ECLI:NL:GHAMS:2026:2556

ECLI:NL:GHAMS:2026:2556

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 200.371.488/01 en 200.371.488/02
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

‘Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing bij de grootouders.’

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.371.488/01 (machtiging tot uithuisplaatsing) en

200.371.488/02 (schorsingsverzoek)

zaaknummer rechtbank: C/13/787630 / JE RK 26-368

beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep en het incident tot schorsing,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. S.L. Prass te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep en het incident tot schorsing,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).

Het hof heeft als informanten aangemerkt:

- [de grootouders] (hierna: de grootouders moederszijde).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1. De zaak in het kort

De zaak gaat over de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (9 maanden) bij de grootouders moederszijde noodzakelijk is.

De kinderrechter heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders moederszijde verleend. De moeder is het daar niet mee eens en verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen. Ook verzoekt de moeder de werking van de bestreden beschikking te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep. De GI is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2. De procedure in hoger beroep

De moeder is op 9 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 9 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), hersteld bij beschikking van 3 augustus 2026. Het beroepschrift bevat ook een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking (zaaknummer 200.371.488/02).

De GI heeft op 18 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.

Het hof heeft daarnaast ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 11 augustus 2026 met bijlage.

De zitting heeft op 20 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een drietal vertegenwoordigers van de GI; en

- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.

De grootouders moederszijde waren, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.

De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3. De feiten

De moeder heeft een dochter, namelijk:

- [minderjarige] , geboren [in] 2025, te [plaats B] .

De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .

Bij beschikking van 27 oktober 2025 heeft de kinderrechter de toen nog ongeboren [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling duurt tot 7 november 2026.

Bij beschikking van 27 oktober 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend om haar (als toen nog ongeboren baby) samen met de moeder uit huis te plaatsen in een moeder-kindhuis, met ingang van 7 november 2025 voor de duur van een jaar (tot 7 november 2026).

[minderjarige] verblijft sinds 28 april 2026 bij de grootouders moederszijde.

4. De omvang van het hoger beroep

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking – hersteld bij beschikking van 3 augustus 2026 – een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders moederszijde verleend tot 7 september 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.

De hoofdzaak (200.371.488/01)

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders moederszijde alsnog af te wijzen en te bepalen dat [minderjarige] onverwijld terugkeert naar de moeder, onder voortzetting van de begeleiding binnen het moeder-kindhuis, althans onder een door het hof in goede justitie te bepalen begeleidingsvorm.

De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel haar hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het verzoek tot schorsing (200.371.488/02)

De moeder verzoekt de werking van de bestreden beschikking te schorsen gedurende de procedure in hoger beroep.

De GI verzoekt, naar het hof begrijpt, het schorsingsverzoek af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing

De hoofdzaak (200.371.488/01)

Het wettelijk kader

Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

De standpunten

De moeder stelt dat er geen noodzaak bestaat om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de grootouders moederszijde, omdat de moeder aantoonbaar stappen heeft gezet om haar opvoedvaardigheden te ontwikkelen. [minderjarige] kan wat de moeder betreft weer samen met haar in het moeder-kindhuis verblijven, waar voortdurend toezicht op de veiligheid van [minderjarige] is. De moeder kan zich niet vinden in het standpunt van het moeder-kindhuis dat zij onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de moeder. Volgens de moeder moet de situatie worden beoordeeld zoals deze momenteel is, en moet er niet worden gekeken naar de zwaarste periode voor de moeder. De moeder vindt dat de beschikking niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet, omdat de kinderrechter onvoldoende heeft gemotiveerd waarom minder ingrijpende maatregelen niet toereikend waren. De moeder is van oordeel dat de kinderrechter de omstandigheid, dat de GI pas na de feitelijke uithuisplaatsing een spoedmachtiging heeft aangevraagd, had moeten betrekken bij haar belangenafweging. Ook stelt de moeder dat de beschikking innerlijk tegenstrijdig is, nu zij door de machtiging uithuisplaatsing haar plaats in het moeder-kindhuis verliest, waardoor haar de mogelijkheid wordt ontnomen om aan de verwachtingen van de rechtbank te voldoen.

De GI voert aan dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is. De GI had ten tijde van de bestreden beschikking zorgen over het handelen en de opvoedingskwaliteiten van de moeder. Deze zorgen zijn daarna blijven bestaan wegens incidenten met de moeder. De GI vindt het dan ook van belang dat [minderjarige] nog steeds uit huis wordt geplaatst bij de grootouders moederszijde. Plaatsing bij een moeder-kindhuis vindt de GI niet passend, omdat het moeder-kindhuis niet de hulp kan bieden voor een stapsgewijze uitbreiding van de omgang. Ook constateert de GI dat het traject bij het moeder-kindhuis onvoldoende heeft geleid tot een duurzame stabiele situatie. De Gl is van oordeel dat de huidige netwerkplaatsing bij de grootouders moederszijde het minst ingrijpende alternatief is dat op dit moment voldoende veiligheid biedt voor [minderjarige] . De GI acht het gelet op de behoefte van [minderjarige] aan stabiliteit en voorspelbaarheid, niet in haar belang om opnieuw van verblijfplaats te wisselen zonder voldoende zicht op de slagingskans daarvan. De GI ziet mogelijkheden voor de moeder om zich verder te ontwikkelen als opvoeder. Het is volgens de GI van belang dat de moeder de mogelijkheid krijgt toe te werken naar een uitbreiding van de omgang, zodat zij uiteindelijk de volledige zorg van [minderjarige] kan dragen.

Het hof gaat in de beoordeling verder in op deze en andere argumenten van de partijen.

Het advies van de raad

De raad heeft op de zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad constateert dat de moeder [minderjarige] de stabiliteit niet kon bieden, terwijl [minderjarige] een opvoeder nodig heeft die voor haar zorgt en altijd beschikbaar voor haar is. In de levensfase en de ontwikkeling waarin [minderjarige] zich bevindt, is basisveiligheid erg belangrijk. De raad twijfelt niet aan de liefde van de moeder voor [minderjarige] , maar vindt dat de moeder als opvoeder nog dingen kan leren. De raad vindt het belangrijk dat er zo veel mogelijk contact is tussen de moeder en [minderjarige] , zodat de moeder een bijdrage kan leveren aan de basisveiligheid van [minderjarige] . Op basis van de afgelopen maanden acht de raad de moeder onvoldoende in staat om [minderjarige] de volledige voorspelbaarheid te bieden.

De beoordeling door het hof

Het hof is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de grootouders moederszijde noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hiertoe overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. [minderjarige] heeft sinds haar geboorte samen met de moeder in het moeder-kindhuis gewoond op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing. Omdat er zorgen waren over de veiligheid van [minderjarige] bij de moeder heeft de GI op 28 april 2026 [minderjarige] uit het moeder-kindhuis geplaatst, en bij de grootouders moederzijde geplaatst. De kern van de zorgen van de GI waren (en zijn) gelegen in de impulsiviteit van de moeder, het gebrek aan inzicht in de ernst van de situaties waarin de moeder [minderjarige] en zichzelf aan blootstelt en het gebrek aan leerbaarheid van haar eerdere acties, waardoor het niet mogelijk lijkt voor de moeder om zich te houden aan de gemaakte afspraken. Het hof overweegt dat [minderjarige] , mede gezien haar jonge leeftijd, behoefte heeft aan een stabiele en veilige opvoedsituatie, waarin zij vertrouwen in haar omgeving kan ontwikkelen. De moeder is er tijdens het verblijf in het moeder-kindhuis niet in geslaagd [minderjarige] deze opvoedsituatie te bieden. Zo heeft de moeder zich niet aan de gemaakte veiligheidsafspraken gehouden, en heeft zij [minderjarige] meermaals in onveilige situaties gebracht. Het hof is, met de kinderrechter, van oordeel dat het moeder-kindhuis niet meer de passende plek voor [minderjarige] en de moeder is, omdat de veiligheid van [minderjarige] daar niet kan worden gewaarborgd. Het was niet duidelijk waar de moeder naartoe ging met [minderjarige] als zij naar buiten ging, omdat er geen vierentwintig uur per dag toezicht geboden kon worden door het moeder-kindhuis. Verder heeft het moeder-kindhuis geconstateerd dat de te bieden begeleiding onvoldoende aansluit bij de intensiteit van de ondersteuningsbehoefte van de moeder.

Het hof overweegt dat ook na de bestreden beschikking de noodzaak voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de grootouders moederszijde is gebleken. De kinderrechter heeft de moeder drie maanden de tijd geboden om te laten zien dat zij bereid en in staat is de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] te dragen. Nadat [minderjarige] op 28 april 2026 door de GI bij de grootouders moederszijde is geplaatst, ging het een periode niet goed met de moeder. Op 30 juni 2026 is de moeder gevonden door de politie in een huis in [plaats B] , waarbij de moeder middelen had gebruikt. De crisisdienst heeft toen geconstateerd dat de moeder psychotische kenmerken had, waarvoor de moeder medicatie kreeg. Verder heeft de moeder niet in het belang van [minderjarige] gehandeld door tegen het advies van het moeder-kindhuis een weekend naar Parijs te gaan, waardoor zij twee omgangsmomenten met [minderjarige] heeft afgezegd. Hoewel de moeder ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat zij momenteel een positieve ontwikkeling doormaakt, acht het hof het niet aannemelijk dat de moeder nu al in staat is om [minderjarige] structureel een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden. Het hof is, met de GI, van oordeel dat er gelet op het voorgaande, nog steeds zorgen zijn over het handelen van de moeder. Het hof concludeert dat de gronden voor de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook op dit moment nog aanwezig zijn. Het hof zal het door de moeder verzochte dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

Ten overvloede geeft het hof de moeder mee om te laten zien dat zij in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelfstandig te dragen. Indien sprake is van een stabiele en voldoende bestendige situatie, kan de huidige begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] , die nu bestaat uit drie uur, driemaal per week, worden uitgebreid. Stapsgewijs kan de moeder dan toewerken naar een situatie waarin zij de volledige zorg en opvoeding van [minderjarige] draagt.

Het incident tot schorsing (200.371.488/02)

Het hof overweegt dat bij deze beschikking uitspraak zal worden gedaan in de hoofdzaak. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek tot schorsing. Dit brengt mee dat het hof het verzoek tot schorsing zal afwijzen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.371.488/01

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het meer of anders in hoger beroep verzochte af.

In de zaak met zaaknummer 200.371.488/02

wijst het verzoek van de moeder af.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.R. Sturhoofd en mr. R.M. Troost en, in tegenwoordigheid van mr. N.L. Lusink als griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.L. Lusink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand