnummer 10] frequent contact had met onder meer het telefoonnummer [telefoonnummer 11] . Dit telefoonnummer wordt blijkens politiesystemen gekoppeld aan [naam 5] . [medeverdachte 7] is op 22 februari 2019 samen met [naam 5] gecontroleerd. Overigens heeft [medeverdachte 7] niet ontkend dat hij op en rond 30 oktober 2019 de gebruiker was van de * [telefoonnummer 10] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 6]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 6] op 25 november 2019 bij de politie het telefoonnummer [telefoonnummer 12] (hierna: * [telefoonnummer 12] ) als zijn telefoonnummer heeft opgegeven. Dat dit zijn telefoonnummer was wordt ook onderbouwd door het feit dat de * [telefoonnummer 12] frequent contact had met telefoonnummer * [telefoonnummer 10] van [medeverdachte 7] en dat uit historische verkeersgegevens bleek dat * [telefoonnummer 12] op 16 oktober 2019 tussen 00:30 uur en 00:35 uur zendmasten aanstraalde in de omgeving van Lunetten, terwijl uit de politiesystemen volgt dat [medeverdachte 6] rond dat tijdstip in de omgeving van Lunetten werd gecontroleerd.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 6] in elk geval in de periode van 16 oktober 2019 tot en met 25 november 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 12] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 8]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat het telefoonnummer [telefoonnummer 13] (hierna: * [telefoonnummer 13] ) tot 7 maart 2020 in de nachtelijke uren voornamelijk mastgegevens in de omgeving van het woonadres van [medeverdachte 8] ( [adres 17] in Tiel) aanstraalde. Dit telefoonnummer kwam in beeld in het onderzoek naar aanleiding van het geweldsfeit jegens [slachtoffer] op 30 oktober 2019, te weten na de DNA-match van [medeverdachte 8] met één van de bivakmutsen die op 1 november 2019 in de garagebox was aangetroffen (zie verder hierna) en na onderzoek van de telefoon van [medeverdachte 7] . Na 7 maart 2020 stopte het gebruik van de * [telefoonnummer 13] . Tot deze datum waren de belangrijkste tegencontacten van * [telefoonnummer 13] zijn vriendin, broer, vader, moeder en [medeverdachte 7] .
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 8] vanaf in elk geval 30 oktober 2019 tot en met 7 maart 2020 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 13] .
Telefoonnummer dat wordt toegeschreven aan [medeverdachte 12]
Uit tapgesprekken van [medeverdachte 9] met zijn telefoonnummer * [telefoonnummer 15] volgt dat hij geregeld contact had met het telefoonnummer [telefoonnummer 14] (hierna: * [telefoonnummer 14] ). Het IMEI-nummer [IMEI 12] bleek gekoppeld aan het nummer * [telefoonnummer 14] . Uit de CIOT-bevraging bleek dat het telefoonnummer op naam stond van [voornaam 2] , wonende op hetzelfde adres als [voornaam 3] . Uit de specifieke inhoud van de afgeluisterde gesprekken blijkt dat * [telefoonnummer 14] in gebruik was bij [voornaam 3] .
Het hof stelt op basis van dit [bijnaam slachtoffer] , in onderlinge samenhang bezien, vast dat [medeverdachte 12] in elk geval in de maand september 2019 de gebruiker was van het telefoonnummer * [telefoonnummer 14] .
FEIT 2: POGING MOORD
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bewezenverklaring van het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De bedoeling was dat [slachtoffer] zou worden mishandeld. [medeverdachte 9] heeft een rol gespeeld bij de voorbereiding daarvan door een baken onder het voertuig van [slachtoffer] te plaatsen, naar [slachtoffer] op zoek te gaan, hem te observeren, contact met [slachtoffer] te leggen om hem te lokken naar de plaats delict en de bij het geweldsincident gebruikte handschoenen, bivakmutsen en wapens te verplaatsen nadat het feit was gepleegd. [medeverdachte 9] wist dat voor de mishandeling gebruik zou worden gemaakt van zware slagvoorwerpen en moet dus ook geweten hebben dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen, hetgeen ook is gebeurd.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het medeplegen van de poging tot moord en heeft zich gerefereerd ten aanzien van de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met voorbedachte raad; de verdediging kan zich vinden in hetgeen de rechtbank daarover heeft overwogen in haar vonnis.
Het oordeel van het hof
De advocaten-generaal noch de verdediging heeft zich uitgelaten over het onder 2 primair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking tot het medeplegen van poging tot moord. Het hof begrijpt dat zij van mening zijn dat de verdachte van deze variant moet worden vrijgesproken. Het hof deelt dit oordeel en zal de verdachte hiervan vrijspreken wegens gebrek aan bewijs.
Het hof komt, anders dan de rechtbank, de verdediging en de advocaten-generaal, tot de conclusie dat [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord, zoals subsidiair ten laste gelegd. Hoewel het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere kwalificatie van het feit komt dan de rechtbank, kan het hof zich wel grotendeels vinden in de vaststelling van de feiten door de rechtbank. Het hof zal die vaststellingen grotendeels overnemen, zoals hieronder weergegeven.
Redengevende feiten en omstandigheden
Op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur wordt op de [adres 1] in Utrecht [slachtoffer] door drie personen in elkaar geslagen. Ze vluchten met een Volkswagen Transporter. Een vierde persoon bestuurt de Volkswagen Transporter waarin de uitvoerders zaten. Op de plaats delict blijft een slaghamer van ongeveer een meter lang met een zwart/geel handvat van het merk ‘Stanley’ achter.
Gebeurtenissen op 10 oktober 2019
Op 10 oktober 2019 wordt rond 22:50 uur aan de [adres 18] in Utrecht een gestolen Volkswagen Multivan met valse kentekenplaten ( [kenteken 18] ) aangetroffen en door de politie in beslaggenomen (zaaksdossier 9). In het busje worden onder andere een slaghamer, twee klauwhamers, kabelbinders, een honkbalknuppel, bivakmutsen, handschoenen en een zwarte pet aangetroffen. Om 23:23 uur belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 7] ) met [medeverdachte 10] (* [telefoonnummer 5] ) en zegt: ‘is een tweede ‘liefje’ (het hof begrijpt in deze context: een auto van de politie) bij komen kijken’. [medeverdachte 10] antwoordt: ‘Kanker en al die dingen liggen er nog in he… [bijnaam slachtoffer] DNA [bijnaam slachtoffer] jongen.’ Het DNA van [medeverdachte 10] matcht met DNA op een in het busje aangetroffen honkbalknuppel, hamers, bivakmutsen, handschoenen, deurbediening rechter schuifdeur en voorzijde oppervlak stuurwiel van het busje; het DNA van [medeverdachte 2] matcht met DNA op bivakmutsen en voorzijde oppervlak stuurwiel. Ook van [medeverdachte 4] is een DNA-match vastgesteld met een in het busje veiliggesteld spoor, te weten op de hoofdsteun linksvoor.
In de onder [medeverdachte 4] in beslag genomen iPhone wordt een filmpje aangetroffen dat sinds 11 oktober 2019 om 22:14 uur op de telefoon is opgeslagen. Hierop is te zien dat een donkerkleurig bestelbusje onder begeleiding van vier politieauto’s wordt afgevoerd door een sleepwagen. Het filmpje is gemaakt bij de kruising [adres 7] met de [adres 19] in Utrecht. In het filmpje wordt ingezoomd op de sleepwagen en takelwagen en is te horen dat een man, die samen met in ieder geval een ander is, spreekt over ‘die bus’ en meermalen tegen de ander zegt te kijken. In deze telefoon zijn ook telefoonnummers gevonden van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ), [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] ) en [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 5] en * [telefoonnummer 6] ).
In een OVC-gesprek van 26 november 2019 in de Nissan Micra van [naam 1] wordt gesproken over iemand die bij de [adres 53] , bij de molen, helemaal ‘naar de kanker’ was geslagen, dat [medeverdachte 2] (‘ [voornaam 1] ’) dat eigenlijk met [medeverdachte 10] (‘ [bijnaam 3] ’) had moeten doen, dat daarbij een busje was en dat [medeverdachte 2] zijn bivakmuts met DNA erin had laten liggen, dat er spullen in het busje lagen om iemand mee knock-out te slaan zoals mokers, dat het busje in beslag genomen was en dat dit geëscorteerd werd door de politie, dat [medeverdachte 2] dit vanuit zijn huis heeft gefilmd en dat hij nog naar het politiebureau wilde gaan om het busje in de fik te steken. Hieruit volgt dat het genoemde filmpje op de telefoon van [medeverdachte 4] betrekking heeft op (het afvoeren van) de Volkswagen Multivan.
Gebeurtenissen tussen 11 oktober 2019 en 15 oktober 2019
Op 11 en 12 oktober 2019 worden verschillende telefoongesprekken opgenomen en afgeluisterd.
Op 11 oktober 2019 om 19:19 uur citeert [medeverdachte 9] in een gesprek met [medeverdachte 2] een opdracht: ‘Hij moet posten en plakken die kanker C3’, ‘en als hij die hond ziet weggaan, kijken hoe en wat’ en ‘ze kankermoeder moet vandaag geket worden. No joke’.
Om 20:00 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 9] en zegt dat ‘die ene ding er niet staat’ en dat ‘meneer zelf achter op een Vespa’ langsreed. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 9] wat te doen, want waar hij is, is geen ‘place to be’ en ze rijden rondjes. Na het gesprek met [medeverdachte 9] belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 10] . [medeverdachte 10] zegt dat ‘die ene kap, met zwarte ding erboven […] begint met [getal] ’.
Die dag tussen 22:30 uur en 23:30 uur haalt [medeverdachte 9] [medeverdachte 1] op van luchthaven Schiphol met de Peugeot van [medeverdachte 1] . Even later, op 12 oktober 2019 om 00:52 uur vindt een OVC-gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] in die Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze naar ‘ [bijnaam slachtoffer] zijn huis’ (het hof begrijpt: de woning van [slachtoffer] ) rijden. Blijkens het baken op de Peugeot zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] om 01:12 uur op de [adres 20] te Utrecht. [medeverdachte 1] zegt op dat moment tegen [medeverdachte 9] dat hij terug moet rijden en: ‘Die C3 daar, rij, ga eens daarnaartoe, die grijze, volgens mij is dat hem’, ‘ [getal] nog wat’. Ook is te horen dat er foto’s worden gemaakt. Om 01:20 uur rijden [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] met de Peugeot over de [adres 20] in de richting van de [adres 1] in Utrecht en ze stoppen op de [adres 21] . Hierna rijden ze richting de woning van [medeverdachte 1] in Soest.
Uit onderzoek volgt dat [slachtoffer] een grijze Citroën C3 met kenteken [kenteken 21] in gebruik heeft en dat hij woont op [adres 20] in Utrecht. Uit onderzoek in een bij de doorzoeking van het huis van [medeverdachte 1] in beslag genomen Nokia 105 telefoon komt naar voren dat [medeverdachte 1] het telefoonnummer van [slachtoffer] heeft geprobeerd te achterhalen. Het hof stelt, mede aan de hand hiervan, vast dat de hiervoor genoemde gesprekken betrekking op het observeren van (voertuigen en het woonadres van) [slachtoffer] .
Gebeurtenissen tussen 23 oktober 2019 en 24 oktober 2019
Op 23 oktober 2019 voeren [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] om 01:34 uur een gesprek in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 9] of hij ‘hem’ laatst 150 euro had gegeven om die spullen te halen en of een hamer 30 euro kost. [medeverdachte 9] zegt dat hij ‘hem’ twee barkie (het hof begrijpt: 200 euro) heeft gegeven. [medeverdachte 1] zegt dat er een moker moest worden gehaald.
Op 23 oktober 2019 zitten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] rond 21:31 uur wederom in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt desgevraagd tegen [medeverdachte 9] dat hij naar ‘de molen’ moet rijden. [medeverdachte 9] vraagt of hij naar rechts moet, naar de [adres 20] , waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. Uit de bakengegevens van de Peugeot blijkt dat het voertuig rond 21:40 uur staat geparkeerd aan de [adres 20] in Utrecht ter hoogte van perceelnummer [huisnummer 1] – vlak bij het woonadres van [slachtoffer] dus. In een OVC-gesprek is te horen dat [medeverdachte 1] zegt dat ‘hij’ op nummer [huisnummer 2] woont en dat [medeverdachte 9] daar ergens moet parkeren. Op een gegeven moment, rond 21:47 uur, zegt [medeverdachte 1] : ‘Volgens mij is hij het broer’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 16] (hierna: * [telefoonnummer 16] ) van [slachtoffer] straalt die dag rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 20] , de zendmast aan de [adres 53] in Utrecht. Omstreeks 21:49 uur straalt zijn telefoonnummer een zendmast aan in de [adres 22] in Utrecht.
De Peugeot rijdt rond 21:57 uur weer en lijkt, op basis van een afgeluisterd gesprek, een ander voertuig te volgen. [medeverdachte 9] zegt: ‘Drie auto’s voor ons precies’. [medeverdachte 1] zegt: ‘Afstand, je hebt te grote afstand, dichterbij’ en ‘Nu mogen er auto’s tussenkomen, (ntv) is ook weer opvallend’. De bakengegevens van de Peugeot laten zien dat het voertuig vanaf de [adres 20] wordt gereden in de richting van de wijk Kanaleneiland in Utrecht. Uit de zendmastgegevens van de getapte telecommunicatie van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] blijkt dat zij beiden met de Peugeot meereizen.
Gebeurtenissen op 30 oktober 2019 voorafgaand aan het geweldsmisdrijf
Op 30 oktober 2019 stuurt [medeverdachte 11] om 19:07 uur (UTC+1) berichten met het Sky-ID [Sky-ID 6] naar het Sky-ID [Sky-ID 1] van [medeverdachte 1] : ‘Zet chauf klaar. Spullen [bijnaam slachtoffer] . Vandaag actie’. Om 19.36 uur schrijft [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 1] : ‘Zorg dat we die hond op goeie plek hebben zo. Oke jongens zijn er met een uur! Bus afgetankt hamers erin [bijnaam slachtoffer] . Oke top broer kk hond wordt tijd’.
Om 20:35 uur vindt in de Peugeot een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en een derde persoon die in de Peugeot stapt. Deze derde persoon wordt aan zijn stem herkend als [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] vraagt wat de planning is en of ze hem nu gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de buurt is, dat hij gaat bellen om handel bij hem te halen en dat ze hem dan gelijk gaan pakken. [medeverdachte 1] zegt dat die jongens er met een kwartiertje zijn, dat de bus klaar staat en dat hij er nu even [bijnaam slachtoffer] in gaat stoppen. Even later zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] dat de bus niet verbrand moet worden. [medeverdachte 4] vraagt waar die naartoe moet, waarop [medeverdachte 1] zegt dat de bus gewoon safe moet staan om de volgende dag weer gebruikt te worden.
Later die avond, om 21:42 uur, vraagt [medeverdachte 4] wat de planning is. [medeverdachte 1] zegt dat ze ‘naar die jongens toegaan’. [medeverdachte 4] vraagt of [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] ‘die boys gaan ophalen’, waarop [medeverdachte 1] zegt: ‘Nee die boys zijn er broer. Die boys gaan mij niet meer zien. Die boys gaan jou zien. Alleen jij mag mij zien zeg maar’.
Om 22:44 uur vindt in de Peugeot een voorbespreking plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] over een te voeren telefoongesprek. [medeverdachte 9] vraagt [medeverdachte 1] hem precies uit te leggen wat hij moet zeggen. [medeverdachte 1] geeft hem instructies: ‘Wat gaan we zeggen. He man, bro. Kan ik nog wat bij je halen ja of nee. Zeg, yo, met [naam 7] (fon.). Met [naam 6] (fon.). Gewoon zeggen, he Leidse Rijn. Heb je nog wat of niet? Het gaat om handel hier. Gewoon zeggen ik heb nu wat nodig’. [medeverdachte 9] vraagt [medeverdachte 1] waar hij moet komen en wanneer. [medeverdachte 1] : ‘Zeg maar tegen hem waar hij wilt. Jij moet zeggen kom maar naar jou toe als je wilt. Als je kan, zeg maar ik ben op de weg, maar maakt niet uit. Snap je?’. [medeverdachte 9] : ‘Anders zeg ik gewoon Overvecht?’. [medeverdachte 1] : ‘Dan zeg je tegen hem, dan over een half uurtje ben ik. Half uurtje in De Keizer’. Om 22:47 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 9] dat hij ‘ [bijnaam slachtoffer] ’ (fon.) heet.
[medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 4] ) probeert meerdere keren contact op te nemen met [slachtoffer] (* [telefoonnummer 16] ). De derde keer wordt er opgenomen. [medeverdachte 9] stelt zich voor als [naam 6] uit Leidse Rijn, zegt dat hij wat nodig heeft en vraagt of dat gaat lukken. [slachtoffer] zegt dat hij niet weet waar het over gaat en beëindigt het gesprek.
Om 22:53 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] aan de telefoon tegen [medeverdachte 4] zegt dat ze in een grijze Peugeot zitten bij [adres 54] , bij de [adres 55] .
Intussen ontvangt [medeverdachte 1] op zijn Sky-ID [Sky-ID 1] berichten van het Sky-ID [Sky-ID 6] van [medeverdachte 11] . Tussen 22:46 uur en 23:07 uur stuurt [medeverdachte 11] onder andere de volgende berichten naar [medeverdachte 1] (waarbij de tegenberichten van [medeverdachte 1] niet zijn afgevangen): ‘Mijn jongens kunnen niet buiten blijven bro. Hoe lang broer. Want ze wachten echt lang. Peugeot. Hoe lang +- voor hond er is. Oke waar is fucking driver man. En [lounge] goed??? Wel echt kk druk daar heh maar denk hij haalt het dan van osso???? Want hij woont er achter. Oke broer dus nu naar ze osso gaan timeren? Oke perfect jongens zijn klaar en ze moeten dichtbij proberen! Yallah bro gas erop!!’.
Om 23:02 uur rijdt de Peugeot nabij de [adres 23] ter hoogte van de kruising met de [adres 24] . Op dat moment wordt [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 4] ) teruggebeld door [slachtoffer] (* [telefoonnummer 16] ). [medeverdachte 9] zegt dat hij met tien à vijftien minuten in Overvecht zal zijn. Daarop zegt [slachtoffer] dat [medeverdachte 9] naar de molen bij de [lounge] toe moet komen. [medeverdachte 9] zegt dat dat goed is. In de directe omgeving van een shishalounge genaamd [lounge] aan de [adres 25] te Utrecht staat een molen genaamd [naam 8] op de [adres 1] in Utrecht.
Om 23:03 uur stapt [medeverdachte 4] weer in de Peugeot en vindt er een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] vraagt naar de handschoenen en [medeverdachte 9] zegt dat [bijnaam slachtoffer] in de wagen zit. [medeverdachte 9] vraagt aan [medeverdachte 4] of hij van tevoren nog handschoenen wil, ‘want jij bent die driver’. ‘Ja tuurlijk’, zegt [medeverdachte 4] . [medeverdachte 9] zegt: ‘Hij zegt kom naar [lounge] ’. ‘Wie?’, vraagt [medeverdachte 4] . [medeverdachte 9] antwoordt: ‘..dinge, [bijnaam slachtoffer] ’. [medeverdachte 4] zegt dat hij met hun gelijk naar de auto rijdt. [medeverdachte 9] zegt dat hij met hem heeft afgesproken, dat hij zei dat [medeverdachte 9] daarnaartoe moest komen en dat [medeverdachte 4] dus alvast naar [lounge] moet gaan rijden en voor de deur moet parkeren. [medeverdachte 1] bevestigt dat hij voor de deur moet parkeren.
[medeverdachte 9] wordt om 23:15 uur weer gebeld door [slachtoffer] . [medeverdachte 9] zegt dat hij bijna in Overvecht is en van daar gelijk naar hem doorrijdt. [slachtoffer] zegt dat hij bij de molen op hem zit te wachten. Rond 23:18 uur wordt de Peugeot geparkeerd in de omgeving van de [adres 26] in Utrecht en stappen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] uit. [medeverdachte 9] voert via een zendmast aan de Kosdreef, in de omgeving van de [adres 26] , nog een aantal telefoongesprekken met [slachtoffer] . In het telefoongesprek om 23:24 uur zegt [medeverdachte 9] tegen [slachtoffer] dat hij met twee, drie minuten bij de molen zal zijn. Ook om 23:30 uur zegt [medeverdachte 9] tegen [slachtoffer] dat hij er met twee minuten zal zijn.
Geweldsmisdrijf van 30 oktober 2019
[slachtoffer] wordt op 30 oktober 2019 rond 23:30 uur aan de [adres 1] in Utrecht door drie mannen in elkaar geslagen. De drie mannen gebruiken hierbij slagwapens en dragen bivakmutsen.
De politie ontvangt de melding van het geweldsincident rond 23:30 uur. Het voertuig van de verdachten, een grijze Volkswagen Transporter, zou zijn weg gereden richting Overvecht.
De politie komt rond 23:31 uur aan op de [adres 1] en treft [slachtoffer] op straat aan. Hij is niet aanspreekbaar en bloedt uit zijn hoofd. Op twee meter afstand van [slachtoffer] ziet de politie een hamer met lange steel, een slaghamer, rechtop staan. Rondom de slaghamer ligt bloed en dons van de jas van [slachtoffer] .
[slachtoffer] verklaart dat hij op 30 oktober 2019 op de kruising van de [adres 1] met de [adres 20] stond en dat hij op een gegeven moment in de [adres 27] een grijze Volkswagen Transporter zag staan waar twee of drie jongens uitstapten en iemand achter het stuur zat. Twee jongens hielden een moker vast in hun hand. Een andere persoon hield ook iets in zijn hand vast. De jongens renden op hem af en [slachtoffer] rende weg. De jongens haalden hem in en sloegen hem met de moker die zij in hun hand hadden. [slachtoffer] voelde dat hij werd geraakt op zijn hoofd, rug, schouders, armen en benen. Hij viel daarbij op de grond. Hij voelde heel erg veel pijn over zijn hele lichaam. Hij probeerde op te staan, maar voelde en zag dat hij direct weer werd neergeslagen door de moker. Hij zag bloed voor zijn ogen. Toen omstanders door hadden wat hem overkwam en naar de jongens schreeuwden dat ze moesten stoppen, stopten zij met slaan en renden ze weg. Hij zag nog dat één persoon terugkwam, hem weer sloeg en wegrende. De drie jongens stapten weer in de grijze Volkswagen Transporter en de Transporter reed weg. Eén van de daders droeg een capuchon en een bivakmuts. De andere twee jongens hadden hun gezicht ook bedekt, vermoedelijk met een bivakmuts. [slachtoffer] verklaart het volgende letsel te hebben opgelopen: gebroken hand, gekneusde rib, zeventien hechtingen in zijn hoofd en twee wonden, barst in zijn schedel, gebroken/gekneusd scheenbeen.
De spoedeisende hulp van het Diakonessenziekenhuis heeft met betrekking tot het letsel van [slachtoffer] de volgende informatie verstrekt:
De getuige [getuige 1] verklaart het volgende over het geweldsincident. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:30 uur drie personen vanuit de [adres 27] over de [adres 1] in de richting van de [adres 20] achter het slachtoffer aan rennen. Eén van deze personen rent met een honkbalknuppel in zijn handen. Het hoofd en gezicht van deze man is geheel bedekt. De man met de honkbalknuppel slaat het slachtoffer meerdere malen hard met de honkbalknuppel, voornamelijk in de richting van zijn hoofd. De man met de moker slaat meerdere malen met een lange slag richting de rug van het slachtoffer. Het slachtoffer wordt meerdere malen geraakt. [bijnaam slachtoffer] drie de mannen slaan hem meerdere keren. Vanuit de [adres 27] komt een lichtgrijs busje met geblindeerde achter zijramen aan rijden. De bestuurder blijft in het busje zitten. De man met de moker slaat nog één keer op de benen van het slachtoffer, waarna hij de moker loslaat en achterlaat op de kruising bij het slachtoffer. De drie mannen rennen dan snel richting het grijze busje en stappen in het busje. Het busje rijdt vervolgens hard weg. Bij de rechter-commissaris verklaart de getuige [getuige 1] dat één man een moker had en daarmee richting de benen, in ieder geval de onderkant, van het slachtoffer sloeg en dat de andere twee mannen honkbalknuppels hadden.
Getuige [getuige 2] verklaart als volgt. Zij ziet op 30 oktober 2019 omstreeks 23:31 uur drie mannen achter een grijze Volkswagen bus vandaan rennen die op de [adres 27] ter hoogte van de molen staat. [bijnaam slachtoffer] drie de mannen dragen een bivakmuts. Twee van deze mannen hebben een honkbalknuppel bij zich. De derde man heeft een grote moker bij zich. Deze moker heeft een opvallende gele kleur en een handvat van ongeveer een meter. Eén van de mannen met een honkbalknuppel maakt een lage slaande beweging richting de man die door hen wordt achtervolgd. Hij raakt de man en de man komt ten val op de [adres 20] . [bijnaam slachtoffer] drie de mannen slaan hierna meerdere keren op het slachtoffer in. Het slachtoffer wordt meermalen met de moker en met de honkbalknuppel geslagen. Als omstanders beginnen te schreeuwen en te claxonneren, rennen de drie mannen plotseling weg in de richting van de Volkswagen bus die inmiddels op de [adres 1] stond en zij stappen aan de zijkant in. Vrijwel direct hierna rijdt de bus weg richting de [adres 56] . Bij het instappen laat één van de drie mannen de moker achter op de [adres 1] .
Gebeurtenissen na het geweldsmisdrijf en de uitvoerders
[medeverdachte 9] probeert [slachtoffer] te bellen op 30 oktober 2019 om 23:37 uur, 23:40 uur en 23:45 uur, maar krijgt hem niet aan de lijn. [medeverdachte 1] zegt om 23:53 uur in de Peugeot tegen [medeverdachte 9] : ‘Hij heeft ook niet teruggebeld he?’, waarop ze beiden lachen. Na het geweldsmisdrijf wordt het telefoonnummer * [telefoonnummer 4] niet meer door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 9] gebruikt.
Op 31 oktober 2019 om 00:27 uur is in de Peugeot te horen dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 9] zegt dat hij ‘ [bijnaam 4] ’ ‘nu gelijk’ naar Overvecht moet laten komen. [medeverdachte 9] belt daarop met [medeverdachte 12] (* [telefoonnummer 14] ). Vervolgens wordt om 00:38 uur in de Peugeot door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 4] gesproken over waar die spullen naartoe moeten en waar geen camera’s hangen. [medeverdachte 4] noemt Soesterberg.
Op de camerabeelden van de garagebox aan de [straat garagebox] is te zien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] op 31 oktober 2019 rond 00:53 uur aan komen lopen bij de garagebox. [medeverdachte 9] heeft in zijn linkerhand een grote tas met daarin een groot lichtkleurig voorwerp dat aan de bovenzijde uitsteekt. [medeverdachte 1] opent de deur van de garagebox en [medeverdachte 9] gaat naar binnen met de tas. Deze tas heeft een opdruk, een ovaal in de kleur zwart met daarin onder andere het woord ‘food’. [medeverdachte 9] komt vervolgens zonder tas uit de garagebox.
Om 00:56 uur vindt er weer een gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] zegt dat ze een ‘waggie’ pakken en hem daar op gaan zetten om die eruit te rijden. Hij vraagt of een busje beter is of een auto, waarop wordt gezegd dat een busje beter is, dat het niet opvallend is. [medeverdachte 1] vraagt waar die platen zijn. Hij is op zoek naar een mooie plek waar hij die auto kan stallen tot de volgende dag en noemt Soest of Soesterberg.
De telefoonnummers van [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] ), [medeverdachte 1] (*5194), [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 9] ) en [medeverdachte 12] (* [telefoonnummer 14] ) stralen tussen 00:52 en 01:15 uur zendmasten aan in de omgeving van de [adres 28] , waar ook de Peugeot zich dan bevindt.
Met de telefoon van [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 9] ) is om 01:17 uur via de navigatie-applicatie Waze gezocht naar de [adres 29] in Soesterberg.
Op 31 oktober 2019 om 02:24 uur vraagt [medeverdachte 1] in de Peugeot aan [medeverdachte 4] of ze met drie man waren en of eentje met een houten ‘bed’ (het hof begrijpt in deze context: honkbalknuppel) bezig was. [medeverdachte 1] vraagt verder: ‘Eentje was aan het knuppelen, eentje was aan het hameren en ander aan het mokeren?’ [medeverdachte 4] antwoordt bevestigend.
Om 13.44 uur die middag wordt met de telefoon van [medeverdachte 11] (Sky-ID [Sky-ID 6] ) een bericht gestuurd naar Sky-ID [Sky-ID 5] , in gebruik bij [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 9] met als inhoud: “(…) eigenlijk moet iemand langs gaan foto top hahahahaha”.
Die middag, om 14:53 uur, wordt in de Peugeot gevraagd of er niemand is die een foto kan maken van iemand in het ziekenhuis. Om 16:48 uur praten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] weer in de auto over het geweldsincident waarbij [medeverdachte 9] een artikel voorleest en [medeverdachte 1] herhaaldelijk lacht.
Op 1 november 2019 om 03:55 uur vindt een heimelijke inkijk plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Tijdens deze inkijk wordt een foto gemaakt van een daar aangetroffen gele Jumbo boodschappentas. De tas heeft een zwart vlak met lichte letters met de woorden ‘food’ en ‘markt’. Het zwarte vlak heeft aan de linker bovenzijde een ronding en daarboven het woord ‘Jumbo’. Dit komt overeen met de tas op de foto die op 31 oktober 2019 om 00:53 uur is gemaakt bij de garagebox. In de tas worden onder andere een honkbalknuppel met bloedspetters, drie gebruikte bivakmutsen en twee klauwhamers van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. Ook wordt een verpakking van een slaghamer van het merk ‘Stanley’ aangetroffen. De slaghamer die op de plaats delict wordt achtergelaten, is van het merk ‘Stanley’.
