ECLI:NL:GHAMS:2026:2539

ECLI:NL:GHAMS:2026:2539

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 200.360.119/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever dus heeft werknemer geen recht op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.360.119/01

zaaknummer / rekestnummer rechtbank Amsterdam : 11562899\ EA VERZ 25-203

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026

inzake

[appellant] ,

wonende te [plaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M.M.S. Meinhardt te Breda,

tegen

STICHTING ZAAM, INTERCONFESSIONEEL VOORTGEZET ONDERWIJS,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A. Keijser te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [appellant] en Zaam genoemd.

1. De zaak in het kort

Aan het hof ligt voor de vraag of de beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en of als gevolg daarvan werkneemster aanspraak heeft op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c Burgerlijk Wetboek (BW). Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is en zal dat hierna toelichten.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift, met producties 24 t/m 30, ontvangen ter griffie van het hof op 7 oktober 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) op 8 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer / rekestnummer heeft gegeven tussen [appellant] als verzoekende partij en Zaam als verwerende partij (hierna: de bestreden beschikking).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 29 mei 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. Meinhardt en Zaam door mr. Keijser, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen.

Nadat partijen na de inhoudelijke behandeling ter zitting hadden verklaard onderling in overleg te willen treden teneinde een minnelijke regeling te beproeven, is de uitspraakdatum aangehouden. Partijen hebben geen schikking bereikt en het hof verzocht uitspraak te doen. Vervolgens is uitspraak bepaald op heden.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.29 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. Met grief 1 betoogt [appellant] dat deze feitenvaststelling onvolledig is en dat bepaalde feiten onjuist zijn weergegeven. Voor zover de grief terecht is aangevoerd, zijn de feiten in de weergave hieronder aangepast. Waar nodig aangevuld met andere feiten die enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) betwist zijn, komen de feiten neer op het volgende.

Zaam bestaat uit 23 scholen, waaronder de [school] , een middelbare school in [plaats] (hierna: [school] ). De [school] heeft vier locaties: de [A-straat] , de [B-straat] , de [C-straat] en de [D-straat] .

De [school] is in 2015 door wijlen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] opgericht. [naam 1] was directrice van de [school] en gaf daar ook les. De school is gebaseerd op inzichten uit het [school] onderwijs en de schooltijd staat in het teken van kunst en cultuur en van vrijheid en verantwoordelijkheid.

[appellant] was van 6 maart 2017 tot en met 31 december 2024 werkzaam als docent Duits op de [school] . Haar laatst verdiende salaris op basis van een werkweek van 28,5 uren bedroeg € 4.104,83 bruto vermeerderd met 8% vakantietoeslag en een eindejaarsuitkering van 8,33%. Op de arbeidsrelatie tussen partijen was de cao Voortgezet Onderwijs van toepassing.

Op de [school] was als conciërge werkzaam [naam 3] (hierna: [naam 3] of de conciërge). De hoofdconciërge en leidinggevende van [naam 3] was [naam 4] , tot 2023 de partner van [appellant] . [naam 5] , zoon van [appellant] , was ook werkzaam op De [school] als ICT-beheerder en docent Duits.

Bij e-mail van 20 juni 2021 heeft [appellant] bij [naam 1] een klacht ingediend over [naam 3] . Aanleiding was volgens de e-mail een incident in de keuken van de school waarbij [naam 3] , die [appellant] hielp bij het zoeken naar een blender, naar [appellant] had geschreeuwd. In de e-mail staat onder meer:“Vorige vrijdag heb ik je al medegedeelt hoe [naam 3] zich vorige week in de [A-straat] tegen mij heeft gedragen. Sindsdien heb ik geprobeerd om [naam 3] uit de weg te gaan omdat ik me in zijn omgeving niet meer veilig voel. (...) Ook is het voor mij nu onmogelijk geworden om met [naam 3] te werken omdat hij mij het gevoel geeft om elke moment los te barsten als ik zijn aandacht vraag. Daarom heb ik nu toch besloten om een officiele melding van deze gebeurtenis te maken. (…). Nu weet ik niet goed hoe ik verder moet werken met [naam 3] op de [A-straat] . Het is eigentlijk altijd een gespannen sfeer op school als hij daar is. (…) Het spijt me dat ik je met deze situatie moet lastig vallen, maar ik weet me geen raad. [naam 4] [hof: [naam 4] , hoofdconciërge en toenmalig partner van [appellant] ] heeft (…) dit vrijdag slechts heel kort aangekaart bij [naam 3] , hij begreep aanvankelijk de ernst niet, zegt hij”.

Naar aanleiding van deze klacht is er een gesprek geweest tussen [appellant] , [naam 1] en [naam 3] .

Bij e-mail van 25 januari 2022 heeft [appellant] aan [naam 1] geschreven dat zij een dag daarvoor een heel vervelende werkdag had met [naam 3] . De aanleiding daarvoor was dat [appellant] de tussendeur naar de personeelskamer dicht wilde voor stilte in de aula waar zij een leerling had gezet. Volgens [appellant] opende [naam 3] die deur opzettelijk maar ontkende hij dat door te zeggen dat het een leerling moet zijn geweest. Verder zong [naam 3] hard en trommelde hij met zijn handen op de balie waarna de leerling [appellant] vragend aankeek. Even later was [naam 3] opeens weg waardoor de leerling voor wie [appellant] de verantwoordelijkheid had, alleen was in de aula, aldus [appellant] . [appellant] heeft [naam 1] in de e-mail gevraagd hoe zij met de houding en het gedrag van [naam 3] moet omgaan.

Naar aanleiding hiervan heeft [naam 1] [appellant] uitgenodigd voor een gesprek. Dit gesprek heeft op 28 januari 2022 plaatsgevonden.

