GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/788
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 21 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 21/6055 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), alsmede op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2021;
herroept de naheffingsaanslag van 20 november 2020 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 385;
veroordeelt [de Staat] tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.115;
veroordeelt [de inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 2.060;
draagt [de inspecteur] op het betaalde griffierecht, van € 181 aan [belanghebbende] te vergoeden;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de wettelijk rente over bovenstaande vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 4 december 2025 (“conclusie van repliek”), 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
De inspecteur heeft bpm nageheven ter zake van de registratie in het kentekenregister van een gebruikte personenauto uit een andere lidstaat, op de grond dat belanghebbende eerder te weinig bpm op aangifte heeft voldaan. Meer bepaald heeft de inspecteur de waarde die is vermeld in het bij de aangifte bpm gevoegde taxatierapport van [taxateur] ([A]) in twijfel getrokken. Volgens de inspecteur zou de waardevermindering als gevolg van meer dan normale gebruiksschade aan de personenauto minder belopen.
De rechtbank heeft de inspecteur niet gevolgd in zijn standpunt en heeft – in de woorden van de rechtbank – de naheffingsaanslag herroepen.
3. Geschil in hoger beroep
In geschil is of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.
4. Beoordeling van het geschil
Vooraf: naheffingsaanslag is vernietigd
Vooropgesteld wordt dat herroeping van de naheffingsaanslag hetzelfde is als vernietiging daarvan. Belanghebbende heeft geen belang bij vernietiging van de desbetreffende beslissing van de rechtbank, ook al berust die beslissing zijns inziens op onjuiste gronden. Naar het Hof begrijpt is het belanghebbende uiteindelijk ook te doen om de nevenbeslissingen, die volgens hem anders hadden moeten zijn als de rechtbank de naheffingsaanslag zou hebben vernietigd op de volgens hem juiste gronden. Dat standpunt zal het Hof hierna beoordelen.
Ten aanzien van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade
De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt. Anders dan belanghebbende in wezen betoogt, impliceert de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, niet zonder meer dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaić e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39). De door belanghebbende aangevoerde algemeenheden rechtvaardigen mede in dat licht niet het oordeel dat de toegekende vergoeding van immateriële schade ontoereikend is. Elke aanwijzing ontbreekt dat die vergoeding de daadwerkelijk door de duur van de berechting geleden schade niet ten minste benadert.
Ten aanzien van de hoogte van de proceskostenveroordeling
De klacht dat de rechtbank de te vergoeden proceskosten op grond van het Unierecht tot een hoger bedrag had moeten vaststellen, omdat artikel 110 van het VwEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU zijn geschonden, faalt eveneens, reeds omdat gesteld noch gebleken is dat de door belanghebbende daadwerkelijk gemaakte, noodzakelijke kosten meer belopen dan de toegekende vergoeding. In de schriftelijke machtiging is zelfs vermeld dat de gemachtigde zijn diensten verleent op basis van ‘no cure, no pay’. De ‘pay’ bestaat daarbij kennelijk uit de toegekende proceskostenvergoeding en uit andere door de rechter in nevenbeslissingen toegekende vergoedingen. Die laatste vergoedingen buiten beschouwing gelaten, heeft dat beloningsmodel inherent als gevolg dat de werkelijke proceskosten van belanghebbende gelijk zijn aan de vergoede kosten. Belanghebbende zal daarom niet adequater ‘schadeloos’ worden gesteld met een hogere vergoeding. Bovendien is een vergoeding van € 2.060 aan proceskosten in deze niet complexe zaak meer dan redelijk.
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
5. Kosten
Voor een kostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: