GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.361.428/01, 200.361.428/02 en 200.361.428/03
zaaknummer rechtbank: C/15/366184 / FA RK 25-2888
beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A ] ,
verzoeker in hoger beroep,
verzoeker in het incident (schorsing),
verzoeker in de provisionele voorziening,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.B. Brouwer te 's-Gravenhage,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B ] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in hoger beroep,
verweerster in het incident (schorsing),
verweerster in de provisionele voorziening,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.M. Kers te Haarlem.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- de minderjarige [minderjarige 3] , hierna: [minderjarige 3] .
1. De zaak in het kort
De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (15 jaar), [minderjarige 2] (14 jaar) en [minderjarige 3] (9 jaar) (hierna: de kinderen). De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op € 258,- per kind per maand met ingang van 2 juni 2025.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil wordt gesteld met ingang van 2 juni 2025.
Ook de moeder vindt de beslissing van de rechtbank niet juist, omdat zij heeft verzocht om een door de vader te betalen kinderalimentatie van € 258,- per maand voor drie kinderen in totaal. Zij is echter van mening dat de vader in staat is deze kinderalimentatie te betalen.
2. De procedure in hoger beroep
De vader is op 10 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 11 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank) (zaaknummer: 200.361.428/01). Hij verzoekt tevens de werking van de bestreden beschikking te schorsen (zaaknummer: 200.361.428/02).
Daarnaast verzoekt de vader voor de duur van de procedure een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). (zaaknummer: 200.361.428/03).
De moeder heeft op 27 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- twee berichten van de zijde van de vader van 26 januari 2026;
- een bericht van de moeder van 7 augustus 2026 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 11 augustus 2026 met bijlagen.
De zitting heeft op 13 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
Na afloop van de zitting heeft de vader, zoals ter zitting is afgesproken, op 19 augustus 2026 zijn nieuwe arbeidsovereenkomst overgelegd. De moeder is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2012,
- [minderjarige 3] , geboren [in] 2017;
De ouders zijn getrouwd geweest tot 22 september 2021.
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking van 9 juni 2021 vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de vader op dat moment geen draagkracht had om een bedrag aan kinderalimentatie te voldoen.
[in] 2026 is [minderjarige 4] geboren, kind van de vader en zijn huidige partner.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor de kinderen met ingang van 2 juni 2025 bepaald op € 258,- per kind per maand. De vader heeft geen verweer gevoerd in de procedure bij de rechtbank.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 2 juni 2025 op nihil wordt gesteld, dan wel een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen met ingang van een datum zoals het hof juist acht (zaaknummer: 200.361.428/01). Daarnaast verzoekt de vader in het incident voor de duur van het geding in hoger beroep de werking van de bestreden beschikking te schorsen (zaaknummer: 200.361.428/02).
Voorts verzoekt de vader te bepalen dat de bestreden beschikking met ingang van 11 augustus 2025 buiten werking wordt gesteld totdat in de hoofdzaak een eindbeschikking zal worden gegeven en de door hem te betalen kinderalimentatie op € 50,- per maand vast te stellen, met dien verstande dat voor zover de vader meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald over de periode van 11 augustus 2025 tot de datum van de eindbeschikking de bijdrage tot die datum alsdan wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald en/of op hem is verhaald (zaaknummer: 200.361.428/03).
De moeder verzoekt het beroep van de vader af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
Zaaknummers 200.361.428/02 en 200.361.428/03
De vader heeft zijn verzoeken ten aanzien van de schorsing van de werking van de bestreden beschikking en de provisionele voorziening ex artikel 223 Rv ingetrokken, zodat daarop niet meer behoeft te worden beslist.
Zaaknummer 200.361.428/01
Kinderalimentatie
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank abusievelijk een door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie van € 258,- per maand per kind heeft vastgesteld, terwijl de moeder een kinderalimentatie van € 258,- voor drie kinderen in totaal had verzocht. De vader stelt zich daarnaast op het standpunt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om deze door de moeder verzochte kinderalimentatie te voldoen.
Ingangsdatum
De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, te weten 2 juni 2025, is niet in geschil, zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.
Behoefte van de kinderen
Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de behoefte van de kinderen. Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van de kinderen uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en het hof stelt op basis daarvan de behoefte vast met behulp van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen te verminderen met de belastingen en premies die verschuldigd zijn.
Partijen stellen zich beide op het standpunt dat de behoefte aan de hand van het inkomen van partijen uit 2021 moet worden berekend, zodat het hof hier ook vanuit zal gaan. Het hof hanteert daarom de tarieven van 2021-I. Niet in geschil is dat partijen leefden op bijstandsniveau, zodat het hof daar ook vanuit zal gaan. Het uitkeringsbedrag op grond van de Participatiewet bedroeg vanaf 1 januari 2021 € 1.536,- netto per maand. Daarnaast ontvingen de ouders in 2021 een kindgebonden budget van € 262,- per maand. Hoewel beide ouders in hun berekeningen uitgaan van een kindgebonden budget van € 303,- per maand, was het maximale kindgebonden budget bij drie kinderen op jaarbasis € 3.145,- in 2021, dat wil zeggen € 262,- per maand. Het hof zal daarom van dit lagere bedrag uitgaan. Het NBGI van de ouders in 2021 bedroeg dan ook € 1.798,- per maand.
Nu het hof weet wat de ouders te besteden hadden, kan het hof berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en op grond van de Nibud-tabellen de behoefte van de kinderen vaststellen. Uit die tabellen volgt dat het eigen aandeel van ouders bij een NBGI van € 1.798,-, gemiddeld € 339,- per maand, zag op de uitgaven voor hun kinderen in 2021, dus per kind € 113,- per maand. Gecorrigeerd in verband met de wettelijke indexering (geïndexeerd) is dat in 2025 € 404,- per maand, oftewel € 135,- per kind per maand en in 2026 € 423,- per maand, oftewel € 141,- per kind per maand.
Draagkracht van de ouders
Het hof moet vervolgens beoordelen of de ouders over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in deze behoefte te kunnen betalen.
Draagkracht moeder
Vaststaat dat de moeder een uitkering op basis van de Participatiewet ontvangt. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de moeder geen draagkracht heeft om bij te dragen in de behoefte van de kinderen. De vader dient dan ook volledig te voorzien in de behoefte van de kinderen voor zover zijn draagkracht dat toelaat.
Draagkracht vader
Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de vader zijn netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) tot uitgangspunt.
De vader was tot en met augustus 2025 werkzaam bij Transportbedrijf Oosterheem V.O.F. en vanaf 1 oktober 2025 was hij werkzaam bij Tijgers Transport B.V. Bij beide werkgevers verrichtte hij dezelfde werkzaamheden, namelijk bezorging voor PostNL. Over 2025 heeft de vader naast twee salarisspecificaties ook een verklaring geregistreerd inkomen overgelegd waaruit volgt dat zijn inkomen over 2025 € 24.588,- bruto bedroeg.
Ter zitting heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij tot eind februari 2026 bij Tijgers Transport B.V. heeft gewerkt en dat hij daar zelf ontslag heeft genomen, omdat hij lichamelijk klachten kreeg en als ZZP-er aan de slag wilde gaan. Het is de vader naar eigen zeggen niet gelukt om werk te vinden als ZZP-er. Hij heeft daarom gesolliciteerd en start vanaf maandag 17 augustus 2026 bij een nieuw bedrijf als leerling chauffeur. Hij krijgt een 0-urencontract, maar zal ongeveer 15 tot 20 uur per week werken voor een uurtarief van € 15,50 bruto. Hij zal naar verwachting ongeveer € 1.350,- bruto per maand gaan verdienen. In de periode dat hij geen inkomen had, heeft hij geleefd van de uitkering van zijn partner van € 1.369,- per maand van Stichting het Bouwdepot in de Rijnstreek gemeenten, aldus de vader.
De vader stelt zich op het standpunt dat hij over de periode 2025 een draagkracht heeft van € 79,- per maand op basis van het geregistreerde inkomen en over de periode 2026 € 77,- per maand op basis van het salarisstrookje van Tijgers Transport B.V. Daarbij komt dat [in] 2026 [minderjarige 4] is geboren voor wie de vader eveneens onderhoudsplichtig is. De vader verzoekt de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te bepalen met ingang van 2 juni 2025.
De moeder voert aan dat de vader onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn actuele inkomen en zijn inkomensverloop in 2026. Volgens de moeder is sprake van verwijtbaar en vermijdbaar inkomensverlies, omdat de vader er zelf voor heeft gekozen om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen. De gevolgen daarvan behoren voor zijn rekening te blijven en niet te worden afgewenteld op de drie kinderen.
De vader stelt voorts dat hij een nieuw kind heeft, maar hij verwerkt deze onderhoudsverplichting niet in een samenloop berekening. Ook de behoefte van het kind en de financiële positie van de andere onderhoudsplichtige ouder zijn niet volledig overgelegd. De moeder is van mening dat primair dient te worden uitgegaan van zijn eerdere verdiencapaciteit. Een inkomensachteruitgang die de vader niet deugdelijk inzichtelijk maakt en onderbouwt, kan niet ten laste van de kinderen worden gebracht.
Voor zover het hof zich genoodzaakt acht wel uitsluitend op basis van de huidige stukken te gaan rekenen, becijfert de moeder de te betalen alimentatie op basis van de overgelegde salarisstroken op € 77,- per maand.
Draagkracht over 2025
Het hof ziet voor de bepaling van het NBI van de man vanaf 2 juni 2025 aanleiding om uit te gaan van het geregistreerd inkomen van de vader en niet van een verdiencapaciteit. De moeder heeft weliswaar een uittreksel uit de Kamer van Koophandel overgelegd waaruit volgt dat het Transportbedrijf Oosterheem V.O.F. nog steeds staat ingeschreven, maar de vader heeft daarentegen ter zitting in hoger beroep toegelicht dat het Transportbedrijf Oosterheem V.O.F. failliet is gegaan. Het hof heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen. Er is daarom geen sprake van verwijtbaar inkomensverlies. Bovendien heeft de vader alleen over de maand september geen inkomen genoten. Het hof zal daarom aansluiten bij de daadwerkelijk door de vader behaalde inkomsten over 2025.
Dit betekent dat het hof zal uitgaan van een inkomen van € 24.588,- bruto op jaarbasis. Rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 1.963,- per maand.
De draagkracht van de vader wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, omdat de vader een NBI heeft dat lager is dan € 2.125,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de vader tot een beschikbare draagkracht van € 79,- per maand.
Draagkracht over 2026
Ten aanzien van de inkomsten van de vader over 2026 ligt ter beoordeling voor of sprake is van verwijtbaar, niet voor herstel vatbaar inkomensverlies aan de zijde van de vader. De beslissing om de vermindering van het inkomen bij de bepaling van de draagkracht van de vader al dan niet buiten beschouwing te laten, hangt af van de vraag of de vader redelijkerwijs zijn oude inkomen weer kan verdienen en of dit van hem kan worden gevergd. Is het antwoord op beide vragen positief, dan kan worden uitgegaan van het oorspronkelijke inkomen van de vader. Is echter het antwoord op een van de vragen negatief, dan hangt het van de omstandigheden van het geval af of een inkomensvermindering geheel of ten dele buiten beschouwing moet blijven. In het bijzonder moet dan worden bezien of de onderhoudsplichtige zich uit hoofde van zijn verhouding tot de onderhoudsgerechtigde met het oog op diens belangen had behoren te onthouden van gedragingen die tot inkomensvermindering hebben geleid.
De vader heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij er zelf voor heeft gekozen om zijn arbeidsovereenkomst eind februari 2026 te beëindigen vanwege lichamelijke klachten. Naar het oordeel van het hof heeft hij een zeer ondoordachte keuze gemaakt door in plaats van zich vanwege zijn klachten ziek te melden, zelf zijn baan op te zeggen om daarna als ZZP-er aan de slag te willen gaan. Naar eigen zeggen is het de vader vanaf 1 maart 2026 tot en met half augustus 2026 niet gelukt om werk te vinden als ZZP-er. De vader heeft niet duidelijk gemaakt waarom hij niet eerder ander werk is gaan zoeken of een (aanvullende) bijstandsuitkering heeft aangevraagd. Naar het oordeel van het hof heeft de vader een keuze gemaakt die hij, gelet op zijn verplichting als onderhoudsplichtige en met het oog op de belangen van de kinderen, niet had mogen maken. Onder deze omstandigheden gaat het hof dan ook uit van een verwijtbaar inkomensverlies.
Vervolgens dient het hof te beoordelen of de vader redelijkerwijs in staat moet worden geacht om opnieuw het oorspronkelijke inkomen te verwerven en of de onderhoudsgerechtigden dit ook van hem kunnen vergen. Het hof is van oordeel dat de vader, gezien zijn werkervaring, in staat moet worden geacht om werk te vinden waarmee hij weer hetzelfde inkomen zou kunnen verdienen als bij zijn laatste baan bij Tijger Transport B.V. en dat dit ook van hem gevergd kan worden. Het hof gaat er dan ook vanuit dat sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies. Voor zover de vader bedoeld heeft te betogen dat de kinderalimentatie vanaf maart 2026 op nihil moet worden gesteld omdat hij geen inkomsten had, volgt het hof hem daarin dus niet.
Uit de door de vader overgelegde nieuwe arbeidsovereenkomst met Taxiwerq HR Dienstverlening B.V. volgt dat de vader per 31 augustus 2026 als [functie] gaat werken. Uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat in onderling overleg wordt vastgesteld op welke dagen en uren de werknemer beschikbaar is om arbeid te verrichten. Indien en voor zover de werknemer niet wordt opgeroepen om werkzaamheden te verrichten, werkt hij 0 uren per week.
De vader heeft weliswaar gesteld dat hij 15 tot 20 uren per week zal werken, maar dit blijkt niet uit de arbeidsovereenkomst. Het hof is daarnaast van oordeel dat de vader in staat moet worden geacht om een inkomen te verwerven op het niveau van 2025, hetgeen een inkomen onder het geldend minimumloon is bij een voltijds dienstverband. De vader zou dit inkomen kunnen verwerven bij zijn werkgever, en indien dat niet zo is, de keuze kunnen maken om elders aan de slag te gaan dan wel buiten de uren waarop is vastgesteld dat hij voor arbeid bij zijn werkgever beschikbaar zal zijn, werkzaamheden elders te verrichten ter aanvulling van zijn inkomen. De vader heeft aangevoerd dat hij ook voor [minderjarige 4] moet zorgen, maar het hof is van oordeel dat van de vader verwacht mag worden dat hij eenzelfde inkomen verdient als bij Tijger Transport B.V., gelet op zijn onderhoudsverplichting jegens de andere drie kinderen.
Uitgaande van de inkomsten bij Tijger Transport B.V., gaat het hof uit van een verdiencapaciteit van de vader van € 1.954,- bruto per maand. Ter zitting hebben partijen ermee ingestemd dat daarnaast, anders dan partijen in hun alimentatieberekening hebben gedaan, rekening zal worden gehouden met de pensioenpremie van € 106,- per maand, de premie SOOB van € 4,- per maand, de WIA-hiaatregeling van € 9,- per maand en de premie W.G.A. van € 9,- per maand, zoals volgt uit de salarisspecificatie van januari 2026. Rekening houdend met de aanspraak van de vader op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting bedraagt zijn NBI € 1.921,- per maand. De draagkracht van de vader wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, omdat de vader een NBI heeft dat lager is dan € 2.200,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de vader tot een beschikbare draagkracht van € 50,- per maand.
Onderhoudsverplichting [minderjarige 4]
Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader is verder nog van belang dat hij niet alleen voor de drie kinderen van partijen onderhoudsplichtig is, maar ook voor [minderjarige 4] , die [in] 2026 is geboren en een kind is van de vader en zijn huidige partner.
De moeder heeft aangevoerd dat [minderjarige 4] buiten beschouwing moet worden gelaten bij de berekening van de kinderalimentatie, omdat de inkomensgegevens van de huidige partner van de vader niet (volledig) bekend zijn en het op zijn weg had gelegen deze onderhoudsverplichting te verwerken in een samenloopberekening.
Naar vaste rechtspraak geldt dat wanneer een ouder onderhoudsplichtig is jegens kinderen uit verschillende relaties, bij de vaststelling van zijn bijdrageplicht in de kosten van verzorging en opvoeding van ieder van die kinderen rekening gehouden dient te worden met de verplichting van de andere ouder van ieder van die kinderen om ook bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van zijn kinderen. Daarbij dient (ook) de behoefte van al die kinderen vastgesteld te worden. Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de behoefte en/of draagkracht benodigde gegevens, staat het hem vrij de behoefte en draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op artikel 21 en 22 Rv, rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter er daarbij van uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen (zie: Hoge Raad 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2013:BX1295).
Het hof overweegt als volgt. De vader heeft een overeenkomst van Stichting Bouwdepot in de Rijnstreek gemeenten van 29 september 2025 overgelegd op naam van zijn partner, waaruit volgt dat zij gedurende een jaar een uitkering van € 1.369,- per maand ontvangt. Zij mag daarnaast een inkomen verwerven. De vader heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zijn huidige partner tandarts was en op dit moment bezig is met haar inburgeringsexamen en daarna een opleiding van twee jaar zal volgen tot tandarts. Hoewel de vader daar geen stukken van heeft overgelegd, acht het hof het aannemelijk dat ook de behoefte van [minderjarige 4] , net als de andere drie kinderen, kan worden gebaseerd op een inkomen rond bijstandsniveau. Het hof ziet daarom aanleiding om de draagkracht van de vader gelijkelijk te verdelen over de vier kinderen.
De verdeling van de kosten
De vader heeft een draagkracht van respectievelijk € 79,- per maand in 2025 en € 50,- per maand in 2026, terwijl de kosten van de kinderen respectievelijk € 404,- per maand bedragen in 2025 en € 423,- per maand in 2026. Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. Dat betekent dat de vader met € 79,- per maand moet bijdragen in de kosten van de drie kinderen van partijen met ingang van 2 juni 2025 (afgerond € 26,- per kind per maand), met € 50,- in de kosten van de drie kinderen met ingang van 1 januari 2026 (afgerond € 17,- per kind per maand) en met € 50,- in de kosten van de vier kinderen met ingang van 5 februari 2026 (afgerond € 13,- per kind per maand).
Zorgkorting
Tussen de vader en de kinderen is in de echtscheidingsbeschikking van 9 juni 2021 een zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de vader de kinderen iedere zondag van 9:00 uur tot 16:00 uur bij zich heeft. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Ter zitting in hoger beroep is vast komen te staan dat deze zorgregeling al geruime tijd niet wordt nageleefd. De vader wil wel graag weer contact met de kinderen. Ondanks dat er op dit moment geen sprake is van contact, is het hof van oordeel dat de ouders onderling en jegens de kinderen het recht en de verplichting hebben om contact tot stand te brengen. In aansluiting op het rapport Alimentatienormen neemt het hof daarom een zorgkorting van 5% in aanmerking. Dit komt neer op een bedrag van (0,05 x € 404,- =) € 20,- per maand in 2025 en (0,05 x € 423,- =) € 21,- per maand in 2026.
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval de draagkracht van de ouders gezamenlijk onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. In dit geval is de gezamenlijke draagkracht respectievelijk € 79,- per maand met ingang van 2 juni 2025, € 50,- per maand met ingang van 1 januari 2026 en € 39,- per maand met ingang van 5 februari 2026, zodat er een tekort is van respectievelijk € 325,- per maand in 2025, € 373,- in de periode van 1 januari 2026 tot 5 februari 2026 en € 384,- per maand vanaf 5 februari 2026. Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht (meer dan) twee keer zo groot is als de zorgkorting, moet de vader tot het volledige bedrag van zijn draagkracht bijdragen.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader met ingang van 2 juni 2025 een kinderalimentatie voor de kinderen van € 26,- per kind per maand aan de moeder moet betalen, met ingang van 1 januari 2026 € 17,- per kind per maand en met ingang vanaf 5 februari 2026 € 13,- per kind per maand.
Het hof heeft berekeningen gemaakt van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de vader over 2025 en 2026. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Terugbetaling
Niet in geschil is dat de vader vier keer een bedrag aan kinderalimentatie van € 150,- aan de moeder heeft betaald over de gehele periode. Gelet op de hiervoor becijferde kinderalimentatie is van een eventuele terugbetalingsverplichting aan de zijde van de moeder dan ook geen sprake.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
Het hof:
zaaknummer 200.361.428/01
vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 2 juni 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] € 26,- (zegge: zesentwintig euro) per kind per maand, met ingang van 1 januari 2026 € 17,- (zegge: zeventien euro) per kind per maand en met ingang van 5 februari 2026 € 13,- (zegge: dertien euro) per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, mr. J.F. Miedema en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.