Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primairhij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [benadeelde partij 1] (meermaals) (met kracht) met een hard en/of puntig voorwerp te steken/slaan (achter)op het hoofd, en/of (achter)in de nek, en/of op de (linker)hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiairhij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [benadeelde partij 1] (meermaals) (met kracht) met een hard en/of puntig voorwerp te steken/slaan (achter)op het hoofd, en/of (achter)in de nek, en/of op de (linker)hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. meer subsidiairhij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 1] (meermaals) (met kracht) met een hard en/of puntig voorwerp te steken/slaan (achter)op het hoofd, en/of (achter)in de nek, en/of op de (linker)hand;
2.hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] te slaan/stompen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam;
3.hij op of omstreeks 2 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 3] te slaan/stompen tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof – hoewel het tot dezelfde bewezenverklaring komt als de rechtbank – de bewijsoverwegingen aanpast en tot een andere strafoplegging komt, met gewijzigde strafmaatoverwegingen. Daarnaast komt het hof tot een ander oordeel over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] en motiveert het de beslissingen op de vorderingen van de drie benadeelde partijen zelfstandig.
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 primair, feit 2 en feit 3
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 en feit 3.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de ten laste gelegde feiten moet worden vrijgesproken, omdat op grond van de stukken in het dossier niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte de feiten heeft gepleegd.
Oordeel hof
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op woensdag 2 oktober 2024 zijn in korte tijd in Amsterdam meerdere personen op straat aangevallen.
Aangeefster [benadeelde partij 2] liep die dag omstreeks 17.00 uur vanaf haar woning aan de [adres 1] in Amsterdam in de richting van de [locatie]. Tijdens het lopen voelde zij plotseling een harde klap tegen de zijkant van haar hoofd, waardoor zij ten val kwam. Toen zij was opgestaan zag zij dat de man die verder was gelopen ook iemand anders een duw gaf. Het betreft aangeefster [benadeelde partij 3] die net uit een winkel aan de [adres 1] kwam en die [benadeelde partij 2] hoorde schreeuwen. Ook [benadeelde partij 3] werd zonder duidelijke aanleiding tegen (de linkerkant van) haar hoofd geslagen. Zij zag de man daarna over het trottoir in de richting van de Bilderdijkstraat lopen. De man droeg kleding, die zij omschrijft als een soort geelachtige winterjas.
Luttele minuten daarna werd ook [benadeelde partij 1] op de [adres 1] door een persoon van achteren aangevallen. [benadeelde partij 1] verklaart dat hij over zijn gehele lichaam werd geslagen en met een puntig voorwerp - dertigmaal - op zijn hoofd en in zijn nek werd gestoken. Hij hield zijn handen voor zijn hoofd om zich te beschermen en liep, behalve op zijn hoofd en in zijn nek, ook letsel aan beide handen op. [benadeelde partij 1] hoorde zijn aanvaller meermalen zeggen: “I’m gonna kill you”. [benadeelde partij 1] hoorde aan de stem dat zijn aanvaller een man was en meent zich te herinneren dat deze een hoodie droeg.
Het hof dient te beoordelen of de verdachte degene is geweest die het ten laste gelegde geweld tegen [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] heeft gepleegd. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
[benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Omstreeks 17.06 uur ontving de meldkamer van de politie een melding van [getuige 1]. Volgens [getuige 1] sloeg een man in de omgeving van de Bilderdijkstraat zonder aanleiding meerdere personen. De melder omschrijft hem als ongeveer 1.80 tot 1.90 meter lang, met een licht getinte huidskleur en gekleed in een beige met zwarte pufferjas.
[getuige 1] bleef telefonisch in contact met de meldkamer en hield de man in het oog. Om 17:09 uur meldde hij dat de man zijn jas had uitgetrokken en in zijn richting terugliep. Omstreeks 17.11 uur bevestigde hij dat de politie ter hoogte van [adres 1] de juiste persoon had aangetroffen. Deze persoon was de verdachte.
