GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/1835
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 8 juli 2025 in de zaak met kenmerk HAA 23/2839 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm):
“De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
draagt [de inspecteur] op de helft van het door [belanghebbende] betaalde griffierecht te vergoeden, tot een bedrag van € 182,50;
draagt [de Staat] op de helft van het door [belanghebbende] betaalde griffierecht te vergoeden, tot een bedrag van € 182,50;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 6 januari 2026 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek), 1 mei 2026 (“pleitnota” en tevens “deskundigenbericht”), 4 mei 2026 (“pleitaantekeningen”) en 8 mei 2026, en
nadere stukken door de inspecteur op 30 april 2026 (twee stuks) en op 7 mei 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende, die zich bedrijfsmatig bezighoudt met het verzorgen van de import van gebruikte auto’s, heeft met dagtekening 19 april 2021 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Tiguan R 2.0 TSI 4Motion uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
1 maart 2021
Bruto bpm
€ 34.334
Historische nieuwprijs
€ 95.492
Handelsinkoopwaarde (cf. koerslijst XRAY)
€ 47.731
Verschuldigde bpm
€ 17.160
Bij brief van 21 januari 2022 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen bpm na te heffen. Daarbij heeft de inspecteur erop gewezen dat (i) de auto niet als zodanig in de gebruikte koerslijst voorkomt, maar is uitgegaan van een Tiguan Highline, waarbij de catalogusprijs is verhoogd met opties tot een bedrag van € 39.000 (72 percent van de “consumentenprijs fiscaal”) en (ii) de afschrijving door de opties veel hoger is dan de afschrijving als het juiste model in de koerslijst was opgenomen. Daarom had, zo luidt de brief, een taxatierapport moeten worden gebruikt. Omdat dat niet is gebeurd, heeft de inspecteur de afschrijving van de auto aan de hand van de forfaitaire tabel bepaald op elf percent, leidend tot een verschuldigde bpm van € 30.557. Van de in de brief geboden gelegenheid tot reageren binnen drie weken heeft belanghebbende geen gebruik gemaakt.
Met dagtekening 11 maart 2022 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, met een te betalen bedrag van € 13.397 (€ 30.557 -/- € 17.160).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd, nadat de aangetekende bezorging van een uitnodiging voor het hoorgesprek van 14 juni 2022 bij de gemachtigde van belanghebbende was geweigerd en die gemachtigde vervolgens niet meer heeft gereageerd.
3. Geschil in hoger beroep
Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
Voorts falen de klachten over de hoogte van de naheffingsaanslag. Het lag op de weg van belanghebbende, die bedrijfsmatig de import van auto’s verzorgt voor klanten, om een taxatierapport van de auto te laten opmaken ten bewijze van de waardevermindering. Zij heeft daarentegen een koerslijst gebruikt die niet representatief is voor de auto en daarom niet kan dienen om de waarde van de auto aan te ontlenen. De auto heeft (veel) meer vermogen en is, zo heeft de inspecteur onweersproken gesteld, van een andere uitvoering dan het voertuig in de koerslijst bij de aangifte bpm. Evenmin is een andere geschikte koerslijst gevonden.
Dat belanghebbende geen (deugdelijk) taxatierapport heeft laten opmaken, komt voor haar rekening. Zij heeft als gevolg daarvan niet bewezen dat de waardevermindering van de auto meer beliep dan de elf percent die uit de afschrijvingstabel voortvloeit. Voor zover een hogere afschrijving al buiten de in de Wet bpm 1992 voorziene methoden aannemelijk zou kunnen worden gemaakt, is dat belanghebbende evenmin gelukt. De berekeningswijze in het in hoger beroep overgelegde ‘deskundigenbericht / expertise’ van [X] overtuigt het Hof niet in voldoende mate, ook niet na de daarop ter zitting gegeven toelichting. Daarbij is een richtlijn over afschrijving van een vereniging van deskundigen, waarnaar belanghebbende ter zitting heeft verwezen, te algemeen van aard.
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
5. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: