ECLI:NL:GHAMS:2026:2575

ECLI:NL:GHAMS:2026:2575

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 09-09-2026
Zaaknummer 23-001501-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Dodelijk verkeersongeval in 2022: auto raakt – na chicane – in slip en botst tegen boom, bijrijdster komt om het leven. Aan de hand van beeldonderzoek en verklaringen van verbalisanten stelt het hof vast dat de verdachte met (veel te) hoge snelheid op een chicane is afgereden. De verdachte is direct na de chicane de controle over het voertuig verloren en met een snelheid gelegen tussen de 66 en 87 km/u tegen een boom gebotst (toegestane maximumsnelheid: 50 km/u). Hof is van oordeel dat sprake is van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. De verdachte reed met voornoemde snelheid in het donker over een smalle weg met nat wegdek, en heeft direct na de chicane zijn snelheid opnieuw verhoogd. Kort vóór het bereiken van deze weg was de verdachte bezig een achterligger van zich af te schudden. Nadere overwegingen over causaliteit. Bewezenverklaring van het door schuld veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval (feit 1), rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs (feit 2) en onverzekerd rijden (feit 3). Hof legt een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden op, een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren en (ten aanzien van feit 3) een geldboete van € 750,00. Verbeurdverklaring auto.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de nabestaanden naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1. primairhij op of omstreeks 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] ), daarmede rijdende over de weg, Oosteinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in ieder geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en/of (onverantwoord) hoge snelheid te rijden en/of bij of na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken en/of in een slip te raken en/of tot stilstand te komen tegen een aldaar aanwezige boom, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

1. subsidiairhij op of omstreeks 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende op de weg, het Oosteinde, met een zodanig hoge (niet toegestane) snelheid heeft gereden, dat hij bij en/of na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde voertuig is kwijtgeraakt en/of in een slip is geraakt en/of tot stilstand is gekomen tegen een aldaar aanwezige boom, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.hij op of omstreeks 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten [nummer] , ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, het Oosteinde, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] ), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3.hij op of omstreeks 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), gekentekend [kenteken] , daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Oosteinde, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof een (iets) andere bewijsconstructie hanteert en tot andere sanctiebeslissingen komt dan de rechtbank. Het hof heeft diverse passages uit het vonnis waarmee het zich kan verenigen, overgenomen.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval. Volgens de raadsman kan niet worden vastgesteld dat de verdachte te hard reed toen hij de chicane instuurde en/of door de chicane reed. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de in het Energie Equivalente Snelheid-onderzoek (hierna: het ESS-onderzoek) gebruikte methodiek zich niet leent voor toepassing in strafzaken. Ten aanzien van het door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) uitgevoerde beeldonderzoek heeft de raadsman opgemerkt dat kleine verschillen in de plaatsing van de camera en het testvoertuig grote invloed kunnen hebben op de uitkomst van het onderzoek. Voor zover het hof tot de vaststelling komt dat de verdachte een verkeersfout heeft gemaakt, is de raadsman van mening dat het causaal verband tussen die verkeersfout en het ongeval niet kan worden vastgesteld. De betreffende weg stond reeds als onveilig te boek en hij heeft te gelden als een weg die veel van de gemiddelde bestuurder vraagt. Het gegeven dat de verdachte in een slip is geraakt, kan ook zijn veroorzaakt door het natte wegdek, de slechte staat van het wegdek en het rode asfalt in de chicane. Nadat de verdachte in een slip raakte, heeft hij gedaan wat hij kon doen om een ongeval te voorkomen en daarbij toegepast wat hem in een slipcursus is geleerd. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het causaal verband tussen het ongeval en de dood van het slachtoffer niet kan worden vastgesteld, nu het slachtoffer geen gordel droeg (en het letsel van de verdachte, die wel een gordel zou hebben gedragen, veel minder ernstig was dan het letsel van het slachtoffer waar zij uiteindelijk aan is overleden). Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman – in aanvulling op het voorgaande – gesteld dat uit de rechtspraak volgt dat niet zonder meer gevaar of hinder op de weg ontstaat wanneer zich verder geen verkeer op de betreffende weg bevindt. Ten aanzien van de tenlastegelegde feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt.

Het ongeluk

Op 10 oktober 2020 reed de verdachte als bestuurder van een BMW over het Oosteinde in [plaats 2] . Het slachtoffer, [slachtoffer] , zat op de passagiersstoel bij de verdachte in de auto. Op het Oosteinde gold destijds een maximumsnelheid van 50 km/u. Vlak na de chicane op het Oosteinde verloor de verdachte de controle over de auto en kwam de auto, ter hoogte van perceel 11, tegen een boom tot stilstand. Naar aanleiding van het ongeluk is [slachtoffer] overleden.

De vraag die in deze zaak aan het hof voorligt, is of en, zo ja, in welke mate het ongeval de verdachte in strafrechtelijke zin kan worden verweten.

De snelheid van de verdachte

Het beeldonderzoek

Het beeldonderzoek dat het NFI heeft verricht, geeft op basis van beschikbare camerabeelden waarop het ongeluk is vastgelegd een berekening van de snelheid waarmee de verdachte in de BMW heeft gereden vlak voordat hij in botsing kwam met de boom. In het onderzoek zijn twee verschillende ‘frames’ uit de camerabeelden gekozen. De positie van de auto in die frames is geanalyseerd en vervolgens zo goed mogelijk nagebootst op dezelfde locatie met een vergelijkbare auto. Daarbij is de auto (mede ter bepaling van de buitengrenzen van de snelheidsmarge) op verschillende posities geplaatst. De camera die de oorspronkelijke beelden heeft opgenomen, is daarvoor teruggehangen op (nagenoeg) dezelfde plek. Vervolgens heeft het NFI de afstand tussen de posities van de auto in de twee nagebootste frames gemeten. Op basis daarvan, gecombineerd met het totaalaantal frames dat zich tussen de twee gekozen frames van de oorspronkelijke camerabeelden bevond, zijn in totaal drie snelheden berekend te weten: 66, 81 en 87 km/u. Uit dit onderzoek volgt daarmee een snelheid die gelegen is tussen de 66 en 87 km/u. De snelheid van 81 km/u is berekend aan de hand van de nagebootste positie van de auto die volgens de deskundige het meest overeenkomt met de originele beelden (en dus het dichtst tegen de werkelijkheid aanzit; de ‘beste’ plaatsing). Deze snelheid betreft vermoedelijk wel een lichte overschatting. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige [persoon 1] van het NFI in dit verband opgemerkt dat de snelheid naar verwachting dichter bij de 81 km/u lag dan bij de 66 km/u. Voorts heeft hij aangegeven dat de positie van de camera na het terughangen daarvan nagenoeg gelijk was aan de oorspronkelijke positie. Er is enig verschil zichtbaar, maar dit heeft slechts betrekking op het beeld onmiddellijk vóór de camera. Het ongeval gebeurde verder van de camera af. De beelden van de auto, bomen en overige kenmerken rondom de auto (die dus op enige afstand van de camera stonden), laten geen verschil zien in perspectief, hetgeen een zeer sterke aanwijzing is voor de nagenoeg juiste positie van de camera. Dit maakt de referentiebeelden zeer goed bruikbaar, aldus de deskundige.

Met betrekking tot de (nagebootste) positionering van de camera en de auto, blijkt uit het rapport dat de auto – zoals hiervoor overwogen – op verschillende posities is geplaatst, ook op posities die overduidelijk te ver af of te dichtbij staan ten opzichte van de posities zoals zichtbaar op het oorspronkelijke beeld, waardoor de uiterste snelheidsgrenzen kunnen worden bepaald. De positionering van de auto kan dus leiden tot een andere berekening van de snelheid, maar dit wordt ondervangen door het onderzoek zelf, doordat daarin een zekere marge is ingebouwd. Daar komt bij dat het onderzoek wordt uitgevoerd door deskundigen die gespecialiseerd zijn in het uitvoeren van dergelijk onderzoek, hetgeen de zorgvuldigheid waarborgt. Nu bij de aannames die ten grondslag liggen aan de conclusies van het onderzoek al de nodige voorzichtigheid door het NFI is betracht, ziet het hof geen aanleiding voor nog verdergaande voorzichtigheid bij het gebruik van de onderzoeksresultaten voor het bewijs. Op basis van het beeldonderzoek stelt het hof dan ook vast dat de verdachte direct voorafgaand aan het ongeval met een snelheid reed tussen de 66 en 87 km/u, waarbij – ook in zoverre volgt het hof de bevindingen van het NFI – dit naar verwachting dichter bij de 81 km/u lag dan bij de 66 km/u. Dát de verdachte heeft gereden met een significant hogere snelheid dan toen ter plaatse was toegestaan, vindt ook steun in de verklaring die hij kort na het ongeval ter plaatse heeft afgelegd: tegenover verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaarde de verdachte ongeveer 70 km/u te hebben gereden.

Verklaringen van verbalisanten

[verbalisant 3] en [getuige 1] is de rijstijl van de verdachte voorafgaand aan het ongeval opgevallen. Zij constateren dat de verdachte met verhoogde snelheid via de rotonde het Oosteinde oprijdt. Vervolgens rijdt de verdachte met de bocht mee naar links. De verbalisanten beschrijven dan dat zij de achterlichten van de auto van de verdachte in een flits door de bocht zien gaan. Daarna, wanneer de verbalisanten ter hoogte van perceel zes rijden, zien zij de verdachte heel hard rijden over het Oosteinde. De verbalisanten [verbalisant 3] en [getuige 1] kunnen geen exacte snelheid noemen, maar schatten de snelheid van de verdachte ver boven de toegestane snelheid van 50 km/u. Direct hierna zien de verbalisanten de BMW uitbreken, naar links en rechts bewegen en tegen een boom tot stilstand komen.

[verbalisant 3] en [getuige 1] zijn gedurende het hoger beroep als getuigen gehoord door de raadsheer-commissaris. De tegenover de raadsheer-commissaris door hen afgelegde verklaringen zijn op hoofdlijnen consistent met de in hun proces-verbaal opgenomen bevindingen. Verbalisant [getuige 1] heeft bij de raadsheer-commissaris onder meer verklaard: “Onze snelheid lag al hoog en we kwamen niet echt dichterbij. Het ging zo allejezus hard dat ik mijn hart al vast hield. Het ging echt heel hard.”

Tussenconclusie

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte met een (veel te) hoge snelheid op de chicane is afgereden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat van algemene bekendheid is dat het begin van de chicane (bezien vanuit de rijrichting van de verdachte) op korte afstand (ongeveer 50 meter; zie ook Google Maps) is gelegen van het door verbalisanten [verbalisant 3] en [getuige 1] genoemde gedeelte van het Oosteinde dat zich ter hoogte van perceel zes bevindt. De verdachte is direct na de chicane de controle over het voertuig verloren en met een snelheid gelegen tussen de 66 en 87 km/u tegen een boom gebotst.

Causaal verband tussen rijgedrag en ongeval

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het feit genoemd in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW ) is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Dat betekent in de eerste plaats dat er een causaal verband moet bestaan tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval. Naar het oordeel van het hof is dit causale verband in deze zaak aanwezig. De verdachte is op de chicane afgereden met een snelheid die ruimschoots hoger was dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u, terwijl het wegdek nat en het buiten donker was. De verdachte heeft zijn snelheid bij het naderen van de chicane onvoldoende geminderd, dit terwijl een chicane dient als een snelheidsverminderend wegobstakel. Hierdoor is de auto direct na de chicane in een slip geraakt en is de verdachte de controle over zijn auto verloren en tegen een boom gebotst. Het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Mate van schuld

In de tweede plaats moet voor strafbaarheid de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld in de zin van artikel 6 WVW houdt in dat sprake is van (tenminste) verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Of hiervan sprake is, hangt af van het geheel van gedragingen van een verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In geval van gedragingen met een hogere graad van verwijtbaarheid kan dit worden gekwalificeerd als zeer onvoorzichtig en/of onoplettend handelen en in zeer ernstige gevallen als roekeloos rijgedrag. De ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat de gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, niet toereikend zijn voor het oordeel dat de verdachte roekeloos heeft gereden in de zin van artikel 175 lid 2 WVW. Het hof is van oordeel dat wel sprake is van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag van de verdachte. Het hof overweegt daartoe dat de verdachte met een onverantwoord hoge snelheid over het Oosteinde heeft gereden. Hij heeft voor de chicane onvoldoende snelheid geminderd en heeft direct na de chicane (naar eigen zeggen) zijn snelheid opnieuw verhoogd. Hierbij heeft de verdachte een snelheid bereikt gelegen tussen de 66 km/u en 87 km/u, terwijl een maximale snelheid van 50 km/u was toegestaan en het wegdek nat was. Daar komt bij dat de verdachte over een smalle weg reed en het buiten donker was. De verdachte is vervolgens de controle over het voertuig verloren en tegen een boom gebotst. Uit zijn in het politieverhoor afgelegde verklaring volgt voorts dat de verdachte kort vóór het bereiken van het Oosteinde bezig was een achterligger van zich af te schudden. Deze omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – maken dat het hof het rijgedrag van de verdachte aanmerkt als zeer onvoorzichtig, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen.

Causaal verband tussen ongeval en overlijden

Tot slot is voor bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde vereist dat sprake is van een causaal verband tussen het door de schuld van de verdachte ontstane ongeval en het overlijden van het slachtoffer. Daarvoor is niet vereist dat de schuld van de verdachte óók ziet op de dood van het slachtoffer. De raadsman heeft het bestaan van dit verband betwist. Het hof overweegt dat het feit dat het slachtoffer geen gordel droeg, niet aan het aannemen van een causaal verband in de weg staat: het door de verdachte veroorzaakte ongeval was (mede gelet op de plaats van het ongeval, naar algemene bekendheid zijnde een smalle weg waarlangs zich bomen en – rechts – water bevonden) zonder meer geëigend om dodelijk letsel teweeg te brengen, zodat het overlijden van het slachtoffer redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend als gevolg van het door hem veroorzaakte ongeval.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Het hof komt ook tot bewezenverklaring van de feiten 2 en 3, welk oordeel geen nadere motivering behoeft gelet op de ter terechtzitting ingenomen standpunten.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. primairhij op 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] ), daarmee rijdende over de weg, Oosteinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend, met een niet toegestane en onverantwoord hoge snelheid te rijden en na een chicane naar rechts de controle over het door hem bestuurde motorrijtuig kwijt te raken en in een slip te raken en tot stilstand te komen tegen een aldaar aanwezige boom, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

2.hij op 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten [nummer] , ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, het Oosteinde, als bestuurder een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken] ) van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

3.hij op 10 oktober 2020 te [plaats 2] , gemeente Koggenland, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW), gekentekend [kenteken] , daarmee heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, het Oosteinde, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bij dit arrest gevoegde bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

als bestuurder van een motorrijtuig daarmee op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Ook heeft de rechtbank hem een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van twee jaren. Ten aanzien van het in eerste aanleg onder 3 bewezenverklaarde heeft zij toepassing gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, en dat hem een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen wordt opgelegd voor de duur van drie jaren. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft zij gevorderd dat aan de verdachte een geldboete van € 750,00 wordt opgelegd, subsidiair vijftien dagen hechtenis.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen niet te ontzeggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte beginnend vrachtwagenchauffeur is, dat de verdachte zijn rijbewijzen inmiddels op orde heeft en dat een ontzegging – mede gelet op het tijdsverloop – in het kader van de verkeersveiligheid niet meer nodig is.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de feiten