De verklaring van [getuige 1] vindt steun in die van [getuige 2]. Ook [getuige 2] zag van zeer korte afstand dat een man achtereenvolgens twee vrouwen (het hof begrijpt: [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]) sloeg. Zij hield deze man de hele tijd in de gaten en zag hem vervolgens de straat oversteken en zigzaggend wegrennen. Tijdens het wegrennen trok de man zijn jas uit en gooide hij deze op het voetpad. [getuige 2] omschrijft hem als licht getint, ongeveer 1,80 tot 1,85 meter lang en gekleed in een jas met een beige bovenkant en een zwarte onderkant. Daaronder droeg hij zwarte kleding.
De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] ondersteunen elkaar wat betreft het signalement, het gedrag van de man en de plaats en het tijdstip van hun waarnemingen.
Bovendien bevat het dossier camerabeelden waarop te zien is dat twee vrouwen ([benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]) geslagen worden door een man in een jas met gele bovenkant en zwarte onderkant. Op de camerabeelden is verder te zien dat deze man schoenen droeg van het merk Vans en een donkere joggingbroek met klein wit logo. Een verbalisant die de stills van de camerabeelden heeft vergeleken met een foto van de aangehouden verdachte ziet dat de man die op de camerabeelden is te zien exact dezelfde schoenen draagt als de aangehouden verdachte. Verder neemt deze verbalisant waar dat op de broek van de man op de camerabeelden op het linkerbeen een wit accent is te zien. Dit komt overeen met de broek van de aangehouden verdachte.
Gelet op deze opeenvolging van de gebeurtenissen binnen een zeer kort tijdsbestek, de overeenkomende signalementen en het feit dat [getuige 1] de man tot aan diens aanhouding in het oog hield, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft geslagen.
[benadeelde partij 1]
De aanval op [benadeelde partij 1] sluit in tijd en plaats direct aan op de hiervoor beschreven geweldshandelingen. [benadeelde partij 1] was als klusjesman omstreeks 17:05 uur aan het werk in de toegangshal van het pand aan de [adres 2], toen hij van achteren werd aangevallen. Hoewel [getuige 1] noch [getuige 2] de aanval op [benadeelde partij 1] heeft waargenomen, kan uit de bewijsmiddelen, in onderlinge verband en samenhang bezien, met voldoende overtuigingskracht worden afgeleid dat de verdachte als ook deze geweldshandelingen heeft verricht. Om 17:09 uur zag [getuige 1] immers dat de door hem gevolgde man zijn jas uittrok. Deze jas werd vlakbij de plaats delict, ter hoogte van [adres 3], aangetroffen en komt qua uiterlijk overeen met de jas op de camerabeelden en met de door [benadeelde partij 3] en [getuige 2] beschreven jas. Op de mouw bevond zich bloed van [benadeelde partij 1]. [getuige 1] verloor de man na het uittrekken van de jas niet meer uit het oog, waarna de politie de verdachte omstreeks 17.11 uur op zijn aanwijzing aanhield.
Gelet op het bloedspoor, het overeenkomende uiterlijk van de jas, het korte tijdsverloop en de geringe afstand, alsmede het feit dat [getuige 1] de man vanaf het uittrekken van de jas tot aan diens aanhouding in het oog hield, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte ook [benadeelde partij 1] heeft aangevallen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.primairhij op 2 oktober 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij 1] opzettelijk van het leven te beroven, door die [benadeelde partij 1] meermaalsmet kracht met een hard en puntig voorwerp te steken/slaan achterop het hoofd, en in de nek, en op de linkerhand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.hij op 2 oktober 2024 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] te slaan tegen het hoofd;
3.hij op 2 oktober 2024 te Amsterdam, [benadeelde partij 3] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 3] te slaan tegen het hoofd.
Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde levert op:
telkens:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertig maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar. De advocaat-generaal heeft verzocht aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden. Verder heeft de advocaat-generaal verzocht de maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer [benadeelde partij 1] voor de duur van twee jaar waarbij de vervangende hechtenis per overtreding zal worden bepaald op één week met een maximum van zes maanden vervangende hechtenis. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de vrijheidsbeperkende maatregel en de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de duur van het reeds ondergane voorarrest overstijgt. Daartoe heeft zij betoogd dat de verdachte inmiddels al bijna twee jaar in detentie zit, hij nog heel jong is en de detentie voor hem heel zwaar is omdat hij de Nederlandse taal niet spreekt, zijn familie niet in Nederland woont en hem niet kan bezoeken en hij daarom heel eenzaam is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op klaarlichte dag in een drukke straat in het centrum van Amsterdam schuldig gemaakt aan een explosie van geweld uit het niets, die heeft geresulteerd in een poging tot doodslag en twee mishandelingen van personen die toevallig op het pad van de verdachte kwamen. Eerst heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee vrouwelijke voorbijgangers door hen op het hoofd te slaan. Een van deze slachtoffers is als gevolg van de klap tegen een tafel op een terras aangekomen en heeft verschillend letsel opgelopen waaronder kneuzingen en een hersenschudding. Bovendien heeft het feit grote impact gehad op haar psychische gesteldheid, zo blijkt uit het dossier en haar vordering benadeelde partij. Het andere slachtoffer heeft pijn ondervonden en voelde direct na het feit veel boosheid en onbegrip. Zij heeft zich nog enige tijd onveilig gevoeld op straat. Het volgende slachtoffer van de verdachte was die dag als klusjesman aan het werk en werd plotseling van achteren aangevallen door de verdachte, die met een scherp voorwerp op zijn hoofd en nek inhakte en tegen de verdachte een aantal keer heeft geroepen “I am gonna kill you”. Het slachtoffer heeft doodsangsten uitgestaan en is na de aanval met onder andere hevig bloedende hoofdwonden op straat aangetroffen. De forensisch arts heeft minstens twintig verwondingen in de nek en op het hoofd vastgesteld. Het slachtoffer beschermde zijn hoofd en ogen met zijn handen waardoor ook op die plek verwondingen zijn vastgesteld, waaronder een doorboorde vingernagel. Het feit heeft nog steeds grote invloed op de psychische gesteldheid van het slachtoffer en door een psycholoog is bij hem een posttraumatische stress stoornis (PTTS) vastgesteld. Het slachtoffer heeft tot op de dag van vandaag nog last van het incident. Dit is ter terechtzitting ook naar voren gekomen bij het gebruikmaken van het spreekrecht door [benadeelde partij 1]. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers zich door dit soort uit het niets komend en zinloos geweld nog lang onveilig voelen.
Daarnaast veroorzaken dit soort feiten gevoelens van afschuw, onrust en onveiligheid in hun directe omgeving en de samenleving. Dat rekent het hof de verdachte aan.
Gelet op de ernst van de feiten acht het hof een gevangenisstraf van langere duur passend en geboden.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft acht geslagen op het Nederlandse strafblad van de verdachte van 7 oktober 2026 waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland voor een strafbaar feit is veroordeeld en op het Duitse strafblad van de verdachte van 7 oktober 2024. Alhoewel de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij in Duitsland een voorwaardelijke straf heeft gekregen voor een drugsdelict, blijkt dat niet uit zijn Duitse strafblad. Het hof zal de verdachte dan ook als een first offender beschouwen.
Het hof heeft ook acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapporten door een psycholoog en psychiater van 13 en 27 juni 2025, waaruit onder meer volgt dat bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een stoornis in het gebruik van cannabis. Echter, de vraag in hoeverre het drugsgebruik aan de verdachte kan worden toegerekend kon door beperkingen van het onderzoek niet worden beantwoord. Het hof ziet in de bevindingen en conclusies in de rapportages geen aanleiding om strafvermindering toe te passen.
Het hof houdt ten slotte rekening met de over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadviezen van 6 oktober 2024, 12 augustus 2026 en 17 augustus 2026. Uit het reclasseringsadvies van 12 augustus 2026 volgt dat de reclassering het van belang acht dat er diagnostisch onderzoek wordt uitgevoerd bij de verdachte, waarna een passende behandeling kan volgen. Gelet op het feit dat de verdachte mogelijk in een drugspsychose zat ten tijde van het plegen van de feiten, acht de reclassering een strak kader, met daarin een alcohol- en drugsverbod noodzakelijk. Het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan de voorwaarden door de verdachte kan niet door de reclassering worden ingeschat. De reclassering merkt op dat de verdachte wisselend is in de informatie die hij geeft. Het is de reclassering niet duidelijk of de verdachte dit doet om verwarring te zaaien of dat hier iets anders aan ten grondslag ligt. De reclassering adviseert de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, middelencontroles, een alcohol- en drugsverbod, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, dagbesteding, begeleid wonen (indien geïndiceerd) en een contactverbod. Het EU-kaderbesluit Overdracht van toezicht en werkstraffen maakt de overdracht van een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden aan Duitsland mogelijk. In het reclasseringsadvies van 17 augustus 2026 adviseert de reclassering negatief over een schorsing van de voorlopige hechtenis nu volgens de reclassering de geïndiceerde bijzondere voorwaarden in dat geval niet overdraagbaar zijn aan de reclassering in Duitsland. Indien de verdachte eerder zou vrijkomen in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling, zijn de bijzondere voorwaarden wel overdraagbaar aan de reclassering in Duitsland.
Op te leggen straf
Het hof acht alles afwegende, een gevangenisstraf van veertig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van voorarrest passend en geboden. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Mede gelet op het reclasseringsadvies van 12 augustus 2026 acht het hof het stellen van bijzondere voorwaarden geïndiceerd en daarom zal het hof aan het voorwaardelijke strafdeel bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht, ambulante behandeling met mogelijk kortdurende opname, begeleid wonen (indien geïndiceerd), een alcohol- en drugsverbod, dagbesteding, middelencontroles en een contactverbod met slachtoffer [benadeelde partij 1].
Het hof ziet geen gronden om naast een contactverbod in het kader van bijzondere voorwaarden tevens een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen.
Dadelijk uitvoerbaar
Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die zijn gericht tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Nu de verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn handelen en het ook de psychiater, psycholoog en de reclassering niet is gelukt een duidelijk beeld van de verdachte te krijgen waardoor het recidiverisico niet kan worden ingeschat, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1. Deze vordering bedraagt € 14.588,00 bestaande uit:
€ 9.588,00 materiele schade: diverse posten waaronder € 8.852,00 ‘gemiste inkomsten’;
€ 5.000,00 immateriële schade.
Bij het vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 10.162,00 bestaande uit:
€ 5.162,00 materiele schade;
€ 5.000,00 immateriële schade.
De rechtbank heeft aldus het gevorderde geheel toegewezen, behalve de post van € 8.852,00 ‘gemiste inkomsten’; die post is gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.426,00 en voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaard.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering en was ook ter zitting in hoger beroep aanwezig, samen met zijn gemachtigde. Aldaar heeft de gemachtigde toegelicht dat alle in eerste aanleg gevorderde posten worden gehandhaafd, behalve dat de schadepost ‘gemiste inkomsten’ wordt verlaagd van € 8.852,00 naar € 7.957,00.
De advocaat-generaal meent dat het oordeel van de rechtbank integraal gevolgd kan worden, ook wat betreft de post ‘gemiste inkomsten’, maar met uitzondering van de onder de materiële kosten opgenomen post ‘EMDR-behandelingen’ van € 600,00; die post acht hij niet-ontvankelijk wegens gebrek aan onderbouwing.
De verdediging bepleit in lijn met het door haar gevoerde bewijsverweer primair afwijzing van het gevorderde. In geval van bewezenverklaring acht zij de post ‘EMDR-behandelingen’ van € 600,00 toewijsbaar, gezien de gegeven toelichting door de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep. Verder refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank respectievelijk het hof, ook wat betreft de post ‘gemiste inkomsten’.
Het hof overweegt als volgt.
Gezien het onderzoek ter terechtzitting, daaronder begrepen het besprokene ter zitting in hoger beroep, is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks de materiële en immateriële schade heeft geleden zoals hij heeft gevorderd na vermindering daarvan in hoger beroep. De verdachte is tot integrale vergoeding van die schade gehouden zodat het gevorderde zal worden toegewezen.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging in hoger beroep het gevorderde niet (langer) inhoudelijk heeft betwist en motiveert de toewijzing voorts als volgt.
de materiele schade
De gevorderde materiële schadeposten zijn naar het oordeel van het hof alle gegrond. Gezien het besprokene ter zitting in hoger beroep zal het hof de toewijzing van de materiële posten ‘gemiste inkomsten’ en ‘EMDR-behandelingen’ nog nader toelichten.