De drie bivakmutsen worden rondom de mondopening bemonsterd. Op de drie bivakmutsen wordt een DNA-match met respectievelijk van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 8] en [medeverdachte 7] aangetroffen. Ook wordt een DNA-bloedspoor van de honkbalknuppel bemonsterd en onderzocht. Dat levert een DNA-match op met het slachtoffer [slachtoffer] .
Op 26 november 2019 vindt een doorzoeking plaats in de garagebox aan de [straat garagebox] . Daarbij worden een Jumbotas en een Praxistas met inhoud aangetroffen. In de Praxistas worden handschoenen, bivakmutsen in verpakking, baseballcaps, een verbanddoos en een doosje met handschoenen aangetroffen. In de garagebox worden ook een honkbalknuppel, hamers van het merk ‘Stanley’ en diverse schoonmaakproducten aangetroffen. Zes handschoenen worden bemonsterd. Twee van de zes bemonsterde handschoenen leveren een DNA-match met [medeverdachte 8] op, twee handschoenen leveren een DNA-match met [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10] op en de andere twee handschoenen een DNA-match met [medeverdachte 6] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 10] .
Op 3 november 2019 vindt om 13:26 uur een OVC-gesprek plaats in de Peugeot. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 4] of de jongens die op die dag met hem waren gouden tanden hadden. [medeverdachte 4] zegt: ‘Twee Marokkanen en een Pool’.
Volgens de wijkagent in Tiel hebben [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] beiden een gouden tand. Ook weet de wijkagent dat [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] met elkaar omgaan en elkaar goed kennen. [medeverdachte 8] heeft een Marokkaanse afkomst. Het uiterlijk van [medeverdachte 6] wordt door een verbalisant omschreven als Marokkaans. [medeverdachte 7] heeft een Poolse afkomst. Ten tijde van het geweldsincident was [medeverdachte 7] kentekenhouder van een grijskleurige Peugeot.
Op de dag van het geweldsmisdrijf bevinden de telefoons van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) en [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 12] ) zich rond 16:22 uur in Utrecht. Rond 19:20 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] zendmasten aan in de omgeving van Gorinchem. Rond dat moment zijn ook de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] in die omgeving. Vervolgens verplaatsen de telefoons van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] zich richting Tiel. Rond 20:24 uur hebben de telefoons van [medeverdachte 8] (* [telefoonnummer 13] ) en [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) contact met elkaar. De telefoon van [medeverdachte 8] straalt aan in Tiel. Na het gesprek beweegt het telefoonnummer van [medeverdachte 7] van Tiel naar Utrecht. Het telefoonnummer van [medeverdachte 6] vertoont na aankomst in Tiel geen activiteit meer. Rondom het moment van het geweldsmisdrijf is het telefoonnummer van [medeverdachte 8] niet actief.
Het telefoonnummer van [medeverdachte 7] (* [telefoonnummer 10] ) straalt op 30 oktober 2019 rond 21:21 uur een zendmast aan in de omgeving van de [adres 23] in Utrecht. Omstreeks 23:55 uur vindt de eerste registratie na het geweldsmisdrijf plaats, wanneer een zendmast aan de [adres 22] wordt aangestraald. Deze zendmast bevindt zich in de buurt van het adres van [medeverdachte 4] . Rond dezelfde tijd, 23:58 uur, straalt het telefoonnummer van [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 9] ) ook een zendmast aan in de omgeving van de [adres 22] . Kort na middernacht, om 00:07 uur, komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] ook naar de [adres 22] .
Bewijsoverweging
Gronddelict
Ten aanzien van het opzet van [medeverdachte 9] op het gronddelict is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 9] en zijn mededaders de intentie (in de zin van vol opzet) hadden om [slachtoffer] te doden. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat [medeverdachte 9] en zijn mededaders wel bewust de aanmerkelijke kans op de koop hebben toegenomen dat [slachtoffer] zou kunnen overlijden door het toegepaste geweld (in de zin van voorwaardelijk opzet). Het hof overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in [bijnaam slachtoffer] gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat [medeverdachte 9] zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat hij wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging van [medeverdachte 9] en zijn mededaders is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] , [slachtoffer] meermalen met kracht met slagvoorwerpen hebben geslagen. Eén van hen heeft [slachtoffer] meerdere malen met een honkbalknuppel geslagen, voornamelijk in de richting van zijn hoofd, terwijl een ander hem meermalen met een slaghamer met een lange slag in de richting van de rug heeft geslagen. Met de slaghamer is zeker drie of vier keer aan de bovenzijde van de rug van [slachtoffer] geslagen, tussen de schouderbladen. De kop van de slaghamer weegt 2,72 kilogram. Openbare bronnen stellen het totaalgewicht van deze slaghamer op 4,5 kilogram. Het hof begrijpt dat, daar waar de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] spreken over een moker die is gebruikt (zoals het slagwapen ook in de tenlastelegging is geduid), een slaghamer is bedoeld. Ook het hof zal die beide termen voor hetzelfde voorwerp hanteren.
[slachtoffer] is op zijn hoofd en zijn lichaam geraakt en wel zodanig dat hij ten val kwam, waarna [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 8] opnieuw meermalen met veel kracht op hem insloegen met de slaghamer en een honkbalknuppel. Pas toen omstanders gingen schreeuwen en claxonneren, renden de mannen weg.
Als gezegd concludeert het hof dat [slachtoffer] onder meer is geraakt op zijn hoofd. Dit volgt uit de bewijsmiddelen, te weten het opgelopen letsel in combinatie de verklaring van [slachtoffer] zoals hij die als aangever op 31 oktober 2019 heeft afgelegd bij de politie en de getuigenverklaring van [getuige 1] , afgelegd bij de politie. De stelling van de verdediging dat [slachtoffer] dit hoofdletsel heeft opgelopen door een val wordt daarmee gepasseerd. Overigens blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] , op het moment dat hij voor zijn belagers wegrende, de pas werd afgesneden door een bij toeval passerende auto, maar het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat hij daardoor ten val is gekomen met het later geconstateerde hoofdletsel tot gevolg.
Het hof merkt bij het voorgaande nog op dat [slachtoffer] eerst als getuige ter zitting van het hof heeft verklaard dat hij het hoofdletsel heeft opgelopen door een val, maar bezigt niet die verklaring voor de waardering van het bewijs, maar zijn verklaring bij de politie. Reden daarvoor is dat het hof de verklaring die hij op zitting heeft afgelegd niet betrouwbaar acht. [slachtoffer] , die tijdens zijn verhoor op de openbare zitting bij het hof zichtbaar angstig was, heeft op bijna [bijnaam slachtoffer] vragen die hem gesteld werden geantwoord dat hij het niet meer wist. Hij kon zich alleen nog herinneren dat hij op zijn hoofd was gevallen en dat [voornaam 6] [medeverdachte 1] een vriend van hem is en hij zeker wist dat [medeverdachte 1] er niets mee te maken had. Dit laatste strookt al niet met de bekennende verklaring van [medeverdachte 1] over zijn betrokkenheid bij dit feit, terwijl de verklaring van [slachtoffer] dat hij op zijn hoofd zou zijn gevallen door geen van de ooggetuigen wordt bevestigd en, zoals hiervoor overwogen, ook overigens in het dossier geen steun vindt. Daar staat tegenover dat zijn verklaring bij de politie, anders dan die ter zitting van het hof, volledig en gedetailleerd is, op relevante onderdelen gesteund wordt door andere verklaringen en zeer kort na het feit is afgelegd, terwijl het hof geen enkele aanleiding heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een vitaal en potentieel kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is. Dat maakt dat het aanwenden van forse geweldshandelingen met slagwapens tegen het hoofd onder bepaalde omstandigheden een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood op kan leveren. De gebruikte honkbalknuppel en slaghamer zijn relatief lange voorwerpen en bepaald geen precisiewapens. In elk geval de slaghamer is ook een zwaar voorwerp. Indien met dergelijke voorwerpen met kracht wordt geslagen in de richting van het hoofd en het lichaam is de mogelijkheid op het hard raken van bij uitstek kwetsbare delen van het hoofd reëel, zeker als geslagen wordt op een persoon die zich beweegt om aan de klappen van de wapens te ontkomen. Met deze voorwerpen is doorgeslagen, ook nadat [slachtoffer] op de grond is gevallen en daarna volstrekt weerloos was. Dit blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris, waarin zij verklaart dat [slachtoffer] zich niet heeft geprobeerd af te weren; toen hij eenmaal lag, heeft hij niets gedaan. Naar het oordeel van het hof brengen daders van een dergelijk feit zichzelf in de positie dat zij het aanmerkelijke risico nemen dat de grens van niet dodelijk naar dodelijk geweld wordt overschreden, waarover zij onder deze omstandigheden geen (voldoende) controle meer hebben.
Door te slaan met deze voorwerpen, waarbij het hoofd is geraakt, hebben de daders niet alleen bijgedragen aan het in het leven roepen van de aanmerkelijke kans op de dood, maar deze kans ook bewust aanvaard. Immers, door onder de genoemde omstandigheden dergelijk zeer fors geweld tegen [slachtoffer] aan te wenden, kan het niet anders dan dat de daders de mogelijkheid hebben aanvaard dat zij, dan wel één van hen, daarbij het omslagpunt van niet dodelijk geweld naar dodelijk geweld zouden bereiken. Gelet op (de uiterlijke verschijningsvorm van) de verrichte gedragingen hebben zij zich niet door deze mogelijkheid laten weerhouden, maar deze op de koop toegenomen.
Medeplegen
Uit de hiervoor weer gegeven redengevende feiten en omstandigheden volgt dat [medeverdachte 9] in aanloop naar, ten tijde van en na het geweldsmisdrijf daarbij betrokken is geweest. Zo heeft hij een rol bij de planning en uitvoering, door [slachtoffer] te lokken naar de plaats waar hij is mishandeld. [medeverdachte 9] deed zich daarbij voor als iemand anders. Dit oefende hij van tevoren met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 9] vertelt minder dan een half uur voor het geweld aan ‘driver’ [medeverdachte 4] dat [bijnaam slachtoffer] in de wagen zit en dat hij naar [lounge] moet rijden. Ook volgt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden dat [medeverdachte 9] de bij de mishandeling gebruikte wapens en bivakmutsen in de Jumbotas naar de garagebox aan de [straat garagebox] heeft gebracht. [medeverdachte 9] heeft gelet op dit [bijnaam slachtoffer] een substantiële rol gehad bij en een wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweldsmisdrijf.
Net als de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 9] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, waarbij allen een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat [medeverdachte 9] geen opzet had op de dood, maar (enkel) op de zware mishandeling overweegt het hof nog het volgende. In dit kader zal het hof moeten toetsen of er is voldaan het dubbel opzetvereiste: opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit ligt reeds besloten in de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het begaan van het grondfeit. Indien de verschillende betrokkenen geen identiek opzet hebben gehad, wanneer zij met hun samenwerking verschillende delicten op het oog hadden, kan het voorwaardelijk opzet dit probleem vaak aanmerkelijk relativeren, zeker ten aanzien van details van de gang van zaken. Daarbij is niet vereist dat [medeverdachte 9] op de hoogte is geweest van de precieze gedragingen van de uitvoerders. Als het opzet onderling echter te veel of wezenlijk uiteenloopt en de uitvoerders substantieel verder gaan dan waarop het opzet van [medeverdachte 9] is gericht, kan [medeverdachte 9] daarvoor niet strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld en moet hij naar zijn eigen opzet worden beoordeeld en gekwalificeerd. Alsdan kan geen ‘bewuste en nauwe samenwerking’ worden aangenomen en bepaalt het eigen opzet van hem, en niet het opzet van de uitvoerders, de eigen aansprakelijkheid. Dit kan wel als zijn opzet voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van zodanig verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Doorgaans kan worden aangenomen dat dit verband bestaat, als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de deelnemer was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, zoals het geval is bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden.
In dit geval stelt het hof vast dat het opzet van [medeverdachte 9] erop was gericht dat [slachtoffer] fors geweld zou worden aangedaan. Hij was op verschillende momenten betrokken bij de voorbereiding van het geweldsincident. In het hiervoor genoemde OVC-gesprek van 23 oktober 2019 om 01:34 uur sprak hij met [medeverdachte 1] over de aanschaf van onder meer een moker, een wapen zols bij de mishandeling van [slachtoffer] is gebruikt. [medeverdachte 9] wist dat de klus uitgevoerd zou worden door meerdere mannen, zoals volgt uit het genoemde OVC-gesprek van 30 oktober 2019 te 20:35 uur tussen [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] . [medeverdachte 9] is bovendien degene die de gebruikte honkbalknuppel en slaghamer na het geweldsincident in de garagebox heeft gelegd. Het hof oordeelt aldus dat het opzet van [medeverdachte 9] voldoende verband houdt met het gronddelict, waarbij [slachtoffer] het beoogde slachtoffer was dat – na een voorbereidingsperiode en na door [medeverdachte 9] te zijn gelokt – door drie mannen fors en met gebruikmaking van slagwapens in elkaar geslagen zou worden, om het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer ook aan hem als medepleger toe te rekenen.
Voorbedachte raad
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de voorbedachte rade. Het hof overweegt dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt een belangrijke objectieve aanwijzing voor voorbedachte raad, maar hoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte pleiten.
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 9] samen met anderen over een langere periode planmatig heeft toegewerkt naar het feit, te weten vanaf in elk geval 11 oktober 2019, tot het moment waarop het geweld jegens [slachtoffer] plaatsvindt op 30 oktober 2019. Hieruit blijkt het vooropgezet plan van [medeverdachte 9] op het voorgenomen misdrijf. Het hof concludeert hieruit dat hij vóór de uitvoering van het feit heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan ook daadwerkelijk rekenschap heeft gegeven. De verdediging heeft daar ook niets tegenin gebracht. Nu van contra-indicaties niet is gebleken, concludeert het hof dat [medeverdachte 9] handelde met voorbedachte raad en niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Conclusie
Op grond van al het bovenstaande acht het hof het onder 2 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van een poging tot moord op [slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen.
FEIT 1: DEELNAME AAN EEN CRIMINELE ORGANISATIE
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld, samengevat weergegeven, dat kan worden bewezen dat [medeverdachte 9] zich met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] heeft schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk (voorbereiding) moord, gekwalificeerde diefstal, opzetheling, zware mishandeling met voorbedachte raad en valsheid in geschrift. De advocaten-generaal hebben vrijspraak gevorderd van het bestanddeel leidinggeven aan de criminele organisatie.
Standpunt verdediging
Volgens de verdediging dient [medeverdachte 9] te worden vrijgesproken van de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk van (de voorbereiding van) moord. Niet kan worden bewezen dat de organisatie zich bezig hield met het voorbereiden van moord, laat staan dat [medeverdachte 9] hiervan wetenschap had of daaraan leiding gaf.
Tegen de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk van opzetheling, valsheid in geschrifte en zware mishandeling met voorbedachte raad heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Inleiding
Onder een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr wordt volgens vaste jurisprudentie verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het oogmerk tot het plegen van de strafbare feiten, dan wel dat hij deze gedragingen ondersteunt. Het is niet vereist dat een deelnemer aan de criminele organisatie moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaakten van dat samenwerkingsverband of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte.
Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. Wel moet hij een aandeel hebben gehad of ondersteuning hebben geboden aan gedragingen, ter verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs van deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, dus moeten worden vastgesteld dat (i) sprake is geweest van een organisatie, (ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven en (iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Oogmerk van opzetheling en valsheid in geschrifte
Op 6 augustus 2019 wordt een Audi met het kenteken [kenteken 1] (zie verder hierna bij de bespreking van zaaksdossier 3) gestolen. Diezelfde dag vindt de politie het voertuig terug in Soesterberg. Inmiddels is de auto voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] . De auto verplaatst zich vervolgens naar de [straat garagebox] in Utrecht, waar het voertuig in een garagebox lijkt te zijn geplaatst. De politie verricht op 8 augustus 2019 een inkijk in drie garageboxen aan de [straat garagebox] [huisnummer 3] , die met elkaar zijn verbonden tot één ruimte (hierna: de garagebox). In de garagebox is, zo blijkt uit het voertuigidentificatienummer, de gestolen Audi gestald. Inmiddels is het voertuig voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] . In de garagebox staan verder de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 13] (zie hierna ook bij de bespreking van zaaksdossier 4 hierna) en de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 14] (zie hierna ook bij de bespreking van zaaksdossier 5 hierna). De politie plaatst vervolgens een camera met zicht op de garagebox en op een later moment ook een camera aan de binnenzijde van de garagebox.
Aan de hand van de verkregen camerabeelden en verder onderzoek door de politie stelt het hof het volgende vast.
- [medeverdachte 9] en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] komen in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten en in verschillende samenstellingen in de garagebox:
[medeverdachte 9] op 17 verschillende dagen, soms meermalen op één dag (10, 14, 19, 20 en 26 augustus 2019; 8, 10, 13, 14, 17 en 20 september 2019; 9, 22, 24, 26 en 31 oktober 2019; 22 november 2019);
[medeverdachte 1] op 14 verschillende dagen (14 en 16 augustus 2019; 8, 9, 13, 14, 17, 19 en 20 september 2019; 26, 30 en 31 oktober 2019; 11 november 2019);
[medeverdachte 5] op drie verschillende dagen (16, 19 en 26 augustus 2019);
[medeverdachte 2] drie keer op 10 augustus 2019.
- Op 10 augustus 2019 rond 01:20 uur loopt [medeverdachte 9] met twee gevulde jerrycans naar de garagebox en opent de toegangsdeur met een sleutel. Vervolgens komt [medeverdachte 2] aanlopen. Ook hij draagt twee gevulde jerrycans. Beide mannen lopen de garagebox in. Even later verlaten ze de garagebox en sluit [medeverdachte 9] de deur van de garagebox af. Later die nacht, rond 03:05 uur, komen beide mannen terug bij de garagebox. [medeverdachte 2] rijdt vervolgens de gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 4) de garagebox uit. Even later rijdt [medeverdachte 9] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 11] (zaaksdossier 8) de garagebox in. Beide mannen verlaten daarna de garagebox. Rond 04:04 uur bezoeken [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] de garagebox nogmaals.
- Tijdens een inkijk door de politie op 14 augustus 2019 staat de gestolen Audi uit zaaksdossier 3 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] ), de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 14] uit zaaksdossier 5 en de gestolen Audi uit zaaksdossier 8 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 17] ) in de garagebox. De drie voertuigen hebben lamineercodes op de aangebrachte kentekenplaten, waarvan de eerste zeven cijfers overeenkomen en dus uit één serie komen. Dit betreft een niet-bestaande serie. De codes uit deze specifieke serie komen terug in zaken met verschillende strafbare feiten. In de garagebox worden verder een fles ammoniak, verpakkingen van bivakmutsen en werkhandschoenen aangetroffen. Het hof leidt uit de verklaring van [medeverdachte 1] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 26 mei 2020 en het hiernavolgende af dat er auto’s in de garagebox werden schoongemaakt met ammoniak. Er werd ook schoonmaakmiddel (‘Glassex’) gebruikt.
- Op 16 augustus 2019 omstreeks 01.46 uur lopen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] naar de garagebox. [medeverdachte 5] rijdt vervolgens de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 14] (zaaksdossier 5) de garagebox uit. Even later wordt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 22] (zaaksdossier 7) de garagebox ingereden. Enkele minuten later staan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] in de garagebox. Ze dragen allebei mondkapjes en handschoenen. Eén van beiden heeft in beide handen een spuitbus vast.
- Op 19 augustus 2019 zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] in de garagebox aanwezig. Ze dragen beiden mondkapjes en handschoenen en lopen met jerrycans heen en weer naar voertuigen. Het hof leidt uit deze handelingen af dat die voertuigen met gebruikmaking van de jerrycans in de garagebox worden voorzien van brandstof.
- Op 26 augustus 2019 lopen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] naar de garagebox. [medeverdachte 9] opent de toegangsdeur en beide mannen lopen naar binnen. Even later komen ze weer naar buiten. [medeverdachte 9] draagt vier, vermoedelijk lege, jerrycans. [medeverdachte 5] sluit de deur af.
- Op 8 september 2019 zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] in de garagebox. Beiden dragen handschoenen. Door de mannen worden verschillende goederen in twee voertuigen gelegd, onder meer een set baseballpetjes, een aantal handschoenen (in verpakking), een fles (met vermoedelijk schoonmaakmiddel) en twee doosjes met (vermoedelijk) bivakmutsen.
- Op 13 september 2019 is [medeverdachte 9] bij de garagebox. Hij opent de toegangsdeur en draagt een volle jerrycan naar binnen. Na enkele minuten vertrekt hij weer. Een half uur later komt [medeverdachte 9] opnieuw, nu in gezelschap van [medeverdachte 1] , bij de garagebox. Beide mannen dragen handschoenen en zijn bezig met een grote jerrycan met het opschrift ‘Super Cleaner’. Even later rijdt [medeverdachte 9] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 8) naar buiten en sluit [medeverdachte 1] de garagebox af. Een klein uur later brengen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] de Audi weer terug naar de garagebox.
- Op 14 september 2019 zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox; [medeverdachte 1] draagt handschoenen. Later die dag rijdt [medeverdachte 9] de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 12] (zaaksdossier 3) naar buiten. [medeverdachte 1] sluit de garagebox af en loopt weg.
- Ook op 17 september 2019 zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox. [medeverdachte 9] rijdt de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 15] (zaaksdossier 6) de garagebox in. [medeverdachte 1] maakt verschillende foto’s van de Audi. Beide mannen hebben een spuitbus in hun hand en maken de Audi schoon.
- Op 19 september 2019 is [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven man in de garagebox. [medeverdachte 1] maakt een auto schoon met een spuitbus. De garagebox en/of aanwezige voertuigen worden door de onbekende man gesweept, zo volgt uit de beschrijving door de politie van de camerabeelden in combinatie met de schriftelijke verklaring van [medeverdachte 1] dat hij regelmatig voertuigen die in de garagebox stonden heeft gesweept of heeft laten sweepen.
- Op 31 oktober 2019 schrijft [medeverdachte 11] (* [Sky-ID 6] ) aan de gebruiker van Sky-ID [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 9] of [medeverdachte 1] ) dat hij nieuwe kentekenplaten moet hebben; hij heeft [kenteken 19] en ‘nog 1 andere beste’.
- Op 20 november 2019 wordt tijdens een doorzoeking door de politie van de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres 4] in Soest een huurovereenkomst met betrekking tot de garagebox aangetroffen. Het contract vermeldt ‘Jamay’ als huurder en het heeft 14 juni 2019 als ingangsdatum, met een geldigheidsduur van één jaar. Op het contract staat als telefoonnummer van Jamay het nummer [telefoonnummer 2] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 9] .
- Na de aanhouding van [medeverdachte 1] op 20 november 2019 vraagt [medeverdachte 11] (* [Sky-ID 6] ) nog dezelfde dag aan [medeverdachte 9] (* [Sky-ID 2] ) om hem de gegevens toe te sturen van ‘contact gereedschap’, ‘contact sweaper + sleutel’ en ‘Stash adres nieuwegein + nummer’. [medeverdachte 9] antwoordt vervolgens: ‘ [voornaam 4] [telefoonnummer 9] ’, [medeverdachte 4] voornaam en telefoonnummer dus. [medeverdachte 4] is met andere woorden de contactpersoon van het gereedschap. Het adres van de ‘stash’ is, zo bericht [medeverdachte 9] , [adres 30] . Dit is het adres van de zus van [medeverdachte 9] . [medeverdachte 11] instrueert [medeverdachte 9] verder onder meer om geen telefoons mee te nemen en nooit in auto’s (‘waggi’) te praten, ook niet versluierend (‘undercover taal’). De volgende dag bericht [medeverdachte 11] [medeverdachte 9] dat hij het slot moet vervangen. Als [medeverdachte 11] hier de volgende dag opnieuw bij [medeverdachte 9] op aandringt, vervangt [medeverdachte 9] nog diezelfde dag het slot van de toegangsdeur van de garagebox.
- Op 23 november 2019 zijn er berichtenwisselingen tussen [medeverdachte 11] (* [Sky-ID 6] ) en [medeverdachte 9] (* [Sky-ID 2] ). [medeverdachte 11] vraagt aan [medeverdachte 9] of hij een aantal voertuigen (‘bus en de andere’) wil verplaatsen. [medeverdachte 11] zegt verder dat ze voor een blauw voertuig nu geen ‘platen’ (het hof begrijpt: kentekenplaten) hebben; ook wordt in dit kader gesproken over andere voertuigen (‘Renault’, ‘Transporter’ en ‘zwarte en blauwe’). Verder vraagt [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 9] om te controleren of er dubbele kentekenplaten nodig zijn, dan maakt hij deze (‘check ff dubbele ervoor maak ik ze’). Tot slot draagt [medeverdachte 11] [medeverdachte 9] op om ‘ze’ goed schoon te maken, zowel van binnen als van buiten. Dit is zeer belangrijk en zo nodig moet daarvoor extra ammoniak worden gekocht. Een dag later bericht [medeverdachte 11] aan [medeverdachte 9] dat hij twee platen heeft gehad, van de Capture en de ‘transporter nieuwe platen’. Verder schrijft hij dat ‘ze’ echt super schoon moeten worden. Met ‘ze’ worden voertuigen bedoeld, want in het volgende bericht instrueert [medeverdachte 11] [medeverdachte 9] deze zelf schoon te maken: hij moet de ammoniak (‘ammo’) goed spuiten en de stoelen, grond en stuur vegen. Ook moeten ‘platen veranderen’. [medeverdachte 9] en de ‘jongen die met hem is’ moeten handschoenen gebruiken en een muts opzetten, ‘niet herkenbaar’ en ‘niet praten in of bij de auto’. Ook moet [medeverdachte 9] een ‘buitenstaander’ een sweeper laten kopen, een simpele van een paar honderd euro (‘paar barkis’).
- Op 26 november 2019 wordt de garagebox door de politie doorzocht. In de garagebox staan de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 15] (zaaksdossier 6), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 22] (zaaksdossier 7), de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 8) en de gestolen motorscooter van het merk Piaggio Skipper (zaaksdossier 11). Ook worden vier flessen ammoniak, twee flessen wasbenzine, een spuitfles reiniger, een doos latex handschoenen, een plastic zak met zestien zwarte petjes, een plastic zak met vier zwarte wollen collen en een plastic zak met aanstekers aangetroffen.
- Bij de doorzoeking op 26 november 2019 van de berging van de woning van de zus van [medeverdachte 9] aan het [adres 30] in Nieuwegein worden onder meer twee rugtassen met vijf jammers en een kentekenplaat ( [kenteken 23] ) aangetroffen.
- Op 12 mei 2020 worden in de schuur van de woning van de grootouders van [medeverdachte 4] aan de [adres 22] in Utrecht twee valse kentekenplaten ( [kenteken 19] ), zes honkbalknuppels, tien klauwhamers en twee voorhamers aangetroffen.
Aan de hand van deze feitenvaststellingen concludeert het hof dat:
( i) [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 op verschillende momenten, ook tijdens nachtelijke uren en in wisselende samenstellingen, in of bij de garagebox zijn geweest;
( ii) in de garagebox voertuigen werden gestald die van diefstal afkomstig waren;
( iii) gestolen voertuigen werden voorzien van valse kentekenplaten met lamineercodes uit één niet-bestaande serie;
( iv) valse kentekenplaten op bestelling konden worden gemaakt;
( v) gestolen voertuigen bij herhaling in en uit de garagebox werden geplaatst;
( vi) [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] verschillende handelingen aan gestolen voertuigen hebben verricht: voertuigen werden schoongemaakt met ammoniak en ander schoonmaakmiddel (met het kennelijke doel om sporen aan de voertuigen te verwijderen), in de garagebox van brandstof voorzien (met het kennelijke doel om te voorkomen dat een voertuig en de inzittenden bij een tankstation door een camera zouden worden geregistreerd) en in de garagebox gesweept (met het kennelijke doel om te achterhalen of opname- en/of afluisterapparatuur was geplaatst);
( vii) gebruik werd gemaakt van meerdere adressen, waaronder (zoals hieronder nog verder wordt toegelicht) de schuur van de grootouders van [medeverdachte 4] , waar goederen zoals jammers en valse kentekenplaten werden gestald, die dienstig zijn aan de hiervoor beschreven voertuigcriminaliteit;
( viii) na de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte 1] [bijnaam slachtoffer] in het werk werd gesteld om de toegang tot de garagebox te bemoeilijken, om sporen aan voertuigen uit te wissen en om afgeschermd te communiceren.
Uit al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen onder meer [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 4] met als oogmerk het plegen van de opzetheling van voertuigen en valsheid in geschrift (het opzettelijk voorhanden hebben en gebruiken van valse kentekenplaten).
Over de rol van [medeverdachte 4] merkt het hof ter toelichting nog op dat uit het bericht van [medeverdachte 11] van 20 november 2019 volgt dat [medeverdachte 4] de persoon was die voor de organisatie goederen (in de schuur van zijn grootouders) in bewaring had. Daar stalde hij, naast slagvoorwerpen waarop het hof hierna verder in zal gaan, kentekenplaten die [medeverdachte 11] – zo volgt uit diens bericht van 31 oktober 2019 – eerder had laten maken en die dienden om te worden gebruikt op gestolen voertuigen. Ook is [medeverdachte 4] , zoals hiervoor toegelicht, als bestuurder opgetreden van de gestolen Volkswagen Multivan (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13). Op deze wijze heeft [medeverdachte 4] een bijdrage geleverd aan de gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van de opzetheling en de valsheid in geschrifte.
Oogmerk van zware mishandeling met voorbedachten rade
10 ammo
Uit hetgeen hiervoor bij de bespreking van het geweldsfeit tegen [slachtoffer] is overwogen, volgt dat het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte 4] ook was gericht op het geweld tegen [slachtoffer] . Allen hebben een bijdrage geleverd aan de uitvoering van het gezamenlijke plan om fors geweld op [slachtoffer] uit te oefenen. Daarbij gebruikte de organisatie gestolen voertuigen voor dit geweld. Zoals hiervoor is overwogen zijn bij de (voorbereiding van) het geweld immers de gestolen Volkswagen Multivan met het valse kenteken [kenteken 18] (zaaksdossier 9) en de gestolen Volkswagen Transporter (zaaksdossier 13) gebruikt.
Dat het plegen van geweldsfeiten in breder verband een oogmerk van de organisatie was, blijkt uit verschillende berichten die zijn gewisseld:
- daags na de geweldsuitoefening tegen [slachtoffer] , op 31 oktober 2019, leest [medeverdachte 9] een artikel voor aan [medeverdachte 1] . [medeverdachte 9] spreekt onder meer over een ‘gerichte aanslag’, ‘bloedsporen’, ‘zwaargewond’ en ‘per ambulance naar het ziekenhuis’. [medeverdachte 1] reageert met de opmerking: ‘Weet je wie we ook gaan doen? [voornaam 5] ’. Duidelijk is, in de context van de hiervoor genoemde termen, dat met ‘doen’ het uitoefenen van ernstig geweld wordt bedoeld. Uit de reactie van [medeverdachte 9] blijkt dat hem duidelijk is wie [medeverdachte 1] met [voornaam 5] bedoelt;
- zoals hiervoor is toegelicht, heeft ook [medeverdachte 11] op 31 oktober 2019 contact over het kort daarvoor uitgeoefende geweld tegen [slachtoffer] , met de gebruiker van [Sky-ID 5] ( [medeverdachte 1] of [medeverdachte 9] ). Hij merkt op dat er eigenlijk een foto van [slachtoffer] zou moeten worden gemaakt. Ook wordt gesproken over de ‘hamers’, waarmee in deze context kennelijk wordt gedoeld op de tegen [slachtoffer] gebruikte slaghamer. [medeverdachte 11] merkt vervolgens op: ‘Hebben we nieuwe hamers setjes [bijnaam slachtoffer] voor nieuwe klus moet uit belgie of duits’. [medeverdachte 11] overlegt hier dus over een nieuwe klus, meer specifiek – gelet op het gereedschap dat moet worden geregeld – een geweldsklus;
- op 13 november 2019 bericht [medeverdachte 1] ( [Sky-ID 1] ) aan [medeverdachte 9] (op dat moment de gebruiker van [Sky-ID 5] ) dat bij een onbekend gebleven persoon [bijnaam slachtoffer] botten moeten worden gebroken. Ook moet deze persoon schade vergoeden en een boete betalen: vijftigduizend euro, deze week.
De organisatie beschikte, naast het genoemde voertuig dat bij (de voorbereiding van) het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt, over wapens en andere voorwerpen ten behoeve van dit geweld. Zoals besproken werden in de schuur van de grootouders van [medeverdachte 4] , die hij voor de organisatie als opslagplaats gebruikte, honkbalknuppels, klauwhamers en voorhamers gestald. Slagvoorwerpen, kortom, van het type als de slagwapens die zijn gebruikt bij het geweld tegen [slachtoffer] . Deze combinatie van slagwapens komt ook terug in de notities die zijn aangetroffen in de telefoon waaraan Sky-ID [Sky-ID 5] (in gebruik bij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] of [medeverdachte 2] ) was gekoppeld, waarin onder het kopje ‘nodig’ het volgende stond vermeld:
10x hamer
5x moker
20x handschoenen
20x keukendoek
10x barbeque brander
5x knuppel
5x nokia telefoon nieuw
Op deze telefoon zijn voorts foto’s aangetroffen van kassabonnen van aangekochte klauwhamers en voorhamers. De goederen werden volgens de kassabonnen op 9 november 2019 aangeschaft. Deze lijst vertoont overeenkomsten met een lijst (met de naam ‘Inventaris’) die is aangetroffen in de onder [medeverdachte 1] in beslag genomen telefoon (met het Sky-ID [Sky-ID 1] ), waarop onder meer de volgende goederen staan:
3x jammers
1x jammer autolader
8x amo flesjes
2x gps tracker
Sweeper
3x af luister zender
Renault kastje 3x sleutel
Audi kastje a6 s6 rs6 t/m bouwjaar 2010
Audi kastje B7 = rs4 t/m 2008
Audi kastje B8 = a4 s4 rs4 a5 s5 rs5 t/m 2014
22x petjes
14x bivak
20x schroeven
Slotentrekker
Het hof leidt uit het voorgaande af dat de organisatie voorwerpen op voorraad had die dienstig waren aan het door de organisatie beoogde geweld, naast de beoogde opzetheling. Ook de combinatie van de wapens en de overige in deze notities genoemde goederen, zoals handschoenen, petjes en bivaks (het hof begrijpt: bivakmutsen) – welke combinatie van goederen immers ook bij het geweld tegen [slachtoffer] is gebruikt – en de hoeveelheid van al die goederen (‘5 x knuppel’, ’14 x bivak’) wijst op het bredere oogmerk van het plegen van fors geweld door de organisatie.
Het samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] was kortom ook gericht op het plegen van zware mishandeling met voorbedachte raad. De deelname aan de criminele organisatie is overigens wat dit oogmerk betreft door de verdediging van [medeverdachte 9] niet betwist.
Oogmerk van voorbereiding van moord
Bij de beoordeling van de vraag of de organisatie ook was gericht op (de voorbereiding van) moord, zijn de volgende feiten van belang.
- Op 17 juli 2019 maakt het PGP-nummer * [PGP-nummer 5] van [medeverdachte 5] (hierna ook aangeduid als: de PGP van [medeverdachte 5] ) om 06:23 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 31] in Utrecht. Deze Cell-ID ligt in de omgeving van de verblijfsplaats van [medeverdachte 5] , de woning van zijn oma aan de [adres 33] . Tussen 07:09 uur en 07:21 uur straalt de PGP van [medeverdachte 5] achtereenvolgens aan in Utrecht, Maarssen, Breukelen, Nieuwersluis en Amsterdam. Tussen 09:13 uur en 13:02 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van Cell-ID’s aan het [adres 34] , [adres 35] en de [adres 36] in Amsterdam. Deze Cell-ID’s bevinden zich in de omgeving van het kantoor van Wiersum. Om 14:59 uur straalt de PGP van [medeverdachte 5] weer in Utrecht aan.
- Op 18 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 5] om 04:12 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 22] in Utrecht. Deze Cell-ID ligt in de omgeving van zijn verblijfadres aan de [adres 33] in Utrecht. Om 13:46 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van een Cell-ID in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 36] ). Tussen 14:25 uur en 14:41 uur straalt de PGP van [medeverdachte 5] aan op de route van Amsterdam naar Utrecht.
- Op 19 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 5] om 06:41 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 22] in de omgeving van zijn verblijfsadres. Tussen 07:53 uur en 08:00 uur straalt de PGP aan op de route van Maarssen naar Amsterdam. De PGP maakt om 10:11 uur en 11:12 uur gebruik van een Cell-ID aan in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 37] ). Vervolgens verplaatst de PGP zich in Amsterdam, waarbij het nummer gebruik maakt van Cell-ID’s aan de Keizersgracht en de Leidsekade. Om 16:07 uur maakt de PGP opnieuw gebruik van de Cell-ID aan de [adres 37] , waarna deze blijkens de mastgegevens terugkeert naar Utrecht.
- Op 26 juli 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 5] om 7:55 uur gebruik van een Cell-ID bij Utrecht Centraal Station, waarna deze zich verplaatst naar Amsterdam. Om 10:02 uur en om 11:24 uur maakt de PGP gebruik van Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 36] en de [adres 37] ). De PGP maakt om 14:32 uur weer gebruik van een Cell-ID in Utrecht.
- Op 31 juli tussen 07:53 uur en 08:04 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] achtereenvolgens gebruik van Cell-ID’s in Maarssen, Abcoude, Loenen aan de Vecht en Amsterdam. Om 09:28 uur straalt de PGP van [medeverdachte 5] weer aan in de omgeving van het kantoor van Wiersum (de [adres 36] ). In de loop van de middag maakt de PGP weer gebruik van een Cell-ID in Utrecht. Net na middernacht, om 00:07 uur en 00:29 uur, maakt de PGP gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de garagebox.
- Op 1 augustus 2019 om 07.22 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van een Cell-ID in Amsterdam. Tussen 08:03 uur en 13:34 uur maakt de PGP gebruik van meerdere Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum (het [adres 34] , [adres 35] en de [adres 38] ). De PGP van [medeverdachte 5] verplaatst zich vervolgens terug naar Utrecht. De PGP’s met de nummers * [telefoonnummer 2] en * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 9] en nummer * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] maken tussen 16:50 uur en 18:37 uur gebruik van Cell-ID’s in de omgeving van de garagebox. De hiervoor besproken gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 4) (hierna ook aan de duiden als: de Renault) heeft om 17:06 uur een startmoment en om 17:11 uur een stopmoment in de omgeving van de garagebox. Om 18:04 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de garagebox aan de [straat garagebox] . Ook de PGP’s * [telefoonnummer 3] van [medeverdachte 9] en * [telefoonnummer 1] van [medeverdachte 1] hebben hier registraties. Om 18:18 uur heeft de Renault vervolgens een start- en hierna om 18:25 uur een stopmoment in de omgeving van de garagebox.
- Op 2 augustus 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 5] vanaf 07:15 uur een reisbeweging van Breukelen naar Amsterdam. Tussen 08:13 uur en 10:38 uur maakt de PGP gebruik van verschillende Cell-ID’s in de omgeving van het kantoor van Wiersum ( [adres 35] , het [adres 34] en de [adres 38] ). In de middag is de PGP weer in Utrecht.
- Op 3 augustus 2019 wordt er om 15:40 uur bij het internetcafé ‘KanaalNet’ aan de [adres 21] in Utrecht (hierna: het internetcafé) een bevraging gedaan in het online handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) op het advocatenkantoor van Wiersum. In het KvK-uittreksel van het advocatenkantoor staat het woonadres van Wiersum vermeld. Voorafgaand aan en na deze bevraging – om respectievelijk 14:59 uur en 16:53 uur – maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van een Cell-ID aan het Jaarbeursplein. De [adres 21] ligt, zo volgt uit de openbare bron Googlemaps, in de directe omgeving van het Jaarbeursplein. Er is eerder, op 19 maart 2019, en vervolgens op 6 augustus 2019 en 4 september 2019 met de DigiD van [medeverdachte 5] ingelogd in het internetcafé.
- Op 5 augustus 2019 rijdt de Renault om 06:59 uur door de [adres 11] te Amsterdam. Wiersum was woonachtig aan de [adres 11] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 07:19 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 39] in Amstelveen, die dekking geeft aan de [adres 11] . De Renault rijdt vervolgens ook om 09:17 uur en 09:19 uur door de [adres 11] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt dan gebruik van een Cell-ID aan de [adres 40] ; ook deze Cell-ID geeft dekking aan de [adres 11] .
- Op 8 augustus 2019 is de Renault, zoals hiervoor opgemerkt, in de garagebox gestald.
- Ook in de nacht van 10 augustus 2019 staat de Renault in de garagebox. Zoals besproken bezoeken [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] die nacht de garagebox en dragen zij allebei twee gevulde jerrycans naar binnen. Later die nacht bezoeken ze de garagebox nogmaals en rijdt [medeverdachte 2] de Renault naar buiten.
- Op 12 augustus 2019 rijdt de Renault meerdere rondes door de woonwijk waarin de woning van van Wiersum is gelegen. Rond 06:00 uur rijdt de Renault over de [adres 41] richting de [adres 42] , een zijstraat van de [adres 11] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 06:07 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 43] in Amsterdam. Om 06:32 uur is de Renault weer terug in Utrecht en maakt dan gebruik van een Cell-ID aan de [adres 44] , die dekking geeft aan het adres waar [medeverdachte 5] in die periode verblijft, de [adres 16] in Utrecht. Tussen 08:07 uur en 08:15 uur straalt de PGP van [medeverdachte 5] aan op de route van Utrecht naar Amsterdam. Om 08:13 uur passeert de Renault een ANPR-camera in Ouderkerk aan de Amstel. Om 08.20 uur rijdt de Renault op de [adres 11] , waar hij ter hoogte van de woning van Wiersum stopt. Daarna rijdt de Renault verder. Om 08:39 uur wordt het voertuig ter hoogte van de woning van Wiersum in een parkeervak gereden en om 09:16 uur rijdt de Renault weer weg uit het parkeervak.
- Ook op 14 augustus 2019 rijdt de Renault meerdere rondes door de woonwijk waarin de woning van Wiersum is gelegen. Om 05:46 uur en om 05:58 uur rijdt de Renault weer over de [adres 41] richting de [adres 42] , een zijstraat van de [adres 11] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 07:41 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 39] in Amstelveen, die dekking geeft aan de [adres 11] . De Renault is vervolgens om 07:44 uur, 07:59 uur, 08:39 uur en 09:14 uur op de [adres 11] . Om 09:27 uur maakt de PGP van [medeverdachte 5] gebruik van een Cell-ID in Ouderkerk aan de Amstel. De Renault maakt om 09:55 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 45] in Utrecht. Ook de PGP van [medeverdachte 5] maakt om 11:27 uur en 12:45 uur gebruik van deze Cell-ID.
- Op 15 augustus 2019 wordt de nieuwe PGP * [PGP-nummer 6] van [medeverdachte 5] (vanaf hier in plaats van de * [PGP-nummer 5] aangeduid als: de PGP van [medeverdachte 5] ) geactiveerd. Om 04:03 uur – inmiddels dus 16 augustus 2019 – maakt de Renault gebruik van een Cell-ID aan de [adres 44] 80 in Utrecht, in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 5] . Ook de PGP van [medeverdachte 5] maakt om 04:16 uur gebruik van deze Cell-ID. Om 06:01 uur heeft de Renault hier een startmoment. De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 06:16 uur verbinding met een Cell-ID aan de Oukoop 11 in Nieuwer ter Aa, gelegen langs de A2 tussen Utrecht en Amsterdam. Om 06:39 uur rijdt de Renault door de [adres 11] . Om 06:53 uur stopt de Renault in de omgeving van de Van Leijenberghlaan 221 te Amsterdam. Tussen 07:10 uur en 07:35 uur heeft de OV-chipkaart van [medeverdachte 5] achtereenvolgens registraties bij de haltes [adres 46] (een zijstraat van de [adres 47] waar de Renault kennelijk is achtergelaten), Station Zuid en het Centraal Station in Amsterdam. De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 09:25 uur gebruik van een Cell-ID aan het [adres 48] . Vervolgens heeft de OV-chipkaart van [medeverdachte 5] tussen 10:24 uur en 10:54 uur achtereenvolgens registraties bij de haltes Centraal Station, Station Zuid en de [adres 46] . De Renault rijdt om 11:12 uur opnieuw door de [adres 11] . Hierna rijdt de Renault terug naar Utrecht; de Renault en de PGP van [medeverdachte 5] maken tegelijk – om respectievelijk 11:58 uur en 11:56 uur – gebruik van een Cell-ID in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 5] (de [adres 44] ).
- Op 19 augustus 2019 wordt de Renault om 05:22 uur in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 5] (de [adres 44] ) gestart. De Renault rijdt om 06:09 uur en 06:41 uur door de [adres 11] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 06:58 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 40] in Amsterdam, die dekking geeft aan de [adres 11] . De Renault rijdt om 07:30 uur en om 09.19 uur door de [adres 11] . Hierna heeft de Renault om 09:24 uur en 10:11 uur twee stopmomenten in de omgeving van de [adres 11] en maakt verbinding met een Cell-ID [adres 39] in Amstelveen. De PGP van [medeverdachte 5] maakt om 10:37 uur gebruik van een Cell-ID aan de [adres 49] in Amsterdam. Om 15:23 uur rijdt de Renault weer door de [adres 11] . Hierna rijdt de Renault weer terug naar Utrecht en om 16:03 uur maakt het voertuig gebruik van een Cell-ID aan de [adres 44] . De PGP van [medeverdachte 5] maakt een kwartier later gebruik van een Cell-ID aan de Rooseveltlaan. De beide Cell-ID’s liggen in de omgeving van [medeverdachte 5] ’s verblijfsplaats. Zoals hiervoor is overwogen, is [medeverdachte 5] die avond rond zes uur met [medeverdachte 9] in de garagebox aanwezig: beiden dragen mondkapjes en handschoenen en lopen met jerrycans heen en weer, waarna voertuigen worden voorzien van brandstof.
- Op 20 augustus 2019 rijdt de Renault om 06:06 uur, 06:11 uur en 06:29 uur door de [adres 11] . De Renault en de PGP van [medeverdachte 5] maken vervolgens beide – om respectievelijk 07:16 uur en 08:29 uur (de Renault) en 07:41 uur (de PGP van [medeverdachte 5] ) – gebruik van de Cell-ID aan de [adres 39] in Amstelveen. Hierna rijdt de Renault om 08:33 uur, 08:34 uur, 09:17 uur en 09:30 uur telkens opnieuw door de [adres 11] . Om 10:50 uur is de Renault weer terug in de omgeving van het verblijfadres van [medeverdachte 5] .
- Op 22 augustus 2019 maakt de PGP van [medeverdachte 5] om 09:59 uur gebruik van een Cell-ID in de omgeving van zijn verblijfplaats (de [adres 44] ). Vervolgens verplaatst de PGP zich per trein naar Amsterdam. De Renault rijdt vervolgens om 11:46 uur en 11:47 uur door de [adres 11] .
- Op 17 september 2019 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] rond 20:00 uur samen, zo volgt uit de mastgegevens van hun telefoons en uit het telefoongesprek dat [medeverdachte 1] dan met zijn moeder voert. Rond dezelfde tijd wordt de Renault door [medeverdachte 2] naar [plaats 2] gebracht, zo volgt uit de mastgegevens van de telefoon van [medeverdachte 2] en die van de Renault en uit de verklaring van [medeverdachte 1]. Eerder had [medeverdachte 1] de Renault al een aantal keer gesweept. Om 21:07 uur bellen [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 5] ) met elkaar. [medeverdachte 1] vraagt of het is gelukt, waarop [medeverdachte 2] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 2] zegt verder dat hij terug onderweg is en legt uit waar hij hem heeft gezet: ‘bij die binnenhofje […] je weet toch. Die jongen die daar komt hij gaat precies begrijp wat ik bedoel […] als je dat tegen die jongen zegt, hij weet het precies’. Iets later, tijdens een telefoongesprek om 22:33 uur, zegt [medeverdachte 2] , desgevraagd door [medeverdachte 1] , dat de sleutel linksachter bij de bestuurderskant ligt. [medeverdachte 1] vraagt of hij niet door iemand is gezien, waarop [medeverdachte 2] antwoordt dat dit zeker niet het geval is. Een paar minuten later, om 22:41 uur, belt [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 5] ) naar [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 2] ) en vraagt of het is gelukt, waarop [medeverdachte 9] antwoordt dat hij het niet weet en zo wordt gebeld. Om 22:52 uur zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] samen in de garagebox.
- De volgende dag, in de ochtend van 18 september 2019, wordt Wiersum op de [adres 11] doodgeschoten.
Op basis van de voorgaande vaststellingen trekt het hof de volgende conclusies:
( i) [medeverdachte 5] heeft zich op 17, 18, 19, 26 en 31 juli 2019 en op 1 en 2 augustus 2019 vanuit Utrecht steeds naar de directe omgeving van het kantoor van Wiersum begeven.
( ii) Op 1 augustus 2019 heeft [medeverdachte 5] zich in de ochtend naar de directe omgeving van het kantoor van Wiersum begeven en heeft hij zich aan het eind van de middag in de richting van de garagebox begeven, waar zich rond dezelfde tijd ook [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] (en de Renault) bevonden.
( iii) Op 3 augustus 2019 heeft [medeverdachte 5] het KvK-uittreksel van het advocatenkantoor van Wiersum (waarop diens woonadres werd vermeld) in het internetcafé geraadpleegd, zo leidt het hof af uit de omstandigheden dat zijn PGP voorafgaand aan en na deze bevraging een Cell-ID aan het Jaarbeursplein aanstraalde, hij blijkens de eerdere en de latere DigiD-inlog een bezoeker van het internetcafé was en – zoals hierna onder (iv) wordt geconcludeerd – hij vanaf het moment van raadplegen van het KvK-uittreksel zeer frequent naar de woning van Wiersum is gereden, zoals hiervoor is vastgesteld.
( iv) Op 5, 12, 14, 16, 19, 20 en 22 augustus 2019 is de Renault op en rond de [adres 11] geweest.
( v) Uit de hiervoor besproken onderzoeksbevindingen en locatiegegevens – waaruit wordt afgeleid dat de PGP’s van [medeverdachte 5] (eerst * [PGP-nummer 5] en daarna * [PGP-nummer 6] ) meermalen (ook vanaf de omgeving van het verblijfsadres van [medeverdachte 5] ) met de Renault meebewogen – volgt dat [medeverdachte 5] degene is geweest die deze voorverkenningen met de Renault heeft uitgevoerd.
( vi) De Renault heeft veel korte ritten gemaakt op en rondom de [adres 11] . De Renault stond een keer stil ter hoogte van de woning van Wiersum en werd daar een keer enige tijd geparkeerd. Nergens op de beelden is te zien dat iemand de Renault in- of uitstapte en ook overigens kan niet uit het dossier worden afgeleid dat de Renault voor een legitiem doel in de wijk moest zijn. Daarbij speelt dat de ritten ook veelal zeer vroeg in de ochtend waren. Het hof leidt hieruit af dat de Renault is gebruikt om de omgeving van de woning van Wiersum te verkennen ten behoeve van een – op 19 september 2019 ook daadwerkelijke op de locatie van de voorverkenningen, de [adres 11] , uitgevoerde – moordaanslag op Wiersum.
( vii) Nadat [medeverdachte 5] op 5 augustus 2019 was begonnen met de voorverkenningen met de Renault bij de woning van Wiersum, werd de Renault op 10 augustus 2019 door [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] – nadat zij eerder met jerrycans met brandstof de garagebox binnen zijn gegaan – de garagebox uitgereden. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] waren op 16 augustus 2019 samen in de garagebox waarbij zij handschoenen en witte mondkapjes droegen en één van hen twee spuitbussen vast had. [medeverdachte 9] was op 19 augustus 2019 samen met [medeverdachte 5] in de garagebox, waarbij zij handschoenen en mondkapjes droegen en waarbij zij met jerrycans heen en weer liepen. Na de laatste voorverkenning door [medeverdachte 5] heeft [medeverdachte 2] de Renault, in nauw contact met [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] , heimelijk afgevoerd naar een veilige plaats.
Uit het voorgaande volgt dat de organisatie, door het verrichten van voorverkenningen ten behoeve van de latere moordaanslag op Wiersum, ook de voorbereiding van moord tot oogmerk heeft gehad. Door de Renault in de garagebox te stallen, te verplaatsen, te sweepen en/of hieraan sporen te verwijderen en/of van brandstof te voorzien, en door deze daags voor de moord heimelijk naar een veilige plek af te voeren, hebben [medeverdachte 9] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een bijdrage geleverd aan deze voorverkenningen en aldus aan de gedragingen ter verwezenlijking van het oogmerk van de voorbereiding van moord. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor bij de inleiding is overwogen, hoeft voor een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging niet te worden vastgesteld dat [medeverdachte 9] wist dat de moord op Wiersum werd voorbereid. Voor een bewezenverklaring is toereikend – en op basis van de voorgaande vaststellingen is evident – dat [medeverdachte 9] in zijn algemeenheid wist dat dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Het andersluidende betoog van de verdediging wordt verworpen.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medeverdachte 9] leiding heeft gegeven aan de criminele organisatie. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal hij daarom, zoals ook door de advocaten-generaal en de verdediging is bepleit, worden vrijgesproken.
FEIT 3: DIEFSTAL / HELING VAN VOERTUIGEN
Zaaksdossier 4: diefstal en/of heling van de Renault Megane
Ten laste gelegd is de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Renault Megane met kenteken [kenteken 2] (vals kenteken [kenteken 13] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en de advocaten-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De Renault wordt in de periode van 24 tot 25 juni 2019 gestolen.
Zoals hiervoor is overwogen, wordt de auto in de nacht van 7 op 8 augustus 2019 in de garagebox aangetroffen, voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] .
In de nacht van 10 augustus 2019 lopen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] , zoals hiervoor overwogen, naar de garagebox en dragen beiden jerrycans naar binnen. Later die nacht rijdt [medeverdachte 2] de Renault de garagebox uit, waarna [medeverdachte 9] even later de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 11] (zaaksdossier 8) de garagebox inrijdt.
Hiervoor is vastgesteld dat [medeverdachte 2] de Renault op 17 september 2019, in nauw contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] , heimelijk afvoert naar [plaats 2] .
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Renault van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 5: diefstal en/of heling van de Renault Megane
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Renault Megane met kenteken [kenteken 3] (vals kenteken [kenteken 14] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en de advocaten-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Op 27 juni 2019 wordt de Renault Megane met het kenteken [kenteken 3] gestolen in Utrecht.
Zoals hiervoor overwogen, staat de Renault op 8 augustus 2019 in de garagebox, voorzien van het valse kenteken SJ578-X. De Renault wordt door de politie voorzien van een baken en OVC-apparatuur.
Zoals hiervoor opgemerkt, zijn [medeverdachte 2] en [medeverdachte 9] in de nacht van 10 augustus 2019 meermalen in de garagebox.
Ook op 14 augustus 2019 staat de Renault, zoals hiervoor overwogen, voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] in de garagebox, samen met de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 12] (zaaksdossier 3) en de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 8).
Blijkens bakengegevens komt de Renault op 22 augustus 2019 omstreeks 05:39 uur in beweging en komt deze omstreeks 05:42 uur aan op een parkeerplaats aan de [adres 50] in Westbroek. De Renault wordt daar rond 06:00 uur aangetroffen. Op de [adres 50] staat op acht meter afstand van de Renault ook de Peugeot 208 met kenteken [kenteken 24] , geparkeerd, die in die periode in gebruik is bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] .
In de OVC-gesprekken die in de Renault zijn gevoerd, worden de stemmen van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] herkend. Aan de hand hiervan concludeert het hof dat [medeverdachte 9] zich op 12 september 2019 in de Renault bevindt en [medeverdachte 2] op 27 augustus 2019, 15 september 2019 en op 16 september 2019.
Op 16 september 2019 beweegt de telefoon van [medeverdachte 2] richting Nijmegen, tezamen met de Renault. Hij vraagt om 20.08 uur telefonisch aan [naam 1] of zij hem kan ophalen in Nijmegen. Om 22:44 uur is [naam 1] – zo blijkt uit de mastgegevens van haar telefoon – ook in Nijmegen. Om 00:53 uur zijn [medeverdachte 2] en [naam 1] – blijkens de mastgegevens van hun telefoons – weer in Utrecht. De Renault blijft achter in Nijmegen: bij een inkijkoperatie op 21 september 2019 wordt de Renault voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] in een garagebox aan de [adres 51] in Nijmegen aangetroffen. Uit het voorgaande volgt dat de Renault door [medeverdachte 2] , samen met [naam 1] , daarheen is gebracht.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Renault van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 3: diefstal en/of heling van de Audi S4 ( [kenteken 1] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Audi S4 met kenteken [kenteken 1] (vals kenteken [kenteken 12] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en de advocaten-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Op 6 augustus 2019 wordt de Audi S4 met kenteken [kenteken 1] gestolen in Utrecht.
Bij de inkijk in de garagebox aan de [straat garagebox] op 8 augustus 2019 wordt de Audi S4, samen met de twee gestolen, hiervoor besproken, Renault Meganes, in de garagebox aangetroffen. Het voertuig is dan voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] . Er wordt dan een baken geplaatst in de Audi S4.
Zoals hiervoor opgemerkt, zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] in de nacht van 10 augustus 2019 meermalen in de garagebox.
Ook op 14 augustus 2019 staat de Audi S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] ), zoals hiervoor is overwogen, in de garagebox, samen met de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 14] (zaaksdossier 5) en de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 17] (zaaksdossier 8).
Zoals hiervoor is overwogen, zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 1] op 14 september 2019 samen in de garagebox; [medeverdachte 9] rijdt de Audi S4 de garagebox uit. De Audi S4 rijdt vervolgens blijkens de bakengegevens naar België.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Audi S4 van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 8: diefstal en/of heling van de Audi S4 ( [kenteken 25] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Audi S4 met kenteken [kenteken 25] (valse kentekens [kenteken 11] en [kenteken 26] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en zoals gevorderd door de advocaat-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De Audi S4 wordt in de nacht van 8 op 9 augustus 2019 in Zandvoort gestolen.
Zoals hiervoor is overwogen, zijn [medeverdachte 9] en [medeverdachte 2] in de nacht van 10 augustus 2019 meermalen samen in de garagebox. Op enig moment rijdt [medeverdachte 2] de gestolen Renault met het valse kenteken [kenteken 13] (zaaksdossier 4) de garagebox uit, waarna [medeverdachte 9] de gestolen Audi S4 (die dan is voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] ) de garagebox inrijdt.
Ook op 14 augustus 2019 staat de Audi S4 (dan voorzien van het valse kenteken [kenteken 17] ), zoals hiervoor is overwogen, in de garagebox, samen met de gestolen Renault Megane met het valse kenteken [kenteken 14] (zaaksdossier 5) en de gestolen Audi met het valse kenteken [kenteken 12] (zaaksdossier 3).
Zoals overwogen wordt de Audi S4 op 26 november 2019, dan nog steeds voorzien van het valse kenteken [kenteken 17] , aangetroffen in de garagebox.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Audi S4 van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 7: diefstal en/of heling van de Audi A5 Cabriolet ( [kenteken 5] ))
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Audi A5 met kenteken 5XBX75 (vals kenteken [kenteken 22] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en zoals gevorderd door de advocaat-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
De Audi A5 met kenteken [kenteken 5] wordt in de periode van 14 tot 15 augustus 2019 gestolen in Houten.
Zoals hiervoor overwogen, wordt de Audi A5 (dan voorzien van het valse kenteken [kenteken 22] ) in de nacht van 16 augustus 2019 garagebox ingereden. Enkele minuten later zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] in de garagebox, met mondkapjes op en handschoenen aan. Eén van hen draagt een spuitbus.
Zoals overwogen staat de Audi A5, met het valse kenteken [kenteken 22] , ook op 26 november 2019 in de garagebox.
[medeverdachte 9] is in de periode van 16 augustus 2019 (als de Audi A5 in de garagebox wordt aangetroffen) tot en met 26 november 2019 op 15 verschillende dagen in de garagebox geweest, zoals hiervoor is vastgesteld.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Audi A5 van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 6: diefstal en/of heling van de Audi RS5 ( [kenteken 4] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Audi RS5 met het kenteken [kenteken 4] (vals kenteken [kenteken 15] ).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van diefstal wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de diefstal.
Oordeel van het hof
Het hof is, anders dan de advocaten-generaal en met de verdediging, van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat. Uit het dossier blijkt dat de Audi RS5 door [medeverdachte 3] in de nacht van 17 september 2019 in Kerkrade is gestolen. De omstandigheden dat (i) de beide telefoons van [medeverdachte 9] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 2] ) die nacht richting Limburg bewegen, (ii) [medeverdachte 9] en [medeverdachte 3] vervolgens om 07.55 uur samen in een auto zitten en (iii) [medeverdachte 9] – zoals hierna zal worden toegelicht – de Audi RS5 vervolgens die avond om 22.52 uur de garagebox inrijdt, wijzen zonder meer op een betrokkenheid bij het gestolen voertuig, maar zijn onvoldoende zwaarwegend voor het oordeel dat hij deze samen met [medeverdachte 3] in Kerkrade heeft weggenomen, dan wel dat hij anderszins als medepleger hierbij betrokken is geweest.
Wel acht het hof bewezen dat [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling. Het hof betrekt daarbij de volgende feiten.
De Audi RS5 Coupe wordt op 17 september 2019 tussen 00:00 en 07:30 in Kerkrade gestolen. De Audi heeft het Duitse kenteken [kenteken 4] en het chassisnummer [chassisnummer 1] .
Diezelfde avond, omstreeks 22:52 uur, rijdt [medeverdachte 9] een Audi type RS5 Coupe de garagebox in.
Op 20 september 2019 blijkt dat de gestolen Audi RS5 – zo blijkt uit het chassisnummer – in de garagebox te staan, voorzien van de valse kentekenplaten [kenteken 15] . Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat dit ook het voertuig is dat [medeverdachte 9] drie dagen eerder de garagebox inreed – en dat dus ook een Audi RS5 Coupe betrof –.
Zoals hiervoor overwogen staat de Audi RS5 ook op 26 november 2019, nog steeds voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] , in de garagebox.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] wist dat de Audi RS5 van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 11: diefstal en/of heling van de Piaggio Skipper 125
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Piaggio Skipper 125.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat – samengevat – niet bewezen is dat [medeverdachte 9] het voertuig voorhanden heeft gehad en wist dat dit van diefstal afkomstig was.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daartoe onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Op 17 september 2019 wordt een motorfiets van het merk Piaggio Skipper 125, met kenteken [kenteken 27] , gestolen in Nieuwegein.
Bij de inkijk in de garagebox op 16 oktober 2019 wordt een Piaggio-motorscooter aangetroffen met het VIN-nummer [VIN-nummer] , althans een hierop gelijkend nummer, aangetroffen.
Bij de doorzoeking van de garagebox op 26 november 2019 wordt de gestolen Piaggio Skipper met het bijbehorende kenteken [kenteken 27] aangetroffen. Op het voertuig is het chassisnummer [chassisnummer 2] zichtbaar, hetzelfde nummer dus als van het op 16 oktober 2019 in de garagebox aangetroffen voertuig. Dit is dus dezelfde – gestolen – Piaggio Skipper.
[medeverdachte 9] is in de periode van 16 oktober 2019 (als de Piaggio Skipper in de garagebox wordt aangetroffen) tot en met 26 november 2019 op vijf verschillende dagen in de garagebox geweest, zoals hiervoor is vastgesteld.
Naar het oordeel van het hof zijn de hiervoor genoemde feiten, in onderlinge samenhang beschouwd, redengevend voor het oordeel dat [medeverdachte 9] de Piaggio Skipper in de garagebox voorhanden heeft gehad en wist dat dit voertuig van diefstal afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen en daartoe voertuigen in de garagebox stalde. Het had onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om een verklaring af te leggen die een ander licht op deze feiten werpt – en de redengevendheid daarvan dus ontzenuwt. Dit heeft [medeverdachte 9] niet gedaan.
Het ten laste gelegde medeplegen van de opzetheling kan dan ook bewezen worden verklaard.
Zaaksdossier 10: diefstal en/of heling van de Audi A4 ( [kenteken 28] )
Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel op basis van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid valt vast te stellen dat [medeverdachte 9] de Audi heeft gestolen of voorhanden heeft gehad. Hij zal dan ook integraal worden vrijgesproken van dit feit.
Zaaksdossier 14: diefstal en/of heling van de Volkswagen Transporter ( [kenteken 10] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Volkswagen Transporter.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank en de advocaten-generaal van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daartoe onvoldoende bewijs bevat.
Ook van de opzet- en schuldheling zal [medeverdachte 9] worden vrijgesproken. Dat de PGP-toestellen van [medeverdachte 13] en [medeverdachte 9] beide op 7 mei 2019 zijn geactiveerd en dat beide toestellen vervolgens op 5 september 2019 rond 19:42 uur – op welk moment [medeverdachte 13] de beschikking zou hebben gekregen over de Volkswagen Transporter – dezelfde zendmast aanstraalden, is onvoldoende voor de conclusie dat [medeverdachte 9] dit voertuig toen aan [medeverdachte 13] heeft overgedragen. Aan de hand hiervan en ook overigens op basis van het dossier valt niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vast te stellen dat [medeverdachte 9] de auto toen of op een ander moment voorhanden heeft gehad.
Zaaksdossier 9: diefstal en/of heling van de Volkswagen Multivan ( [kenteken 7] )
Ten laste is laste gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Volkswagen Multivan.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat – samengevat – [medeverdachte 9] het voertuig niet voorhanden zou hebben gehad.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Bij de beantwoording van de vraag of [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt het medeplegen van opzetheling zijn de volgende feiten van belang.
Tussen 6 september 2019 te 23.00 uur en 7 september 2019 te 09.00 uur wordt in Heerlen een Volkswagen Multivan, voorzien van het kenteken [kenteken 7] , gestolen.
Op 10 oktober 2019 rond 22:50 uur gaat de politie na een melding van een verdachte situatie naar [adres 18] in Utrecht. Ter plaatse ziet de politie dat de kentekenplaten op de Volkswagen Multivan vals zijn en dat het chassisnummer van deze Volkswagen hoort bij een ander kenteken, namelijk [kenteken 7] . De Volkswagen Multivan wordt door de politie weggetakeld en op dat moment rijdt er een donkerkleurige Audi A4 met kenteken [kenteken 29] (zaaksdossier 10) langzaam voorbij. Uit opgenomen telefoongesprekken blijkt dat [medeverdachte 9] in deze auto zit. In een gesprek op 10 oktober 2019 om 23:25 uur tussen [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 5] ) en [medeverdachte 10] [telefoonnummer 7] (hierna: * [telefoonnummer 7] ), die aan zijn stem wordt herkend, zegt [medeverdachte 10] – na de mededeling van [medeverdachte 2] dat er een ‘tweede liefje’ (het hof begrijpt: een tweede auto) bij is komen kijken – dat ‘al die dingen er nog liggen’, waarop [medeverdachte 2] zegt dat hij het weet. [medeverdachte 2] vraagt of hij ‘die petje of iets’ daar heeft gelaten. [medeverdachte 10] zegt: ‘Ja dat zeg ik toch, dat zeg ik toch, alles ligt daar nog’, ‘ alles DNA alles jongen […] alles van ons alle drie he’. Om 23:28 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 1] ) en zegt dat hij alles heeft behalve zijn ‘bivi’, dat daar zijn DNA op zit en dat dit een ‘kanker groot probleem’ is. Ook zegt [medeverdachte 2] dat er een tweede auto bij is gekomen, dat die ernaast staat en dat ze hem ‘heel ziek’ aankeken. Op 11 oktober 2019 om 00:07 uur belt [medeverdachte 2] naar het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] , op dat moment in gebruik bij [medeverdachte 9] , en zegt dat ‘die ding’ nu wordt opgetakeld, dat heel Zuilen vol politie zit, dat er overal politie is en dat de ‘waggie’ in beslag wordt genomen.
Zoals hiervoor bij feit 2 besproken, worden in de Volkswagen Multivan een voorhamer, twee klauwhamers, kabelbinders, een honkbalknuppel, bivakmutsen, handschoenen en een zwarte pet aangetroffen. Ook is toegelicht dat DNA wordt aangetroffen in de Volkswagen en op goederen in de Volkswagen. Het DNA van [medeverdachte 10] matcht met DNA op een honkbalknuppel, hamers, bivakmutsen, handschoenen, deurbediening rechter schuifdeur en voorzijde oppervlak stuurwiel. Het DNA van [medeverdachte 2] matcht met DNA op bivakmutsen en voorzijde oppervlak stuurwiel. En het DNA van [medeverdachte 4] matcht met DNA op de hoofdsteun linksvoor.
Het hof heeft eveneens acht geslagen op het hiervoor bij feit 2 besproken OVC-gesprek van 26 november 2019 in de Nissan Micra van [naam 1] , waarin wordt besproken dat iemand bij de molen bij [adres 53] helemaal ‘naar de kanker’ was geslagen, dat [medeverdachte 2] (‘ [voornaam 1] ’) dat eigenlijk met [medeverdachte 10] (‘ [bijnaam 3] ’) had moeten doen, dat daarbij een busje was en dat [medeverdachte 2] zijn bivakmuts met DNA erin had laten liggen, dat er spullen in het busje lagen om iemand mee knock-out te slaan zoals mokers, dat het busje in beslag genomen was en dat dit geëscorteerd werd door de politie, dat [medeverdachte 2] dit vanuit zijn huis heeft gefilmd en dat hij nog naar het politiebureau wilde gaan om het busje in de fik te steken.
Zoals hiervoor is toegelicht, is [medeverdachte 9] als medepleger betrokken geweest in aanloop naar, ten tijde van en na het geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] . Onderdeel van het plan was om de Volkswagen Multivan voor dit geweldsfeit te gebruiken, maar dit plan werd – zo volgt uit de hiervoor genoemde feiten – doorkruist door de inbeslagname van het voertuig. [medeverdachte 9] , die tijdens het wegtakelen van het voertuig gelijk door [medeverdachte 2] hiervan op de hoogte werd gebracht, was nauw betrokken bij (het voorgenomen gebruik van) dit voertuig. Aldus heeft [medeverdachte 9] heeft, in de context van het geplande geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] , samen met zijn mededaders de Volkswagen Multivan voorhanden gehad terwijl hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen en daartoe voertuigen in de garagebox stalde.
Zaaksdossier 13: diefstal en/of heling van de Volkswagen Transporter ( [kenteken 9] )
Ten laste is gelegd de diefstal dan wel heling (samen met een ander of anderen) van een Volkswagen Transporter.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat [medeverdachte 9] ter zake van het medeplegen van opzetheling wordt veroordeeld.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Het hof begrijpt het verweer zo dat gesteld wordt dat niet kan worden bewezen dat [medeverdachte 9] de Volkswagen Transporter voorhanden heeft gehad.
Oordeel van het hof
Het hof is met de rechtbank, de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel dat [medeverdachte 9] dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging, nu het dossier daarvoor onvoldoende bewijs bevat.
Wel acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 9] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opzetheling. Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Op 26 oktober 2019 tussen 02:30 en 08:00 uur wordt in Hoensbroek een grijze Volkswagen Transporter voorzien van het kenteken [kenteken 9] en chassisnummer [chassisnummer 3] gestolen.
De Volkswagen Transporter is gebruikt bij het hiervoor besproken geweldsmisdrijf tegen [slachtoffer] op 30 oktober 2019 en vervolgens door [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] naar Soesterberg gebracht. Voor deze conclusie zijn de volgende feiten redengevend:
( i) hiervoor is vastgesteld dat bij de geweldspleging tegen [slachtoffer] door de uitvoerders – [medeverdachte 7] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 8] – gebruik is gemaakt van een Volkswagen Transporter;
( ii) zoals hiervoor is overwogen, overleggen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 4] kort na de geweldpleging – om 00:38 uur – met elkaar over waar ‘die spullen’ naartoe moeten en waar geen camera’s hangen. [medeverdachte 4] noemt Soesterberg;
( iii) tussen 00.52 en 01.15 uur stralen de telefoons van [medeverdachte 9] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] (* [telefoonnummer 14] ) zendmasten aan in dezelfde omgeving (de [adres 28] in Utrecht);
( iv) om 01.17 uur wordt, zoals hiervoor overwogen, met de telefoon van [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 9] ) via de navigatie-app Waze gezocht naar de [adres 29] in Soesterberg;
( v) de telefoon van [medeverdachte 12] straalt vervolgens zendmasten aan op de route van Utrecht naar Soesterberg en tussen 01.35 uur en 01.45 uur in Soesterberg zelf. Daarna straalt de telefoon van [medeverdachte 12] zendmasten aan in de richting van Vianen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 9] ) straalt zendmasten aan die wijzen op eenzelfde reisbeweging. Het hof gaat er gelet op het voorgaande dan ook vanuit dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 12] op dat moment samen reizen en dat dus ook [medeverdachte 4] die nacht in Soesterberg is;
( vi) op 20 januari 2020 wordt op de [adres 52] in Soesterberg de gestolen Volkswagen Transporter – zoals blijkt uit het chassisnummer – aangetroffen, voorzien van de valse kentekenplaten [kenteken 31] . De originele kentekenplaten [kenteken 30] liggen in het voertuig. De Volkswagen Transporter staat volgens de melder al anderhalve maand op dezelfde plek. De [adres 52] is, zo volgt uit de openbare bron Googlemaps.com, een zijstraat van de [adres 29] – de straat dus die [medeverdachte 4] na de geweldspleging tegen [slachtoffer] en voorafgaand aan de rit naar Soesterberg in de navigatie-app had ingevoerd;
( vii) in de Volkswagen Transporter (op de gordel van de bestuurdersstoel en op de armleuning links van de passagiersstoel) wordt DNA-materiaal aangetroffen dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 1] en twee onbekende personen. De resultaten van het onderzoek zijn meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker dat de bemonsteringen DNA van [medeverdachte 1] en twee willekeurige onbekende personen bevatten dan wanneer de bemonsteringen DNA van drie willekeurige onbekende personen bevatten. Het hof leidt hieruit af dat op de beide plekken in de Volkswagen Transporter het DNA van [medeverdachte 1] zat.
Zoals hiervoor is overwogen, is [medeverdachte 9] in aanloop naar, ten tijde van en na het geweldsmisdrijf daarbij betrokken geweest. Onderdeel van het plan was om dat misdrijf te plegen met gebruikmaking van de gestolen Volkswagen Transporter. Aldus heeft [medeverdachte 9] dit voertuig samen met zijn mededaders voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. Daarbij betrekt het hof ook de hiervoor bij de bespreking van de criminele organisatie onder (i) tot en met (viii) genoemde conclusies, waaruit volgt dat [medeverdachte 9] in deze periode heeft behoord tot een crimineel samenwerkingsverband dat gericht was op de opzetheling van voertuigen en daartoe voertuigen in de garagebox stalde.
Voorwaardelijke verzoek
De verdediging heeft, naar het hof begrijpt in voorwaardelijke zin, verzocht dat het hof eerst onderzoek naar – kort gezegd – metadata van de in het onderzoek aan [medeverdachte 5] gekoppelde Sky-ID’s laat verrichten alvorens arrest te wijzen. Dit onder de voorwaarde als het hof ‘dit onderdeel toch meent aan te kunnen nemen’ bij [medeverdachte 9] . Als onderbouwing wordt daartoe gesteld dat het onderzoek naar de metadata nog niet volledig is geweest en de verdediging wil een beter beeld krijgen ‘hoeveel data er in de beginperiode al dan niet is afgevangen’. Volgens de verdediging kan niet met zekerheid worden vastgesteld of de Sky-ID’s [Sky-ID 7] , [Sky-ID 8] en [Sky-ID 9] aan [medeverdachte 5] kunnen worden gekoppeld. Ook kan volgens de verdediging niet met zekerheid worden vastgesteld of [medeverdachte 5] op momenten uitsluitend contact had met [medeverdachte 11] en/of [medeverdachte 1] / [medeverdachte 9] , terwijl voorts niet vastgesteld kan worden dat er specifiek tijdens de voorverkenningen contact was.
De advocaten-generaal hebben geconcludeerd tot afwijzing van het voorwaardelijk verzoek nu niet duidelijk is waaruit dat nadere onderzoek zou moeten bestaan. Bij die stand van zaken is de noodzaak volgens hen niet gebleken.
Het hof oordeelt als volgt. De verdediging heeft weliswaar verzocht om eerst onderzoek naar de metadata te laten verrichten, maar niet onderbouwd welk onderzoek zij concreet voor ogen heeft. Reeds daarom wordt het verzoek bij gebrek aan onderbouwing afgewezen. De noodzaak van het verzochte is om die reden niet gebleken. Voor zover de verdediging met het verzochte een aanhoudingsverzoek voor ogen had, wordt dit afgewezen, nu er geen onderzoek naar die metadata loopt en er dus geen onderzoeksresultaten zijn waarop gewacht kan, laat staan moet, worden. Het belang dat de zaak doorgang vindt is daarmee een gegeven.
Het verzoek wordt afgewezen.
Bewezenverklaring
1.
hij in de periode van 10 augustus 2019 tot en met 22 november 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:
- opzetheling (van voertuigen) als bedoeld in artikel 416/417 Wetboek van Strafrecht en
- voorbereiding van moord als bedoeld in artikel 46 jo. 289 Wetboek van Strafrecht en
- zware mishandeling met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 303/302 Wetboek van Strafrecht
- opzettelijk voorhanden hebben en gebruik maken van een vals geschrift (valse kentekenplaten) als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht en het voeren van valse kentekens als bedoeld in artikel 41 eerste lid, onder c en/of d van de Wegenverkeerswet 1994;
2.
subsidiair:
hij op 30 oktober 2019 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met een moker en een honkbalknuppel met kracht op het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. hij in de periode van 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), een of meerdere personenauto’s en een scooter, te weten
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 12] ),
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 13] ),
- een personenauto van het merk Renault, type Megane (voorzien van het valse kenteken [kenteken 14] ),
- een personenauto van het merk Audi, type RS5 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 15] ),
- een personenauto van het merk Audi, type A5,
- een personenauto van het merk Audi, type S4 (voorzien van het valse kenteken [kenteken 11] en/of [kenteken 17] ),
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Multivan,
- een motorscooter van het merk Piaggio, type Skr 125, en
- een personenauto van het merk Volkswagen, type Transporter,
voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen wisten dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Hetgeen onder 1, 2 subsidiair en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, waarnaar is verwezen in de voetnoten bij de vorenstaande bewijsoverwegingen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
telkens: medeplegen van opzetheling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 (zesde meer subsidiair) en 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 84 maanden, met aftrek van het voorarrest.
De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en negen maanden, met aftrek van voorarrest, zal opleggen voor de onder 1, 2 meer subsidiair (medeplegen zware mishandeling met voorbedachte raad) en 3 ten laste gelegde feiten. Daarin is de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd.
Namens de verdachte heeft de raadsvrouw verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd ten tijde van het feit. Voorts heeft zij aangevoerd dat de verdachte een ondergeschikte rol heeft gespeeld en heeft zij gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
Het hof slaat bij de straftoemeting acht op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd en de persoon van de verdachte.
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot moord. Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte samen met anderen over een langere periode planmatig toegewerkt naar het moment waarop het geweld jegens het slachtoffer plaatsvond. Op 30 oktober 2019 zijn de mededaders, voorzien van handschoenen, bivakmutsen en verschillende slagwapens (waaronder een honkbalknuppel en een slaghamer), in een busje naar de plek gereden waar het beoogde slachtoffer onder valse voorwendselen door de verdachte naar toe was gelokt. Zij zijn uit het busje gesprongen, het slachtoffer achterna gerend en hebben hem ingesloten. Het slachtoffer is op de grond beland en is vervolgens met fors geweld met die slagwapens door de mededaders in elkaar geslagen. Hij is onder andere op zijn hoofd en rug geraakt, met onder meer een schedelbasisfractuur tot gevolg. Pas toen omstanders ter plaatse kwamen stopten de mededaders met het geweld. Een van de mededaders kwam nog een keer terug om het op de grond liggende slachtoffer nogmaals met een slagwapen te slaan, waarna zij zich weer naar de bus begaven en spoorslags zijn vertrokken.
In het oog springend bij dit misdrijf zijn het planmatige karakter en het ogenschijnlijke gemak waarmee de verdachte heeft bijgedragen aan een zeer gewelddadige vorm van eigenrichting. Er is sprake geweest van een professionele voorbereiding en uitvoering van het misdrijf, waarbij de geweldpleging plaats heeft gevonden in de context van een crimineel netwerk.
Bij dit alles is de verdachte een onmisbare schakel geweest. Zoals bij de feitenbespreking overwogen is hij niet alleen betrokken geweest bij het observeren van het slachtoffer en het wegbrengen van wapens en bivakmutsen na het geweld, maar is hij ook degene geweest die het slachtoffer heeft gelokt naar de plaats waar hij in elkaar geslagen is. Niet alleen zijn betrokkenheid in tijd en handelingen, maar ook de omstandigheid dat hij zelf zijn handen niet vuil maakte maar anderen de geweldsopdracht liet uitvoeren is veelzeggend en betekenisvol voor zijn positie in het criminele netwerk waarin hij zich bevond. Van enige ondergeschiktheid, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, is dan ook geen sprake. Integendeel.
Het slachtoffer heeft onder meer een gebroken hand, een gekneusde rib, een schedelfractuur, hoofdwonden en een gebroken/gekneusd scheenbeen opgelopen, maar om het slachtoffer heeft de verdachte zich in het geheel niet bekommerd. Sterker nog, zoals uit opgenomen gesprekken blijkt moet de verdachte in een gesprek met een medeverdachte hartelijk lachen om hetgeen het slachtoffer is aangedaan. Niet alleen zijn handelingen met betrekking tot het feit, maar ook deze reactie tonen de gewetenloosheid van de verdachte.
Evenmin was er voor de verdachte en zijn mededaders enige belemmering om de aanslag uit te voeren op
de openbare weg, midden in een woonwijk, op een tijdstip dat er nog mensen over straat liepen. Meerdere passanten zijn dan ook met deze geweldsuitbarsting geconfronteerd. Ook op hen zal dit een blijvende indruk op hen gemaakt hebben.
De verdachte heeft zich aldus beziggehouden met de uitvoering van een vergelding in het criminele milieu op bestelling. De verdachte heeft ervoor gekozen om zich voor justitie schuil te houden en niet ter terechtzitting te verschijnen. Daarmee heeft hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor dit feit. Ook op ander wijze is van enig verantwoordelijkheidsbesef of berouw niet gebleken.
De raadsvrouw heeft aandacht voor de jonge leeftijd van de verdachte. De verdachte is inderdaad jong, maar dat heeft – in het licht van de ernst van het feit en het kille en gewetenloze optreden van de verdachte, zoals hiervoor toegelicht – geen strafmatigende betekenis.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot moord, maar betrekt daarbij dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn dat de aanslag reeds vanaf het moment dat die gepland werd gericht was op de dood van het slachtoffer. Mede in dat licht beschouwd zal het hof als uitgangspunt voor het bewezen verklaarde een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar hanteren.
De verdachte heeft daarnaast in de periode van 1 juni tot en met 30 november 2019 deelgenomen aan een criminele organisatie met het oogmerk van, kort gezegd, voertuigcriminaliteit, valsheid in geschrifte, zware mishandeling met voorbedachte raad en voorbereiding van moord. Hij heeft een actieve en belangrijke rol gespeeld in de organisatie, onder meer als aanspreekpunt tussen de verschillende deelnemers. Naast zijn al beschreven rol bij het bewezenverklaarde geweldsfeit, had hij een actieve rol in de door de organisatie gebruikte garagebox, waar gestolen voertuigen werden opgeslagen, gesweept en schoongemaakt. Ook heeft hij met andere leden van de organisatie een bijdrage geleverd aan voorverkenningen ten behoeve van de latere moordaanslag op de advocaat Derk Wiersum.
De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt bepaald door het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde én de (daarmee samenhangende) aard van de misdrijven die worden beoogd. Het behoeft geen betoog dat de zeer ernstige misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie was gericht, voor onrust en een groot gevoel van onveiligheid zorgen in de samenleving. Als uitgangspunt voor de bewezen verklaarde deelname aan een criminele organisatie neemt het hof voor deze verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
Ten slotte wordt de verdachte in dit arrest veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling van een hele reeks, soms zeer kostbare, voertuigen. De verdachte heeft daarmee aangetoond geen respect voor eigendomsrechten van derden te hebben. Het hof beziet deze voertuigcriminaliteit nadrukkelijk in het licht van het gebruik van die voertuigen door de criminele organisatie waar de verdachte aan heeft deelgenomen. Het hof neemt de veroordeling voor deze feiten mee in zijn hiervoor genoemde uitgangspunt voor strafoplegging ter zake de deelname aan een criminele organisatie.
Naast vergelding spelen de bescherming van de samenleving en generale preventie in deze zaak een belangrijke rol bij de straftoemeting. Strafbare feiten als deze, waarbij de verdachte bovendien geen enkel zicht biedt op de achtergronden van zijn handelen, en evenmin op zijn intenties voor een betekenisvolle deelname aan de samenleving in de toekomst, dienen daarom tot een krachtige reactie van de strafrechter te leiden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn van berechting is in eerste aanleg overschreden. De verdachte is op 28 april 2020 aangehouden en in verzekering gesteld. De behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden na de aanhouding en inverzekeringstelling. De rechtbank heeft 15 maart 2024 vonnis gewezen. Er is in eerste aanleg dus sprake van een overschrijding met ongeveer 22,5 maanden.
De redelijke termijn is ook in hoger beroep overschreden. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep had moeten zijn afgerond met een einduitspraak binnen de, gelet op de duur van de voorlopige hechtenis, aan te leggen maatstaf van 24 maanden nadat hoger beroep is ingesteld. De officier van justitie en de verdachte hebben op respectievelijk 28 en 29 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst arrest op 7 september 2026. Er is in hoger beroep dus sprake van een overschrijding met ruim vijf maanden.
Gelet op de overschrijding van de termijn in beide instanties zal het hof de gevangenisstraf van twaalf jaren verminderen met negen maanden. Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar en drie maanden, met aftrek van voorarrest, zal worden opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [aangever 6] (zaaksdossier 9)
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 9.137,00. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk
moet worden verklaard, omdat een met stukken gegeven onderbouwing van de vordering ontbreekt.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich niet over de vordering uitgelaten.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe overweegt het hof het volgende. In het geval van heling zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend voor de beantwoording van de vraag of er voldoende verband bestaat tussen de heling en de door de eigenaar van de auto geleden schade. Van een dergelijk verband is in dit geval geen sprake. De door de benadeelde partij gevorderde schade is veroorzaakt door de diefstal van de auto in de nacht van 6 op 7 september 2019, terwijl het bewezen verklaarde ‘voorhanden hebben’ van dat voertuig door de verdachte van ruim een maand later is. Door dit tijdsverloop is sprake van een te ver verwijderd verband tussen de diefstal van de auto en het door de verdachte – kort gezegd – plegen van opzetheling.
Beslag
Onder [medeverdachte 9] zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen (waarbij het hof de aanduiding op de beslaglijst overneemt):
De advocaten-generaal hebben ten aanzien van het goed onder 1. de onttrekking aan het verkeer gevorderd. De advocaten-generaal hebben ten aanzien van de goederen onder 2., 3. en 4. de teruggave aan de rechthebbende gevorderd.
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen.
Het hof is van oordeel dat het bewezen verklaarde is begaan met behulp van het in beslag genomen voorwerp onder 1. Deze telefoon, die bij een zoeking is aangetroffen en onder [medeverdachte 9] in beslag is genomen was gekoppeld aan Sky-ID [Sky-ID 2] . Zoals uit de bewijsoverwegingen ten aanzien van de criminele organisatie volgt heeft [medeverdachte 9] deze telefoon in het kader van zijn deelname aan die organisatie gebruikt. Gelet hierop zal dit voorwerp worden verbeurdverklaard, nu het feit is begaan met behulp van die voorwerp.
Het hof is van oordeel dat de onder 2. tot en met 4. in beslag genomen en niet teruggegeven telefoons dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende nu niet duidelijk is aan wie de telefoons toebehoren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 57, 63, 140, 289 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de partiële vrijspraak van het onder 3 ten laste, ter zake van de diefstal c.q. heling van de Volkswagen Multivan met kenteken: [kenteken 7] (ZD 9), Audi A4 met kenteken: [kenteken 28] (ZD 10), Volkswagen Transporter met kenteken: [kenteken 9] (ZD 13) en Volkswagen Transporter met kenteken: [kenteken 10] (ZD 14).
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder 2 primair en onder 3, voor zover het betreft de Audi A4 met kenteken [kenteken 28] (zaaksdossier 10) en de Volkswagen Transporter met het kenteken [kenteken 10] (zaaksdossier 14), heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde onder 1, 2 subsidiair en 3 voor zover het betreft de overige voertuigen, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren en 3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1.00 STK Telefoontoestel (PGP-toestel) (goednummer 6091597).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 5962823);
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 5969095);
- 1.00 STK Telefoontoestel (goednummer 5969096).
Vordering van de benadeelde partij [aangever 6]
Verklaart de benadeelde partij [aangever 6] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Bepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. S.M.M. Bordenga en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. P.E. de Wildt, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 september 2026.
= [.. 1]
proces-verbaal uitspraak
[.. 1] ______________________________________________________________ _ _
[.. 2]