GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.335.076/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 10082853 EL 22-97
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam,
en
[geïntimeerde 2] ,
wonend te [plaats] ,
gevoegde en tussenkomende partij,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Rotterdam.
Partijen worden hierna Dexia, de [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd.
1. De zaak in het kort
[geïntimeerde 2] is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. De [geïntimeerde 1] van [geïntimeerde 2] heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens de [geïntimeerde 1] de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.
2. Het geding in hoger beroep
In deze zaak heeft het hof op 2 juli 2024 in het incident tot voeging en tussenkomst een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar dit tussenarrest verwezen.
Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
- memorie na voeging en tussenkomst van [geïntimeerde 2] ;
- antwoordmemorie na voeging en tussenkomst van Dexia;
- antwoordmemorie na voeging en tussenkomst van de [geïntimeerde 1] .
[geïntimeerde 2] concludeert in zijn memorie na voeging en tussenkomst zoals weergegeven op de laatste twee bladzijden ervan en zijn vorderingen hebben in de kern dezelfde strekking als de vorderingen van de [geïntimeerde 1] .
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 31 augustus 2023 vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
[geïntimeerde 2] heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomsten gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). De effectenleaseovereenkomsten zijn op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekeningen heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomsten zijn als volgt:
Nr.
Contractnummer
Datum
Aangaan
Verlenging
Naam
Looptijd
Eindafrekening
Resultaat
1.
[nummer 1]
25-06-1999
26-06-2002
WinstVerDriedubbelaar
verlenging
36 mnd
27-06-2005
-/- € 3.761,31
2.
[nummer 2]
02-06-2000
03-06-2003
WinstVerDriedubbelaar
verlenging
36 mnd
31-05-2006
-/- € 5.248,95
De [geïntimeerde 1] , met wie [geïntimeerde 2] ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten was gehuwd, heeft [geïntimeerde 2] geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten.
Bij brief van 24 maart 2006 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft de [geïntimeerde 1] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomsten vernietigd.
4. Beoordeling
Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. [geïntimeerde 2] en de [geïntimeerde 1] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de effectenleaseovereenkomsten op grond van artikel 1:89 BW zijn vernietigd.
Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van de [geïntimeerde 1] uit onverschuldigde betaling. De [geïntimeerde 1] voert aan dat zij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.
De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomsten zijn op 24 maart 2006 buitengerechtelijk vernietigd door de [geïntimeerde 1] en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van de [geïntimeerde 1] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936).
De [geïntimeerde 1] betoogt dat de verjaring vervolgens is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012, 27 oktober 2016 en 19 oktober 2021 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder [geïntimeerde 2] , en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder de [geïntimeerde 1] , aan Dexia heeft gestuurd en die in eerste aanleg zijn overgelegd. Meulemans heeft naar deze brieven verwezen in de conclusie van repliek onder 6.
Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735, rov. 2.4):
“(…)
De brief van 24 januari 2012 luidt, voor zover van belang, als volgt:
“Namens de op de bijgesloten lijsten A en B vermelde personen berichten wij u dat zij hun vorderingen op Dexia onverkort handhaven en dat deze brief met bijlagen bedoeld is om de verjaring van deze vorderingen, voor zover nodig, te stuiten. Dit geldt ook voor de vorderingen van de eega’s (…) van de op deze lijst vermelde personen uit hoofde van de artikelen 1:88 en 1:89 BW.”
Dexia brengt daartegen in dat genoemde brieven dermate algemeen van aard zijn dat daaruit geenszins kan worden afgeleid welke specifieke vordering Leaseproces namens haar cliënten wenst te stuiten en dat [Y] niet in de bijlagen staat.
Voor zover Dexia met dit betoog het oog heeft op de vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling wegens de door [Y] ingeroepen buitengerechtelijke vernietiging, overweegt het hof dat in de brief van 24 januari 2012 deze bevoegdheid uitdrukkelijk wordt vermeld. Dit geldt eveneens voor de brief van 27 oktober 2016 die op dit punt gelijkluidend is. Het bestaan van en de inhoud van deze brieven heeft Dexia niet weersproken. Anders dan Dexia nog heeft betoogd, is het hof van oordeel dat met de verwijzing in de brieven naar de eega’s van de op de bijgesloten lijsten vermelde personen, hier: [X], wel aan de eisen van artikel 3:317 BW is voldaan.”
Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 ook zien op de [geïntimeerde 1] , nu Dexia erkent dat [geïntimeerde 2] staat vermeld op de lijsten die behoren bij die brieven. Hetzelfde geldt voor de brief van 19 oktober 2021, die verwijst naar die brieven met die lijsten.
Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens de [geïntimeerde 1] enige verjaring te stuiten. In grief I voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist. Leaseproces heeft na deze brief een zeer groot aantal volmachten aan Dexia toegezonden, maar daaronder bevond zich volgens Dexia geen volmacht van de [geïntimeerde 1] .
Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat [geïntimeerde 2] als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens hem de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens de [geïntimeerde 1] te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens de [geïntimeerde 1] is verzonden. De stuitingsbrieven van 27 oktober 2016 en 19 oktober 2021 bouwen hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat de [geïntimeerde 1] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben [geïntimeerde 2] en de [geïntimeerde 1] ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 19 oktober 2021 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 20 oktober 2021 uitgebracht, namelijk op 26 augustus 2022 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567, rov. 2.16). Bij bespreking van de door Dexia genoemde brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.
Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van de [geïntimeerde 1] aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling.
Uit het vorenstaande volgt dat namens de [geïntimeerde 1] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomsten zijn vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten is betaald.
Gezien deze uitkomst heeft [geïntimeerde 2] geen belang meer bij zijn vorderingen als tussenkomende partij, die immers dezelfde strekking hebben als de vorderingen van de [geïntimeerde 1] , zodat deze geen afzonderlijke bespreking behoeven en daarom worden afgewezen.
Slotsom
Uit het vorenstaande volgt dat de grieven geen doel treffen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief II, 1 punt)
totaal € 2.073,00
[geïntimeerde 2] is als tussenkomende partij in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal worden veroordeeld in de kosten van Dexia in de hoofdzaak voor zover die de vorderingen van [geïntimeerde 2] betreffen. De kosten van de [geïntimeerde 1] worden gecompenseerd.
Het hof stelt deze kosten van Dexia als volgt vast:
- salaris advocaat € 1.290,00 (tarief II, 1 punt)
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de [geïntimeerde 1] begroot op € 2.073,00 en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
wijst de vorderingen van [geïntimeerde 2] af;
veroordeelt [geïntimeerde 2] in de proceskosten van Dexia in de hoofdzaak voor zover die de vorderingen van [geïntimeerde 2] betreffen, tot op heden begroot op € 1.290,00 aan salaris advocaat en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
compenseert de proceskosten tussen [geïntimeerde 2] en de [geïntimeerde 1] in de hoofdzaak voor zover die de vorderingen van [geïntimeerde 2] betreffen, in die zin dat ieder van deze partijen de eigen kosten draagt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.M. de Winter, W.J.J. Los en J.W.M. Tromp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.