In de nacht van 10 oktober 2020 reed de verdachte met zijn auto door [plaats 2] . Terwijl het donker was en het wegdek nat was, reed de verdachte met een onverantwoord hoge snelheid toen hij de chicane naderde én verliet. Vlak voordat hij frontaal tegen een boom botste, reed hij tussen de 66 en 87 km/u, terwijl de toegestane maximumsnelheid daar 50 km/u betrof. Door het rijgedrag van de verdachte is de tweeëntwintigjarige [slachtoffer] overleden. Door op die plek onder de genoemde omstandigheden met een onverantwoord hoge snelheid te rijden, heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht en zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer niet serieus genomen. Het hof ziet dit onvoorzichtige en ondoordachte rijgedrag terug in het gegeven dat de verdachte, kort voor het bereiken van het Oosteinde, een achterligger probeerde af te schudden. Het feit dat de verdachte zonder geldig rijbewijs en zonder verzekering op deze wijze deelneemt aan het verkeer, baart het hof zorgen. Het hof rekent hem dit gedrag dan ook zwaar aan. De verdachte heeft hierdoor onherstelbaar leed voor de nabestaanden van [slachtoffer] veroorzaakt. De ouders, broer en beste vriendin van [slachtoffer] hebben ter terechtzitting in eerste aanleg en/of in hoger beroep op indringende wijze verteld welke impact het plotselinge overlijden van [slachtoffer] op hen heeft (gehad). Het hof is zich ervan bewust dat geen enkele straf of maatregel het leed van de nabestaanden, familie en vrienden van [slachtoffer] zal kunnen wegnemen.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 11 augustus 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen voor het overtreden van de Wegenverkeerswet is veroordeeld. Met name valt op dat de verdachte meermaals – zowel voor als na het ongeluk – onherroepelijk is veroordeeld voor het overtreden van de Wegenverkeerswet door met een ongeldig verklaard rijbewijs te rijden, en dat hem in dit verband ook onvoorwaardelijke gevangenisstraffen zijn opgelegd. Ook rekent het hof het de verdachte aan dat hij na het plegen van onderhavige feiten opnieuw heeft gereden zonder geldig rijbewijs. Daaruit blijkt dat de verdachte zelfs na het dodelijk ongeval zijn gedrag niet heeft willen aanpassen. Het hof zal deze omstandigheden in strafverzwarende zin meewegen. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uit het dossier en ter terechtzitting zijn gebleken. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om de duur van de op te leggen sancties te matigen.

Op te leggen straffen

Gelet op de vastgestelde mate van schuld, de ernst van de gevolgen en het strafblad van de verdachte is het hof van oordeel dat als hoofdstraf alleen kan worden volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof mede gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Stafrecht ten aanzien van overtreding van artikel 6 WVW bij het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop, waarbij sprake is van ernstige schuld. Op basis daarvan is het uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Nu de verdachte ook wordt veroordeeld voor een tweede misdrijf en gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot het strafblad van de verdachte, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden. Nu het hof er onvoldoende gerust op is dat de verdachte zich veilig zal gedragen in het verkeer, acht het hof ook een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur drie jaren passend en geboden. Het hof betrekt daarbij het gegeven dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende rekenschap heeft getoond van zijn rijgedrag en van zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker, en dat de verdachte na het bewezenverklaarde opnieuw de fout in is gegaan door zonder geldig rijbewijs te rijden.

Voor het onder 3 bewezenverklaarde, een overtreding, geldt als landelijk oriëntatiepunt een geldboete van € 750,00. Deze boete zal het hof de verdachte voor het plegen van dat feit opleggen.

Redelijke termijn

In haar vonnis heeft de rechtbank overwogen dat de redelijke termijn van vierentwintig maanden in eerste aanleg met ruim anderhalf jaar is overschreden, en dat daarmee het recht op berechting binnen een redelijke termijn opgenomen in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Zij heeft daartoe overwogen dat in deze zaak de datum van het eerste verhoor (13 november 2020) van de verdachte als aanvangsdatum van de redelijke termijn moet worden gehanteerd. Ter terechtzitting in hoger beroep hebben partijen geen standpunten ingenomen over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (in eerste aanleg en/of in hoger beroep). Het hof is van oordeel dat ter zake van feit 1, het feit waar in deze strafzaak het zwaartepunt ligt, het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat op basis waarvan het ervoor moet worden gehouden dat op 13 november 2020 door de Staat tegen de verdachte een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. Het hof betrekt daarbij het gegeven dat de verdachte op die datum ten aanzien van feit 1 een ontkennende verklaring heeft afgelegd. In aanmerking genomen dat de dagvaarding in eerste aanleg op 5 augustus 2022 aan de verdachte is betekend, is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof geen sprake.

Het hof overweegt dat de redelijke termijn van vierentwintig maanden in hoger beroep met ruim twee maanden is overschreden. Het hof is van oordeel dat sprake is van een geringe overschrijding, ten aanzien waarvan met de constatering daarvan kan worden volstaan.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), aan de orde is.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de in beslag genomen auto (merk: BMW, kenteken [kenteken] ) verbeurd wordt verklaard.

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

Het hof is van oordeel dat het onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 STK personenauto (goednummer: [nummer] )

verbeurd dient te worden verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van de auto, die aan de verdachte toebehoort, op de wijze als bedoeld in artikel 33a, eerste lid, Sr.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 33a, 57, 62 en 63 Sr, artikel 30 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen en de artikelen 6, 9, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK personenauto (goednummer: [nummer] ).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J Hofstee, mr. H.A. Stalenhoef en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. M.C. de Rade, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 september 2026.

Bijlage

De bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal uit het dossier, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), en wordt de inhoud daarvan voor zover van belang en zakelijk weergegeven. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1

1. Een proces-verbaal van onderzoek plaats ongeval van 21 november 2020 (dossierpagina 19 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op zaterdag 10 oktober 2020, omstreeks 04:00 uur, reed de bestuurder van een BMW over de Oosteinde te [plaats 2] , gemeente Koggenland. De wettelijk toegestane maximum snelheid bedroeg ter plaatse 50 kilometer per uur. De route die de betrokken bestuurder van de BMW heeft gevolgd, komende vanuit Hoorn, was:

Ter hoogte van perceel 11 verloor de bestuurder de controle over zijn voertuig en botste tegen een van de bomen die ten noorden van de rijbaan stonden. De betrokken personenauto betrof een grijze BMW 5ER REIHE die voorzien was van het kenteken: [kenteken] . Het wegdek van de Oosteinde was ten tijde van het ongeval nat. Er lagen op dat wegvak diverse regenplassen. Het voertuig werd aangetroffen in de eindpositie. De BMW stond nagenoeg dwars op de rijbaan, met de voorzijde in noordelijke richting gekeerd. Het voertuig stond dicht bij de boom, die betrokken was bij de aanrijding. In de berm - enkele meters voor de botsplaats - zagen wij twee inrijsporen. Wij zagen dat de inrijsporen tot de betrokken boom doorliepen. De afstand van de bandensporen nam af naarmate de sporen de boom naderde.

De bestuurder van de BMW reed waarschijnlijk met een hogere snelheid dan de toegestane maximum snelheid. De opwaartse beweging gevolgd door een zijwaartse beweging, in combinatie met roodgekleurd asfalt, nat wegdek en hoge snelheid heeft waarschijnlijk geleid tot het uitbreken van de achterzijde van de BMW. Ter hoogte van perceel 11 botste hij tegen een van de bomen die ten noorden van de rijbaan stond.

Op donderdag 15 oktober 2020 van 04:45 uur tot 05:10 uur is door de lijkschouwer [persoon 2] . [persoon 3] , forensisch arts van de [bedrijf] te Amsterdam, de lijkschouw van de bijrijder verricht. Van deze schouw is door genoemde arts een verslag betreffende een niet natuurlijke dood opgemaakt. In dit rapport stond als doodsoorzaak vermeld: “22-jarig vrouw zit als bijrijder in een auto die tegen een boom botst, loopt fataal hersenletsel op, en overlijdt daaraan. Aan het lichaam is geen letsel te zien dat niet verklaard kan worden door het ongeval.”

2. Een proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 13 november 2020 (dossierpagina 95 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 november 2020 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

V = vraag verbalisant

A = antwoord verdachte

A= Wij kwamen bij de rotonde en zagen dat er een auto achter ons aan kwam. Ik hoorde van [slachtoffer] dat de auto ons zou volgen en ook deze kant op kwam. Wij reden toen op de andere rotonde af en ik dacht ik ga maar rechtdoor. Ik dacht als ik rechtdoor ga, dan ben ik van de andere auto af. Ik trok in de slingerbocht op. Ik voelde dat de auto weggleed. Ik bleef doorglijden, het wegdek was nat. Al heel snel was er die klap tegen de boom aan.

V= In welke auto reed jij tijdens het verkeersongeval?

A= In een BMW 5 serie.

V= Wie was de bestuurder?

A= Ikzelf.

V= Wat kun je vertellen over de plaats vlak voor het ongeval, over het verloop van de weg daar?

A= Ja dat het nat was. Na de rotonde gaat de bocht een beetje naar links. Hierna krijg je een slinger in de weg, van rechts naar links. Er ligt hier rood asfalt. Ik weet dat je over rood asfalt sneller wegglijdt.

V= Hoe hard reed je voor de rotonde?

A= Ik wilde een beetje doorrijden, zodat de auto verderop achter mij, moeilijk kon zien welke kant ik op ging.

3. Een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [getuige 1] (dossierpagina 71 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Op zaterdag 10 oktober 2020 omstreeks 04:00 uur zagen wij dat de BMW met verhoogde snelheid de rotonde op reed bij de [plaats 2] en de [plaats 3] en de twee afslag nam in de

richting van het Oosteinde te [plaats 2] . Wij zagen vervolgens dat de BMW het Oosteinde op reed en met de bocht mee naar links reed. Wij zagen de achterlichten van de BMW in een flits de bocht door gaan. Op het moment dat wij op het Oosteinde reden ter hoogte van perceel zes zagen wij dat de BMW heel hard reed. Een exacte snelheid kunnen wij niet schatten maar ver boven de maximum snelheid van 50 kilometer per uur die daar geldt. Toen zagen wij dat de achterkant van de BMW uitbrak. Wij zagen dat de achterkant van de BMW een aantal maal naar links en rechts bewoog en vervolgens tegen een boom in de rechterberm tot stilstand kwam. Wij gaven het kenteken van de BMW door, namelijk [kenteken] . Wij zagen dat de ons ambtshalve bekende [verdachte] geboren [geboortedag 1] 1996 te [geboorteplaats] vanachter het stuur uit de auto stapte. Wij, verbalisanten, zagen een vrouwelijk persoon op de bijrijder stoel zitten die geen teken van leven gaf. De vrouw bleek later te zijn: [slachtoffer] geboren [geboortedag 2] 1998 te [geboorteplaats] .

4. Een proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina 63 e.v.)

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als bevindingen van de verbalisanten:

Wij hoorden collega [getuige 1] over de portofoon roepen: “Auto gecrashed, auto gecrashed”. Hierop zijn wij snel naar de collega’s gereden. Wij zagen dat de grijskleurige BMW met de voorzijde van het voertuig tegen een boom aan stond. Wij zagen dat de bestuurder van de BMW uit het voertuig was. Ik, [verbalisant 1] , ben samen met collega op den [getuige 1] , bij de bestuurder van het voertuig gebleven. De bestuurder betrof de ons bekende [verdachte] . Ik, [verbalisant 1] , vroeg aan [verdachte] hoe hard hij had gereden. Ik hoorde [verdachte] het volgende tegen mij zeggen: “Ik heb ongeveer 70 kilometer per uur gereden.”

5. Een schriftelijk bescheid (aanvullend dossierstuk), inhoudende een verslag van de deskundige [persoon 1] van 19 december 2023, als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 4° Sv. Dit geschrift houdt onder meer in:

Beeldonderzoek naar de snelheid van een auto naar aanleiding van een aanrijding te [plaats 2] op 10 oktober 2020.

3 Onderzoek

De snelheid van een auto zichtbaar in videobeelden kan bepaald worden indien de auto in tenminste twee verschillende beelden zichtbaar is. De gemiddelde snelheid volgt dan uit de door de auto afgelegde afstand en de verstreken tijd tussen die twee beelden.

5 Interpretatie van resultaten

Uit het positioneringsonderzoek en de daaruit gemeten afstanden zijn samen met de tijd tussen de uitgekozen beelden drie snelheden berekend, te weten: 66, 81 en 87 km/h. De snelheid van 66 km/h is berekend op basis van de afstand tussen de posities waarbij de auto voor het eerste beeld te ver naar voren is geplaatst en voor het tweede beeld te ver naar achter. In de veiliggestelde beelden van het positioneren is ook duidelijk waargenomen dat de auto te ver naar voren respectievelijk te ver naar achteren is geplaatst. Dit betekent dat de afstand tussen die posities in elk geval een onderschatting is voor de afstand die de auto in werkelijkheid heeft afgelegd tussen die twee beelden. Daarmee is de berekende snelheid van 66 km/h ook een absolute onderschatting voor de gemiddelde snelheid van de auto. De werkelijk gereden gemiddelde snelheid zal boven de 66 km/h liggen.

De snelheid van 87 km/h is berekend op basis van de afstand tussen de posities waarbij de auto voor het eerste beeld te ver naar achter is geplaatst en voor het tweede beeld te ver naar voren. Daarom zal de werkelijk gereden gemiddelde snelheid beneden de 87 km/h liggen. De snelheid van 81 km/h is berekend op basis van een "beste" plaatsing. De snelheid van 81 km/h is naar verwachting eerder een overschatting dan een onderschatting van de werkelijk gereden gemiddelde snelheid. Deze berekende snelheid van 81 km/h ligt naar verwachting dichter bij de werkelijk gereden gemiddelde snelheid dan de hierboven berekende onder- en bovengrens. De gemiddelde snelheid van de auto heeft tenminste 66 km/u en maximaal 87 km/h bedragen. Deze minimale en maximale snelheid zijn absolute grenzen. De werkelijk gereden gemiddelde snelheid zal tussen die grenzen hebben gelegen.

6. Een verklaring van de deskundige [persoon 1] van het NFI ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 juni 2024 inhoudende:

De gereden snelheid ligt naar verwachting dichterbij de 81 km/u dan bij de 66 km/u.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 21 mei 2026, opgemaakt door mr. J.J.J. Schols, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 mei 2026 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 2]:

V = vraag raadsheer-commissaris/raadsman

A = antwoord getuige

V = Verderop is gerelateerd dat de auto (BMW) “heel hard” en “ver boven de maximumsnelheid” reed op verschillende plaatsen, waaronder op het Oosteind, waar het ongeval plaatsvond. Kunt u ook daarover uitleggen wat met die aanduidingen werd bedoeld?

A = Eigenlijk precies zoals het er staat. Harder dan toegestaan. Normaal proberen wij een auto te meten als de kans daartoe is maar dat was in dit geval niet mogelijk.

V = Er is gerelateerd dat de BMW uitbrak met de achterkant. Wie, uw collega of u, heeft wat gedaan en gezien op dat moment?

A = Het enige beeld dat ik nog steeds voor me heb is dat de BMW uit de chicane kwam, de achterkant uitbrak en over de weg zwaaide en vervolgens tegen de boom reed.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 21 mei 2026, opgemaakt door mr. J.J.J. Schols, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 21 mei 2026 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van getuige [getuige 1]:

V = vraag raadsheer-commissaris/raadsman

A = antwoord getuige

V = Verderop is gerelateerd dat de auto (BMW) “heel hard” en “ver boven de maximumsnelheid” reed op verschillende plaatsen, waaronder op het Oosteind, waar het ongeval plaatsvond. Kunt u ook daarover uitleggen wat met die aanduidingen werd bedoeld?

A = Onze snelheid lag al hoog en we kwamen niet echt dichterbij. Het ging zo allejezus hard dat ik mijn hart al vast hield. Het ging echt heel hard.

V = Kunt u op de afstand die u verwijderd was van de BMW een inschatting maken van de snelheid?

A = Ik kijk op eigen snelheidsmeter en die sloeg behoorlijk uit. En we kwamen niet dichterbij.

V = Wat was de reden om de meldkamer daarvan in kennis te stellen?

A = Het ging zo hard. Ik dacht als het zo doorgaat gaan er gewonden vallen.

Ten aanzien van feiten 2 en 3

De verdachte heeft feiten 2 en 3 bekend. Door of namens hem is ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. Overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 359, derde lid, laatste volzin Sv, zal het hof daarom volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan tot een bewezenverklaring is gekomen, namelijk:

=========================================================================

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand