GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/844
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 11 maart 2025 in de zaak met kenmerk HAA 21/6551 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) en een beschikking belastingrente, alsmede op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 917;
veroordeelt [de Staat] tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.083;
veroordeelt [de inspecteur] in de helft van de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 113,38;
veroordeelt [de Staat] in de helft van de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 113,38;
draagt [de inspecteur] op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 90,50, aan [belanghebbende] te vergoeden;
draagt [de Staat] op de helft van het betaalde griffierecht, oftewel een bedrag van € 90,50, aan [belanghebbende] te vergoeden;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de wettelijk rente over bovenstaande vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“pleitnota” en “algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft met dagtekening 11 november 2019 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Volkswagen Golf 2.0 TSI GTI Performance uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
11 maart 2019
Bruto bpm
€ 8.566
Historische nieuwprijs
€ 49.451
Handelsinkoopwaarde (cf. taxatierapport)
€ 7.500
Verschuldigde bpm
€ 1.298
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ([A] VOF). In dat rapport is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 23 oktober 2019 en dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 22.250 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van vier referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 17.233,42 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 8.825 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.
De auto is op 18 november 2019 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Historische nieuwprijs
€ 49.929
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (o.b.v. koerslijst Eurotax)
€ 29.343
Waardevermindering door schade
€ 751 (84% van € 892 gecalculeerde schade)
Handelsinkoopwaarde
€ 28.592
DRZ heeft in vele posten van de schadecalculatie van [A] niet meer dan normale gebruiksschade gezien en heeft op enkele punten de calculatie aangepast. Bij het verslag zijn foto’s gevoegd.
Desgevraagd heeft belanghebbende een aankoopfactuur van de auto van 9 november 2019 aan de inspecteur verstrekt met een te betalen bedrag van € 22.500 (inclusief btw), uitgereikt door [B] uit Amsterdam en onder vermelding van lakschade en contante betaling. Voorts heeft belanghebbende aan de inspecteur een koopovereenkomst voor de auto van 5 december 2019 verstrekt, tussen [C] BV uit ’s-Gravenhage als koper en hemzelf als verkoper, waarin een overeengekomen prijs van € 22.550 is vermeld, die contant is betaald, en als gebreken zijn vermeld “lakschade + deuk rondom”.
Bij brief van 27 maart 2020 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen, conform de afwijkende gegevens die DRZ heeft verstrekt en uitgaande van een verschuldigde bpm van € 4.904. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de in die brief geboden gelegenheid tot reageren binnen drie weken.
Met dagtekening 29 mei 2020 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, met een te betalen bedrag van € 3.606 (€ 4.904 -/- € 1.298), en daarbij € 24 belastingrente in rekening gebracht.
Bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.899 (en € 19 belastingrente), vanwege het in aanmerking nemen van een lagere handelsinkoopwaarde (€ 24.471; de verschuldigde bpm is daarvan uitgaande € 4.197). Daarbij heeft de inspecteur een vergoeding van proceskosten toegekend van € 530 (2 punten, waarde per punt € 265 en wegingsfactor 1).
3. Geschil in hoger beroep
Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag, als verminderd in bezwaar, terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de inspecteur in de uitspraak op bezwaar is uitgegaan van de juiste puntwaarde voor het bepalen van de te vergoeden kosten en of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te klagen over de door de inspecteur voor de auto gehanteerde handelsinkoopwaarde, faalt die klacht. Niet aannemelijk is gemaakt dat de gezochte waarde van de auto minder is dan € 24.471. Die waarde heeft de inspecteur in bezwaar berekend uitgaande van de laagst beschikbare koerslijstwaarde (van Eurotax) onder aftrek van 84 percent van de door DRZ gecalculeerde schade. Dat komt voor als een bepaald gunstige berekeningswijze. Daarbij is op de foto’s in de stukken nauwelijks schade aan de auto te zien. Daartegenover is het taxatierapport bij de aangifte duidelijk ondeugdelijk en zijn de algemeenheden die belanghebbende overigens naar voren heeft gebracht van onvoldoende gewicht om anders te oordelen. De andere elementen van de berekening van de verschuldigde bpm zijn niet in geschil.
Ten aanzien van de belastingrente
Het standpunt van belanghebbende dat het in rekening brengen van belastingrente bij een naheffing van bpm voor de registratie van een gebruikt voertuig uit een andere lidstaat in strijd is met artikel 110 van het VwEU, is in al zijn algemeenheid evident onjuist. Bedoeld standpunt steunt op de redenering dat gebruikte, reeds in het binnenland geregistreerde voertuigen a priori zijn uitgesloten van de heffing en inning van bpm. Dat is op zich juist, maar die omstandigheid staat nu juist niet in de weg aan heffing van bpm bij de registratie van een gebruikt voertuig uit een andere lidstaat tot het bedrag van de rest-bpm dat is vervat in de waarde van een gelijksoortig binnenlands voertuig (vgl. HvJ 7 april 2011, Tatu, C-402/09, ECLI:EU:C:2011:219, punten 39 en 40). Niet valt in te zien waarom diezelfde omstandigheid wel principieel in de weg zou staan aan het in rekening brengen van (belasting)rente wanneer niet tijdig is geheven, door toedoen van de belastingplichtige zelf nog wel, die de verschuldigde bpm niet (volledig) op aangifte heeft voldaan. Door rente in rekening te brengen kan de belastingplichtige het voordeel worden ontnomen van het langer kunnen beschikken over verschuldigde belasting en kunnen de kosten van de Staat worden gedekt van het gedurende een zekere periode niet kunnen beschikken over belastingopbrengst (vgl., in de omgekeerde situatie, HvJ 8 maart 2001, Metallgesellschaft e.a., C-397/98 en C-410/98, ECLI:EU:C:2001:134, punt 87 e.v.).
Ten aanzien van de kosten voor de behandeling van het bezwaar
Belanghebbende klaagt terecht dat de inspecteur de forfaitair bepaalde kosten voor de behandeling van het bezwaar ten onrechte heeft vastgesteld uitgaande van de lage waarde per punt (vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Het Hof zal de kostenvergoeding voor de bezwaarfase nader vaststellen op € 1.332. Daarbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als de inspecteur over het aantal punten en de wegingsfactor en is uitgegaan van een waarde per punt van € 666. Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding, ook niet op grond van het Unierecht, reeds omdat niet is gesteld dat belanghebbende meer kosten heeft gemaakt.
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade
De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt eveneens. Anders dan belanghebbende in wezen betoogt, impliceert de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, niet zonder meer dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaić e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39). De door belanghebbende aangevoerde algemeenheden rechtvaardigen mede in dat licht niet de slotsom dat de toegekende vergoeding van immateriële schade ontoereikend is.
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond. Het beroep moet alsnog gegrond worden verklaard in verband met het onjuiste bedrag aan kosten dat de inspecteur in verband met de behandeling van het bezwaar heeft toegekend.
5. Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Voor het geding in hoger beroep worden de door de inspecteur te vergoeden kosten met toepassing van het forfait van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 47 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,25 (desnoods met toepassing van artikel 2, lid 2, van het Besluit, omdat belanghebbende slechts gelijk krijgt op een onbetekenend punt) en vermenigvuldigingsfactor 0,1).
Voor de kosten voor het geding voor de rechtbank gaat het Hof uit van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Het beroep is een van de (zeer) vele beroepen, waarin de gemachtigde overwegend op sjabloonmatige wijze overwegend dezelfde geschilpunten aan de orde stelt met vooral enige verschillen in de details. Als de synergievoordelen die als gevolg daarvan optreden worden genegeerd, en bij de bepaling van het bedrag van de te vergoeden kosten onverkort wordt vastgehouden aan het forfait van het Besluit, wordt een vergoeding toegekend die de in redelijkheid daadwerkelijk gemaakte kosten verre overtreft. Ex aequo et bono stelt het Hof de kosten van het geding voor de rechtbank daarom vast op € 226,75. Dat is precies het bedrag dat de rechtbank reeds heeft toegekend.
De kosten in verband met de behandeling van het bezwaar worden nader vastgesteld op € 1.332 (zie 4.4). Dat is € 802 meer dan het bedrag van € 530 dat de inspecteur al heeft vergoed (zie 2.8).
De inspecteur zal daarom in totaal worden veroordeeld tot een (aanvullende) vergoeding van kosten aan belanghebbende van € 849 (€ 47 + € 802), waarbij het Hof tevens zal beslissen over vergoeding van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
6. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: