GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/769
9 juli 2026
uitspraak van de negende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] , wonende te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
tegen de uitspraak van 12 februari 2025 in de zaak met kenmerk HAA 22/3936 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
1. de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en
2. de Staat der Nederlanden (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
1. Ontstaan en loop van het geding
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt beslist op het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm), alsmede op het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn:
“De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 750;
veroordeelt [de inspecteur] in de helft van de te vergoeden proceskosten van [belanghebbende], zijnde een bedrag van € 109,38;
veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de immateriële schade van [belanghebbende] tot een bedrag van € 750;
veroordeelt [de Staat] in de helft van de te vergoeden proceskosten van [belanghebbende], zijnde een bedrag van € 109,38;
veroordeelt [de inspecteur] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening, en
veroordeelt [de Staat] tot vergoeding van de wettelijk rente over de vergoedingen vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop de opgaaf van een bankrekening(nummer) op naam van [belanghebbende] door [de inspecteur] is ontvangen, tot aan de dag van algehele voldoening.”
In hoger beroep hebben partijen de volgende inhoudelijke stukken ingediend:
een beroepschrift door belanghebbende;
een verweerschrift door de inspecteur;
nadere stukken door belanghebbende op 11 februari 2026 (wrakingsverzoek), 28 april 2026 (“algemene reactie” met tweede wrakingsverzoek), 1 mei (“pleitnota”) en 6 mei 2026 (“pleitaantekeningen”), en
een nader stuk door de inspecteur op 30 april 2026.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2. Feiten
Belanghebbende heeft met dagtekening 7 juli 2020 een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Mercedes-Benz GLA 250 4Matic Premium Plus uit een andere EU-lidstaat (hierna: de auto).
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens over de auto vermeld:
Datum eerste toelating
8 februari 2017
CO2-uitstoot
155 g/km
Bruto bpm
€ 10.371
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 36.630
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 53.980
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 800
Verschuldigde bpm
€ 153
Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [taxateur] ( [A] VOF). In dat rapport is vermeld dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van de auto € 19.800 is, bepaald door vergelijking met geadverteerde verkoopprijzen van drie referentievoertuigen onder aftrek van een marge. Het taxatierapport bevat daarnaast een schadecalculatie tot een bedrag van € 19.111,26 (inclusief btw), waarvan alleen spuitwerk € 7.425 (exclusief btw) uitmaakt, en diverse foto’s.
De auto is op 16 juli 2020 geschouwd bij Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ van de schouw zijn de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 43.005
Historische nieuwprijs
€ 61.693
Handelsinkoopwaarde onbeschadigd (o.b.v. koerslijst Eurotax)
€ 23.742
Waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 23.742
De vermelde inkoopwaarde in de koerslijst van Eurotax van € 23.742 is de som van een basiswaarde van € 22.324, een maandaanpassing van -/- € 698, een kilometerbijstelling van € 761 en een bedrag aan “totaal opties” van € 1.355. De in de koerslijst vermelde bijstellingen voor markt- en dealersituatie – na de kilometerbijstelling maar vóór de opties – zijn op nihil gesteld.
Bij brief van 31 maart 2021 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om voor de auto bpm na te heffen, uitgaande van een verschuldigde bpm van € 3.263. Volgens de bij de kennisgeving gevoegde berekening is de afschrijving bepaald aan de hand van de afschrijvingstabel. Belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de in die brief geboden gelegenheid tot reageren binnen drie weken.
Met dagtekening 21 mei 2021 heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd, met een te betalen bedrag van € 3.110 (€ 3.263 -/- € 153).
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.
3. Geschil in hoger beroep
Net als in eerste aanleg is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. Daarnaast is in geschil of de nevenbeslissingen in de bestreden uitspraak toereikend zijn.
4. Beoordeling van het geschil
Ten aanzien van het verdedigingsbeginsel
De klacht dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd op grond van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, omdat de inspecteur belanghebbende niet heeft gehoord voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag, faalt. Belanghebbende is in de kennisgeving van het voornemen om de naheffingsaanslag op te leggen in de gelegenheid gesteld zich binnen drie weken uit te laten over de feiten waarop de inspecteur dat voornemen baseerde, maar heeft die gelegenheid niet benut. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die meebrengen dat de inspecteur belanghebbende nader of anders de gelegenheid had moeten bieden om te worden gehoord uit het oogpunt van waarborging van de effectieve mogelijkheid om zich uit te spreken over het voornemen en het bewijs waarop dat voornemen was gestoeld.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag
Belanghebbende klaagt wel terecht over de hoogte van de naheffingsaanslag. Partijen zijn het erover eens dat een hogere historische nieuwprijs in aanmerking komt, te weten € 62.407 en een lagere bruto bpm, te weten € 8.588, naar het tarief van 2016. Daarnaast wordt het standpunt van belanghebbende gevolgd dat ook een lagere handelsinkoopwaarde in aanmerking komt.
