ECLI:NL:GHAMS:2026:256

ECLI:NL:GHAMS:2026:256

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 22-01-2026
Datum publicatie 04-02-2026
Zaaknummer 23-001833-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2022:8637

Samenvatting

Ontneming. Bevestiging van het vonnis met dien verstande dat het hof onder meer het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer van de raadsman bespreekt. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de betrokkene legale contante ontvangsten heeft verkregen uit de handel in fruit in de vorm van commissies, ter hoogte van een bedrag van € 280.800,00 of in ieder geval € 73.450,25. Het hof is van oordeel dat de betrokkene deze bewering niet aannemelijk heeft gemaakt zodat het in het ontnemingsrapport opgenomen totaalbedrag aan legale contante ontvangsten niet wordt vermeerderd met de gestelde commissie-ontvangsten uit fruithandel.

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001833-24 (ontneming)

datum uitspraak: 22 januari 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 13-997090-18 tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

adres: [adres] ,

thans gedetineerd in [detentieadres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 360.941,00 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting van 18 juli 2024 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 351.769,53 en aan de betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd van dat bedrag.

De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 1 augustus 2024 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 351.519,00 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 346.519,00.

Namens de betrokkene is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Veroordeling in de strafzaak

Bij arrest van dit hof van 10 januari 2025 in de strafzaak heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 8 juli 2022 vernietigd, vanwege een iets andere bewezenverklaring.

Het hof heeft de betrokkene veroordeeld ter zake van onder meer – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet en deelname aan een organisatie die misdrijven pleegt, medeplegen van opzettelijk invoeren van hennep en cocaïne en medeplegen van gewoontewitwassen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

11 december 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:

- de tekst onder paragraaf 3 ‘Grondslag van de vordering’ op pagina’s 1 en 2 van het vonnis (beginnend met “ [verdachte] is – voor zover hier relevant – bij vonnis” en eindigend met “tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld”) niet overneemt en vervangt door:

“De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 januari 2025 met parketnummer 23-001944-22 veroordeeld voor onder meer – kort gezegd – deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, derde lid van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 10a van de Opiumwet en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; telkens medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod; medeplegen van gewoontewitwassen en witwassen.”;

Bespreking van het verweer met betrekking tot de commissiebetalingen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat de betrokkene in het geheel geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. De betrokkene was gedurende een periode van 5 jaren betrokken bij het vervoeren van 4 containers per week. Hij legde het contact met de afnemers, zorgde voor een goede prijs voor zijn klanten en regelde bijvoorbeeld de koelopslag. Eén container bevatte 1.080 dozen fruit en per doos fruit ontving de betrokkene € 0,25 commissie. Hieruit volgt dat de betrokkene in totaal een bedrag van € 280.800,00 aan contante commissies in de (legale) fruithandel heeft ontvangen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een lager bedrag wordt vastgesteld dan gevorderd door de advocaat-generaal. Ter onderbouwing heeft de raadsman ter terechtzitting van 11 december 2025 papieren facturen overgelegd aan het hof waaruit zou volgen dat sprake is van het vervoer van in totaal 293.801 dozen met fruit. Nu de betrokkene per doos fruit een commissie ontving van € 0,25, is een onderbouwing gegeven voor in ieder geval (293.801 x 0,25 =) € 73.450,25 aan commissiebetalingen ter zake van de (legale) fruithandel.

Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat in de ontnemingsprocedure de bewijslast op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld tussen het openbaar ministerie en de betrokkene. Als het openbaar ministerie aan de primaire bewijslast heeft voldaan, is het aan de betrokkene concreet en gemotiveerd, en zo nodig door bescheiden gestaafd, hiertegenover aannemelijk te maken dat de berekening van het openbaar ministerie niet juist is. Een enkele bewering van de betrokkene is daartoe onvoldoende.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de betrokkene legale contante ontvangsten heeft verkregen uit de handel in fruit in de vorm van commissies, ter hoogte van een bedrag van € 280.800,00 of in ieder geval € 73.450,25.

Het hof is van oordeel dat de betrokkene deze bewering niet aannemelijk heeft gemaakt. In de eerste plaats heeft het hof acht geslagen op uitlatingen van de betrokkene zelf. In een OVC-gesprek van 3 september 2020 zegt de betrokkene: “Maar ja, het is wel zo kijk eh je kan, we hebben nooit winst geboekt op bananen, nog nooit. We hebben nog nooit op deklading winst gemaakt”. Hieruit leidt het hof af dat de fruithandel als dekmantel diende voor de handel in verdovende middelen en niet als bron om legale (contante) inkomsten mee te verdienen. Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 heeft de betrokkene hiertegen ingebracht dat hij in dit OVC-gesprek doelde op bananen van slechte kwaliteit maar dat hij, ongeacht de kwaliteit, altijd € 0,25 per doos verdiende. Aan deze laatste verklaring hecht het hof geen geloof; in het OVC-gesprek zegt de betrokkene expliciet dat hij nimmer winst heeft gemaakt met (de legale handel in) bananen; hij spreekt in het geheel niet over ontvangen commissies die juist wél op winst zouden duiden.

In de tweede plaats is niet gebleken van enige (deugdelijke) administratie of ander soort bescheiden, zoals jaarstukken, waaruit (de hoogte van) de commissiebetalingen aan de betrokkene zouden (kunnen) blijken. Uit de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2025 overgelegde facturen blijkt niet van commissiebetalingen aan de betrokkene, laat staan dat hij – zoals door de verdediging wordt gesteld – destijds € 0,25 per doos fruit heeft ontvangen. Nu het gaat om gestelde bedrijfsmatige verdiensten van de betrokkene, mag worden verwacht dat hij over een administratie beschikt waaruit (deze) commissiebetalingen blijken én dat hij zijn inkomsten had opgegeven bij de Belastingdienst. Hiervan is echter geen sprake, sterker nog: de betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk verklaard dat hij geen facturen verstuurde voor zijn commissies, dat hij deze contant ontving en dat ‘het er nooit van is gekomen’ deze commissies als inkomsten op te geven bij de Belastingdienst.

Tot slot hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] geen verklaringen afgelegd die in wezenlijke mate steun bieden aan de bewering van de betrokkene. Zij hebben niet concreet verklaard over het totale bedrag dat de betrokkene aan commissies zou hebben ontvangen. Daar komt bij dat volgens [getuige 1] er niet altijd 1.080 dozen in een container zaten en dat volgens [getuige 2] de frequentie van de commissiebetalingen aan de betrokkene beperkt was tot (slechts) 5 tot 10 keer.

Het hof zal dan ook het in het ontnemingsrapport opgenomen totaalbedrag aan legale contante ontvangsten van € 20.346,00 – overgenomen door de rechtbank in haar vonnis in de ontnemingszaak – niet vermeerderen met de gestelde commissie-ontvangsten uit fruithandel. Het primaire - en het subsidiaire verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bespreking van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – indien het hof de contante commissiebetalingen

aan de betrokkene ter zake van de (legale) fruithandel niet meeneemt in de berekening van het

wederrechtelijk verkregen voordeel – verzocht onderzoek te doen naar de fruithandel.

Oordeel van het hof

Nu het hof de gestelde contante commissiebetalingen aan de betrokkene ter zake van de (legale) fruithandel niet meeneemt in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, komt het hof toe aan de behandeling van het voorwaardelijk verzoek van de raadsman. Het hof is van oordeel dat (nader) onderzoek naar de fruithandel niet noodzakelijk is. Het verzoek is onvoldoende concreet en mist een toereikende onderbouwing. Zo heeft de raadsman niet geconcretiseerd welk (nader) onderzoek moet worden verricht en hoe kan worden achterhaald of de betrokkene, zoals de raadsman stelt, daadwerkelijk € 0,25 per doos fruit contant aan commissie heeft ontvangen en om hoeveel dozen fruit het gaat. Het hof wijst het voorwaardelijke verzoek van de raadsman daarom af.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. H.A. Stalenhoef en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 januari 2026.

=========================================================================

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.M. Simons

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?