Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij, op of omstreeks 7 juli 2019 te Beverwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen;
2.hij, op of omstreeks 7 juli 2019 te Beverwijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, nu het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.
Bewijsoverweging feit 1
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt, nu de verdachte heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf en/of van getuige [getuige 1] tegen aangever [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zou getuige [getuige 1] ten val hebben gebracht door haar te duwen, en zou daarop een slaande beweging in de richting van de verdachte hebben gemaakt. Subsidiair heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat het feit bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet kan worden bewezen. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de verklaringen van aangever [slachtoffer 2] wisselend en onbetrouwbaar zijn, dat aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] tijdens het incident onder invloed waren en dat de waarnemingen van getuige [getuige 2] onvoldoende inhouden om wezenlijk bij te kunnen dragen aan een bewezenverklaring.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt genoegzaam dat de verdachte aangever [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen. De verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondersteunen elkaar op dit punt, en vinden tevens steun in het bij [slachtoffer 1] geconstateerde letsel. Voorts wordt de verklaring van aangever [slachtoffer 1] ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] , die – nadat hij een opmerking van de verdachte en daarna geschuif van plantenbakken op het terras hoorde – vanuit café [naam van café] bloed in het gezicht van aangever [slachtoffer 1] heeft gezien. Het hof ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om de verklaringen van de aangevers op dit punt als onbetrouwbaar aan te merken.
Het beroep op noodweer wordt verworpen. Voor wat betreft de stelling dat de verdachte handelde ter verdediging van zichzelf, geldt dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte werd aangevallen of geslagen. Voor wat betreft de stelling dat de verdachte handelde ter verdediging van getuige [getuige 1] , geldt eveneens dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij is geduwd of werd aangevallen door [slachtoffer 1] . Van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht is daarom geen sprake.
Nu niet is gebleken dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd, zal het hof de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Vrijspraak feit 2
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde feit.
Het hof overweegt als volgt.
Naar het oordeel van het hof kan niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen of gestompt. De verklaringen van aangever [slachtoffer 1] zijn op dit punt te zeer uiteenlopend om voldoende steun te bieden aan de verklaring van aangever [slachtoffer 2] . Zo verklaart aangever [slachtoffer 1] in het vooronderzoek dat aangever [slachtoffer 2] buiten het café door de verdachte is geslagen, en verklaart hij tegenover de raadsheer-commissaris dat aangever [slachtoffer 2] niet voor het café maar bij een later incident bij de auto zou zijn geslagen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld op welk moment het bij aangever [slachtoffer 2] geconstateerde letsel is ontstaan.
Hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.hij op 7 juli 2019 te Beverwijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] in het gezicht te stompen.
Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, waarvan vijftig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, waarvan vijftig uren, subsidiair vijfentwintig dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De raadsman heeft verzocht de op te leggen straf fors te matigen, althans te bepalen dat de taakstraf geheel voorwaardelijk wordt opgelegd, dan wel toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van aangever [slachtoffer 1] , door hem in het gezicht te stompen. [slachtoffer 1] heeft hierdoor een dubbele kaakbreuk opgelopen. Door aldus te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Uit het ter terechtzitting in eerste aanleg verhandelde is gebleken dat het voorval grote indruk op [slachtoffer 1] heeft gemaakt en forse gevolgen voor hem heeft gehad. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij hiervoor geen verantwoordelijkheid neemt. Het hof weegt als strafverzwarende omstandigheid mee dat de verdachte het feit heeft gepleegd voor een café. Doordat het feit op een voor het publiek, met name jongeren, toegankelijke plaats heeft plaatsgevonden, heeft de verdachte met zijn handelen bijgedragen aan in de samenleving heersende gevoelens van onrust en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan het slachtoffer of ongewild getuige zijn geweest.
Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
In strafmatigende zin weegt het hof de ouderdom van het feit mee.
Anders dan de raadsman ziet het hof in deze zaak geen aanleiding voor strafkorting op grond van de gestelde overschrijding van de redelijke termijn. Het hof overweegt daartoe dat de redelijke termijn van vierentwintig maanden in eerste aanleg niet is overschreden. Daarbij hanteert het hof (zoals gebruikelijk bij het ontbreken van een bevel tot inverzekeringstelling) het moment van betekening van de dagvaarding als aanvangsmoment van de redelijke termijn. Door de verdediging is niet gemotiveerd gesteld dat en waarom in deze zaak een ander aanvangsmoment moet worden gehanteerd. In hoger beroep is de redelijke termijn van vierentwintig maanden met een jaar en ruim acht maanden overschreden. Het hof zal echter, nu aan de verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van minder dan 100 uren zal worden opgelegd, volstaan met de constatering van die overschrijding.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.755,83. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat van de benadeelde partij deze vordering gematigd tot een bedrag van € 6.968,66, bestaande uit € 6.000,00 immateriële schade en € 968,66 materiële schade (gederfde inkomsten).
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal moet worden toegewezen.
De raadsman heeft het hof primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, nu deze een onevenredige belasting van het strafproces op zou leveren. Subsidiair heeft hij het hof verzocht het gevorderde slechts voor de helft toe te wijzen in verband met eigen schuld van de benadeelde partij aan de ontstane schade. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij zich agressief zou hebben opgesteld en meerdere malen de confrontatie met onder meer de verdachte zou hebben gezocht.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is voldoende onderbouwd, er is sprake van een voldoende rechtstreeks verband tussen de schade en het strafbare feit en de hoogte van de gevorderde schade is niet door de verdediging betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
Ook de gevorderde immateriële schade zal het hof toewijzen. Het hof is, gelet op de onderbouwing en het verhandelde ter terechtzitting, van oordeel dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, nu sprake is van lichamelijk letsel en objectief vastgesteld geestelijk letsel (PTSS) als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek.
Bij de begroting van de schade heeft het hof in het bijzonder gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt alsmede de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting ten aanzien van het herstel. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken is gebleken dat de benadeelde partij een dubbele kaakfractuur heeft opgelopen. Er is een plaat en acht schroeven in zijn kaak geplaatst. De benadeelde partij heeft als gevolg van het voorval acht weken zijn mond niet kunnen openen en geen vast voedsel kunnen eten. Het bewezenverklaarde handelen heeft ook psychische gevolgen gehad voor de benadeelde partij. Uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat bij hem PTSS is geconstateerd en dat hij voor behandeling is doorverwezen naar ‘De Waag’. Tevens heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd. Het hof heeft voorts acht geslagen op de Rotterdamse Schaal in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’. Het hof stelt alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien de totale omvang van de vergoedbare immateriële schade van deze benadeelde partij naar billijkheid vast op € 6.000,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Eigen schuld
Het hof acht de door de raadsman geschetste gang van zaken voor wat betreft de eigen schuld van de benadeelde partij niet aannemelijk, en ziet daarom geen aanleiding een correctie aan te brengen op het hiervoor overwogene.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.968,66 (zesduizend negenhonderdachtenzestig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 968,66 (negenhonderdachtenzestig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.968,66 (zesduizend negenhonderdachtenzestig euro en zesenzestig cent) bestaande uit € 968,66 (negenhonderdachtenzestig euro en zesenzestig cent) materiële schade en € 6.000,00 (zesduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 59 (negenenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 januari 2020. Nu deze schade in de periode van 17 september 2019 tot en met 31 mei 2020 is geleden, heeft het hof het midden van deze periode als uitgangspunt genomen. De wettelijke rente van de immateriële schade wordt bepaald op 7 juli 2019.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. E.J. Hofstee en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.
=========================================================================
[…]
.