GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.364.810/01
zaaknummer rechtbank: C/15/351338 / FA RK 24-1833
beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B.N. Voogd te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te Spanje,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. R. Engwegen te Echt.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorg- en vakantieregeling voor [minderjarige 1] (4 jaar) met de vader, het videobelcontact tussen hen en de verdeling van reiskosten die door de vader zijn gemaakt. De rechtbank heeft een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader één weekend per maand in Nederland omgang heeft met [minderjarige 1] en een vakantieregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] tijdens verschillende vakanties periodes met de vader verblijft, afwisselend in Nederland en bij de vader in Spanje. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige 1] en de vader wekelijks op maandag en zaterdag met elkaar videobellen. Verder heeft de rechtbank beslist dat de moeder een bedrag wegens door de vader gemaakte reiskosten aan hem moet voldoen. De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij vindt dat de zorg- en vakantieregeling en de regeling met betrekking tot het videobelcontact moeten worden aangepast. Ook vindt zij dat de gemaakte reiskosten voor rekening van de vader moeten komen. De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank over het videobelcontact en de reiskosten. Hij is het niet eens met de vastgestelde vakantieregeling ten aanzien van de herfst- en voorjaarsvakantie.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 10 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 14 [maand] 2025, hersteld bij beschikking van 13 januari 2026, (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
De vader heeft op 2 april 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De moeder heeft op 21 mei 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
De zitting heeft op 3 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en
- de vader (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat en door R.A. Caicedo-Larrea, tolk Spaans.
De raad was, met bericht van afmelding, niet bij de zitting aanwezig.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2022 te [plaats B] (Spanje).
De ouders hebben tot september 2022 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De moeder heeft nog een minderjarige zoon: [minderjarige 2] , geboren [in] 2024 te [plaats C] .
De ouders hebben in Spanje, met behulp van een advocaat, afspraken gemaakt in de vorm van een ouderschapsplan, gedateerd 15 september 2022. Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zijn zij overeengekomen dat de vader de zorg draagt voor [minderjarige 1] gedurende één weekend per maand van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij hij [minderjarige 1] bij de moeder thuis ophaalt. De vader moet ten minste 15 kalenderdagen voor de dag waarop hij van plan is naar Nederland af te reizen het weekend bespreken met de moeder. In geval van onenigheid tussen de ouders wordt dit het tweede weekend van iedere maand. Ook is afgesproken dat [minderjarige 1] niet bij de vader zal overnachten.
De ouders zijn in het ouderschapsplan ten aanzien van de vakanties het volgende overeengekomen:
- zomervakantie. [minderjarige 1] verblijft drie aaneengesloten weken bij de vader, waarbij de vakantieweken vóór 31 januari van ieder jaar worden afgesproken. Bij onenigheid mag de moeder in de even jaren kiezen en de vader in de oneven jaren, waarbij dat vóór 15 februari dient te zijn doorgegeven;
- kerstvakantie. Ieder jaar wordt de kerstvakantie afgewisseld en verblijft [minderjarige 1] bij die ouder;
- de Goede Week. Nederland kent tijdens de Goede Week geen feestdagen. Wel mag de vader paasmaandag en het daaraan voorafgaande weekend met [minderjarige 1] doorbrengen. Deze dagen worden afwisselend in Nederland en in Spanje doorgebracht, om te beginnen in Spanje;
- verjaardagen en familiefeesten. Als de vader in Nederland verblijft, mag [minderjarige 1] bij hem verblijven op haar verjaardag gedurende een redelijke tijdspanne.
Ook zijn de ouders, naast de hierboven beschreven vakanties, overeengekomen dat de moeder
[minderjarige 1] naar de woonplaats van de vader zal brengen om bij hem thuis te logeren, met het recht om daar ten minste twee keer per jaar tijdens de schoolvakanties van [minderjarige 1] te overnachten voor de duur van ten minste twee dagen per keer. Als [minderjarige 1] tien jaar is zal zij
zelf naar Spanje reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen. Ook zijn
de ouders overeengekomen dat rekening moet worden gehouden met de Nederlandse schoolkalender zodra [minderjarige 1] naar school gaat.
Daarnaast zijn de ouders in het ouderschapsplan, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:
- Beide ouders kunnen vrijelijk telefonisch, via internet of op welke andere gewenste wijze dan ook met [minderjarige 1] communiceren, mits haar rusttijden en normale dagelijkse levensverloop gerespecteerd worden;
- Alle reiskosten van de vader, de moeder en [minderjarige 1] naar Nederland en Spanje, die gemaakt worden ter naleving van de overeenkomst, zijn 50/50 voor rekening van beide ouders; de ouder dient het hem/haar toekomende en niet betaalde kostenbedrag over te maken op de rekening van de ouder die de kosten heeft gemaakt binnen 15 dagen nadat hij/zij van die uitgave in kennis is gesteld.
De voorzieningenrechter heeft bij mondelinge uitspraak in kort geding van 4 juli 2024 de moeder veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan een regeling voor de zomervakantie van 2024, waarbij [minderjarige 1] zonder haar aanwezigheid vanaf 8 juli 2024 een week aaneengesloten bij de vader in [plaats D] , Spanje verblijft, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat zij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,-.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover hier van belang:
- de zorgregeling, zoals overeengekomen in het ouderschapsplan, als volgt gewijzigd:
de vader draagt de zorg voor [minderjarige 1] gedurende één weekend per maand van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
waarbij de moeder [minderjarige 1] naar station [station] brengt en de vader [minderjarige 1] bij station [station] ophaalt;
waarbij de vader ten minste 15 kalenderdagen voor de dag waarop hij van plan is naar Nederland af te reizen het weekend bespreekt met de moeder;
waarbij de ouders hebben afgesproken dat, in geval van onenigheid tussen hen, dit het tweede weekend van iedere maand wordt;
- bepaald dat [minderjarige 1] wekelijks op maandag om 17.00 uur en op zaterdag om 10.00 uur contact heeft met de vader middels videoverbinding;
- de vakantie- en feestdagenregeling, zoals overeengekomen in het ouderschapsplan, als volgt gewijzigd:
zomervakantie. [minderjarige 1] verblijft drie aaneengesloten weken bij de vader;
kerstvakantie. Ieder jaar wordt de kerstvakantie afgewisseld en verblijft [minderjarige 1] bij die ouder;
de Goede Week. De Goede Week is geen feestdag in Nederland. Wel mag de vader paasmaandag en het daaraan voorafgaande weekend met [minderjarige 1] doorbrengen. Deze dagen worden afwisselend in Nederland en in Spanje (toevoeging hof: doorgebracht), om te beginnen in Spanje;
verjaardagen en familiefeesten. Als de vader in Nederland verblijft, mag [minderjarige 1] bij de vader verblijven op haar verjaardag gedurende een redelijke tijdspanne;
extra verblijf in Spanje. [minderjarige 1] verblijft in de even jaren vier aaneengesloten dagen tijdens de voorjaarsvakantie bij de vader in Spanje en in de oneven jaren vier aaneengesloten dagen tijdens de herfstvakantie bij de vader in Spanje, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de woonplaats van de vader zal brengen om bij hem thuis te logeren. Als [minderjarige 1] tien jaar is zal zij zelf naar Spanje reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen;
- bepaald dat alle reiskosten die in het kader van de zorgregeling worden gemaakt – zowel de helft van de reiskosten van [minderjarige 1] als de helft van de reiskosten van de vader – bij helfte worden verdeeld tussen de ouders;
- bepaald dat de moeder met betrekking tot de al gemaakte reiskosten een bedrag van € 534,48 aan de vader dient te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van de beschikking.
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en uitvoerbaar bij voorraad:
- de zorg- en vakantieregeling te wijzigen, in die zin dat de omgang er als volgt uitziet:
o in de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige 1] ieder jaar de eerste vier dagen bij de vader in Spanje;
o in de paasvakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren van Goede Vrijdag tot en met tweede paasdag bij de vader in Spanje en in de oneven jaren verblijft zij de paasdagen bij de moeder in Nederland;
o in de meivakantie verblijft [minderjarige 1] in even jaren bij de moeder in Nederland en in de oneven jaren verblijft zij vijf dagen bij de vader in Spanje, waarbij [minderjarige 1] uiterlijk op de vrijdag voorafgaand aan de eerste schooldag terugkeert naar Nederland;
o in de zomervakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder in Nederland en verblijft zij de laatste drie weken bij de vader in Spanje, waarbij [minderjarige 1] uiterlijk op de vrijdag voorafgaand aan het einde van de zomervakantie terugkeert naar Nederland en vice versa in de oneven jaren;
o in de herfstvakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste vijf dagen bij de vader in Spanje, waarbij zij op vrijdag terugkeert naar Nederland. In de oneven jaren verblijft [minderjarige 1] in de herfstvakantie bij de moeder in Nederland;
o tijdens het lange weekend [feestdag] ( [maand] ) is [minderjarige 1] in de oneven jaren drie dagen met de vader in Nederland;
o in de kerstvakantie verblijft [minderjarige 1] in de even jaren de eerste week bij de vader in Spanje en de tweede week bij de moeder in Nederland en vice versa;
o tot het moment waarop [minderjarige 1] de leeftijd van acht jaar bereikt, kan de vader per kalenderjaar vijf dagen bijzonder verzorgend verlof opnemen, gedurende welke periode [minderjarige 1] bij de vader in Spanje verblijft. Deze dagen dienen minimaal vier weken van tevoren te worden afgestemd met de moeder;
- te bepalen dat [minderjarige 1] een videobelmoment met de vader heeft op zaterdag om 09.00 uur, tenzij zij op grond van de vakantieregeling bij de moeder verblijft;
- naar het hof begrijpt, het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van € 534,48 voor de al door de vader gemaakte reiskosten, af te wijzen.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking in zoverre te bekrachtigen.
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep, met in zoverre vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
- te bepalen dat [minderjarige 1] in de even jaren tijdens de herfstvakantie vier aaneengesloten dagen bij de vader in Spanje verblijft en dat zij in de oneven jaren tijdens de voorjaarsvakantie vier aaneengesloten dagen bij de vader in Spanje verblijft, waarbij de moeder [minderjarige 1] naar de woonplaats van de vader brengt om bij hem thuis te logeren en dat vanaf het moment dat [minderjarige 1] tien jaar is, zij zelf naar Spanje zal reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen;
- of een beslissing te nemen die het hof juist acht.
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken om te bepalen dat de moeder [minderjarige 1] tijdens de herfst- en voorjaarsvakantie naar de woonplaats van de vader brengt en te bepalen dat [minderjarige 1] vanaf de leeftijd van tien jaar zelfstandig naar Spanje reist en zijn verzoeken voor het overige af te wijzen, althans de verzoeken van de vader af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over de verzoeken van de ouders. Nu tegen het oordeel van de rechtbank dat op deze verzoeken naar Nederlands recht wordt beslist niet is gegriefd, zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.
Gelet op de inhoud en de onderlinge samenhang van de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep die betrekking hebben op de zorg- en vakantieregeling, zal het hof deze grieven gezamenlijk behandelen en beoordelen.
De zorg- en vakantieregeling
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De standpunten
In principaal en incidenteel hoger beroep
De moeder stelt dat de zorg- en vakantieregeling zoals vastgesteld door de rechtbank moeten worden gewijzigd. De omstandigheden zijn gewijzigd sinds het ouderschapsplan. Zo is sprake van tijdsverloop, zijn de ouders reeds in onderling overleg van het ouderschapsplan afgeweken omdat het niet volstond, heeft de vader sindsdien zelfstandige woonruimte, heeft de moeder [minderjarige 2] gekregen, zijn de vliegkosten gestegen en is [minderjarige 1] begonnen met school. Er is geen grond om de vraag of sprake is van gewijzigde omstandigheden bij moeders verzoek anders te beoordelen dan bij vaders verzoek, zoals de rechtbank heeft gedaan.
Bij [minderjarige 1] bestaat onvoldoende draagvlak voor de huidige omgang. De reguliere zorgregeling, waarbij [minderjarige 1] maandelijks omgang heeft met de vader in Nederland, moet komen te vervallen. Dat contact vindt plaats in een hotel in [station] en dat is geen geschikte zorgomgeving. Daarnaast is de weekendregeling te veel voor [minderjarige 1] , vooral in combinatie met andere contactmomenten die er dicht op vallen. Zo kunnen de voorjaars- en herfstvakantie nu dicht op een regulier omgangsweekend vallen. Een wisseling van deze vakanties, zoals de vader voorstelt, biedt daarvoor geen uitkomst omdat het probleem dan verschuift. Het reizen vormt al een zware belasting voor [minderjarige 1] en als daarnaast ook snel weer omgangsweekenden plaatsvinden kan zij niet tot rust komen. Na de bezoeken aan de vader is [minderjarige 1] ontregeld; zij heeft dan lichamelijke klachten en zij laat een negatieve gedragsverandering zien, die lang kan voortduren. De omgang trekt ook een zware wissel op de rest van het gezin. Na terugkeer wordt [minderjarige 1] ’s nachts vaak wakker, waardoor de moeder en [minderjarige 2] ook wakker worden. Dat leidt tot uitputting. Ook is [minderjarige 1] na haar terugkeer uit Spanje vaak niet in staat om naar de kinderopvang te gaan, waardoor de moeder of haar ouders dat moeten opvangen. Het is dan ook van belang dat de contactmomenten minder frequent plaatsvinden en langer zijn in duur. Zo zullen de vliegkosten, waar de moeder nu veel geld aan kwijt is, ook lager worden.