Bij e-mail van 10 juni 2022 heeft [appellant] [naam 1] opnieuw bericht over een aantal incidenten met [naam 3] . Het eerste incident betrof het laten werken van twee leerlingen van [appellant] in een kleine kamer naast het leslokaal wat volgens [naam 3] en een andere lerares ( [naam 6] ) niet mocht omdat daarin gevoelige documenten (dozen met examens) lagen. Volgens [appellant] had [naam 3] één van de twee leerlingen weggestuurd zonder haar te infomeren en loog hij daarover toen hij ontkende de leerling te hebben weggestuurd. Het tweede incident betrof kerstkransen die [appellant] had gelegd in de aula en die [naam 3] had verwijderd omdat het eerst nog Sinterklaas moest worden. Volgens [appellant] had [naam 3] de kransen verstopt. Het derde en laatste incident betrof een melding van een stagiaire dat [naam 3] hem had gezegd dat [appellant] altijd op het laatste moment kwam en haar ook anderszins bekritiseerde.

In de e-mail staat dat [appellant] een paar dagen eerder had gevraagd of zij in het rooster een dag in de week minder met [naam 3] kon worden ingedeeld, maar dat het vervolgens een dag meer werd. [appellant] heeft de e-mail als volgt afgesloten:

“[naam 3] vertoond vaak grensoverschrijdend gedrag naar mij toe. Ik wil dat alleen voor de duidelijkheid mede hebben gedeelt.”

Bij e-mail van diezelfde dag heeft [naam 1] als volgt gereageerd:

“Het kleine-kamertje wordt in examentijd gebruikt om de examens even in op te slaan. [naam 6] had het idee dat iedereen dat wel wist. Je verwijt [naam 6] dat ze [naam 3] een dag extra inroosterde. Je doelt op gisteren, op uitslagdag. Toen hebben we [naam 3] gevraagd om ‘s morgens op de [A-straat] te werken omdat [naam 4] in de [B-straat] nodig was. Dat was niet een tegen jou gerichte actie.(…) [naam 3] heb ik net gesproken. Hij heeft geen idee waar je stagiaire het over heeft (gaat ie aan ‘m vragen). (…) In het geval dat [naam 3] wellicht een leerling gevraagd zou hebben het ‘examenkamertje’ wel te verlaten is dat evenmin een voorbeeld van ‘grensoverschrijdend gedrag’ maar een actie die voortkomt uit de wens van [naam 6] om de examens veilig te bewaren. Het Kerstvoorbeeld vind ik een typische [naam 3] -grap. Leuk bedoeld, bijzonder onhandig maar evenmin een voorbeeld van grensoverschrijdend gedrag.

Je geeft aan dat je een probleem hebt met [naam 6] en met [naam 3] . Het is het eind van het schooljaar. De leerlingen zijn druk, we hebben onze handen eraan vol. Ik hoop dat je begrijpt dat we allemaal een beetje moe zijn en ons een weg naar het einde van het schooljaar worstelen. Ik beschouw jou als iemand die een situatie overziet en daarnaar handelt.

Ik hoop dat je helpt om het schooljaar soepel af te ronden. Op naar de zomervakantie. We zijn er bijna.”

[naam 1] en [appellant] hebben elkaar op 10 juni 2022 ook nog gesproken.

Bij e-mail van 12 juni 2022 heeft [appellant] zich ziek gemeld en gevraagd om op een andere locatie te mogen werken. Deze e-mail luidt als volgt:

“Jij hebt tijdens ons gesprek vrijdag al duidelijk gemaakt dat jij vind dat ik ‘geobsedeerd ben door [naam 3] ’. En dat ik volgens jou ‘naar een psycholoog toe moet’. Ik ben heelaas behoorlijk overspannen geraakt en voel mij misselijk als ik naar school moet.

Ik denk ondertussen dat het het beste is als ik niet meer op de [A-straat] les geef. (…) Dus misschien vindt [naam 6] een lokaal op de [B-straat] op de begane grond (…). Voor nu wil ik proberen om dat schooljaar fatsoenlijk af te ronden ook weet ik niet of ik altijd naar school kan komen op dit moment. Ik heb [naam 7] medegedeelt dat ik ziek ben. Morgen gaat hij de lessen van de 2de en de 3de over nemen. (…) Dinsdag wil ik proberen om naar school te komen (…) Verder moet ik het even van dag tot dag bekijken. Ik ga ook naar mijn huisarts voor een verwijsbrief naar de psycholoog.”

Op 22 juni 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , [naam 1] en [naam 8] , hoofd Nederlands op de [school] . Het gespreksverslag dat daarvan is opgemaakt, bevat volgens [appellant] gedeeltelijk een onjuiste weergave. In het gedeelte waarover [appellant] geen opmerkingen heeft gemaakt, staat onder meer:

“(…) [appellant] [hof: [appellant] ]: Jij hebt tegen [naam 9] gezegd dat ik wilde dat [naam 3] ontslagen zou worden en dat had ik helemaal niet gezegd.

[naam 1] [hof: [naam 1] ]: Dat heb je vrijdagmiddag (…) gesuggereerd. Je vroeg of ik ‘nog van [naam 3] afkon’. En daarnaast bleek je me gemaild te hebben, een officiële klacht over ‘grensoverschrijdend gedrag’ van [naam 3] . Zo’n bewering zou een ontslaggrond op kunnen leveren.

Probleem

[appellant] is nu niet aan het werk. Ze voelt zich overspannen. [naam 1] heeft haar (…) gezegd dat ze geobsedeerd is door [naam 3] . Dat was de druppel. [appellant] voelt zich geruime tijd getreiterd door [naam 3] . Hij heeft het op haar voorzien. (…) Ruim een jaar geleden is er een gesprek geweest in bijzijn van [naam 1] tussen [naam 3] en [appellant] . (…) [naam 1] : de kou leek na dat gesprek uit de lucht. [appellant] : Nee. [naam 3] heeft toen een soort van excuses aangeboden maar hij bleef doorgaan met op [appellant] gericht gedrag.

[naam 1] stelt dat [naam 3] is. Hij gedraagt zich vanuit haar perspectief ten opzichte van [appellant] niet anders dan tegen de andere collega’s. Hij is af en toe wat hoekig (…)

[appellant] : (…) Ik wilde ergens anders geroosterd worden. Van [naam 3] word ik bang. Jij wilde dit pas na de vakantie regelen. [naam 1] : Dit zijn de laatste weken van het schooljaar. [naam 6] , onze roostermaker die ook examencoördinator is is druk met de verlengde examenperiode en moet tegelijkertijd aan het rooster voor volgend jaar werken. Wij kunnen haar niet vragen om de laatste drie weken van het jaar het rooster even om te gooien. Op maandag heb je het zelf geregeld. Dan vervangt [naam 7] (…) je lessen. Het gaat dus nu nog maar om twee blokuren op de [A-straat] als [naam 3] er is. Ik zou kunnen kijken of dat anders kan tot aan de zomervakantie.

(…)

[appellant] : Ik wil volgend jaar alleen nog maar de onderbouw lesgeven. Twee dagen. Op de [B-straat] .

[naam 1] : Ik zal een vacature plaatsen voor de bovenbouw (…) En ga je proberen om weer een beetje aan het werk te gaan?

[appellant] : Ik zal het proberen. (…) Ik kom alleen niet naar de [A-straat] als [naam 3] er is”.

Op 27 juni 2022 hebben [appellant] en [naam 1] met elkaar gebeld. In dat gesprek heeft [naam 1] onder meer gevraagd wat [appellant] nodig heeft om zich prettig te voelen.

[appellant] heeft daarop verklaard dat [naam 3] haar het hele jaar door heeft getreiterd, dat zij hiervan melding heeft gemaakt maar dat zij van [naam 1] alleen terugkrijgt dat zij zich eroverheen moet zetten en dat [naam 1] er niet van overtuigd is dat [naam 3] zich tegen anderen anders gedraagt dan tegen [appellant] .

[naam 1] heeft voorgesteld om met [naam 3] en anderen erbij in gesprek te gaan. [naam 1] heeft toegelicht dat een formele klacht wegens grensoverschrijdend gedrag kan leiden tot ontslag en dat zij daaraan niet gaat meewerken omdat zij niet gelooft in moedwillige opzet van [naam 3] . [naam 1] heeft voorgesteld dat als [appellant] vindt dat het moedwillige opzet is, zij het moet aankaarten ‘op Zaam-niveau’. Daarbij heeft [naam 1] gemeld dat Zaam ook een vertrouwenspersoon heeft.

Verder heeft [naam 1] erop aangedrongen dat [appellant] ofwel deeltijdontslag neemt van 0,7 fte naar 0,5 fte omdat anders de nieuwe docent Duits niet kan worden betaald, ofwel aangeeft zelf de lessen aan de bovenbouw te zullen verzorgen volgend schooljaar. [appellant] heeft verklaard dat nog niet te kunnen zeggen omdat ze ziek is, waarop [naam 1] onder meer heeft verklaard dat met het maken van het rooster niet kan worden gewacht tot na de vakantie.

Op 7 juli 2022 heeft wederom een telefoongesprek tussen [appellant] en [naam 1] plaatsgevonden. Daarin heeft [naam 1] geopperd dat [appellant] naar school komt, omdat afleiding beter is dan thuis zitten. Tevens heeft [naam 1] daarin opnieuw aangedrongen op deeltijdontslag en heeft [appellant] in reactie daarop opnieuw verklaard dat niet te kunnen beslissen en ziek te zijn. [naam 1] heeft daarop verklaard dat de ziekte losstaat van de wens om minder te werken en dat [appellant] opportunistisch is.

In een e-mail van dezelfde dag van [naam 1] aan [appellant] staat onder meer het volgende:

“Op 22 juni gaf je aan dat je alleen nog aan de tweede en derde les wilde geven (…) Ik heb na afloop van ons gesprek een vacature voor een docent Duits voor de bovenbouw geplaatst (…) De sollicitante is op 28 juni in gesprek gegaan (…) en is aangenomen. (…) Je bleek wel al kennis te hebben gemaakt met je nieuwe collega Duits. Je voelde je toen net iets minder ziek zei je. Je was erg tevreden over haar. Ik verzocht je of je niet wilde vergeten in AFAS aan te geven dat je 0,2 minder gaat werken vanaf 1 augustus. We hebben nu immers voor 0,4 een docente Duits aangenomen en we moeten dat kunnen betalen. Het is geen ziektevervanging. (…)”

[appellant] heeft op 13 juli 2022 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de bedrijfsarts een rapport aan de [school] gestuurd en een notitie gemaakt in het medisch dossier van [appellant] . In het rapport staat dat [appellant] niet in staat is om te werken en dat partijen in gesprek dienen te gaan al dan niet met behulp van een derde om het gevoel van onveiligheid bij [appellant] weg te nemen. In het medisch dossier noteert de bedrijfsarts over het gesprek met [appellant] op 13 juli 2022 het volgende:

“(…) Werknemer voelt zich gepest door de concierge en krijgt geen gehoor bij de schoolleiding. Ze moet overgeven als ze naar school moet.

Ze krijgt geen hulp en geen gehoor en voelt zich onveilig. Het is zelf uit de hand gelopen en ze is ook helemaal uit haar dak gegaan. Er is een gesprek geweest met de leiding met iemand anders erbij dan werd afgesproken. Ze heeft last van angsten en slaapproblemen. Heeft van de huisarts een oxazepam.

C/ werknemer voelt zich gepest en heeft daardoor gezondheidsklachten. (…)”.

Bij e-mail van 14 juli 2022 heeft [naam 1] aan [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“(…) De bedrijfsarts stelt voor dat ik het initiatief neem voor een gesprek om de kou uit de lucht te halen; ervoor te zorgen dat er een gevoel van onveiligheid wordt weggenomen. Zo’n gesprek hebben we al gevoerd; in bijzijn van [naam 8] , onze onderbouwcoördinator. (...) Op advies van de bedrijfsarts nodig ik je uit voor een tweede gesprek, morgenochtend 15 juli om negen uur. Ik zal vragen of [naam 10] (bovenbouwcoördinator VWO) of [naam 11] (zorgcoördinator en vertrouwenspersoon) bij dat gesprek (…) aanwezig kan zijn. (…)”

In een gespreksverslag van 6 september 2022 staat onder meer:

“[appellant] blijft voorlopig ziekgemeld (…)

Wanneer [appellant] weer in staat is om te werken, krijgt zij een (hoofd)werkplek in de [B-straat] . (…)

[naam 12] zal haar best doen om voor [appellant] een rooster te maken dat [appellant] kan accepteren (…)

Er is voor twee dagen een docent Duits aangenomen. Tijdens de ziekte van [appellant] is er een vervanger (de zoon van [appellant] ) voor de lessen Duits die [appellant] geeft (…)

Tijdens het ziekteverlof van [appellant] wordt er niet meer gesproken of gemaild over deeltijd ontslag.”

[naam 1] is in oktober 2022 uitgevallen met gezondheidsklachten.

In de rapportage van de bedrijfsarts van 31 oktober 2022 staat onder meer dat [appellant] is uitgevallen met gezondheidsklachten die haar beperken in het persoonlijk en sociaal functioneren, dat zij energetisch beperkt is, dat de klachten werkgerelateerd zijn en dat het geleidelijk wat beter gaat met [appellant] . De bedrijfsarts heeft geadviseerd [appellant] de gelegenheid te geven te hervatten met lesgeven voor 2,4 uur per dag en in onderling overleg een opbouwschema te maken waarbij [appellant] in drie maanden met vaste stappen teruggroeit naar haar werkuren. In het medisch dossier van [appellant] noteerde de bedrijfsarts over dit gesprek het volgende:

“Betrokkene deelt een gedetailleerd verhaal waarin zij vertelt geconfronteerd te zijn met ongewenst omgangsvormen van de conciërge op haar school, wat zich uitte in (…) intimidatie en andere ongepaste gedragingen. Helaas heeft zij weinig tot geen ondersteuning gekregen van het schoolmanagement. Er heeft weliswaar een gesprek plaatsgevonden met de vertrouwenspersoon, als gevolg daarvan is de betrokkene momenteel bezig met re-integratie op een andere school [hof: bedoeld is een andere locatie].

Het is duidelijk dat de betrokkene te kampen heeft met psychische klachten, waarbij ook een depressieve ondertoon merkbaar is, naast de werkgerelateerde problemen. Haar wens is om op een geleidelijke en rustige wijze weer op te bouwen, dit is m.i. redelijk (…)”.

Eveneens op 31 oktober 2022 heeft [naam 13] , vervanger van [naam 1] en directie-adviseur van Zaam, de re-integratie afspraken met [appellant] besproken en aan haar bevestigd:“(…) Je gaat starten m.i.v. 1 november 2022 met je re-integratie op de [B-straat] . We hebben afgesproken dat je (…) gaat beginnen met 3x3 lesuren. (…) Op dit moment is jouw aanstelling 0.7 fte, dit wil je na je herstel gaan terug brengen naar 0.5 fte.”

Vlak daarna is [appellant] weer uitgevallen. Bij WhatsApp-bericht van 4 november 2022 heeft zij daarover het volgende geschreven:“Zoals je weet heb ik deze en vorige week mijn best gedaan om te reintegreren. Nu heb ik gehoord dat [naam 1] [hof: [naam 1] ] (en ook zelfs [naam 14] ) mijn onderwijs bij anderen zwaar bekritiseren. Ik heb persoonlijk nooit iets daar over van [naam 1] vernomen. De laatsten jaren was iedereen alleen maar vol lof over mij. En ook van een leerling heb ik gehoord dat het de bovenbouw Duits nu zelfs ‘verboden’ is om Duolingo verder te doen. Ik ben daarvan weer helemaal overstuur geraakt en zie mij ook niet meer in staat om nog voor de klas te kunnen staan (…)”

In een rapportage van de bedrijfsarts aan de [school] van 10 november 2022 staat onder meer dat [appellant] rustig was gestart met het oppakken van werkzaamheden, dit niet goed ging, [appellant] een toename van gezondheidsklachten ontwikkelde en zij opnieuw is uitgevallen. In het medisch dossier van [appellant] noteerde de bedrijfsarts over het gesprek met [appellant] op 10 november 2022 het volgende:

“Zoals afgesproken dat zij s betrokkene met het rustig oppakken van werkzaamheden maar helaas verliep dit niet zoals gepland. Ze werd onmiddellijk geconfronteerd met pesterijen, wat leidde tot een toename van klachten.

Hierdoor is zij opnieuw uitgevallen.

Nu te aangeslagen om werkzaamheden te verrichten.”

Op 14 november 2022 rapporteerde de bedrijfsarts aan de [school] onder meer dat het matig ging met [appellant] en werken niet mogelijk was. In het medisch dossier van [appellant] noteerde de bedrijfsarts over dat gesprek het volgende:

“Zit trillend voormij, duidelijk erg gespannen, wilde gaan terugkomen in de [school] , werd hier geconfronteerd met negatieve uitlatingen over haar functioneren door collega’s die dit gehoord hebben van haar leidinggevende. Kon hier niet meer tegen en is naar huis gegaan. Duidelijk fors aangeslagen,

Hoe nu verder? Dat is een lastige vraag, (…)”.

De bedrijfsarts rapporteerde op 5 december 2022 aan de [school] onder meer het volgende:

“Er is sprake van ziekte waardoor de werknemer niet kan werken.

Er is tevens sprake van een arbeidsconflict.

Ik heb van partijen begrepen dat er een gesprek is geweest over de problematiek, maar dat er nog geen oplossing is bereikt. Het kan verstandig zijn met een externe derde erbij nogmaals in gesprek te gaan.”

Op 14 december 2022 heeft op de school een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] , [naam 13] en [naam 15] (hierna: [naam 15] ), decaan HAVO/VWO op de [school] en tevens vertrouwenspersoon van Zaam. In dat gesprek is op initiatief van Zaam gesproken over een vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft tijdens het gesprek om mediation gevraagd. [appellant] heeft meerdere keren aan [naam 15] om een schriftelijk verslag van dit gesprek gevraagd. Ondanks meerdere toezeggingen heeft [appellant] geen uitgewerkt gespreksverslag ontvangen, maar wel foto’s van de handgeschreven notities van [naam 15] , die slecht leesbaar zijn.

Naar aanleiding van dat gesprek heeft [naam 13] op 23 december 2022 aan de bedrijfsarts gemeld dat hij zich zorgen maakt om [appellant] en zich afvraagt of het niet goed is [appellant] te verwijzen naar een psycholoog. De bedrijfsarts heeft dit vervolgens met [appellant] besproken en zij heeft gemeld hier ook voor te voelen.

De bedrijfsarts meldde de [school] op 16 januari 2023 en 6 maart 2023 dat [appellant] op het spreekuur was geweest, dat het matig met haar ging en dat werken op dat moment niet mogelijk was.

[naam 1] is [in] 2023 overleden.

[appellant] is in maart 2023 is gestart met EMDR-therapie. [appellant] was ten tijde van de zitting in hoger beroep nog steeds onder behandeling van een psycholoog.

Op 17 april 2023 meldde de bedrijfsarts aan de [school] dat het niet goed ging met [appellant] , dat zij uitgebreid werd behandeld, dat het wachten was op het effect van de behandeling en dat gezien de beperkingen werken niet mogelijk was. In het medisch dossier van [appellant] noteerde de bedrijfsarts van het gesprek op 17 april 2023 het volgende:

“Bbetrokkene vertelt dat de werkgever geen mediation wil overwegen. (…) Momenteel gaat het matig met betrokkene waarbij een goed te ervaren boosheid een rol speelt. (…)”.

Op 22 mei 2023 heeft de bedrijfsarts aan de behandelend psycholoog van [appellant] het volgende geschreven:

“ [appellant] wordt door jou begeleid i.v.m. psychische klachten. Er is veel gebeurd op de school waar zij werkt. Ik heb eerder aangegeven dat er enerzijds sprake is van psychische klachten waardoor betrokkene niet kan werken en anderzijds sprake is van een arbeidsconflict. Ik heb dan ook aangedrongen op onderling overleg met een mediator daarbij. De werkgever voelt hier niet voor. De directeur waar het conflict mee speelde is recent overleden. [appellant] ziet zich niet meer terugkeren binnen de school en is druk met het in Duitsland te trachten een nieuw leven op te bouwen.

Ik begrijp dat werkgever aandringt op een VSO en haar in haar ogen weinig wil meegeven.

Ik kan mij voorstellen dat zij niet meer kan terugkeren naar de school daar dit mogelijk tot gezondheidsschade leidt door triggering van haar klachten. Als dat zo is, kan ik in ieder geval aangeven dat terugkeer naar de eigen werkplek niet mogelijk is en aandringen op een re-integratie in de tweede lijn.

Wat vindt jij? En wat is je diagnose? Ik denk zelf aan traumatische klachten in combinatie met depressieve klachten/levensfaseproblematiek.”.

De psycholoog heeft als volgt geantwoord: “Ik deel jouw visie. Er is sprake van traumatische klachten, angst- en depressieve klachten. Terugkeer is m.i. ook geen optie meer, er is teveel beschadigd in vertrouwensrelatie met werkgever.”Vervolgens heeft de bedrijfsarts gevraagd of dit voor alle scholen van Zaam geldt of alleen voor de [school] . Daar op heeft de psycholoog het volgende geantwoord: “Ik schat in dat dit ook wel een beetje voor heel Zaam geldt, ook aangezien er iets in het vertrouwen met mensen van het bestuurskantoor (HR, VP, etc) is beschadigd. (…)”.

Het UWV heeft met ingang van 15 juni 2024 aan [appellant] een WIA-uitkering toegekend. Het UWV heeft de re-integratie inspanningen van de [school] als voldoende beoordeeld.

De [school] heeft aan het UWV toestemming gevraagd de arbeidsovereenkomst met [appellant] te mogen opzeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. [appellant] heeft hiertegen geen verweer gevoerd bij het UWV. Op 11 oktober 2024 heeft het UWV toestemming verleend en de [school] heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [appellant] opgezegd per 1 januari 2025.

4. De procedure in eerste aanleg

[appellant] heeft in eerste aanleg de kantonrechter onder meer verzocht voor recht te verklaren dat de [school] jegens haar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en de [school] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.145,85 bruto.

[appellant] heeft daaraan, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] heeft vanaf juni 2021 aan [naam 1] klachten geuit over agressief, intimiderend en overschrijdend gedrag van [naam 3] , maar [naam 1] heeft haar klachten genegeerd, de klachten met [naam 3] en andere collega’s gedeeld en hen tegen [appellant] opgezet. Daarnaast werd [appellant] getreiterd en is het lesgeven haar onmogelijk gemaakt. De kantonrechter heeft de verzoeken van [appellant] afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen. De [school] heeft de door [appellant] gestelde pesterijen voldoende gemotiveerd weersproken, zodat (juridisch) niet van de juistheid van de stellingen van [appellant] kan worden uitgegaan. Dat neemt niet weg dat als een werknemer pestgedrag ervaart, ongeacht of dat terecht is of niet, en zich ziekmeldt, op de werkgever een plicht rust om hier adequaat op te handelen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de [school] voldoende adequaat gehandeld. Dat het niet tot mediation is gekomen, kan De [school] niet worden verweten. Dat het steeds slechter ging met [appellant] kan de [school] evenmin worden verweten. De bedrijfsarts heeft slechts karig in zijn rapportages teruggekoppeld aan de [school] dat het steeds slechter ging met [appellant] . De [school] had te weinig informatie om daar adequaat op te reageren, aldus de kantonrechter.

5. Beoordeling

[appellant] heeft in hoger beroep - onder aanvoering van drie beroepsgronden waarbij grond 3 abusievelijk als grond 2 is vermeld - verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij de verklaring voor recht en billijke vergoeding zijn afgewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd. Zij heeft, samengevat, het hof verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

voor recht te verklaren dat Zaam ernstig verwijtbaar heeft gehandeld;

Zaam te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 160.145,85 bruto;

Zaam te gebieden, om binnen 48 uur na betekening van deze beschikking een e-mail te versturen aan de in punt 105 van het beroepschrift genoemde namen en aan alle overige personen en/of organisaties aan wie door of namens Zaam mondeling, schriftelijk of door welk (digitaal) communicatiemiddel dan ook uitlatingen zijn gedaan dat [appellant] niet naar behoren functioneerde als docent of kritische woorden van gelijke strekking, en tegelijk in kopie (cc) aan [appellant] met de in punt 104 van het beroepschrift geformuleerde tekst, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

Zaam te veroordelen tot betaling van de werkelijk gemaakte juridische kosten van € 14.970, - inclusief btw, te vermeerderen met rente;

Zaam te veroordelen in de kosten van beide instanties.

Zaam heeft de beroepsgronden - hierna ook wel grieven genoemd - bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

[appellant] heeft in hoger beroep een grief gericht tegen de feitenvaststelling, een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door [appellant] gestelde pesterijen voldoende gemotiveerd zijn weersproken en een grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de [school] adequaat heeft gehandeld en dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. De eerste grief is gedeeltelijk verwerkt in de onder 3 weergegeven feiten. Voor het overige zal het hof hierna de grieven gezamenlijk behandelen.

Maatstaf en gestelde gedragingen

Indien het dienstverband is opgezegd na twee jaar ziekte kan aan een werknemer een billijke vergoeding worden toegekend indien deze opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever (artikel 7:682 lid 1 sub c met artikel 7:669 lid 3 onder b BW). Voor het aannemen van ernstige verwijtbaarheid geldt een hoge drempel. Vereist is een uitzonderlijke situatie waarin de werkgever zijn verplichtingen grovelijk heeft veronachtzaamd.

Volgens [appellant] hebben de volgende samengevatte feiten en omstandigheden ertoe geleid dat zij ziek is uitgevallen en niet meer is gere-integreerd en heeft Zaam daarmee ernstig haar zorg- en re-integratieverplichtingen geschonden:

de [school] heeft de klacht van [appellant] herhaaldelijk niet serieus genomen en ondanks herhaalde melding van onveiligheid geen actie ondernomen om het conflict met [naam 3] op te lossen. Daarmee heeft de [school] [appellant] laten vallen;

[naam 1] heeft het [appellant] ten onrechte kwalijk genomen dat zij een klacht had ingediend tegen [naam 3] en dat zij geen deeltijdontslag nam;

de [school] heeft geweigerd de klacht als formele melding in behandeling te nemen;

de [school] heeft geen externe derde ingeschakeld zoals geadviseerd door de bedrijfsarts op 13 juli 2022;

de [school] heeft de gezondheidsklachten van [appellant] niet onderkend;

aan het verzoek om op een andere locatie te worden geplaatst had eerder gehoor moeten worden gegeven;

toen [appellant] in november 2022 ging re-integreren werd zij geconfronteerd met een collega die nietsvermoedend hulp aanbood omdat diegene had vernomen dat [appellant] problemen had met leerlingen. Kennelijk werd er achter haar rug om op negatieve wijze over haar functioneren als docent gesproken en ging de [school] hier niet discreet mee om;

de [school] is geen mediation gestart zoals geadviseerd door de bedrijfsarts op 5 december 2022, terwijl volgens de bedrijfsarts sprake was van een arbeidsconflict en [appellant] in het gesprek van december 2022 expliciet had verzocht om mediation;

de [school] was er wel degelijk mee bekend dat het na het gesprek van december 2022 en de start van de behandeling door een psycholoog vanaf maart 2023 steeds slechter ging met [appellant] , althans had dat moeten zijn door daarnaar te informeren. Het gesprek van december 2022 heeft haar zieker gemaakt;

de [school] heeft [appellant] in het tweede jaar van ziekte links laten liggen.

Het hof overweegt als volgt. De eerste melding van [appellant] over [naam 3] dateert van 19 juni 2021 (mondeling) en 20 juni 2021 (schriftelijk), zie bij de feiten onder 3.5. Dat [appellant] al eerder een melding zou hebben gedaan, heeft de [school] betwist, heeft [naam 1] ontkend tijdens het telefoongesprek van 28 juni 2022 en heeft [appellant] in dit licht bezien onvoldoende onderbouwd. Naar aanleiding van de melding is [naam 1] met [appellant] en [naam 3] in gesprek gegaan. [naam 1] ging ervan uit dat de kou daarmee uit de lucht was (zie bij de feiten onder 3.13). Voor [appellant] was dat niet het geval. Zij heeft zich niet gehoord en erkend gevoeld. Dat zij dat op dat moment aan [naam 1] heeft gemeld, is echter niet gesteld of gebleken zodat [naam 1] daarmee geen of onvoldoende rekening heeft kunnen houden.

Op 25 januari 2022 heeft [appellant] opnieuw een melding gedaan en [naam 1] om advies gevraagd hoe om te gaan met het gedrag van [naam 3] . [appellant] verwijt [naam 1] dat zij bij haar op dat moment opnieuw geen gehoor vond en dat [naam 1] haar niet steunde (het hof begrijpt: niet haar kant koos). Gezien de aard van de gemelde incidenten (het wel of niet opzettelijk openlaten van een deur of trommelen met de handen op de balie), waaruit niet zonder meer blijkt dat sprake was van opzet bij [naam 3] , is het begrijpelijk dat [naam 1] geen kant koos maar zich neutraal opstelde. Hetzelfde geldt ten aanzien van de op 10 juni 2022 gemelde incidenten. Uit de beschrijving van die incidenten zelf volgt niet dat sprake was van grensoverschrijdend gedrag. Dat laat evenwel onverlet dat er irritaties waren ontstaan tussen [appellant] en [naam 3] , dat [appellant] dit heeft ervaren als pestgedrag en dit als grensoverschrijdend kwalificeerde. Met [appellant] is het hof van oordeel dat van [naam 1] meer inspanningen mochten worden verwacht om de verhoudingen te normaliseren en dat niet kon worden volstaan met het wijzen op de eigen verantwoordelijkheid van [appellant] . Aan de andere kant was het op dat moment druk vanwege het einde van het schooljaar en was voor [naam 1] op dat moment niet duidelijk dat het slecht ging met [appellant] . Uit de bewoordingen die [appellant] gebruikte in de e-mails waarin zij advies vroeg of het gedrag meldde “voor alle duidelijkheid”, heeft [naam 1] ook niet hoeven afleiden dat het op dat moment slecht ging met [appellant] .

Twee dagen later, op 12 juni 2022, werd dat wel duidelijk. In een e-mail van die datum heeft [appellant] gemeld dat ze ziek werd van de situatie. Ook heeft [appellant] toen verzocht om op een andere locatie te mogen werken. Dat zij eerder een verzoek zou hebben gedaan om elders te mogen werken en dat dat zou zijn afgewezen, is niet onderbouwd. Uit de e-mail waarnaar [appellant] in dit kader verwijst, blijkt hoogstens dat [appellant] op enig moment heeft gevraagd of [naam 3] op een andere locatie kon worden geplaatst. Wanneer dit zou zijn gevraagd, blijkt niet uit de e-mail.

De [school] heeft vervolgens een gesprek ingepland op 22 juni 2022. Dat de persoon bij wie [appellant] zich het meest vertrouwd voelde daarbij niet aanwezig kon zijn, is weliswaar vervelend, maar valt de [school] niet te verwijten. [appellant] heeft een deel van de inhoud van het verslag van dit gesprek betwist. Of dat terecht is, is voor de beslissing niet relevant. Ook als een deel van het gespreksverslag onjuist zou zijn, betekent dat niet dat de [school] dat deel van het gesprek bewust verkeerd heeft weergegeven. [appellant] heeft dat laatste ook niet gesteld. Anders dan [appellant] betoogt, staat in het verslag wel degelijk dat zij bang werd van [naam 3] . Ook staat in het verslag dat [naam 1] na de vakantie wilde regelen dat [appellant] ergens anders ingeroosterd zou worden, hetgeen op 6 september 2022 nogmaals aan [appellant] is bevestigd (zie bij de feiten onder 3.18). Dat de [school] daarmee pas in oktober 2022 akkoord zou zijn gegaan, is dus onjuist. Uit het verslag van het gesprek van 22 juni 2022 blijkt verder dat een oplossing is besproken voor de resterende drie weken van dat schooljaar. Voor de maandagen had [appellant] zelf al vervanging geregeld en voor de twee resterende blokuren had [naam 1] aangeboden om te kijken of dat anders kon. Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat de [school] op dat moment voldoende actie heeft ondernomen.

Dat [naam 1] zelf [appellant] onheus zou hebben bejegend, niet respectvol zou hebben behandeld en op enig moment tegen [appellant] zou hebben geschreeuwd, is gemotiveerd betwist. Tijdens het opgenomen telefoongesprek van 27 juni 2022 heeft [appellant] tegen [naam 1] gezegd dat zij tegen haar heeft geschreeuwd, waarop [naam 1] dat heeft ontkend. Van schreeuwen blijkt ook geenszins uit de geluidsopnames van de twee telefoongesprekken van 27 juni 2022 en 7 juli 2022. Uit de beschrijving van voorbeelden die [appellant] in het kader van bejegening heeft genoemd, leidt het hof geen onheuse bejegening jegens [appellant] af. Bijvoorbeeld op de vraag van [appellant] aan een oud-leerling of [naam 1] haar lokaal kwam binnenlopen bij het eindexamen Duits, heeft deze oud-leerling geantwoord dat [naam 1] dat niet alleen deed bij Duits, maar ook bij elk ander examen. Dit duidt dus niet op (gerichte) pesterijen van [naam 1] jegens [appellant] .

[appellant] verwijt de [school] de melding niet te hebben aangemerkt als officiële klacht. Uit de transcriptie van het gesprek tussen [appellant] en [naam 1] op 27 juni 2022, blijkt echter dat [naam 1] niet overtuigd was van moedwillig pesten door [naam 3] en dat zij daarom geen officiële melding wilde doen. Zij heeft [appellant] erop gewezen dat als zij daarvan wel overtuigd was, zij dat moest aankaarten ‘op Zaam niveau’. Dat [appellant] op dat moment al juridische ondersteuning had zoals Zaam op de zitting in hoger beroep heeft toegelicht, heeft [appellant] niet betwist. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat zij zelf verdere actie had ondernomen als zij een formele klacht had willen indienen.

Uit de transcripties van de telefoongesprekken van 27 juni en 7 juli 2022 blijkt verder dat [naam 1] het [appellant] kwalijk nam dat zij op dat moment niet kon bevestigen op 1 augustus 2022 deeltijdontslag te zullen nemen en dat [naam 1] daarop bleef aandringen. Dat had [naam 1] gezien de arbeidsongeschiktheid van [appellant] op dat moment beter kunnen nalaten, hoewel het hof begrijpt dat de [school] met het probleem zat dat op verzoek van [appellant] een nieuwe leraar Duits was aangenomen die zonder het deeltijdontslag niet in de formatie paste en dat zonder duidelijkheid geen rooster voor het nieuwe schooljaar kon worden gemaakt. Tegen deze achtergrond en het feit dat de [school] op 6 september 2022 (zie bij de feiten onder 3.18) alsnog bevestigde niet meer over deeltijdontslag te zullen spreken gedurende het ziekteverlof van [appellant] , acht het hof het eerdere aandringen op deeltijdontslag niet ernstig verwijtbaar.

Op 13 juli 2022 heeft de bedrijfsarts aan De [school] teruggekoppeld dat partijen al dan niet met behulp van een derde in gesprek dienen te gaan (zie bij de feiten onder 3.16), waarop [appellant] direct is uitgenodigd voor een gesprek onder aanwezigheid van de bovenbouwcoördinator dan wel de zorgcoördinator en tevens vertrouwenspersoon (zie bij de feiten onder 3.17). Indien daarmee voor [appellant] op dat moment onvoldoende gevolg werd gegeven aan het advies van de bedrijfsarts, had zij dat kenbaar moeten maken. Dat kon in redelijkheid van haar verwacht worden mede gezien het feit dat zij op dat moment juridische bijstand had.

Op 6 september 2022 en op 31 oktober 2022 (zie bij de feiten onder 3.18 en 3.20) hebben partijen vervolgens (re-integratie)afspraken gemaakt. Dat [appellant] niet tevreden was met deze afspraken, is niet gesteld of gebleken. Vervolgens is [appellant] op basis van deze afspraken begonnen met re-integreren op de [B-straat] .

Dat het aan de [school] is te wijten dat [appellant] vervolgens vlak daarna opnieuw is uitgevallen, is onvoldoende onderbouwd. Naar aanleiding van het aanbod van een collega om bij te springen indien nodig en een opmerking van een leerling, heeft [appellant] zelf de conclusie getrokken dat anderen haar wijze van lesgeven bekritiseerden en dat [naam 1] over haar had gesproken (zie bij de feiten onder 3.22). Dat over [appellant] zou zijn gesproken, heeft Zaam betwist. Dat [appellant] van haar gevoel melding heeft gemaakt bij de [school] , is niet gesteld of gebleken. De [school] was er ook niet van op de hoogte dat [appellant] pesterijen en negatieve uitlatingen van collega’s meldde aan de bedrijfsarts (zie bij de feiten onder 3.23 en 3.24). De [school] kreeg van de bedrijfsarts slechts teruggekoppeld dat het oppakken van de werkzaamheden niet goed ging, [appellant] een toename van gezondheidsklachten ontwikkelde en opnieuw was uitgevallen (zie bij de feiten onder 3.23).

Op 5 december 2022 heeft de bedrijfsarts aan de [school] teruggekoppeld dat er sprake is van een arbeidsconflict en dat het verstandig kan zijn met een externe derde erbij nogmaals met elkaar in gesprek te gaan. Daarop heeft de [school] een gesprek geïnitieerd tussen [naam 13] en [appellant] in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon van Zaam. In dat gesprek is [appellant] begonnen over mediation. [naam 13] heeft toen gezegd dat hij het nut niet inzag van mediation, omdat de twee personen met wie [appellant] problemen had gehad op dat moment niet in beeld waren: [naam 3] werkte op een andere locatie en [naam 1] was inmiddels ziek uitgevallen. Dat het conflict voor [appellant] niet alleen speelde met [naam 1] en [naam 3] en dat zij het gevoel had dat haar functioneren werd bekritiseerd, was op dat moment niet kenbaar voor de [school] . In dat licht acht het hof de reactie van [naam 13] vanuit praktisch oogpunt niet onbegrijpelijk.

Op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat [naam 13] geen mediation wilde en van haar af wilde, hetgeen Zaam op de zitting heeft betwist. In het medisch dossier van april 2023 staat dat de werkgever geen mediation wil overwegen, maar dat is niet teruggekoppeld aan de [school] en/of Zaam en ook [appellant] zelf is richting Zaam niet meer teruggekomen op mediation terwijl ze wel juridisch werd bijgestaan. Los daarvan was [naam 1] op dat moment al overleden en [appellant] verhuisd naar Duitsland.

De bedrijfsarts heeft in januari en maart 2023 teruggekoppeld dat het matig ging met [appellant] en dat zij niet kon werken. In april 2023 is teruggekoppeld dat het niet goed ging, dat [appellant] uitgebreid werd behandeld en dat het wachten was op het effect van de behandeling. In mei 2023 heeft de bedrijfsarts in overleg met de psycholoog geconstateerd dat terugkeer binnen Zaam geen optie meer was (zie bij de feiten onder 3.32 en 3.33).

[appellant] verwijt de [school] geen initiatief te hebben genomen om zich beter te laten informeren over haar gezondheid. Welke (re-integratie) inspanningen met meer kennis over haar gezondheid gegeven voornoemde omstandigheden van de [school] hadden mogen worden verwacht, ook gedurende het tweede ziektejaar, heeft [appellant] niet toegelicht. Van ernstig verwijtbaar handelen is in elk geval geen sprake.

Slotsom

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen van Zaam, zodat [appellant] ook in hoger beroep geen aanspraak heeft op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW. [appellant] heeft geen bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden. De grieven falen. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en [appellant] veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Zaam vastgesteld op € 3.431,00 (€ 851,00 aan griffierecht en twee maal € 1.290,00 aan advocaatkosten);

verklaart deze beschikking ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.L.D. Akkaya, A.L. Bervoets en R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand