Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 6 mei 2022 te Beverwijk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een vuistslag te geven en/of in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meerdere breuken van het linker jukbeen en/of in het gezicht ten gevolge heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging en strafmotivering komt dan de politierechter en tot een andere beslissing komt over de vordering van de benadeelde partij.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat overtuigend bewijs ontbreekt. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige] niet betrouwbaar zijn, omdat zij dagen de tijd hebben gehad om hun verklaringen op elkaar af te stemmen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die zijn afgelegd door de aangever en de getuige [getuige] . De inhoud van de verklaringen die zij hebben afgelegd bij de politie komt overeen met de inhoud van de verklaringen die zij op een later moment hebben afgelegd bij de raadsheer-commissaris. Op basis van hun verklaringen in onderling verband en samenhang bezien, in combinatie met het letsel van aangever, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 6 mei 2022 te Beverwijk [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] een vuistslag te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere breuken van het linker jukbeen en in het gezicht ten gevolge heeft gehad;
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week en een taakstraf van 100 uur waarvan 50 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met een proeftijd van
2 jaar.
De raadsvrouw heeft verzocht om bij een veroordeling een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen en in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, door het slachtoffer met een vuist tegen zijn jukbeen te slaan. Het slachtoffer heeft aan het handelen van de verdachte een meervoudige breuk in zijn gezicht overgehouden. De verdachte heeft door aldus te handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij recent een ernstig ongeluk heeft gehad waardoor hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hij heeft een hersenschudding, een gescheurde rugspier en zijn nekwervel zit niet goed. Hij heeft nog steeds veel pijn en kan niet werken. Het herstel duurt 3 tot 5 maanden. De verdachte en zijn raadsvrouw hebben daarnaast naar voren gebracht dat de verdachte de afgelopen jaren hard aan zichzelf heeft gewerkt. Het hof heeft acht geslagen op de door de verdediging overgelegde brief van de psycholoog van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en zich actief inzet voor persoonlijke groei en het creëren van structuur en stabiliteit. Uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht heeft het hof de overtuiging bekomen dat de verdachte een positieve lijn heeft ingezet. Het hof acht het niet in het belang van de maatschappij dat deze ontwikkeling wordt doorkruist door een strafoplegging die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden in hoger beroep. Gelet op de aard en de hoogte van de op te leggen straf volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.
Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.062,85, bestaande uit € 62,85 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 1.562,85. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen.
De raadsvrouw heeft verzocht het gevorderde bedrag te matigen.
Ten aanzien van de materiële schade
De gestelde schade bestaat uit € 62,85 (kosten sportschoolabonnement). Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering van de materiële schade zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft degene die in
zijn of haar persoon is aangetast recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij voldoende onderbouwd dat hij dergelijk letsel heeft opgelopen. Het hof acht vergoeding van de immateriële schade billijk. Het hof gaat bij de begroting van de schade uit van categorie 9.1 (d) uit de zogenoemde Rotterdamse Schaal: ‘Eenvoudige breuken van de jukbeenderen waarbij enige reconstructieve chirurgie nodig is’. In dat verband wordt een bandbreedte van € 3.000 – € 4.000 gehanteerd. De gevorderde schadevergoeding van € 2.000 acht het hof gelet daarop geheel toewijsbaar.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 november 2021 opgelegde voorwaardelijke taakstraf 30 uur. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feit begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.
Naar het oordeel van het hof zijn er echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering.
De vordering zal dan ook worden afgewezen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.062,85 (tweeduizend tweeënzestig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 62,85 (tweeënzestig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.062,85 (tweeduizend tweeënzestig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 62,85 (tweeënzestig euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 6 mei 2022.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van 7 juli 2022, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 november 2021, parketnummer 15-177309-21, voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 uur.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.C.W. de Graaf, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. N.R.H. Marsera, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.
De griffier en voorzitter zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.