Volgens de vader moeten de zorg- en vakantieregeling niet worden gewijzigd conform moeders verzoek. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden die de door de moeder verzochte beperking van de zorg- en vakantieregeling rechtvaardigt. De ouders hebben destijds bewust gekozen voor de huidige situatie en zij hebben bij het opstellen van het ouderschapsplan oog gehad voor de gevolgen daarvan. Ten aanzien van vaders verzoek is dat anders; daarbij is wel sprake van gewijzigde omstandigheden, aangezien de moeder de afspraak rondom de extra verblijven onvoldoende nakomt en de regeling op dat punt discussie tussen de ouders veroorzaakt.
Daarbij zijn moeders bezwaren tegen de zorg- en vakantieregeling niet aan de orde. Het verblijf in het hotel is juist ingericht op de situatie en [minderjarige 1] is gewend aan de omgeving daar. Daarnaast wordt [minderjarige 1] niet onevenredig belast door de reisbewegingen; de ouders kunnen haar daarin begeleiden en zij is daaraan gewend. De vader deelt moeders zorgen over het welzijn van [minderjarige 1] niet. Bovendien is het volgens de raad in een situatie als deze normaal dat een kind een gedragsverandering laat zien na een omgangsbezoek. Daarbij ziet [minderjarige 1] ’s lerares geen zorgelijk gedrag. Verder is de vader bereid om, als de situatie zich voordoet dat [minderjarige 1] in korte tijd meerdere keren naar Spanje moet reizen, in overleg met de moeder naar een oplossing te zoeken en wat te schuiven in de regeling. Wat betreft de reiskosten geldt ook dat de ouders bewust voor de situatie hebben gekozen en daarbij is de moeder financieel in staat om die kosten te dragen. De (gestegen) vliegkosten zijn dan ook geen reden om de zorgregeling in frequentie te beperken. Het is voor een goede relatie tussen de vader en [minderjarige 1] van belang dat regelmatig contact plaatsvindt en de omgang moet dan ook doorgaan, zowel in de weekenden als tijdens de vakanties. Wel moet de regeling ten aanzien van de voorjaars- en herfstvakantie worden gewijzigd, in die zin dat vakanties worden omgewisseld, zodat de bezoeken meer gespreid plaatsvinden.
De beoordeling door het hof
Voor zover de moeder stelt dat de rechtbank haar in eerste aanleg gewijzigde verzoek ten onrechte niet in behandeling heeft genomen, overweegt het hof als volgt. Het hoger beroep dient mede om eventuele fouten uit de procedure bij de rechtbank te herstellen. De moeder heeft in hoger beroep de gelegenheid gekregen om haar (gewijzigde) verzoek en haar nadere standpunt naar voren te brengen, waardoor reeds om die reden het in haar grief naar voren gebrachte bezwaar geen verdere bespreking meer behoeft.
Uit de stukken en wat is besproken op de zitting is het volgende gebleken. De ouders hebben in 2018 een relatie gekregen en zijn in juli 2019 gaan samenwonen in Spanje. In mei 2022 is [minderjarige 1] geboren. De ouders en [minderjarige 1] hebben een aantal maanden in gezinsverband gewoond in Spanje. Vervolgens zijn zij rond juli/augustus 2022 naar Nederland gegaan, met de bedoeling om zich daar enige tijd te vestigen. De vader is echter na korte tijd weer naar Spanje terug verhuisd. De moeder en [minderjarige 1] zijn, met toestemming van de vader, in Nederland blijven wonen. In september 2022 is de relatie van de ouders beëindigd. De ouders zijn toen een zorg- en vakantieregeling overeengekomen in een ouderschapsplan, inhoudende dat [minderjarige 1] en de vader regelmatig contact hebben (afwisselend in Nederland en Spanje). De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de zorg- en vakantieregeling op bepaalde punten gewijzigd, waarbij er nog altijd regelmatig contact tussen de vader en [minderjarige 1] is. De vader komt één weekend per maand naar Nederland voor omgang met [minderjarige 1] en daarnaast gaat [minderjarige 1] tijdens verschillende vakanties naar de vader in Spanje, waarbij de vader haar in Nederland ophaalt en zij samen vliegen, met uitzondering van de voorjaars- en herfstvakantie, dan regelt de moeder het brengen. In [maand] 2024 is [minderjarige 2] geboren. De moeder woont samen met [minderjarige 2] en [minderjarige 1] naast haar ouders, die ook regelmatig op de kinderen passen. De familie van de vader ziet [minderjarige 1] ook met enige regelmaat. Sinds mei 2026 gaat [minderjarige 1] naar de basisschool. Sinds kort krijgt de moeder integrale gezinshulp. De ouders staan op de wachtlijst voor scheidingshulp.
Het hof is van oordeel dat sinds de ouders in het ouderschapsplan afspraken hebben gemaakt over de zorgregeling sprake is van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de zorg- en vakantieregeling opnieuw dienen te worden beoordeeld. Het hof acht daarbij van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat de huidige situatie onrustig is voor [minderjarige 1] en de moeder, hetgeen bij 5.9 nader wordt toegelicht. Daarnaast is [minderjarige 2] geboren en is [minderjarige 1] begonnen met school.
Naar het oordeel van het hof is de door de ouders getroffen zorg- en vakantieregeling op na te noemen punten niet (langer) haalbaar. Die regeling brengt in bepaalde periodes vele wisselmomenten in korte tijd met zich en is, evenals de regeling zoals vastgesteld door de rechtbank, te onrustig voor [minderjarige 1] . Bij de rechtbank heeft de raad verklaard dat de reactie die [minderjarige 1] vertoont na een verblijf in Spanje is aan te merken als een begrijpelijke en normale reactie voor een kind van haar leeftijd. Ook het hof acht het begrijpelijk dat een kind gedragsverandering laat zien in een situatie als deze, waarin sprake is van een internationale zorgregeling, hetgeen veel vraagt van een kind in de leeftijd van [minderjarige 1] . Dat neemt niet weg dat het hof het in het belang van [minderjarige 1] nodig vindt om een evenwichtigere verdeling van de zorgregeling te bepalen en iets meer rust in te bouwen. Het hof ziet dat er nu onvoldoende continuïteit zit in de omgang; het kan voorkomen dat contactmomenten dicht op elkaar vallen. Op die momenten heeft [minderjarige 1] weinig tijd om te acclimatiseren en tot rust te komen, omdat zij dan vlak nadat zij naar Spanje is gereisd binnen korte tijd het weekend met de vader in een hotel in [station] verblijft, wat niet haar dagelijkse omgeving is. Daarbij komt dat voor het hof aannemelijk is geworden dat op dit moment onvoldoende draagkracht bij de moeder bestaat voor de huidige situatie. Zij maakt zich zorgen over [minderjarige 1] en heeft daar last van. Dat heeft ook zijn weerslag op [minderjarige 1] , die dicht bij de moeder staat. Wel acht het hof het belangrijk dat de vader en [minderjarige 1] met grote regelmaat contact hebben en voldoende tijd samen hebben, zoals de raad in eerste aanleg ook heeft benoemd. Bij de door de moeder voorgestelde regeling is dat onvoldoende het geval. Het hof zal een regeling vaststellen waarbij er iedere maand omgang is, ofwel in het weekend ofwel tijdens vakanties.
Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de ouders het eens zijn over een verdeling van de zomervakantie waarbij [minderjarige 1] de eerste drie weken aaneengesloten bij de vader verblijft en daarna drie weken aaneengesloten bij de moeder. Het hof zal dat dan ook op die manier vastleggen.
Met betrekking tot de overige vakanties zal het hof zoveel mogelijk aansluiten bij de regeling uit het ouderschapsplan, maar waar nodig de regeling aanpassen zodat er elke maand (voldoende) omgang is tussen de vader en [minderjarige 1] . Het hof zal ook in mei een vakantie vaststellen. Ter zitting heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij tijdens de meivakantie in de gelegenheid is om vrij te nemen. Wat betreft de kerstvakantie zal het hof bepalen dat [minderjarige 1] met iedere ouder één week doorbrengt in plaats van om het jaar twee weken, zodat de omgang meer gespreid is over het jaar. In de maanden zonder vakantie blijft de weekendregeling doorlopen. Het hof zal verder de bezoeken in de herfst- en voorjaarsvakantie omwisselen. Er zullen nu geen omgangsweekenden dicht op de vakanties bij de vader in Spanje vallen en een wisseling sluit zoveel mogelijk aan bij de verzoeken van beide ouders.
Verder zal het hof bepalen dat de vakanties, met uitzondering van de zomervakantie, één week zullen duren. Dat geeft de vader en [minderjarige 1] voldoende tijd samen. Wel moet [minderjarige 1] na een vakantie ruim op tijd weer terug zijn voor school, uiterlijk een etmaal voorafgaand aan de start van de schoolweek, zodat zij de mogelijkheid heeft om weer tot rust te komen voordat zij met school begint.
Met betrekking tot het verweer van de moeder om de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep om te bepalen dat de moeder [minderjarige 1] in de voorjaars- en herfstvakantie naar de vader brengt en [minderjarige 1] vanaf het moment dat zij tien jaar is zelf naar Spanje zal reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen overweegt het hof als volgt. Uit de door de ouders gewisselde stukken in de procedure bij de rechtbank blijkt niet dat zij het over deze onderwerpen hebben gehad. De vader heeft op deze punten ook geen verzoeken gedaan. Niettemin heeft de rechtbank daarover in de bestreden beschikking beslist als vermeld in 6.3 (laatste gedachtestreepje) van het dictum. De vader heeft in zijn incidenteel appel bedoeld – zo begrijpt het hof – te verzoeken die beslissing nog eens te bevestigen. Met betrekking tot het brengen naar Spanje, had het op de weg van de moeder gelegen op te komen tegen de beslissing van de rechtbank als zij het daarmee niet eens is. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft niet erover geklaagd dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd van de ouders is getreden. Evenmin heeft zij inhoudelijke bezwaren tegen de beslissing naar voren gebracht. Bij die stand van zaken zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen, met dien verstande dat de verplichting tot brengen zal gelden voor de voorjaars- en herfstvakantie. Met betrekking tot het zelf reizen van [minderjarige 1] naar Spanje vanaf het moment dat zij tien jaar is, heeft de moeder het verweer gevoerd dat een dergelijk verzoek prematuur is: [minderjarige 1] is vier jaar oud en op dit moment valt niet te voorzien wat de omstandigheden zullen zijn als zij tien jaar oud is. Op zichzelf heeft de moeder gelijk, maar het zijn de ouders zelf die op dit punt reeds in het ouderschapsplan een regeling hebben getroffen. Er staat: ‘Vanaf de leeftijd van 10 jaar mag de minderjarige naar Spanje reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen, als beide ouders daar toestemming voor geven’. De moeder heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom de door de ouders overeengekomen regeling in zoverre aangepast zou moeten worden. Nu de vader op zijn beurt niet heeft toegelicht waarom de tekst in het ouderschapsplan aangescherpt zou moeten worden door het weglaten van de toevoeging ‘als beide ouders daar toestemming voor geven’ zal het hof die toevoeging uit het ouderschapsplan in stand laten.
Het hof overweegt verder dat voor een goede uitvoering van de zorg- en vakantieregeling nodig is dat de ouders met elkaar (blijven) communiceren. Hoewel de communicatie tussen de ouders door de omgangsprocedure soms moeizaam verloopt, lukt het hen wel om in het belang van [minderjarige 1] uitvoering te geven aan de zorgregeling en daarover met elkaar te overleggen. De ouders zullen met elkaar nader moeten afstemmen in welk weekend van de maand de omgang zal plaatsvinden, voor zover de door het hof vast te stellen zorg- en vakantieregeling daarin niet voorzien. Het is ook aan de ouders om te zorgen dat de omgang zoveel mogelijk gespreid over het jaar plaatsvindt en de continuïteit voor [minderjarige 1] wordt gewaarborgd. Verder zal [minderjarige 1] zich de komende jaren verder ontwikkelen en zal haar leven veranderen, waarmee bij de omgang rekening moet worden gehouden. Ook met het oog op de toekomst is het daarom van belang dat de ouders zich blijven inspannen voor een goede communicatie tussen hen.
Een en ander leidt tot de hierna te noemen zorg- en vakantieregeling. Gezien de leesbaarheid worden de regelingen gezamenlijk besproken en per maand uitgesplitst. De zorg- en vakantieregeling ziet er dan als volgt uit:
- [minderjarige 1] verblijft met de vader op de volgende momenten:
januari: in de even jaren gedurende de tweede week van de kerstvakantie van het voorgaande jaar en in de oneven jaren gedurende één weekend, waarbij geldt dat het weekend zo laat mogelijk in januari plaatsvindt;
februari: in de even jaren gedurende één weekend en in de oneven jaren gedurende één week tijdens de voorjaarsvakantie;
o maart en april: in de even en oneven jaren gedurende één weekend in maart of april, waarbij het weekend plaatsvindt in de maand waarin Pasen niet valt. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] tijdens Pasen van Goede Vrijdag tot en met tweede paasdag bij de vader, welke dagen afwisselend in Nederland en in Spanje worden doorgebracht;
mei: in de even en oneven jaren gedurende één week tijdens de meivakantie. Indien de meivakantie te dicht op Pasen/het omgangsweekend in april valt, stemmen de ouders in onderling overleg af hoe zij die omgangsmomenten meer gespreid kunnen laten plaatsvinden zodat deze evenredig verdeeld zijn over de maanden en er iedere maand omgang is. Dat kan ook betekenen dat indien de meivakantie grotendeels in april valt, het reguliere omgangsweekend in mei plaatsvindt;
juni: in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
o juli en augustus: in de even en oneven jaren tijdens de zomervakantie gedurende de eerste drie weken aaneengesloten. De resterende drie weken verblijft [minderjarige 1] bij de moeder. Daarnaast verblijft zij in augustus 2027 gedurende één weekend bij de vader, na afloop van moeders vakantie, waarbij geldt dat indien het nieuwe schooljaar direct na de vakantie van de moeder valt, het weekend met de vader plaatsvindt in de week nadat [minderjarige 1] weer naar school is gegaan (in de opvolgende jaren 2028, 2029 en 2030 valt de zomervakantie zo laat dat een opvolgend regulier weekend bij de vader niet mogelijk is);
september: in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
oktober: in de even jaren gedurende één week tijdens de herfstvakantie en in de oneven jaren gedurende één weekend;
[maand] : in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
december: in de even jaren tijdens de eerste week van de kerstvakantie. In de oneven jaren gedurende één weekend (de tweede week van de kerstvakantie vindt in de oneven jaren in januari van het volgende jaar plaats);
verjaardagen en familiefeesten: als de vader in Nederland verblijft mag [minderjarige 1] bij hem zijn op haar verjaardag gedurende een redelijke tijdspanne;
- voor de reguliere omgangsmomenten geldt het volgende:
de moeder brengt [minderjarige 1] naar station [station] en de vader haalt haar daar op;
de vader bespreekt ten minste 15 kalenderdagen voor de dag waarop hij van plan is naar Nederland af te reizen het weekend met de moeder;
in geval van onenigheid tussen de ouders vindt de omgang plaats in het tweede weekend van de maand (tenzij hiervoor anders is aangegeven);
- de vakanties met de vader vinden plaats bij hem in Spanje, tenzij hiervoor anders is aangegeven of indien de vader met [minderjarige 1] buiten Nederland en Spanje op vakantie gaat.
Bij de vakanties die één week duren geldt dat [minderjarige 1] , indien zij de maandag na de vakantie weer naar school moet, zij ruim op tijd, tenminste een etmaal voor de eerste schooldag, terugkeert naar de moeder.
Ten aanzien van de voorjaars- en herfstvakantie geldt dat de moeder [minderjarige 1] naar de woonplaats van de vader zal brengen om bij hem thuis te logeren. Als [minderjarige 1] tien jaar is zal zij zelf naar Spanje reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen, als beide ouders daar toestemming voor geven.
Reiskosten
Met betrekking tot de door de vader gevorderde reiskosten overweegt het hof als volgt. De ouders zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de reiskosten die in het kader van de zorgregeling worden gemaakt bij helfte worden gedeeld tussen de ouders. De moeder heeft aangevoerd dat de reiskosten voor het verblijf van [minderjarige 1] bij de vader tijdens de zomer van 2024 niet in het kader van de zorgregeling zijn gemaakt, omdat dit verblijf daarbuiten viel. Het hof volgt de moeder hierin niet. Destijds was het nog niet gelukt om de regeling voor de zomervakantie op te starten, terwijl in het ouderschapsplan was afgesproken dat [minderjarige 1] op dat moment bij de vader zou verblijven. Het is dan ook de bedoeling van de ouders geweest dat de vader tijdens de zomervakantie tijd met [minderjarige 1] zou doorbrengen in Spanje. De moeder dient dan ook bij te dragen aan de reiskosten die in dat kader zijn gemaakt. Dat geldt ook voor de reiskosten voor het verblijf in januari 2025, nu de vader op grond van het ouderschapsplan recht had op twee extra verblijven in Spanje van ten minste twee dagen en hij daar toen gebruik van heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof is de moeder dan ook verplicht om de door de vader gemaakte reiskosten van € 534,48 aan hem te voldoen. Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.
Videobelcontact
Het hof zal het videobelcontact niet in frequentie beperken, zoals de moeder heeft verzocht. Het is in [minderjarige 1] ’s belang dat twee videobelmomenten per week plaatsvinden. [minderjarige 1] kan de vader door de afstand tussen hen minder vaak zien en het is belangrijk dat zij ook buiten de fysieke omgang voldoende contact met de vader kan onderhouden. Het hof ziet ook geen aanleiding om de videobelmomenten geen doorgang te laten vinden tijdens de vakanties van de moeder met [minderjarige 1] , zoals de moeder heeft verzocht. Ook dan is het van belang dat de vader en [minderjarige 1] met elkaar in contact blijven. Verder ziet het hof geen beletsels voor het videobelcontact dat na de omgangsweekenden kort na [minderjarige 1] ’s terugkomst bij de moeder plaatsvindt. Het hof zal wel het tijdstip van het videobelmoment op zaterdag wijzigen naar 09.30 uur. Daardoor heeft de moeder meer ruimte om het videobelcontact te organiseren in haar gezin. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat het tijdstip van 10.00 uur niet haalbaar is in combinatie met de zorg voor [minderjarige 2] , maar dat 09.00 uur wel past. De vader heeft aangevoerd dat eerder dan 10.00 uur niet mogelijk is, omdat zijn familie [minderjarige 1] ook wil zien tijdens het videobellen en dat op die tijdstippen met name voor zijn vader niet goed te realiseren is. Naar het oordeel van het hof heeft de vader onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het tijdstip van 09.30 uur niet haalbaar is. Bovendien heeft zijn familie ook de mogelijkheid om [minderjarige 1] te zien tijdens het videobelmoment op maandag om 17.00 uur.
6. De beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking met betrekking tot de zorgregeling, de verdeling van de vakanties en feestdagen en het videobelcontact, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van het door de ouders overeengekomen ouderschapsplan in zoverre, de volgende zorg- en vakantieregeling:
- [minderjarige 1] verblijft met de vader op de volgende momenten:
januari: in de even jaren gedurende de tweede week van de kerstvakantie van het voorgaande jaar en in de oneven jaren gedurende één weekend, waarbij geldt dat het weekend zo laat mogelijk in januari plaatsvindt;
februari: in de even jaren gedurende één weekend en in de oneven jaren gedurende één week tijdens de voorjaarsvakantie;
o maart en april: in de even en oneven jaren gedurende één weekend in maart of april, waarbij het weekend plaatsvindt in de maand waarin Pasen niet valt. Daarnaast verblijft [minderjarige 1] tijdens Pasen van Goede Vrijdag tot en met tweede paasdag bij de vader, welke dagen afwisselend in Nederland en in Spanje worden doorgebracht;
mei: in de even en oneven jaren gedurende één week tijdens de meivakantie. Indien de meivakantie te dicht op Pasen/het omgangsweekend in april valt, stemmen de ouders in onderling overleg af hoe zij die omgangsmomenten meer gespreid kunnen laten plaatsvinden zodat deze evenredig verdeeld zijn over de maanden en er iedere maand omgang is. Dat kan ook betekenen dat indien de meivakantie grotendeels in april valt, het reguliere omgangsweekend in mei plaatsvindt;
juni: in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
o juli en augustus: in de even en oneven jaren tijdens de zomervakantie gedurende de eerste drie weken aaneengesloten. De resterende drie weken verblijft [minderjarige 1] bij de moeder. Daarnaast verblijft zij in augustus 2027 gedurende één weekend bij de vader, na afloop van moeders vakantie, waarbij geldt dat indien het nieuwe schooljaar direct na de vakantie van de moeder valt, het weekend met de vader plaatsvindt in de week nadat [minderjarige 1] weer naar school is gegaan (in de opvolgende jaren 2028, 2029 en 2030 valt de zomervakantie zo laat dat een opvolgend regulier weekend bij de vader niet mogelijk is);
september: in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
oktober: in de even jaren gedurende één week tijdens de herfstvakantie en in de oneven jaren gedurende één weekend;
[maand] : in de even en oneven jaren gedurende één weekend;
december: in de even jaren tijdens de eerste week van de kerstvakantie. In de oneven jaren gedurende één weekend (de tweede week van de kerstvakantie vindt in de oneven jaren in januari van het volgende jaar plaats);
verjaardagen en familiefeesten: als de vader in Nederland verblijft mag [minderjarige 1] bij hem zijn op haar verjaardag gedurende een redelijke tijdspanne;
- voor de reguliere omgangsmomenten geldt het volgende:
de moeder brengt [minderjarige 1] naar station [station] en de vader haalt haar daar op;
de vader bespreekt ten minste 15 kalenderdagen voor de dag waarop hij van plan is naar Nederland af te reizen het weekend met de moeder;
in geval van onenigheid tussen de ouders vindt de omgang plaats in het tweede weekend van de maand (tenzij hiervoor anders is aangegeven);
- de vakanties met de vader vinden plaats bij hem in Spanje, tenzij hiervoor anders is aangegeven of indien de vader met [minderjarige 1] buiten Nederland en Spanje op vakantie gaat.
Bij de vakanties die één week duren geldt dat [minderjarige 1] , indien zij de maandag na de vakantie weer naar school moet, zij ruim op tijd, tenminste een etmaal voor de eerste schooldag, terugkeert naar de moeder.
Ten aanzien van de voorjaars- en herfstvakantie geldt dat de moeder [minderjarige 1] naar de woonplaats van de vader zal brengen om bij hem thuis te logeren. Als [minderjarige 1] tien jaar is zal zij zelf naar Spanje reizen met de begeleidingsservice van de luchtvaartmaatschappijen, als beide ouders daar toestemming voor geven.
bepaalt dat [minderjarige 1] wekelijks op maandag om 17.00 uur en op zaterdag om 09.30 uur contact heeft met de vader via videoverbinding;
verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.T. Hoogland en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.