Wat de handelsinkoopwaarde betreft, geldt dat de door de inspecteur in het kader van de naheffing gebruikte koerslijst van Eurotax de mogelijkheid bevat van bijstellingen voor markt- en dealersituatie die, indien alsnog toegepast, tot een lagere (koerslijst)waarde leiden. Het Hof volgt daarbij niet de stelling van belanghebbende dat die bijstellingen in de koerslijst mede op het bedrag aan opties worden toegepast. De inspecteur heeft die stelling onder verwijzing naar de opbouw van de koerslijst ook gemotiveerd betwist. Desondanks leidt toepassing van de bijstellingen voor markt- en dealersituatie, die gecombineerd vijftien percent belopen, tot een waarde van € 20.383 (= (€ 22.324 -/- € 698 + € 761) * 0,85 + € 1.355). Die waarde had voor de berekening van de verschuldigde bpm in aanmerking moeten worden genomen.
Anders dan de inspecteur heeft betoogd, rechtvaardigt de omstandigheid dat voor de auto een (iets) hogere historische nieuwprijs in aanmerking komt dan is vermeld in de koerslijst, allicht door een wat afwijkende CO2-uitstoot, geen verhoging van de handelsinkoopwaarde. De koerslijstmethode houdt immers in dat de koerslijstwaarde onverkort wordt overgenomen als handelsinkoopwaarde (artikel 10, lid 7, van de Wet bpm 1992 (tekst 2020)). De inspecteur heeft daarnaast niet (voldoende) betwist dat de koerslijst van Eurotax een voertuig betreft van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd als de auto. De enkele verwijzing naar het verschil in CO2-uitstoot is daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende (de inspecteur heeft zelf, conform het advies van DRZ, de koerslijst van Eurotax gebruikt).
Uitgaande van de hogere historische nieuwprijs en de lagere handelsinkoopwaarde, als vermeld in 4.2.1 en 4.2.2, bedraagt de verschuldigde bpm € 2.804 (20.383 / 62.407 * € 8.588), zodat de naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 2.651 (€ 2.804 ‑/‑ € 153).
Ten aanzien van de vergoeding van immateriële schade
De klacht dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding van immateriële schade dan de rechtbank heeft toegekend, faalt eveneens. Anders dan belanghebbende in wezen betoogt, impliceert de omstandigheid dat de toegekende vergoeding van immateriële schade minder zou belopen dan de bedragen die het EHRM in vergelijkbare gevallen heeft toegekend, niet zonder meer dat geen effectieve remedie is geboden tegen overschrijding van de redelijke termijn (zie EHRM 17 juli 2008, Kaić e.a. t. Kroatië, nr. 22014/04, punt 39). De door belanghebbende aangevoerde algemeenheden rechtvaardigen mede in dat licht niet de slotsom dat de toegekende vergoeding van immateriële schade ontoereikend is.
Ten aanzien van de overige klachten
Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een andere beslissing dan hierna onder 6 is vermeld. In het bijzonder zijn de diverse klachten over schendingen van het Unierecht al vaak afgewezen. Het Hof komt dienaangaande ook thans niet tot andere oordelen dan de oordelen in rechtsoverweging 4.4 van zijn uitspraak van 26 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:3184, en de daar aangehaalde rechtspraak. In rechtsoverweging 4.8 van de uitspraak van heden met kenmerk 24/3413, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan deze uitspraak wordt gehecht, heeft het Hof in aanvulling daarop voor diverse standpunten verduidelijkt waarom prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU niet nodig zijn.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
5. Kosten
Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Voor het geding in hoger beroep worden de door de inspecteur te vergoeden kosten met toepassing van het forfait van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en artikel 19a van de Wet bpm 1992 vastgesteld op € 234 (2 punten, puntwaarde € 934, wegingsfactor 0,5 en vermenigvuldigingsfactor 0,25).
Voor de kosten voor het geding voor de rechtbank gaat het Hof uit van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit. Het beroep is een van de (zeer) vele beroepen, waarin de gemachtigde overwegend op sjabloonmatige wijze overwegend dezelfde geschilpunten aan de orde stelt met vooral enige verschillen in de details. Als de synergievoordelen die als gevolg daarvan optreden worden genegeerd, en bij de bepaling van het bedrag van de te vergoeden kosten onverkort wordt vastgehouden aan het forfait van het Besluit, wordt een vergoeding toegekend die de in redelijkheid daadwerkelijk gemaakte kosten verre overtreft. Ex aequo et bono stelt het Hof de kosten van het geding voor de rechtbank daarom vast op € 280 (30% van het forfait). Dat is € 61,25 meer dan de rechtbank heeft toegekend.
Ten slotte acht het Hof ook wat betreft de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit aanwezig. Wederom omdat stukken op sjabloonmatige wijze zijn ingericht. Ex aequo et bono, en in aanmerking genomen dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden, stelt het Hof de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar daarom vast op € 50.
De inspecteur zal daarom in totaal worden veroordeeld tot een vergoeding van kosten aan belanghebbende van € 345,25 (€ 234 + € 61,25 + € 50), waarbij het Hof tevens zal beslissen over vergoeding van wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.
6. Beslissing
Het Hof:
De uitspraak is gedaan door mr. W.J. Blokland, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. W. de Gelder als griffier. De beslissing is op 9 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: