ECLI:NL:GHAMS:2026:253

ECLI:NL:GHAMS:2026:253

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 23-002062-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2024:9416

Samenvatting

Beperkt hoger beroep. Vernietiging vonnis waarvan beroep. Veroordeling voor diverse strafbare feiten, waaronder poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling, twee eenvoudige mishandelingen en een poging tot afdreiging tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod. Beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen en overweging m.b.t. de gevorderde proceskosten en immateriële schade. Overwegingen m.b.t. de poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling en eenvoudige mishandeling. Verwerping van het noodweer- en noodweerexcesverweer. Redelijke termijn is in hoger beroep niet overschreden. Strafbepaling artikel 423, vierde lid, Sv ter zake van verboden wapenbezit en medeplegen van witwassen: onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026 en overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij ( [benadeelde 1] ) naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling voor zaak A onder feit 1 en feit 2 (parketnummer 15-109395-22), zaak B (parketnummer 09-293026-22), Zaak C onder feit 1 (parketnummer 15-216864-22) en zaak D onder feit 2 (15-303833-22).

Het voorgaande betekent dat de feiten in zaak A onder feit 3, zaak C onder feit 2, zaak D onder feit 1 en zaak E niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen. Voor de feiten in zaak A onder 3 en zaak D onder 1 heeft de rechtbank een bewezenverklaring uitgesproken. Het hof zal, in geval van vernietiging ten aanzien van de straf, toepassing geven aan artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is in eerste aanleg gedeeltelijk toegewezen. Aangezien het in zaak D onder feit 1 bewezenverklaarde in hoger beroep niet voorligt komt het hof geen oordeel toe met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van dat feit, daaronder mede begrepen de vordering benadeelde partij van [benadeelde 2] .

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, tenlastegelegd dat:

Zaak A (15-109395-22):Feit 1. primairhij op of omstreeks 1 mei 2022 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde 1] met een mes, althans met een scherp voorwerp, meermalen althans een maal, in zijn buik en/of linkerzij, althans in het lichaam, te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiairhij op of omstreeks 1 mei 2022 te Enkhuizen, aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een geperforeerde darm, heeft toegebracht door die [benadeelde 1] met een mes, althans met een scherp voorwerp, meermalen althans een maal, in zijn buik en/of linkerzij, althans in het lichaam, te steken;

meer subsidiairhij op of omstreeks 1 mei 2022 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [benadeelde 1] met een mes, althans met een scherp voorwerp, meermalen althans een maal, in zijn buik en/of linkerzij, althans het lichaam, te steken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2. primair hij op of omstreeks 1 mei 2022 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [benadeelde 1] een knietje en/of een of meerdere trappen en/of schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiairhij op of omstreeks 1 mei 2022 te Enkhuizen, [benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] een knietje en/of een of meerdere trappen en/of schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, te geven;

Zaak B (09-293016-22): hij op of omstreeks 31 oktober 2022 te Wassenaar [benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] één of meermalen - (met kracht) tegen/op/bij het (boven)lichaam te duwen en/of vast te pakken;

Zaak C (15-216864-22): Feit 1hij in of omstreeks 1 oktober 2021 tot en met 1 januari 2022 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, [benadeelde 4] heeft mishandeld door een of meerdere malen met de vuist tegen de arm(en) te stompen;

Zaak D (15-303833-22):

Feit 2.hij op of omstreeks 19 juli 2021 te Alkmaar, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [benadeelde 5] heeft gedwongen tot afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag van 150 euro, dat geheel of ten dele aan die [benadeelde 5] en/of aan een derde toebehoorde, door:

- zich via Snapchat als een ander voor te doen, die [benadeelde 5] naaktfoto's te sturen en die [benadeelde 2] en [benadeelde 6] te bewegen om naaktfoto's van hemzelf te sturen en/of

- ( vervolgens) screenshots van voornoemde naaktfoto's te maken, althans aan te geven deze screenshots te hebben gemaakt, en/of die [benadeelde 5] te sommeren om een geldbedrag van 150 euro te betalen en die [benadeelde 5] mede te delen dat hij voornoemde naaktfoto's openbaar zou maken indien die [benadeelde 5] geen geld zou overmaken; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot zaak A onder feit 2 primair en in zaak C tot een enigszins andere bewezenverklaring en ten aanzien van zaak A feiten 1 primair, feit 2 primair en zaak C tot een andere bewijsconstructie komt dan de rechtbank, als ook tot een andere strafoplegging komt.

Bewijsoverwegingen

Zaak A onder 1 primair (poging tot doodslag) en 2 (poging tot zware mishandeling)

Op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 1 mei 2022 is de verdachte kort na een eerder (parkeer)conflict tussen zijn vriendin en de aangever, haar buurman, naar de woning van de aangever in Enkhuizen gegaan. Hij droeg op dat moment een mes bij zich. Aan de deur ontstond een woordenwisseling waarbij de verdachte op enig moment zegt dat aangever niet met zijn vinger bij zijn gezicht moet komen. De aangever verklaart dat de verdachte op dat moment een (in een houder verpakt) mes trekt en daarmee dreigend zwaaiende/stekende bewegingen in zijn richting begint te maken. De aangever stapt dan uit huis en geeft de verdachte een klap, omdat hij wil voorkomen dat de verdachte het mes gaat gebruiken. Hierop ontstaat een schermutseling waarbij de aangever probeert het mes van de verdachte af te pakken en de hoes van het mes afgaat. Terwijl de schermutseling doorgaat en de aangever probeert het mes af te pakken voelt hij op enig moment een scherpe pijn in zijn zij en beseft hij dat hij is gestoken met het mes. Daarbij blijkt een darm te zijn geperforeerd. De verdachte heeft in zijn verklaring afgelegd tegenover de politie op 3 mei 2022 ook zelf aangegeven (op enig moment) een steekbeweging te hebben gemaakt en de aangever in zijn gezicht te hebben geschopt terwijl deze laag bij de vloer was.

Het standpunt van de verdediging dat de aangever niet naar waarheid heeft verklaard over het zwaaien met het mes en het moment waarop de klap door de aangever werd uitgedeeld, deelt het hof niet. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, nu het niet alleen een gedetailleerde verklaring betreft over de gang van zaken omtrent het eerste en tweede conflict, maar aangever ook zichzelf in deze verklaring(en) heeft belast. Bovendien wordt deze verklaring op specifieke punten ten aanzien van het gebruik van het (verpakte) mes ook ondersteund door de verklaring van de verdachte zelf.

Het hof stelt concluderend vast dat het de verdachte is geweest die de aangever bij zijn huis heeft opgezocht terwijl hij een mes bij zich had en dat de aangever de verdachte een klap heeft gegeven, nadat de verdachte het mes had getrokken en daarmee dreigend in de richting van de aangever had gezwaaid.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte niet bewust met het mes heeft gestoken in de richting van de buik van aangever [benadeelde 1] . De verklaring van de verdachte over een stekende beweging in zijn verhoor bij de politie en de terechtzitting in eerste aanleg moet volgens de raadsman worden gezien in de context dat aangever op hem afgestormd kwam, waardoor de verdachte naar achter viel en een beweging heeft gemaakt met het mes. Het letsel is volgens de verdachte niet het gevolg van een rationele afweging, maar het onbedoelde gevolg in een chaotische situatie, waarin de verdachte pas later besefte dat hij de aangever met het mes had geraakt. De verdachte had geen (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever.

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit de hiervoor genoemde vaststellingen volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte tijdens een conflict met de aangever een mes heeft getrokken en daarbij op enig moment een stekende beweging heeft gemaakt richting de aangever, die een ernstige steekverwonding aan de linkerzij en een perforatie van de linkerdarm heeft opgelopen. Het hof gaat daarbij uit van de verklaring van de aangever dat hij is gestoken toen hij het mes wilde afpakken en de initiële verklaringen van de verdachte bij de politie en tijdens de terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft in zijn eerste verhoor bij de politie, kort na het incident, verklaard dat hij een steekbeweging maakte toen de buurman bij hem was en dat het mes toen in zijn lijf is gegaan. Uit pagina 29 van het politiedossier blijkt dat de verdachte heeft bevestigd dat het op die manier is gegaan nadat hij zijn verklaring had doorgelezen en daaraan had toegevoegd dat de aangever op hem af kwam lopen. Tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte in aanvulling daarop wederom verklaard dat hij een stekende beweging heeft gemaakt toen de verdachte op hem afkwam. Hij had daarbij naar eigen zeggen het mes onderhands vast met de punt naar voren. Het hof acht in het licht van het voorgaande en de vaststellingen als boven genoemd niet aannemelijk geworden dat de verdachte (volgens zijn latere verklaring) de aangever tijdens de worsteling onbedoeld met het mes heeft geraakt toen de aangever op hem afkwam of dat de aangever in het mes is gelopen.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging van de verdachte, te weten in een dynamische situatie met een – naar eigen zeggen – scherp mes van zeer nabij stekende bewegingen maken in de richting van de buik/zij, voortvloeit dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever bewust heeft aanvaard en sprake is van voorwaardelijk opzet.

De verdediging heeft verzocht, ingeval van bewezenverklaring (het hof begrijpt: van de feiten 1 primair en 2) en het hof daarbij of bij de verwerping van het beroep op noodweer of noodweerexces gebruik zou maken van de verklaring van de getuige [getuige 1] , deze [getuige 1] alsnog als getuige te horen.

Het hof wijst dit voorwaardelijk gedane verzoek af, alleen al omdat het bij de bewezenverklaring geen gebruik maakt van de verklaring van deze getuige en de bewezenverklaring en verwerping van het noodweer(exces) verweer zoals hieronder wordt weergegeven niet (mede) op de verklaring van deze getuige steunen, zodat de voorwaarde die aan het verzoek ten grondslag ligt niet is vervuld.

Zaak C onder 1

De raadsman heeft ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte geen opzet had op de mishandeling van aangeefster [benadeelde 4] . Hij had niet de bedoeling aangeefster pijn te doen en zijn handelingen moeten worden opgevat in de context van twee personen die aan het stoeien en dollen waren. Er zijn geen getuigen die hebben gezien dat de verdachte aangeefster op de armen sloeg op een manier die verder ging dan plagen, en de foto’s van het letsel kunnen niet als bewijs dienen voor het opzet op de mishandeling.

Het hof overweegt als volgt.

Naar het oordeel van het hof is gelet op de inhoud van het dossier niet aannemelijk geworden dat het handelen van de verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van speels stoeien of dollen, zoals de verdediging heeft aangevoerd. De verklaring van de aangeefster dat zij in de periode van december 2021 tot en met januari 2022 door de verdachte is mishandeld, doordat hij met zijn vuist(en) op haar bovenarmen sloeg wordt naar het oordeel van het hof in belangrijke mate ondersteund door de verklaring(en) van de verdachte, de verklaring van de getuige van het incident op 1 januari 2022, onder meer over een telefoongesprek dat de verdachte en de aangeefster op 1 januari 2022 zouden hebben gevoerd en het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot Snapchatberichten van de verdachte aan de aangeefster vlak na voornoemd incident. In deze bewijsmiddelen wordt bevestigd dat de verdachte aangeefster in haar nek heeft vastgepakt en dat het bewuste incident waarbij aangeefster de woning uit is gevlucht heeft plaatsgevonden en geen sprake was van spelen maar van geweld en bedreigingen met geweld. De verklaring van de aangeefster staat hierdoor niet op zichzelf, maar is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in andere bronnen. In het kader van het opzet op de mishandeling acht het hof van belang dat de getuige ( [getuige 2] ) tegenover verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat zij op 1 januari 2022 zag dat de verdachte de aangeefster op een dwingende manier en met kracht met een hand in haar nek vast had, dat aangeefster aan het huilen was en dat aangeefster nadat zij bij de getuige was ingestapt vertelde dat zij door de verdachte (al langere tijd) werd mishandeld. Het hof betrekt hierbij dat in het geluidsfragment van het telefoongesprek tussen de verdachte en de aangeefster kort na het incident op een kennelijk dreigende en intimiderende toon door de verdachte met aangeefster werd gesproken en dat aangeefster in dat gesprek aan de verdachte heeft gevraagd waarom hij haar sloeg, terwijl zij had gezegd dat hij moest stoppen. Hierbij weegt mee dat het slaan tegen de arm(en) kennelijk met zodanige kracht geschiedde dat dit, zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt, letsel (in de vorm van blauwe plekken) tot gevolg had. Alles in onderling verband en samenhang beschouwd kan het opzet van de verdachte op de mishandeling uit de feitelijke handelingen en gedragingen van de verdachte worden afgeleid. Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 primair en 2 primair, zaak B, zaak C onder 1 en zaak D onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:

1.primairhij op 1 mei 2022 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde 1] met een mes in zijn linkerzij heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.primairhij op 1 mei 2022 te Enkhuizen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [benadeelde 1] een schop tegen het hoofd heeft gegeven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Zaak B:

hij op 31 oktober 2022 te Wassenaar [benadeelde 3] heeft mishandeld door die [benadeelde 3] éénmaal tegen het bovenlichaam te duwen en vast te pakken;

Zaak C:

1.hij in de periode van 1 december 2021 tot en met 1 januari 2022 te Alkmaar [benadeelde 4] heeft mishandeld door meerdere malen met de vuist tegen de armen te stompen;

Zaak D:

2.hij op 19 juli 2021 te Alkmaar in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [benadeelde 5] heeft gedwongen tot afgifte van een geldbedrag van 150 euro, dat geheel of ten dele aan die [benadeelde 5] toebehoorde, door die [benadeelde 5] te sommeren om een geldbedrag van 150 euro te betalen en die [benadeelde 5] mede te delen dat hij voornoemde naaktfoto's openbaar zou maken indien die [benadeelde 5] geen geld zou overmaken; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen in zaak A onder 1 primair en 2 primair en in zaak B, zaak C onder 1 en zaak D onder 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in bijlage I van dit arrest zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

Noodweer(exces) zaak A onder feit 1 (poging tot doodslag)

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de verdachte zich mocht verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door de aangever. Daartoe heeft hij – kort gezegd – aangevoerd dat de verdachte het mes heeft getrokken om aangever op afstand te houden, nadat aangever de verdachte (als eerste) had geslagen en de verdachte daaropvolgend door de aangever werd opgejaagd en belaagd. Omdat de aangever al geweld jegens de verdachte had gebruikt en hij op verschillende momenten geprobeerd had om het mes van de verdachte af te pakken, mocht en kon de verdachte vrezen dat de aangever het mes tegen hem zou gebruiken. Tegen die handelingen van de verdachte was, mede gelet op de omstandigheid dat de aangever gelet op zijn fysieke overwicht aan de winnende hand was, forse verdediging noodzakelijk. De verdachte heeft zich (onder meer omdat hij duizelig was) niet aan de situatie kunnen onttrekken. Voor zover de verdachte met zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, is dit veroorzaakt door de hevige gemoedsbeweging die werd veroorzaakt door de eerdere aanranding van de aangever.

Het hof verwerpt dit verweer.

Het hof stelt voorop dat voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van – in dit geval – eigen lijf en dat de verdediging tegen die aanranding voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De aan het beroep op noodweer en noodweerexces ten grondslag gelegde stelling van de verdediging dat de aangever de verdachte heeft geslagen voordat de verdachte het mes had gepakt en dat het handelen van de verdachte aldus plaatsvond in reactie op geweld van de zijde van de aangever, acht het hof niet aannemelijk geworden. De door of namens de verdachte aan het verweer ten grondslag gelegde feitelijke toedracht waarbij sprake zou zijn van een (ogenblikkelijke wederrechtelijke) aanranding acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden en verwijst daarbij naar de hierboven door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden. Dat betekent dat beide verweren niet slagen.

Nu het hof van oordeel is dat er voor de verdachte geen sprake is geweest van een noodzaak tot verdediging kan er ook geen sprake zijn van een overschrijding van de noodzakelijke verdediging, zodat ook het beroep op noodweerexces wordt verworpen.

Noodweer(exces) zaak A onder feit 2 (poging tot zware mishandeling)

De verdediging heeft ook ter zake het onder feit 2 tenlastegelegde aangevoerd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat de verdachte de aangever tegen het hoofd heeft geschopt om weg te kunnen komen nadat er een gevecht was ontstaan om het mes te pakken dat tijdens de worsteling op de grond was gevallen. De schop was noodzakelijk om weg te komen, omdat de aangever zijn broek of been vasthield en hij daardoor niet weg kon rennen.

Het hof verwerpt dit verweer.

Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de verdachte de aangever heeft geschopt, omdat hij hem aan zijn broek vasthield. Het hof overweegt hiertoe dat de verdachte dit laatste deel van zijn verklaring waarin hij spreekt over het vasthouden van zijn broek, pas ter terechtzitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, nadat hij kennis heeft kunnen nemen van het volledige dossier. De verdachte heeft de aangever – naar eigen zeggen – geschopt tegen het hoofd nadat hij was gestoken. De aangever was op dat moment als gevolg van die messteek verzwakt en bevond zich laag bij de grond. Hieruit volgt dat de schop van de verdachte tegen het hoofd van de aangever op dat moment voor de verdachte niet noodzakelijk was om zichzelf te verdedigen.

Nu het hof van oordeel is dat er voor de verdachte geen sprake is geweest van een noodzaak tot verdediging kan er ook geen sprake zijn van een overschrijding van de noodzakelijke verdediging, zodat ook het beroep op noodweer(exces) wordt verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder feit 1 en 2, zaak B, zaak C onder 1 en zaak D onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in zaak A onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Zaak B:

mishandeling.

Zaak C:

mishandeling.

Zaak D:

poging tot afdreiging.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Sv

De rechtbank heeft ter zake van alle in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met bijzondere voorwaarden, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in zaak A onder feit 1 en 2, zaak B, zaak C onder 1 en zaak D onder feit 2 tenlastegelegde, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv eerst de straf bepalen ten aanzien van de in eerste aanleg onder Zaak A onder 3 (voorhanden hebben vuurwapen) en zaak D onder feit 1 subsidiair (medeplegen van witwassen) bewezenverklaarde misdrijven. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de straf ten aanzien van de feiten in zaak A onder 3 en in zaak D onder 1 subsidiair zal bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafbepaling voor deze feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof. Daarbij heeft de raadsman het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat de rechtbank een groot deel van de straf voorwaardelijk heeft opgelegd, zodat ook in de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van 6 maanden ten aanzien van het vuurwapen een voorwaardelijk deel van 2 maanden redelijk zou zijn.

Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de LOVS-oriëntatiepunten en de straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd. Het hof bepaalt de straf ten aanzien van de twee voornoemde feiten op een gevangenisstraf van 4 maanden. Het hof zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering zal worden gebracht.

Oplegging van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor alle bewezenverklaarde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden (daarbij inbegrepen de gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voor de feiten in zaak A onder 3 en zaak D onder 1).

De raadsman heeft het hof – in het geval van strafoplegging – verzocht te volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat de verdachte ruim vijftien maanden in voorarrest zit en dat een straf als opgelegd in eerste aanleg niet passend is gelet op het tijdsverloop en de aard van de feiten in zaak B, C en D onder 1, nu een taakstraf voor alleen die feiten zou volstaan. Daarnaast is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM voor de behandeling van de oudste drie zaken (het hof begrijpt zaak A, C en D onder 2) overschreden. Deze overschrijding dient te leiden tot strafvermindering.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten in zaak A onder 1 primair en 2 primair, zaak B, zaak C onder 1 en zaak D onder 2 heeft het hof in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich in de eerste zaak schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door het slachtoffer na een ruzie over een parkeerconflict met een mes in de buikstreek te steken. Het slachtoffer heeft daardoor ernstig en in potentie levensbedreigend letsel opgelopen. Na het steekincident heeft de verdachte het slachtoffer, dat op dat moment laag bij de grond lag, in het gezicht geschopt. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en diens gevoel van veiligheid. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van in hun dagelijks bestaan. De aangever heeft ook aangegeven dat dat ook bij hem zo is en dat hij zelfs gaat verhuizen vanwege de impact van dit feit op zijn woon- en leefgenot. Het hof rekent de verdachte deze feiten zwaar aan.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn toenmalige vriendin en de mishandeling van een badmeester door hem met kracht tegen zijn borst te duwen. De slachtoffers hebben hiervan pijn (en letsel) ondervonden.

Tot slot is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot afdreiging. De verdachte heeft het slachtoffer hierbij gesommeerd om een geldbedrag over te maken onder de dreiging dat hij (screenshots) van een naaktvideo openbaar zou maken als het slachtoffer geen geld zou overmaken. Het enige doel van deze afdreiging was het verdienen van geld ten koste van het slachtoffer. Hij is volledig voorbijgegaan aan de gevoelens van angst en onveiligheid die hij met zijn handelen heeft veroorzaakt en heeft hiermee een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Blijkens het strafblad van de verdachte is de verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de verdachte op 13 september 2024 hoger beroep heeft ingesteld. Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte minder dan zestien maanden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaar, nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Dit betekent dat in voorliggende zaak in beginsel eindarrest dient te zijn gewezen binnen twee jaar na instellen rechtsmiddel en wel op 13 september 2026. Er wordt 4 februari 2026 eindarrest gewezen. Naar het oordeel van het hof is in hoger beroep daarom geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

In eerste aanleg is de redelijke termijn ten aanzien van zaak A aangevangen op 2 mei 2022 (datum inverzekeringstelling), waardoor de redelijke termijn bij eindvonnis in eerste aanleg is overschreden met iets meer dan vier maanden. De rechtbank heeft die overschrijding reeds verdisconteerd in de straf door een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 48 maanden, waarvan (in plaats van zestien) achttien maanden voorwaardelijk.

Op te leggen straf

Gezien de ernst en hoeveelheid van de feiten kan naar het oordeel van het hof niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Het hof heeft voor het bepalen van de omvang van de straf gelet op straffen die in vergelijkbare zaken door rechters worden opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten – voor zover aan de orde –.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Bijzondere voorwaarden (contact- en locatieverbod)

De gemachtigde van het slachtoffer terzake zaak A feit 1 primair en 2 primair heeft het hof verzocht om een contact- en locatieverbod te koppelen aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf en daarin een wijziging van de woonplaats van het slachtoffer op te nemen. Het hof zal gelet op hetgeen door partijen in het kader van de bijzondere voorwaarden naar voren is gebracht aan het voorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen met het slachtoffer [benadeelde 1] en zich niet in de plaats waar het slachtoffer woont zal bevinden.

Het hof zal bepalen dat de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf in mindering zal worden gebracht.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Beslag

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp (1 STK mes, goednummer 1368650) dient te worden onttrokken aan het verkeer. Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte in zaak A onder 1 primair begane feit aangetroffen en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten. Het zal worden onttrokken aan het verkeer aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan, gelet op de omstandigheden waaronder het is aangetroffen, in strijd is met de wet.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (Zaak A)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 21.745,02, bestaande uit € 6.745,02 ter compensatie van materiële schade en € 15.000 ter compensatie van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Verder heeft de benadeelde partij

€ 30,82 aan proceskosten opgevoerd. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 16.745,02. Daarnaast zijn de proceskosten € 30,82 toegewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, verminderd met de proceskosten € 30,82 omdat de benadeelde zowel in eerste aanleg als in hoger beroep met zijn gemachtigde heeft geprocedeerd. De gemachtigde van de benadeelde partij heeft het hof ten aanzien van de immateriële schade uitdrukkelijk verzocht om het deel van de vordering dat mogelijk niet wordt toegewezen niet af te wijzen, maar niet-ontvankelijk te verklaren.

De advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen.

De raadsman heeft zich – overeenkomstig zijn pleitnotities – op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het primaire standpunt dat strekt tot vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging vanwege noodweer(exces). Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat sprake is van eigen schuld en het vaststellen van de precieze mate van eigen schuld een onevenredige belasting van de strafzaak oplevert. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman het hof onder verwijzing naar de Rotterdamse schaal (categorie diepe steek- of snijwonden) verzocht de immateriële schade te matigen tot € 5.000. De proceskosten dienen te worden afgewezen, omdat de benadeelde partij niet in persoon procedeert.

Het hof overweegt als volgt.

Materiële schade

Het hof neemt over hetgeen door de rechtbank ten aanzien van de materiële schade is overwogen onder ‘8.1. [benadeelde 1] oordeel van de rechtbank’ in het vonnis waarvan beroep van 12 september 2024. Hetgeen in hoger beroep door of namens de verdachte is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 6.745,02. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Immateriële schade

Het hof acht op grond van het strafdossier, de onderbouwing van de vordering door (de gemachtigde van) de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat.

Artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) brengt mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde heeft in de voorliggende zaak ten gevolge van het (steek)incident een levensbedreigende verwonding opgelopen aan de linkerzijde van zijn lichaam en zijn darmen en is daarnaast ook op andere wijze in zijn persoon aangetast. Het is een feit van algemene bekendheid dat delicten als de onderhavige –poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling– een ernstige inbreuk maken op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van slachtoffers en dat slachtoffers nog geruime tijd met de psychische (en lichamelijke) gevolgen daarvan te kampen kunnen hebben. Dat geldt in het bijzonder voor deze zaak, waarin voor het slachtoffer in verband met een geperforeerde darm medisch ingrijpen (over een langere periode) noodzakelijk is geweest en het slachtoffer onder meer EMDR-therapie heeft ondergaan. De feiten speelden zich bovendien af voor de deur(opening) van de woning van de benadeelde. De woning dient bij uitstek de plek te kunnen zijn waar men zich veilig voelt. Daarbij komt dat het hof uit de toelichting van de gemachtigde van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partij vanwege het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zich genoodzaakt heeft gevoeld om met zijn gezin te verhuizen uit zijn woonplaats.

Het hof heeft voor het bepalen van de omvang van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de geïndiceerde bandbreedte in de Rotterdamse Schaal voor inwendig letsel categorie d (aantasting darmen). Het hof heeft daarbij gelet op de aard en ernst van het letsel en de (duur van de) gevolgen voor de benadeelde partij. Het hof stelt de omvang van de immateriële schade daarom op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid vast op € 10.000,00. Het hof zal daarnaast de gevorderde wettelijke rente vanaf 1 mei 2022 toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Nu het hof de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststelt op voornoemd bedrag, zal het hof de gevorderde vergoeding van immateriële schade voor het resterende deel (€ 5.000,00) afwijzen.

Proceskosten

De benadeelde partij heeft de advocaat die hem in eerste aanleg rechtsbijstand heeft verleend, in het mede door hem ondertekende voegingsformulier gemachtigd om namens hem te procederen. In dit voegingsformulier is tevens een verzoek gedaan om de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten te vergoeden. Het gaat hierbij om reiskosten die zijn gemaakt voor twee bezoeken aan zijn advocaat in Wognum en Hoogkarspel en een bezoek aan de rechtbank in Alkmaar. Uit artikel 238 Rv volgt dat (alleen) een in persoon procederende partij dergelijke reiskosten, als proceskosten vergoed kan krijgen (vgl. HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414, rechtsoverweging 2.4.3). In deze procedure heeft de benadeelde partij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geprocedeerd met bijstand van mr. [naam 1] en dus niet in persoon. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. Deze reiskosten worden daarom afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] (Zaak B)

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 430,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 200,00 kan worden toegewezen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen. Het hof neemt over hetgeen door de rechtbank is overwogen ten aanzien van de vordering onder ‘8.2 [benadeelde 3] ’ in het vonnis waarvan beroep van 12 september 2024. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd brengt het hof niet tot een ander oordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 45, 57, 63, 287, 300, 302 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 2 mei 2022. Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 1 mei 2022 door aangever [benadeelde 1] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 2] afgelegde verklaring (doorgenummerde pagina’s 126 en 127)

2. Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in als de op 3 mei 2022 door de aangever ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] afgelegde verklaring – doorgenummerde pagina’s 128- 132):

3. Een schriftelijk bescheid, inhoudende een verslag van een deskundige als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4°, van het Wetboek van Strafvordering (doorgenummerde pagina’s 133 en 134).

4. Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven -

5. Een proces-verbaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt — zakelijk weergegeven —

6. Een proces-verbaal van verhoor. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 31 oktober 2022 door getuige [getuige 3] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 6] afgelegde verklaring (digitale pagina’s 22/23):

7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 augustus 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

9. Een proces-verbaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt-zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 23 januari 2022 door aangeefster [benadeelde 4] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 7] afgelegde verklaring (digitale pagina’s 4 tot en met 7):

10. Een proces-verbaal van bevindingen inhoudende het verhoor van een getuige. Dit proces¬ verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (digitale pagina’s 8 tot en met 11):

11. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 29 augustus 2024. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

12. Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 12 juli 2022 door verbalisant [verbalisant 8] met drie foto’s van Snapchatberichten, inhoudende als relaas van bevindingen (digitale pagina’s 15-18) van verbalisant:

13. Een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt op 3 juni 2022 door verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende als relaas van bevindingen (digitale pagina’s 10-11) van verbalisant, zakelijk weergegeven:

14. Een proces-verbaal van bevindingen. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als relaas van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (digitale pagina’s 10 tot en met 12, met bijlagen op pagina’s 13 en l4):

15. Een proces-verbaal van aangifte. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 20 juli 2022 door aangever Dylan [benadeelde 5] ten overstaan van verbalisant [verbalisant 9] afgelegde verklaring (doorgenummerde pagina’s 65 tot en met 68):

16. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2026. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A met parketnummer 15-109395-22 onder 1 primair en 2 primair en in zaak B met parketnummer 09-293016-22 en in zaak C onder 1 met parketnummer 15-216864-22 en in zaak D met parketnummer 15-303833-22 onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A met parketnummer 15-109395-22 onder 1 primair en 2 primair en in zaak B met parketnummer 09-293016-22 en in zaak C onder 1 met parketnummer 15-216864-22 en in zaak D met parketnummer 15-303833-22 onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bijzondere voorwaarden contact- en locatieverbod

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [benadeelde 1] , geboren te Hoorn op 27 december 1971 en zich niet zal begeven in [adres] in Enkhuizen.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor de feiten in zaak A met parketnummer 15-109395-22 onder 3, en zaak D met parketnummer 15-303833-22 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde op: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1. STK Mes (omschrijving: goednummer 1368650, steak).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-109395-22 (zaak A) onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van 16.745,02 (zestienduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en twee cent) bestaande uit 6.745,02 (zesduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en twee cent) materiële schade en 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-109395-22 (zaak A) onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 16.745,02 (zestienduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en twee cent) bestaande uit € 6.745,02 (zesduizend zevenhonderdvijfenveertig euro en twee cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 108 (honderdacht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 1 mei 2022.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot schadevergoeding af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. W.F. Groos en mr. A.R.O. Mooy, in tegenwoordigheid van mr. S.S.I. Jackson, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2026.

Mr. A.R.O. Mooy is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage I.

De bewijsmiddelen

De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die

daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit

of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het geschriften

als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5°, van het Wetboek van Strafvordering

betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Zaak A (feit 1 primair poging tot doodslag en feit 2 poging tot zware mishandeling):

Op 1 mei 2022 wordt er aangebeld bij mijn woning in Enkhuizen. Ik doe de deur open en zie dat het vriendje van het buurmeisje voor mijn deur staat. Hij begint een woordenwisseling over de zaken die ik heb gezegd tegen de buurvrouw en zijn vriendin. Op een gegeven moment zie ik dat het vriendje van het buurmeisje een mes trekt. Ik ben toen naar buiten gestapt en is er een schermutseling ontstaan tussen ons beiden. Hierbij heb ik de persoon ook een klap verkocht om te voorkomen dat hij zijn mes zou gebruiken. De schermutseling ging door en ik probeerde het mes af te pakken. Op een gegeven moment voelde ik een scherpe pijn in mijn linkerzij. Uiteindelijk zijn wij op de grond beland, omdat ik het mes wilde afpakken. De persoon kon sneller op staan dan ik en schopte mij daarna nog tegen mijn hoofd.

Toen de bel ging zei de verdachte dat ik niet z’n grote mond mocht hebben tegen zijn vriendin. Ik mocht niet naar hem wijzen anders zou hij mij steken. Toen begon hij met een mes met houder te dreigen. Ik wilde het mes afpakken, Hij zwaaide met het mes en toen gaf ik hem een klap. Ik wilde het mes afpakken en toen stak hij mij. Ik ben in mijn linkerzij gestoken en voelde dat ik in elkaar zakte. Hij maakte een paar steekbewegingen met het mes in de hoes.

Dit geschrift houdt onder meer in, als verklaring van [naam 2] , Forensisch Arts (GGD Hollands Noorden):

Betreft [benadeelde 1] , letselonderzoek 9 mei 2022.

wond linkerflank, vermoeden darmletsel -> spoed OK: laparotomie via grote mediane

incisie; darm bleek geperforeerd, is overhecht, geen darmresectie.

ernst van het letsel: ernstig, potentieel levensbedreigend, inmiddels gevaar geweken,

geschatte duur genezing: 6 maanden

onder meer in als de op 3 mei 2022 door verdachte ten overstaan van verbalisant [verbalisant 4]

afgelegde verklaring (doorgenummerde pagina’s 24A tot en met 29):

Ik was van plan om met die buurman te praten. Bij de voorkant aangekomen belde ik aan.

Ik trok een mes. Ik had een scherp voorwerp in mijn handen. Normaal gesproken heb ik een kleiner mes maar nu had ik een grotere. Ik maakte een steekbeweging en toen is dat mes in zijn buik gegaan.

Ik heb het mes losgelaten. Wij zijn in een soort gevecht geraakt om het mes. We waren

beiden laag op de vloer omdat wij het mes probeerden te pakken. Toen ik het mes had, heb

ik de buurman nog geschopt in zijn gezicht en daarna ben ik weggerend.

Zaak B (mishandeling [benadeelde 3] ):

onder meer in als de op 31 oktober 2022 door aangever [benadeelde 3] ten overstaan van

verbalisant [verbalisant 5] afgelegde verklaring (digitale pagina’s 7 tot en met 11):

Op 31 oktober 2022 ben ik om 14:30 uur begonnen in het Tikibad in Wassenaar. Op een

gegeven moment werd ik gebeld door een collega die als toezicht bij het Golfbad stond in het

Tikibad. Zij hadden gemeld dat een groep jongens in het bubbelbad zaten met alcoholische

dranken en dat zij deze alcoholische dranken in het bubbelbad hadden gegooid. Toen ik bij het bubbelbad aankwam, zag ik een donkere jongen in het bubbelbad zitten. Ik zag dat deze jongen 3 glazen onderwater hield. Ik wilde vervolgens contact leggen. Ik kreeg geen reactie van de jongen.

Ik zag opeens dat hij opstond. Ik zag dat hij eruit kwam. Ik zag dat hij mijn kant op kwam. Ik

zag dat hij recht voor mij kwam staan. Het was echt bijna neus tegen neus. Ik moest hierdoor

naar achter lopen, maar daar zat een hek. Ik kon geen kant op. Ik zag dat hij met zijn onderarm hard en met kracht tegen mijnsleutelbeen duwde. Hierdoor kwam ik tegen het hek. Ik voelde pijn en druk op mijn borst.

Ik was aan het werk in het Tikibad van Duinrell als toezichthouder. Een badgast meldde mij

dat er in bubbelbad gasten waren die wijn aan het drinken waren. Ik wenkte mijn supervisor.

Ik zag dat mijn supervisor gehurkt op het plateau naast het bubbelbad ging zitten zodat hij

deze jongens recht in de ogen kon aanspreken. Ik zag dat er uit het bad twee jongens met

getinte huidskleur stapten. Doordat deze twee jongens uit het bad stapten, zag ik dat mijn

supervisor tegen een hekje aankwam te staan. Ik hoorde veel geschreeuw daar. Ik zag dat

mijn supervisor naar zijn portofoon greep. Op dit moment zag ik ook dat de meest getinte

jongen (jongen 1) mijn supervisor een zet gaf met zijn twee handpalmen om hierna mijn

supervisor bij de kraag te pakken.

Ik had een discussie met de badmeester in het Tikkiebad. Ik was met mijn vriend [naam 3] . We

stonden met zijn tweeën tegenover de man. Ik ben de getinte jongen (het hof leest: de meest getinte jongen (jongen 1)).

Ik ben uit het water gegaan en naar de badmeester toegegaan. Ik stond recht voor hem.

Zaak C feit 1 (mishandeling [benadeelde 4] ):

Ik heb een korte relatie gehad met een jongen genaamd [verdachte] , geboren op 18-

07-2001. In oktober 2021 kregen we een relatie. [verdachte] mishandelde mij vanaf de maand december 2021. Door de mishandelingen heb ik pijn en letsel opgelopen. [verdachte] woont in Alkmaar en kwam mij vaak halen met de auto. Eenmaal in zijn huis begon hij mij te mishandelen. Dan sloeg hij met zijn vuisten op mijn bovenarmen. Dat vond hij grappig. Als ik dan zei dat hij mij pijn deed, dan kreeg ik te horen dat ik niet moest zeuren. De laatste keer was op 1 januari 2022. Ik was bij [verdachte] in huis en wilde naar huis. Ik

mocht van hem niet gaan en hij wilde mij ook niet brengen en begon mij weer met slaan. Ik ben toen zijn huis uit gerend. Ik zag dat [verdachte] achter mij aan kwam rennen. Uiteindelijk heeft hij mij te pakken gekregen. Hij greep mij heel hard bij mijn nek vast. Ook sloeg hij mij weer. Hij zei dat ik nergens heen mocht, dat ik van hem was.

Hij zei tegen mij: "Blijf hier staan, ik pak mijn sleutels." Ik bleef staan en [verdachte] liep richting zijn huis. Ik zag dat er een auto naar mij toe kwam rijden met een vrouw achter het stuur. Ik hoorde de vrouw tegen mij zeggen dat ik bij haar in moest stappen. Dat heb ik gedaan. Deze vrouw stelde zich voor als [getuige 2] . [getuige 2] heeft gezien wat er gebeurde op straat. Ik ben heel bang voor [verdachte] .

Op 1 januari 2022 omstreeks 21:30 uur bevond ik, mij de getuige op de Willem de

Zwijgerlaan te Alkmaar waar ik het volgende zag: Ik zag in mijn richting een meisje lopen met een jongen. Ik zag dat de jongen het meisje met één hand achter in haar nek vast had. Het oogde nogal dwingend en met kracht. Ik zag dat het meisje aan het huilen was. Ik hoorde dat ze zei: "oh my god zag je wat er net gebeurde?

Ik zei tegen haar dat ik had gezien dat hij haar vast had. Ik vroeg daarop aan het meisje of ze wilde instappen in mijn auto. Ik vroeg haar wat er allemaal aan de hand was. Ze vertelde me dat ze [benadeelde 4]

heette en dat ze al langere tijd door haar vriend [verdachte] wordt mishandeld en bedreigd. Ze vertelde mij dat dit de jongen was, waarmee ik haar zojuist op de stoep had gezien.

Ik zag en hoorde dat [verdachte] haar bleef bellen. Ik zag dat ze de telefoon opnam en de telefoon op de luidspreker zette. Ik hoorde dat [verdachte] [benadeelde 4] bedreigde. Ik hoorde [verdachte] de volgende uitspraken uitte wat mij nog nog kon herinneren:

- hij zou haar huis in de fik zetten

- hij zou de auto van haar ouders niet heel laten

- zij moest een weten wat hij allemaal al had gedaan

- je moest mij maar niet kwaad zien.

Ik had haar – het hof begrijpt: aangeefster [benadeelde 4] opgehaald. Bij een vriend zijn we gaan spelen op de playstation. Toen ging ze naar de wc. Op een gegeven moment dacht ik dat het lang duurde. De deur stond open. Ze was vertrokken. Ze had al eerder het huis verlaten. Nu gebeurde het weer. Ik zag haar niet ver van de woning. Op dat moment was ik best wel boos. Op straat heb ik haar bij haar nek vast gehad. Op een gegeven moment ben ik weggelopen. Daarna heb ik haar niet meer gezien, maar ik heb haar wel een aantal malen gebeld.

De aangeefster heeft verklaard dat de berichten afkomstig zijn van [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) en dat hij de berichten had gestuurd op 1 januari 2022.

De berichten houden onder meer in:

[verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte); “Als je niet reageerde ik ga naar je osso, alles gaat kapot, binnen en buitenkant. Jou gedrag is kanker klaar”

En “Je gaat niet naar een vriendin, je bent met mij. Je mag gaan. Risico’s zijn voor jou Ik ga t nie laten.”

Op vrijdag 3 juni 20022 was ik verbalisant belast met het beluisteren van een geluidsfragment. Tijdens het beluisteren hoorde ik een persoon die later bleek te zijn [verdachte] . Ik hoorde dat [verdachte] zei: [benadeelde 4] , luister luister, ik wil je niet dreigen maar zorg gewoon dat je aan mij zegt waar je bent voordat ik gewoon mad ga worden. Ik wil je osso brengen. Als ik je niet osso breng, ik zweer je ik ga je echt fucked up doen, niet alleen jou. En: Ik ga gewoon een kanker chaos daar zetten en jou een hele schande geven daarzo, want dan ken je mij niet”

Ik, verbalisant, heb twee filmfragmenten aangeleverd gekregen waarbij ik het volgende heb gezien: Op het eerste filmfragment is het volgende te zien: Ik zag dat er een lichaamsdeel werd gefilmd. Het betrof een arm. Ik zag verwondingen zoals blauwe en rode plekken verdeeld over het boven- en onderarm van het slachtoffer. Op het tweede filmfragment zie ik een persoon van hoofd tot middel die de eerste paar seconde zichzelf filmt. Ik zie een jongedame die ik als volgt kan omschrijven:

- vrouw

- lang donkerblond haar

- bruine ogen

- groen t shirt

- roze elastiek om haar rechterpols (betreft een scrunchie)

De persoon bleek later slachtoffer [benadeelde 4] te zijn. Ik zag dat [benadeelde 4] een stapje naar achteren en rechts zette zodat haar linkerarm duidelijk in beeld kwam. Ik zag dat [benadeelde 4] haar mouw van haar groene t shirt om hoog deed en daar duidelijk zichtbare blauwe plekken te zien waren. Ik zag dat de blauwe plekken op haar bovenarm zaten. [benadeelde 4] draaide zich naar de linkerkant zodat haar rechterarm duidelijk te zien was op het filmfragment. Ik zag dat zij haar mouw van het t shirt omhoog deed, ik zag dat zij op haar bovenarm en bij haar ellenboog blauwe plekken had.

Zaak D (feit 2 poging tot afdreiging [benadeelde 5] )

Ik woon in Almere. Op 12 juli 2021 kwam ik via Wink in contact met een meisje. Wink betreft een platform en via dit platform kan je iemand toevoegen op snapchat. Ik heb zelf een snapchat account met de naam: [naam 4] De accountnaam van het meisje was: [naam 5] . [naam 6] en ik hadden vanaf 12 juli 2021 om de dag ongeveer contact.

Op 16 juli 2021 had ik weer contact met [naam 6] . Ik zag gelijk dat [naam 6] mij een foto stuurde.

Ik zag dat [naam 6] op de foto alleen een onderbroek droeg. Ik zag dat [naam 6] mij foto’s bleef sturen. Deze foto's waren erotisch van aard, ontbloot bovenlichaam. Ik las dat [naam 6] mij vroeg om ook een foto van mijzelf te sturen. Ik heb [naam 6] toen een foto gestuurd van mijzelf. Op deze foto was de onderkant van mijn lichaam ontbloot. Mijn gezicht was niet op de foto te zien. Zo stuurde ik meerdere foto's naar [naam 6] , alleen ontbloot onderlichaam en geen gezicht zichtbaar. Op een gegeven moment vroeg [naam 6] of ik mijzelf wilde filmen terwijl ik aan het masturberen was. Ik heb dit toen voor [naam 6] gedaan. Ik filmde mijzelf tijdens het masturberen.

Op 19 juli 2021 omstreeks 12:00 uur kreeg ik een bericht van [naam 6] . Ik zag dat [naam 6] had geschreven dat ze pas 16 (zestien) jaar oud was en dat ik haar een bedrag van 150,00 euro moest betalen. Verder las ik dat wanneer ik het bedrag niet aan haar zou betalen dat ze dan mijn filmpjes door zou sturen naar familie en vrienden.

Via snapchat kreeg ik op dinsdag 20 juli 2021 om 00:45 uur een bericht vanaf de accountnaam: [verdachte] . Ik las dat het bericht afkomstig was van [naam 6] . Ik las dat ze het geld wilde hebben. Ik heb toen aangegeven dat ik het geld op dat moment niet had. [naam 6] heeft mij tot dinsdag 20 juli 2021 om 18:00 uur de tijd gegeven om te betalen. Ook had [naam 6] in dit bericht een filmpje gestuurd waarop te zien was dat [naam 6] een filmpje had gemaakt van al mijn volgers op Instagram. [naam 6] liet mij weten dat het geen nut had om mijn volgers te verwijderen omdat ze toch al van deze een filmpje had gemaakt.

Ik gebruikte het account [verdachte] .

[......]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?