de post ‘gemiste inkomsten’
Na vermindering in hoger beroep bedraagt deze vordering € 7.957,00 bestaande uit:
De benadeelde partij heeft ter zitting in hoger beroep de volgende toelichting gegeven. Deze gevorderde bedragen zien op de arbeidsuren en dus niet op eventueel materiaal. Eventueel bespaarde kosten zien uitsluitend op benzinekosten. Post a) ziet op klussen voor particulieren en is in hoger beroep met 25% (€ 895,00) verminderd vanwege bespaarde benzinekosten en de in eerste aanleg nog mee-gevorderde BTW (21%). Post b) is - zoals ook blijkt uit de stukken - exclusief BTW opgevoerd, en hiervoor zijn geen benzinekosten gemaakt.
Het hof overweegt dat deze nadere toelichting, de concrete bewijsstukken die al waren overgelegd en de reeds eerder gegeven toelichting dat de benadeelde als gevolg van het strafbare feit en de daardoor ontstane letsels (zie hierna onder immateriële schade) geruime tijd niet heeft kunnen werken, in hoger beroep niet inhoudelijk zijn betwist. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat de benadeelde partij het bestaan van deze schade als rechtstreeks gevolg van het strafbaar feit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij betrekt het hof dat in dit geval het partijdebat genoegzaam is gevoerd en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
de post ‘EMDR-behandelingen’
Het gevorderde schadebedrag van € 600,00 vanwege ‘EMDR behandelingen’ acht het hof, evenals de rechtbank, toewijsbaar. Deze post is namelijk concreet - en in hoger beroep onweersproken - onderbouwd met een factuur, een mededeling van de psycholoog van 15 november 2024 dat de benadeelde inmiddels ‘een traumaprotocol-behandeling ( EMDR)’ondergaat, en de toelichting namens de benadeelde partij ter zitting in hoger beroep dat de verzekering deze kosten niet heeft vergoed omdat de EMDR-behandelaar niet BIG-geregistreerd is.
de immateriële schade
De immateriële schade kan naar het oordeel van het hof worden gegrond op objectief vastgesteld lichamelijk letsel (hoofd- en hand/vingerletsel) en objectief vastgesteld geestelijk letsel (PTSS) als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek.
Bij de begroting van de omvang van deze schade houdt het hof rekening met de aard, ernst en impact van het strafbaar feit zoals hiervoor is toegelicht, de overgelegde letselverklaringen over de ernst en duur van de letsels, en – zoals ter zitting in hoger beroep toegelicht – de (psychische) klachten die de benadeelde inmiddels bijna twee jaar later nog dagelijks ervaart. Dit alles is niet weersproken in hoger beroep. Ook neemt het hof de Rotterdamse Schaal terzake van de genoemde letsels en de Aanbevelingen rechtspraak voor normering van smartengeld in acht. Alles afwegend, is naar het oordeel van het hof het in eerste aanleg gevorderde en toegewezen bedrag aan smartengeld van € 5.000 (dat als maximum geldt in hoger beroep) billijk en dus toewijsbaar.
conclusie / wettelijke rente
Concluderend is de gehele vordering toewijsbaar, te weten € 8.693,00 voor materiële schade en € 5.000,00 smartengeld. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar. Het hof bepaalt (anders dan de rechtbank) de ingangsdatum daarvan voor de materiële schade schattenderwijs op 10 december 2024 (de indieningsdatum van het schadeformulier in eerste aanleg) omdat niet telkens duidelijk is op welk moment of over welke periode de materiële schadeposten precies zijn geleden. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade wordt bepaald op 2 oktober 2024.
de schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding met betrekking tot het tenlastegelegde feit 2. Deze vordering bedraagt € 18.161,84, bestaande uit:
€ 15.161,84 materiële schade, bestaande uit 12 posten;
€ 3.000,00 immateriële schade.
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.135,59 bestaande uit:
€ 2.385,59 materiële schade plus rente vanaf 19 december 2024, niet-ontvankelijk inzake het meerdere;
€ 750,00 immateriële schade plus rente vanaf 2 oktober 2024, afwijzing van het meerdere.
De rechtbank heeft daarbij van de gevorderde materiële schadeposten de door de benadeelde omschreven posten 1, 2 tot en met 6 en 8 toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Zij is wel opgeroepen voor de zitting in hoger beroep, maar is daar – zonder bericht – niet verschenen. Zij heeft haar vordering evenmin schriftelijk nader toegelicht in hoger beroep.
De advocaat-generaal meent - evenals het openbaar ministerie in eerste aanleg - dat de gevorderde materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 154,33 (zijnde de door de benadeelde omschreven posten 1, 2 en 6) en de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00. Het meer gevorderde levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, aldus de advocaat-generaal.
De verdediging bepleit in lijn met het door haar gevoerde bewijsverweer primair afwijzing van het gevorderde. In geval van bewezenverklaring refereert zij zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het hof overweegt als volgt.
Gezien het onderzoek ter terechtzitting, daaronder begrepen het besprokene in hoger beroep, is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, zoals hierna te noemen. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de verdediging in hoger beroep de door de rechtbank toegewezen schade niet (langer) inhoudelijk heeft betwist. Ter nadere toelichting dient het volgende.
de gevorderde materiële schade
Het hof acht, evenals de rechtbank, de gevorderde materiële posten 1, 2 tot en met 6 en 8 gegrond en dus toewijsbaar. Opgeteld komt dit neer op een toewijsbaar totaalbedrag van € 2.385,59.
Wat betreft de overige gevorderde materiële schadeposten is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat deze, mede in het licht van de betwisting in eerste aanleg, onvoldoende zijn onderbouwd ten aanzien van:
-de gestelde hoogte van de schade als weergegeven in post 9 (gemiste cursus) en post 11 (inkomstenverlies door een aantal weken niet kunnen werken),
-de vraag of en in hoeverre de gestelde toekomstige schade als weergegeven in post 10 (psychotherapie trauma) zal worden geleden,
-de vraag of de gestelde gemiste cursussen als weergegeven in de posten 7 en 12 nog kunnen worden ingehaald.
Deze posten komen daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
de gevorderde immateriële schade (€ 3.000,00)
De gevorderde immateriële schade kan worden gegrond op objectief vastgesteld lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek. Blijkens de informatie van de huisarts op basis van zijn contacten met de benadeelde tussen 3 en 24 oktober 2024 is namelijk -samengevat- sprake van een hersenschudding waar voor ter pijnbestrijding aanvankelijk morfine werd voorgeschreven, letsel aan linker elleboog/-arm en rechter ribben, post-commotio verschijnselen en bewegingsapparaat-klachten die na drie weken nog verklaarbaar zijn. Dat tevens sprake is van voldoende geobjectiveerd geestelijk letsel als bedoeld in voornoemd artikellid heeft het hof op basis van het voorhanden zijnde dossier niet kunnen vaststellen.
Bij de begroting van de omvang van de immateriële schade op grond van het lichamelijk letsel neemt het hof de Rotterdamse Schaal in acht, in het bijzonder paragraaf 13 (licht letsel), categorie b (herstelperiode 2- 4 maanden), bandbreedte € 725-2.175), alsmede de Aanbevelingen rechtspraak voor normering van smartengeld. Daarbij betrekt het hof de aard en ernst van het strafbaar feit zoals hiervoor is toegelicht en de eigen verklaring van de benadeelde in het schadeformulier in eerste aanleg van 19 oktober 2024 over de psychische gevolgen daarvan op haar professionele en persoonlijk leven en welzijn, zoals schrikachtigheid, nachtmerries, verminderde agressietolerantie, somberheid en verdriet. Dit alles is niet weersproken in hoger beroep. Ook daarbij neemt het hof in ogenschouw dat meer actuele informatie aan de zijde van de benadeelde ontbreekt, nu zij geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden mogelijkheid tot een nadere toelichting in hoger beroep. Alles afwegend op basis van de nu voorhanden informatie, acht het hof, evenals de rechtbank, toewijzing van een bedrag van € 750,00 billijk.
conclusie/wettelijke rente
Concluderend zal het hof een bedrag van € 3.135,59 toewijzen, bestaande uit:
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen over de toewijsbare schade. Voor de materiële schade wordt deze ingangsdatum schattenderwijs bepaald op 19 december 2024 (de indieningsdatum van het schadeformulier in eerste aanleg) omdat niet telkens duidelijk is op welk moment of over welke periode de materiële schadeposten precies zijn geleden. Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 oktober 2024.
niet-ontvankelijkheid inzake het méér gevorderde
Uit het voorgaande volgt dat het hof het méér gevorderde niét toewijst. Het hof acht op basis van het dossier ter terechtzitting in beide instanties, het bestaan van méér materiele en/of immateriële schade als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde mogelijk, maar heeft voor een nadere beoordeling daarvan nu onvoldoende concrete handvatten. Daarvoor is nader onderzoek nodig, wat een onevenredig beslag op de strafzaak zou leggen. Daarom zal het hof de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren inzake de méér gevorderde materiële en (anders dan de rechtbank) ook de immateriële schade, zodat de benadeelde de vordering in zoverre desgewenst aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
de schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriële schadevergoeding met betrekking tot het tenlastegelegde feit 3. Deze vordering bedraagt € 250,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw met haar vordering gevoegd in hoger beroep. Nu haar vordering in eerste aanleg geheel is toegewezen, duurt deze van rechtswege voort in hoger beroep.
Ter zitting in hoger beroep hebben de advocaat-generaal en de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het hof leidt uit de in hoger beroep aan het dossier toegevoegde bewegende beelden af dat de verdachte de benadeelde onverhoeds een zodanige klap tegen de zijkant van haar hoofd geeft dat zij weliswaar overeind blijft maar wel wankelt. De benadeelde stelt – onweersproken –in het schadeformulier in eerste aanleg van 24 oktober 2024 dat zij door deze klap gedurende één dag hoofdpijn heeft gehad. Het hof neemt in ogenschouw dat naar algemene ervaringsregels het onverhoeds en met kracht tegen iemands hoofd slaan, zoals hier het geval is, letsel dat zich uit in de vorm van hoofdpijn kan veroorzaken. Dat er in dit geval geen objectieve letselverklaring in het dossier zit, doet daar in de gegeven situatie dan ook niet aan af. Concluderend kan naar het oordeel van het hof in dit geval voldoende objectief worden afgeleid dat de benadeelde lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 6:106 onder b BW heeft opgelopen aan haar hoofd als rechtstreeks gevolg van het strafbare feit.
Daarmee komt het hof toe aan de begroting van deze immateriële schade. Het hof gaat gezien het voorgaande uit van licht lichamelijk letsel , waarbij de benadeelde heeft in eerste aanleg - onweersproken -–de daardoor ervaren pijn en de psychische gevolgen heeft toegelicht. Die komen erop dat ze direct erg geschrokken was, veel boosheid en onbegrip voelde door de abrupte mishandeling door een onbekende, zich angstig en onveilig heeft gevoeld, temeer doordat zij in het verleden eerder was aangevallen, dat zij twee weken na de mishandeling slecht heeft geslapen en dat ze inmiddels minder angstig was geworden, maar dat de gevoelens niet compleet waren verdwenen.
Het hof acht, gelet op de concrete omstandigheden van het geval en de bedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegewezen, evenals de rechtbank, een bedrag aan smartengeld van € 250,00 billijk. Dit bedrag zal dus worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
2. de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, risicotaxatie, psychische problematiek, verslavingsproblematiek en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
3. de verdachte, indien geïndiceerd, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen soortgelijke instelling voor begeleid wonen of
maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
4. de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
5. de verdachte gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
6. de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van
delictgedrag.
7. de verdachte zich gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om het verbod op alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet te controleren.
Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
8. de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met slachtoffer [benadeelde partij 1], geboren op [geboortedag 2] 1965.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.693,00 (dertienduizend zeshonderddrieënnegentig euro) bestaande uit € 8.693,00 (achtduizend zeshonderddrieënnegentig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.693,00 (dertienduizend zeshonderddrieënnegentig euro) bestaande uit € 8.693,00 (achtduizend zeshonderddrieënnegentig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 93 (drieënnegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 oktober 2024 en voor de materiële schade op 10 december 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.135,59 (drieduizend honderdvijfendertig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.385,59 (tweeduizend driehonderdvijfentachtig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.135,59 (drieduizend honderdvijfendertig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.385,59 (tweeduizend driehonderdvijfentachtig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 31 (eenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 oktober 2024 en voor de materiële schade op 19 december 2024.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 oktober 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Bruggeman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.