GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.356.749/01
zaaknummer rechtbank: C/13/728944 / FA RK 23-648
beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. D. Rezaie te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.J.M. Kleiweg te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorgregeling van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) met [minderjarige] , over de verdeling van de feestdagen en over welke ouder het halen en brengen van [minderjarige] op zich neemt. De rechtbank heeft een definitieve zorgregeling bepaald waarbij de vader het halen en brengen van [minderjarige] op zich neemt. De vader is het niet eens met de bestreden beschikking en wil dat de ouders door middel van een co-ouderschapsregeling voor [minderjarige] zorgen waarbij de vader [minderjarige] ophaalt of brengt, en dat [minderjarige] de helft van alle vakanties en feestdagen bij de vader verblijft. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 13 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 17 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking).
De moeder heeft op 22 september 2025 een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft op 12 januari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en D. Hosseini, tolk in de taal Dari,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en A.J. Ommarkhel, tolk in de taal Dari,
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
Tijdens deze zitting heeft de voorzitter medegedeeld dat voorlopig, overeenkomstig de afspraak van partijen, vanaf zaterdag 24 januari 2026 de volgende zorgregeling tussen de ouders geldt:
De vader haalt [minderjarige] elke zaterdag om 12.00 uur op bij de moeder en brengt hem op zondag om 11.00 uur terug.
Op woensdag haalt de vader [minderjarige] om 12.30 uur uit school en brengt hij hem om 17.00 uur terug bij de moeder.
De behandeling van de zaak is drie maanden pro forma aangehouden om te kijken hoe de zorgregeling verloopt. Na drie maanden, uiterlijk op 13 april 2026, dienden de advocaten van partijen aan het hof te laten weten of zij voortzetting van de behandeling van de zaak wensen om een definitieve zorgregeling te bepalen, of dat de ouders zelf in staat zijn in onderling overleg de zorgregeling uit te breiden. De ouders hebben vervolgens aangegeven een voortzetting van de mondelinge behandeling te wensen. Naar aanleiding daarvan is een nieuwe zitting gepland op 6 juli 2026.
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 12 maart 2026 met bijlagen, en
- een bericht van de zijde van de vader van 15 april 2026.
De zitting is voortgezet op 6 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en S.M. Razaghi, tolk in de taal Dari,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en S. Alizadeh-Afshar, tolk in de taal Dari,
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2021 in [plaats A] . De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .
Bij beschikking van 6 maart 2023 heeft de rechtbank als voorlopige zorgregeling bepaald dat [minderjarige] tweemaal per week gedurende twee uur bij de vader zal zijn, waarbij de ouders samen met het Ouder- en Kindteam (hierna: OKT) afspraken dienen te maken over de begeleiding van de overdracht.
De rechtbank heeft bij beschikking van 31 mei 2023 bepaald dat de ouders gezamenlijk belast worden met het gezag over [minderjarige] . Verder heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepaald waarin de vader [minderjarige] twee keer per week, op maandag en woensdag, twee uur onbegeleid bij zich heeft, en dat de moeder is gehouden de vader eenmaal per maand schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige] .
De rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2024 bepaald dat de eerder vastgestelde voorlopige regeling met ingang van 24 april 2024 wordt uitgebreid, te weten:
- de contactmomenten met vader zullen met ingang van twee weken na de datum van de beschikking gedurende één maand op dinsdagen en donderdagen van 12.00 uur tot 16.30 uur duren, waarbij de rechtbank er voorlopig vanuit gaat dat de overdracht van [minderjarige] nog steeds mag plaatsvinden in een ruimte van het OKT en waarbij de rechtbank er dus van uitgaat dat het OKT niet eerder dan 17.00 uur haar kantoorlocatie zal sluiten;
- na de periode van een maand wordt de regeling uitgebreid waarbij [minderjarige] behalve op dinsdag van 12.00 uur tot 16.30 uur op de donderdagen tot na het avondeten bij de vader zal zijn en uiterlijk 19.30 uur (door de vader) bij de moeder moet zijn teruggebracht. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de overdracht op de donderdagen tegen die tijd wel rechtstreeks bij de moeder kan plaatsvinden in de plaats waar zij dan woont (en op de plek die zij aangeeft). Mocht dat voor de vader niet haalbaar zijn, dan zal de regeling waarbij de omgang eindigt om 16.30 uur op dinsdag en donderdag doorlopen en verwacht de rechtbank van partijen een nadere reactie ten aanzien van welke mogelijkheden wel praktisch haalbaar zullen zijn;
- uitgaande van de mogelijkheid tot de uitbreiding tot na het avondeten op de donderdagen zal vanaf twee maanden na het wijzen van de beschikking wederom een uitbreiding plaatsvinden waarbij [minderjarige] van donderdag op vrijdag ook bij de vader zal overnachten en de vader [minderjarige] op vrijdag dus naar de voorschool dient te brengen.
De moeder is in september 2024 met [minderjarige] verhuisd naar een eigen woning in [plaats B] .
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een definitieve zorgregeling bepaald, waarbij [minderjarige] iedere woensdag van 12.00 tot 17.00 uur en iedere zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur bij de vader is. Daarnaast is bepaald dat de vader het halen en brengen van [minderjarige] op zich neemt en dat partijen de zorgregeling in onderling overleg kunnen wijzigen of uitbreiden.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre) en uitvoerbaar bij voorraad, een zorg- en opvoedregeling vast te stellen waarbij hij [minderjarige] op een week-op-week-af-basis (co-ouderschap) bij zich mag hebben en voor hem mag zorgen, waarbij de vader voor het halen of brengen van [minderjarige] zal zorgen, en voorts de helft van alle vakantie- en feestdagen.
Ter zitting in hoger beroep op 6 juli 2026 heeft de vader zijn verzoek gewijzigd, in die zin dat hij verzoekt om een zorgregeling waarbij [minderjarige] per vier weken gedurende drie weekenden van vrijdag tot zondag 15.00 of 16.00 uur bij de vader verblijft en van maandag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijft in de week dat [minderjarige] niet in het weekend bij de vader is.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Ter zitting in hoger beroep op 6 juli 2026 heeft de moeder verzocht de regeling zoals vastgelegd bij proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2026 vast te leggen.
5. De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten – voor zover in deze zaak van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Kort samengevat is hij van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vastgestelde voorlopige zorgregeling in verband met de verhuizing van de moeder naar [plaats B] in de praktijk niet wordt nageleefd, dat de rechtbank het evenals de raad niet in het belang van [minderjarige] acht om overnachtingen bij de vader af te dwingen en dat het duidelijk is dat de moeder openstaat voor uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting. De rechtbank heeft de moeder in haar stellingen gevolgd op basis van het advies van de raad, zonder nader onderzoek of objectieve gegevens van hulpverlening. Daarnaast is ten onrechte een verband gelegd tussen de regeling zonder overnachting en de verhuizing van de moeder. De vader heeft nadat de ouders uit elkaar zijn gegaan altijd contact met [minderjarige] gehad. De bestreden beschikking houdt een verslechtering in ten opzichte van de tussenbeschikking, waarin werd geoordeeld dat een uitbreiding van de zorgregeling met een overnachting in het belang van [minderjarige] is. Ook meent de vader dat ten onrechte is bepaald dat de vader het halen en brengen van [minderjarige] op zich dient te nemen. Het halen en brengen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders. Uit coulance heeft de vader [minderjarige] enige tijd gehaald en gebracht, maar hij beschikt niet over voldoende financiële middelen om dat te blijven doen. De vader ontvangt een lagere bijstandsuitkering dan de moeder en ontvangt – anders dan de moeder – geen kinderbijslag, kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop.
De moeder voert aan dat de vader de voorlopige zorgregeling, waarin [minderjarige] van zaterdag op zondag bij hem verblijft, heeft aangepast omdat [minderjarige] (nog) niet kan wennen aan overnachtingen bij de vader. De moeder acht het onbegrijpelijk dat de vader hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank, omdat hij [minderjarige] zelf eerder bij de moeder heeft teruggebracht; hij sprak daarover niet de waarheid tijdens de zitting bij de rechtbank. De vader handelt niet in het belang van [minderjarige] . Hij wilde de woensdag als omgangsdag wijzigen, omdat [minderjarige] vanaf dit schooljaar op woensdagochtend tot 12.30 uur naar school moet. De vader heeft aangegeven dat hij niet wil dat [minderjarige] op woensdag naar school gaat. Verder stelt de moeder dat de vader, anders dan zij, een auto tot zijn beschikking heeft zodat het voor hem makkelijker is om [minderjarige] op te halen en terug te brengen. De moeder heeft de dagelijkse zorg voor [minderjarige] en de vader kan zijn bijdrage leveren door [minderjarige] op te halen en terug te brengen.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de huidige zorgregeling vast te stellen. Daarnaast dient die regeling ook door te lopen gedurende vakanties en feestdagen. Op dit moment verloopt de zorgregeling nog net goed. Opvoeden gaat er ook over dat een ouder grenzen stelt, op tijd is en dat [minderjarige] weet waar hij aan toe is. De ouders mogen geen harde woorden meer gebruiken in zijn bijzijn. Als de ouders het niet eens zijn met elkaar, dan moeten zij daarover praten als [minderjarige] daar niet bij is. Belangrijk is dat goed gekeken wordt naar wat [minderjarige] nodig heeft. Dat gaat er ook over dat als hij wat later thuis gebracht wordt, dat er dan eten in de auto ligt, zodat hij iets kan eten. [minderjarige] is pas net op school begonnen. Om ervoor te zorgen dat het goed gaat met [minderjarige] is het belangrijk dat hij contact heeft met beide ouders, dat dat zoveel mogelijk op vaste momenten gebeurt en dat hij weet op welke momenten hij bij welke ouder is. De raad begrijpt wat de vader verzoekt en waarom dat belangrijk voor hem is, maar op dit moment vindt de raad het nog te ingewikkeld voor [minderjarige] om de zorgregeling uit te breiden. Over één of anderhalf jaar zouden de ouders naar een uitbreiding kunnen kijken, als de omgang dan net zo goed verloopt als nu.
De beoordeling
Zoals onder 2.3 van deze beschikking is vermeld zijn partijen tijdens de eerdere zitting bij het hof op 12 januari 2026 een voorlopige zorgregeling overeengekomen, waarbij de vader [minderjarige] elke zaterdag om 12.00 uur ophaalt bij de moeder en hem op zondag om 11.00 uur terugbrengt en hij [minderjarige] op woensdag om 12.30 uur uit school haalt en hem om 17.00 uur terugbrengt bij de moeder. Gebleken is dat de ouders eerder al hadden geprobeerd om [minderjarige] bij de vader te laten overnachten, maar dat dat niet goed verliep omdat [minderjarige] daar moeite mee had.
Tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 6 juli 2026 is onder meer het volgende gebleken. De huidige zorgregeling, die sinds januari 2026 wordt uitgevoerd, verloopt overwegend goed en ook de overnachtingen van [minderjarige] bij de vader verlopen inmiddels beter. Wel heeft de moeder tijdens de zitting in hoger beroep haar zorgen geuit dat de vader negatief tegen [minderjarige] over haar familie en haarzelf zou praten en dat hij dreigementen uit jegens hen. De vader betwist dat. Hij heeft in dat kader aangevoerd dat hij geen problemen met de ouders van de moeder heeft en dat dat blijkt uit het feit dat hij [minderjarige] ook eerder naar hen toegebracht heeft in [plaats]. Wat daar ook van zij: het is niet in het belang van [minderjarige] dat de vader negatief over de moeder praat in zijn bijzijn.
Met de raad en de moeder is het hof van oordeel dat de huidige regeling een regeling is die [minderjarige] op dit moment aankan en het meest passend is. Een uitbreiding van de zorgregeling met een extra overnachting zal naar het oordeel van het hof op dit moment (teveel) onrust veroorzaken bij [minderjarige] . Bovendien loopt de huidige zorgregeling pas enkele maanden en gaat [minderjarige] sinds kort naar school. Gelet op het voorgaande heeft [minderjarige] naar het oordeel van het hof nu behoefte aan voorspelbaarheid en zo min mogelijk veranderingen. Net als de raad, acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat hij beide ouders op vaste momenten ziet en weet op welke momenten hij bij welke ouder is.
Voor zover de vader heeft verzocht om een regeling waarbij [minderjarige] van maandag tot en met woensdag bij hem is in de week dat hij niet in het weekend bij de vader verblijft, is het hof van oordeel dat deze regeling niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] is. [minderjarige] gaat immers in [plaats B] naar school en een dergelijke regeling zou betekenen dat de vader hem in die weken op dinsdag- en woensdagochtend in de spits vanuit [plaats A] naar school in [plaats B] moet brengen.
Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de huidige zorgregeling gecontinueerd dient te worden. Het hof zal daarnaast, zoals de raad heeft geadviseerd, bepalen dat de huidige zorgregeling ook gedurende vakanties en feestdagen doorloopt, nu dit bijdraagt aan continuïteit en voorspelbaarheid voor [minderjarige] en de ouders. De vader mag erop vertrouwen dat de moeder open staat voor een uitbreiding van de zorgregeling als de omgang goed blijft verlopen en [minderjarige] daaraan toe is. De moeder heeft namelijk ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij een uitbreiding van de zorgregeling zal toestaan als [minderjarige] daaraan toe is.
Met de rechtbank is het hof verder van oordeel dat de vader het halen en brengen van [minderjarige] op zich dient te nemen, nu hij (anders dan de moeder) een auto tot zijn beschikking heeft. Voor zover de vader heeft gesteld dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt om [minderjarige] te blijven halen en brengen, overweegt het hof dat de vader dit onvoldoende heeft onderbouwd.
Het hof zal de verzoeken van de vader dan ook afwijzen en, overeenkomstig het verzoek van de moeder, de huidige zorgregeling (zoals vastgelegd bij proces-verbaal van de zitting van 12 januari 2026) vastleggen.
Ter zitting in hoger beroep is verder nog gebleken dat de vader [minderjarige] , sinds de huidige zorgregeling uitgevoerd wordt, een aantal keer te laat en met honger terug heeft gebracht naar de moeder. Het hof overweegt in dat kader dat het op de weg van de vader ligt om [minderjarige] op tijd terug te brengen naar de moeder en in het geval hij [minderjarige] toch onverhoopt later terugbrengt, om hem dan iets te eten te geven, omdat het in [minderjarige] ’s belang is om op vaste tijden te eten.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover daarin een zorgregeling is bepaald waarbij [minderjarige] iedere woensdag van 12.00 tot 17.00 uur en iedere zaterdag van 12.00 tot 18.00 uur bij de vader is;
stelt een zorgregeling vast waarbij de vader [minderjarige] iedere zaterdag om 12.00 uur ophaalt bij de moeder en hem op zondag om 11.00 uur terugbrengt en hij [minderjarige] op woensdag om 12.30 uur uit school haalt en hem om 17.00 uur terugbrengt bij de moeder;
bepaalt dat voornoemde zorgregeling doorloopt gedurende vakanties en feestdagen;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin is bepaald dat de vader het halen en brengen van [minderjarige] op zich neemt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.N. van de Beek en mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.