GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.318.715/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 9106386 EL 21-40
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante in principaal hoger beroep,
geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde in principaal hoger beroep,
appellant in incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
en
[geïntimeerde 2] ,
wonend te [plaats] ,
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia, de [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde 2] is een effectenleaseovereenkomst aangegaan met Dexia. De [geïntimeerde 1] van [geïntimeerde 2] heeft deze effectenleaseovereenkomst met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de [geïntimeerde 1] de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.
2. Het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 2 juli 2024 in het incident tot voeging en tussenkomst een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.
Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
- memorie na voeging en tussenkomst van [geïntimeerde 2] ;
- memorie van antwoord na voeging en tussenkomst van Dexia;
- memorie van antwoord van de [geïntimeerde 1] .
[geïntimeerde 2] concludeert in haar memorie na voeging en tussenkomst zoals weergegeven op de laatste twee bladzijden ervan en haar vorderingen hebben in de kern dezelfde strekking als de vorderingen van de [geïntimeerde 1] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 12 augustus 2021 vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[geïntimeerde 2] heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer]
05-06-2000
[naam]
36 mnd.
02-06-2003
-/- € 22.985,91
De [geïntimeerde 1] , met wie [geïntimeerde 2] ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft [geïntimeerde 2] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
Bij brief van 22 november 2004 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de [geïntimeerde 1] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomst vernietigd.
4. Beoordeling
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. [geïntimeerde 2] en de [geïntimeerde 1] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de effectenleaseovereenkomst op grond van artikel 1:89 BW is vernietigd.
Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de [geïntimeerde 1] uit onverschuldigde betaling. De [geïntimeerde 1] voert aan dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.
De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomst is op 22 november 2004 buitengerechtelijk vernietigd door de [geïntimeerde 1] en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de [geïntimeerde 1] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
De [geïntimeerde 1] betoogt dat de verjaring vervolgens is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder [geïntimeerde 2] , en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de [geïntimeerde 1] , aan Dexia heeft gestuurd.
Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):
“(…)
De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”
Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.
Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”
Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op de [geïntimeerde 1] , nu Dexia erkent dat [geïntimeerde 2] staat vermeld op de lijsten die behoren bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016.
Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens de [geïntimeerde 1] enige verjaring te stuiten. In grief I voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist. Leaseproces heeft na deze brief een zeer groot aantal volmachten aan Dexia toegezonden, maar daaronder bevond zich volgens Dexia geen volmacht van de [geïntimeerde 1] .
Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [geïntimeerde 2] als cliënte van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens haar de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de [geïntimeerde 1] te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de [geïntimeerde 1] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de [geïntimeerde 1] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben [geïntimeerde 2] en de [geïntimeerde 1] ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 22 februari 2021 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de door Dexia genoemde brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.
Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de [geïntimeerde 1] aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling.
Uit het vorenstaande volgt dat namens de [geïntimeerde 1] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst is betaald.
Gezien deze uitkomst heeft [geïntimeerde 2] geen belang meer bij haar vorderingen als tussenkomende partij, die immers dezelfde strekking hebben als de vorderingen van de [geïntimeerde 1] , zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeven en daarom worden afgewezen.
Slotsom
De grieven in principaal hoger beroep falen. Het hof heeft geconstateerd dat Dexia nog niet in gelegenheid is gesteld om te reageren op de incidentele grieven. Het hof biedt Dexia die gelegenheid hierbij alsnog.
Dexia is in het principaal hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in dat hoger beroep.
Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief II, 1 punt)
totaal € 2.073,00
[geïntimeerde 2] is als tussenkomende partij in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de kosten van Dexia in de hoofdzaak voor zover die de vorderingen van [geïntimeerde 2] betreffen. De kosten van de [geïntimeerde 1] zullen worden gecompenseerd.
Het hof stelt deze kosten van Dexia als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.290 (tarief II, 1 punt)
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5. Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2026 voor memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep aan de zijde van Dexia;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, W.J.J. Los en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.