GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.358.618/01 KG
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/766763/ KG ZA 25-221
arrest in kort geding van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 september 2026
in de zaak van
1. VERENIGING HERSTRUCTURERING FOOD CENTER AMSTERDAM ,
3. MEVLANA HOLDING B.V.,
4. [appellant 4] B.V.,
5. [appellant 5] B.V.,
6. CEKA BEHEER B.V.,
7. [appellant 7] B.V.,
8. [appellant 8] V.O.F.,
9. ENES GROOTHANDEL B.V.,
10. ALBA FOOD TRADING B.V.,
11. FRUITFUL OFFICE NEDERLAND B.V.,
12. [appellant 12] B.V.,
13. [appellant 13] B.V.,
14. [appellant 14] B.V.,
15. [appellant 15] B.V.,
16. [appellant 16] B.V.,
17. [appellant 17] B.V.,
18. [appellant 18] B.V.,
gevestigd te Amsterdam ,
2. MEVLANA GROOT- & DETAILHANDEL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te Beemster,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [plaats B] ,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
gevestigd te [plaats C] ,
gevestigd te [plaats D] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
appellanten,
advocaat mr. R.P.M. de Laat te Utrecht,
tegen
1. GEMEENTE AMSTERDAM,
2. MARKTKWARTIER C.V.,
3. MARKTKWARTIER AMSTERDAM B.V.,
zetelend te Amsterdam,
advocaat: mr. F.J.J. Cornelissen te Arnhem,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat: mr. J.R. van Angeren te Amsterdam,
gevestigd te Nieuwegein,
advocaat: mr. J.R. van Angeren te Amsterdam,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna aangeduid als de Vereniging c.s. (afzonderlijk: De Vereniging respectievelijk Mevlana c.s.), respectievelijk de Gemeente en Marktkwartier c.s. (ieder afzonderlijk: Marktkwartier respectievelijk Marktkwartier Amsterdam B.V.).
1. De zaak in het kort
De Gemeente Amsterdam heeft door middel van een aanbestedingsprocedure aan (een rechtsvoorganger van Marktkwartier de opdracht gegund om het Food Center Amsterdam (hierna: FCA ) te herstructureren. Dit houdt in grote lijnen in het opstellen van een stedenbouwkundig plan, inclusief de grond- en vastgoedexploitatie en het beheer van het afgesloten deel van het FCA . Hieronder valt ook het onderhandelen met c.q. het verplaatsen van ongeveer 45 bedrijven die al op het FCA gevestigd zijn. Bij de opdracht is aan Marktkwartier een zogenaamd aanwijsrecht gegund, waarmee Marktkwartier aan de Gemeente kan voordragen welke partij in aanmerking komt voor een (nieuwe) erfpachtovereenkomst met de Gemeente op het nieuwe FCA . Een aantal van de reeds op het terrein gevestigde bedrijven en hun vereniging bestrijden in deze procedure de wijze waarop de Gemeente Marktkwartier dit aanwijsrecht laat uitoefenen. Concreet komen zij in deze kortgedingprocedure op tegen een recente erfpachtuitgifte door de Gemeente aan Marktkwartier en tegen toekomstige erfpachtuitgiftes die de Gemeente heeft aangekondigd. Zij stellen onder meer dat deze uitgiftes in strijd zijn met de Didam-regels. Net als de voorzieningenrechter is het hof voorshands van oordeel dat de argumenten van de Vereniging c.s. geen doel treffen.
2. Het geding in hoger beroep
De Vereniging c.s. zijn bij dagvaarding van 15 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 juni 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer in kort geding gewezen tussen de Vereniging c.s. als eisers (in de hoofdzaak en in het incident) en de Gemeente en Marktkwartier c.s. als gedaagden in de hoofdzaak en de Gemeente als gedaagde in het incident (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord van de zijde van de Gemeente, met producties;
- memorie van antwoord van de zijde van Marktkwartier c.s., met een productie.
Op 2 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd is de zaak toegelicht door mr. De Laat voornoemd namens de Vereniging c.s., mr. Cornelissen voornoemd en mr. W. van Leeuwen, advocaat te Amsterdam , namens de Gemeente en mr. Van Angeren voornoemd en mr. A.A. al Khatib namens Marktkwartier c.s.
Marktkwartier c.s. hebben nog producties in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
De Gemeente heeft in 2010 besloten tot een herontwikkeling van het Food Center Amsterdam (hierna: FCA ). Het FCA betreft een bedrijventerrein voor buik- servicebedrijven (voedselgroothandel), gelegen tussen de Jan van Galenstraat en de Haarlemmerweg . De grond is eigendom van de Gemeente en grotendeels in erfpacht uitgegeven aan verschillende individuele gebruikers. Daarnaast heeft de Gemeente een aantal opstalrechten verleend en is de Gemeente een huurovereenkomst aangegaan voor een aantal opstallen binnen het plangebied. Op het FCA zijn momenteel circa 45 bedrijven gevestigd.
Op 18 februari 2010 is (de gemeenteraad van) de Gemeente overgegaan tot vaststelling van het Ambitiedocument Herstructurering FCA (hierna: het Ambitiedocument). Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
Voorwoord
(…) De gemeente Amsterdam heeft reeds in 2004 besloten dat deze plek behouden moet blijven voor het FCA . Wel zullen de food gerelateerde bedrijven wiens verzorgingsgebied overwegend buiten Amsterdam ligt (de zogenaamde mainportbedrijven, ongeveer één zesde van het totaal), worden benaderd voor een verplaatsing naar een locatie buiten de ring van Amsterdam of elders. De overgebleven bedrijven zullen op ongeveer twee derde van het terrein geherhuisvest worden. Hierbij zal het aanpalende Kermis Exploitanten Terrein (KET) bij het FCA worden gevoegd. Dit maakt het totale ontwikkelingsterrein circa 23,5 hectare. De resterende ruimte komt beschikbaar voor andere functies, voornamelijk woningen. Herstructurering is ook hard nodig: sommige gebouwen zijn in slechte staat van onderhoud, de lay-out is verre van efficiënt en het FCA levert een flinke belasting van vrachtverkeer op voor de Jan van Galenstraat .
(…)
De gemeente kan deze omvangrijke herstructureringsopgave van het FCA niet realiseren zonder de creatieve en financiële ontwikkelingskracht van de markt. (…) Hiervoor gaat de gemeente een aanbesteding organiseren conform de procedure van de Concurrentie Gerichte Dialoog.
(…)
1 Inleiding
(…)
B Het ambitiedocument
Om de herontwikkeling te realiseren wordt de gehele herontwikkeling door de gemeente Europees aanbesteed. Marktpartijen kunnen hier op inschrijven. Deze aanbesteding zal tot stand komen door middel van een concurrentiegericht dialoog. Hiertoe is door de gemeente dit ambitiedocument opgesteld.
(…)
E Conclusies
(…)
De op het FCA gevestigde bedrijven geven aan in de toekomst op een afgesloten terrein te willen blijven en bereid te zijn om te investeren in nieuwe gebouwen. Het gaat de bedrijven op het FCA goed: veel bedrijven hebben begin 2009 aangegeven dat ze verwachten te gaan groeien en daar ook meer ruimte voor nodig te hebben. Nadat de mainportbedrijven verhuisd zijn, is er nog behoefte aan circa 95.000 m2 bvo bedrijfsruimte en aanvullende kantoorruimte.
Op eveneens 18 februari 2010 is de gemeenteraad van de Gemeente akkoord gegaan met onder meer ‘de integrale aanbestedingsopgave voor de herstructurering van het FCA , in hoofdlijnen inhoudend: het opstellen van een stedenbouwkundig plan incl. grond- en vastgoedexploitatie, beheer van het afgesloten FCA.’
Op 30 maart 2010 heeft (het college van B&W van) de Gemeente als aanbesteder de Selectieleidraad (hierna: de Selectieleidraad) gepubliceerd ter aankondiging van de Europese aanbesteding van het project FCA . Hierin licht de Gemeente onder meer toe dat zij de herontwikkeling wenst over te laten aan de inventiviteit van de markt, dat het plangebied gekenmerkt wordt door sterk verspreide grondposities en de noodzaak om bedrijfsverplaatsingen te realiseren en dat de ontwikkelopgave bijzonder complex en langjarig is.
De met de aanbesteding beoogde doelstellingen van de Gemeente behelzen volgens de Selectieleidraad onder meer de herstructurering van een deel van het plangebied tot een – niet openbaar – toegankelijk Food Center met een minimale omvang van 95.000 m2 bvo en het door de opdrachtnemer in opdracht van de Gemeente gedurende 25 jaar voor eigen rekening en risico voeren van het beheer en de exploitatie van het Food Center. Het doel van de aanbesteding is verder om de opdrachtnemer te selecteren met wie de Gemeente een realisatie- en exploitatieovereenkomst (hierna: REOK) aangaat.
Over (de totstandkoming en essentialia van) deze REOK is in hoofdstuk 15 en 16 van de Selectieleidraad onder meer het volgende opgenomen [onderstreping hof]:
Tijdens de Consultatiefase zal de Gemeente een concept tekst van de REOK ter consultatie aan de Deelnemers voorleggen. Na afronding van de Consultatiefase stelt de Gemeente de voorlopige tekst van de REOK vast. (…) De voorlopige REOK zal worden aangehecht aan de Inschrijvingsleidraad.
(…)
De definitieve tekst van de REOK wordt vastgesteld bij de gunning van de Opdracht op basis van de Definitieve Inschrijving.
(…)
Tot de essentialia van de REOK behoren onder andere de navolgende afspraken:
(…)
b. De Opdrachtnemer voert de Grondexploitatie van het Plangebied voor eigen rekening en risico uit. Hieronder valt onder meer het verplaatsen van de Buikbedrijven alsmede het uitplaatsen van de Mainportbedrijven en de overige bedrijven die niet terug zullen komen op het nieuwe Food Center.
(…)
d. De Opdrachtnemer zal voor eigen rekening en risico het Vastgoed binnen het Plangebied (doen) ontwikkelen en realiseren. (…)
e. De Opdrachtnemer zal het Food Center in beheer en exploitatie nemen voor een periode van 25 jaar.
In de hoofdstukken 17 tot en met 19 van de Selectieleidraad zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen over de eigendom van de grond, de erfpachtrechten en de ontwikkeling en realisatie van het FCA [onderstreping hof].
De Gemeente is en blijft eigenaar van de gronden binnen het Plangebied.
(…)
Het erfpachtbeheer en het opstellen / aanpassen van erfpachtaanbiedingen en -contracten zal te allen tijde door de Gemeente (OGA) geschieden.
(…)
Bij uitgifte van grond in erfpacht - hetzij aan Opdrachtnemer, hetzij aan derden zoals Buikbedrijven - wordt de Canon gebaseerd op de vloeroppervlakte in m2 bvo, de erfpachtrechtelijke bestemming, de grondprijs per m2 bvo voor die bestemming conform het op dat moment vastgestelde gemeentelijke grondprijsbeleid en het gemeentelijke canonpercentage.
(…)
De Gemeente geeft op het door de Opdrachtnemer gewenste moment maar uiterlijk binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan voor het Plangebied de gronden en opstallen in het Plangebied die in volle eigendom zijn of komen bij de Gemeente in erfpacht uit aan de Opdrachtnemer .
(…)
De Opdrachtnemer dient voor eigen rekening en risico het nieuwe Food Center te ontwikkelen en te realiseren conform zijn Definitieve Inschrijving.
Dit betreft zowel het Vastgoed als de Besloten buitenruimte en omvat mede alle sloop- bouwrijp-, sanerings- en woonrijpmaakwerkzaamheden, alsmede de verplaatsing dan wel uitplaatsing van de zittende bedrijven binnen het Plangebied.
De Opdrachtnemer onderhandelt met de zittende en nieuwe Buikbedrijven over de condities van de realisatie of renovatie van het vastgoed op het Food Center en de afname, al dan niet in de vorm van huur, daarvan. De Gemeente is hierbij geen partij.
Het concept van het Food Center, inclusief de indeling van de deelmarkten, wordt via het erfpachtrecht gehandhaafd door de Gemeente.
Op het nieuwe Food Center mogen alleen Buikbedrijven en Servicebedrijven worden gevestigd.
In hoofdstuk 22 van de Selectieleidraad zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen over de exploitatie en het beheer van het FCA [onderstreping hof]:
Vanaf zes maanden na de inwerkingtreding van de REOK, dan wel zoveel eerder als de Opdrachtnemer begint met het ‘verschuiven’ van de Buikbedrijven en/of Servicebedrijven of ver/uitplaatsen Mainportbedrijven , is de Opdrachtnemer verantwoordelijk voor de uitvoering van het beheer en de exploitatie van het Food Center, zowel het oude als het nieuwe.
In de op 19 november 2010 ‘Herziene Hoofdlijnen Realisatie en Exploitatieovereenkomst (REOK) versie 19 juli 2010’ is onder meer het volgende bepaald [onderstreping hof]:
De Opdrachtnemer draagt voor eigen rekening en risico met inachtneming van de Planning zorg voor de beëindiging van de erfpachtrechten en/of andere gebruiksrechten van de zittende bedrijven in het Plangebied. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de Opdrachtnemer om in contact te treden met de zittende Buikbedrijven en Service bedrijven teneinde te bewerkstelligen dat zij bereid zijn om hun huidige recht te beëindigen en al dan niet te verplaatsen naar het nieuwe Food Center.
(…)
Bij uitgifte van grond in erfpacht ten behoeve van de realisatie van het nieuwe Vastgoed - hetzij aan Opdrachtnemer, hetzij aan derden zoals Buikbedrijven - dient de erfpachter aan de Gemeente een canon te betalen, gebaseerd op de vloeroppervlakte in m2 bvo, de erfpachtrechtelijke bestemming, de grondprijs per m2 bvo voor die bestemming en het gemeentelijke canonpercentage.
(…)
De Gemeente geeft op het door de Opdrachtnemer gewenste moment maar uiterlijk binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het nieuwe bestemmingsplan voor het Plangebied de gronden en opstallen in het Plangebied die op de datum van ondertekening van de REOK in volle eigendom zijn of binnen de genoemde termijn van vijf jaar zijn gekomen bij de Gemeente in voortdurende erfpacht uit aan de Opdrachtnemer.
(…)
De Opdrachtnemer onderhandelt met de zittende en nieuwe Buik- en Servicebedrijven over de condities van de realisatie of renovatie van het vastgoed op het Food Center en de afname, al dan niet in de vorm van huur, daarvan. De Gemeente is geen partij bij de onderhandelingen.
(…)
Op het nieuwe Food Center mogen alleen Buikbedrijven en Servicebedrijven worden gevestigd.
Op 6 juni 2012 heeft de Gemeente de Leidraad Definitieve Inschrijving gepubliceerd op basis waarvan gegadigden worden gevraagd om hun definitieve inschrijving in te dienen. Daarin staat voor zover hier van belang het volgende:
Deze Leidraad Definitieve Inschrijving geldt in aanvulling op het bepaalde in de Selectieleidraad, de Consultatieleidraad en de Leidraad Eerste Inschrijving. Ingeval van tegenstrijdigheden geldt het bepaalde in de Leidraad Definitieve Inschrijving.
(…)
In geval van tegenstrijdigheden tussen definities geldt de navolgende volgorde van voorrang:
a. Definitieve REOK gaat boven Leidraad Definitieve Inschrijving;
Als bijlage bij de Leidraad Definitieve Inschrijving is gevoegd een nieuwe versie van de REOK van 6 juni 2012. Daarin staat in het hoofdstuk over de erfpachtuitgifte, voor zover hier van belang, het volgende [onderstreping hof]:
De Gemeente geeft alle ondergrond van al het in het Plangebied nieuw te realiseren Vastgoed met aanhorigheden in erfpacht uit aan de Opdrachtnemer dan wel aan de door de Opdrachtnemer aangewezen derde(n). De uitgifte in erfpacht betreft zowel de percelen op het Food Center als het niet afgesloten gedeelte van het Plangebied.
Op 10 juli 2012 heeft de Gemeente een Nota van Inlichtingen (NvI) gepubliceerd. Na het publiceren van de NvI is een aantal wijzigingen doorgevoerd in de tekst van de REOK. Vervolgens is op 23 juli 2012 een aangepaste versie van de REOK gepubliceerd. Artikel 25.1 is in deze versie als volgt gewijzigd [onderstreping hof]:
De Gemeente geeft alle ondergrond van al het in het Plangebied nieuw te realiseren Vastgoed met aanhorigheden in erfpacht uit aan de door de Opdrachtnemer aan te wijzen partij . De uitgifte in erfpacht betreft zowel de percelen op het Food Center als het niet afgesloten gedeelte van het Plangebied.
Vervolgens hebben er twee extra dialoogrondes plaatsgevonden, waarna de Gemeente op 19 november 2012 aan de gegadigden een brief met uitnodiging tot definitieve inschrijving FCA verstuurd. Daarbij is een herziene definitieve versie van de REOK van 19 november 2012 als bijlage gevoegd. Artikel 25.1 is daarin ten opzichte van de versie van 23 juli 2012 niet gewijzigd.
Op 19 december 2013 is de opdracht definitief gegund aan Ballast Nedam Bouw & Ontwikkeling B.V. en VolkerWessels Vastgoed B.V. (hierna gezamenlijk: de opdrachtnemer). De definitieve REOK dateert van 19 december 2013 en is door de opdrachtnemer en de Gemeente ondertekend op 14 mei 2014.
In de considerans van de ondertekende REOK (hierna: de ondertekende REOK) staat voor zover hier van belang het volgende:
N. Partijen streven ter zake van het Plangebied de navolgende doelstellingen na:
(…)
10. Het door de Opdrachtnemer gedurende 25 jaar voeren van het beheer en de exploitatie van het Food Center Amsterdam .
O. De REOK heeft het karakter van een concessie, hetgeen inhoudt dat voor de duur van de REOK de primaire verantwoordelijkheid voor het Plangebied ligt bij de Opdrachtnemer en de rol van de Gemeente in beginsel is beperkt tot het faciliteren van- en controleren op de voortgang van de uitvoering van de REOK door de Opdrachtnemer.
Artikel 25.1 is in de ondertekende REOK ongewijzigd overgenomen en is gelijk aan de tekst zoals hiervoor onder 3.13 is weergegeven. Verder bevat de ondertekende REOK onder meer de volgende artikelen:
1. Definities
(…)
Erfpachters : de door de Opdrachtnemer aan te wijzen partij(en) aan wie de Gemeente grond in erfpacht uitgeeft.
(…)
Vastgoed: de gebouwde voorzieningen met bijbehorend terrein en aanhorigheden die zijn bestemd voor particuliere- of bedrijfsdoeleinden, zoals bijvoorbeeld woninge, winkels en bedrijven, alsmede gebouwde voorzieningen voor openbare doeleinden (…).
2. Hoofdlijnen taakverdeling
Op hoofdlijnen is de navolgende taakverdeling voorzien: (…)
f. De Gemeente geeft aan de Erfpachters de desbetreffende voor de realisatie van Vastgoed bestemde ondergrond van de (…) Onroerende Zaken B in voortdurende erfpacht uit.
(…)
De onroerende zaken in het Plangebied die door de Gemeente in erfpacht zijn uitgegeven dan wel zijn bezwaard met een opstalrecht worden in de REOK aangeduid als de Onroerende zaken B. (…)
Het is de taak en verantwoordelijkheid van de Opdrachtnemer om in contact te treden met de zittende erfpachters, opstallers en andere gerechtigden met betrekking tot de Onroerende zaken B teneinde te bewerkstelligen dat zij bereid zijn om hun huidige recht te beëindigen en (eventueel) te verplaatsen, al dan niet naar het nieuwe Food Center. De Gemeente is geen partij bij deze besprekingen/onderhandelingen.
(…)
De erfpachter dient de bouwwerkzaamheden op het in erfpacht uitgegeven perceel binnen zes maanden na uitgifte aan te vangen en binnen drie jaar na uitgifte te hebben voltooid, zulks op straffe van verbeurte van een boete (…) De Opdrachtnemer staat jegens de Gemeente in voor de nakoming van deze verplichting van de erfpachter.
(…)
Bij uitgifte in erfpacht ten behoeve van de realisatie van het Vastgoed, dient de erfpachter aan de Gemeente een Canon te betalen (…).
Voor de uitgifte in erfpacht op het Food Center gelden de navolgende aanvullende bijzonder voorwaarden:
a. Het concept van het Food Center, inclusief de indeling van de deelmarkten, wordt mede door middel van het erfpachtrecht gehandhaafd door de Gemeente.
(…)
e. Bij verplaatsing van de zittende erfpachters en opstallers naar andere percelen binnen het Food Center waarop deze bedrijven een nieuw erfpachtrecht verkrijgen, is de Gemeente nimmer gehouden tot betaling van enige compensatie aan zittende erfpachters en opstallers in verband met de verplaatsing. (…)
35. Ontwerp van het Vastgoed
De Opdrachtnemer onderhandelt met de zittende en nieuwe Buik- en Servicebedrijven over het ontwerp van het door hen beoogde Vastgoed op het Food Center. De Gemeente is geen partij bij deze onderhandelingen.
(…)
45. Realisatie Vastgoed
De Opdrachtnemer onderhandelt met de zittende en nieuwe Buik- en Servicebedrijven over de condities van realisatie of renovatie van het Vastgoed op het Food Center en de afname, al dan niet in de vorm van huur, daarvan. De Gemeente is geen partij bij deze onderhandelingen.
De Opdrachtnemer draag er (…) zorg voor dat het (…) te realiseren Vastgoed in het Plangebied wordt gerealiseerd (…)
De Opdrachtnemer vrijwaart de Gemeente van aanspraken van bestaande erfpachters, opstallers, huurders en andere gebruikers van het Food Center verbandhoudende met de uitvoering van werkzaamheden ten behoeve van de realisatie van het Project.
Uit hoofde van artikel 67.4. van de ondertekende REOK heeft de opdrachtnemer al haar rechten en plichten uit hoofde van de REOK overgedragen aan Marktkwartier.
Op 26 november 2015 is de Vereniging opgericht om namens de betrokken ondernemers op het FCA te kunnen onderhandelen over collectieve afspraken die aan de basis liggen van een transitie naar een nieuw FCA . De circa 45 op het FCA gevestigde bedrijven dienen plaats te maken voor woningbouw (circa 1700 woningen) en krijgen op circa de helft van het FCA terrein nieuwe, meer compact opgezette bedrijfsruimte. De meeste van deze bedrijven moeten (uiteindelijk) worden gehuisvest in de zogeheten Slang, een S-vormig aaneengesloten nieuw te bouwen bedrijfsgebouw op het nieuwe FCA (zie de met blauwe lijn aangeduide aaneengesloten rechthoeken in onderstaande afbeelding).
Op 16 december 2015 hebben de Vereniging en Marktkwartier een Principeakkoord gesloten. In dit akkoord is onder meer bepaald dat Marktkwartier zich verbindt om aan alle nu gevestigde bedrijven op het FCA (waaronder ook huurders) op de voorwaarden beschreven in dit akkoord een aanbieding te doen voor hervestiging op basis van koop. Over de erfpacht is bepaald dat lopende erfpachtrechten (hoogte canon, looptijd, oppervlak) zullen worden verdisconteerd in de nieuw af te sluiten erfpachtcontracten. Dit houdt kort gezegd in dat indien een bedrijf op 1 januari 2013 als erfpachter (of opstaller) was gevestigd op het FCA en de bestemming van het recht van erfpacht gelijk blijft, de canon van het nieuw uit te geven erfpachtrecht wordt vastgesteld op een gewogen gemiddelde tussen de canon die is verschuldigd voor het oude erfpachtrecht en de canon voor het nieuwe erfpachtrecht.
Op 1 juni 2016 is het Bestemmingsplan Food Center Amsterdam (het 2e herstelbesluit, of het moederplan) vastgesteld.
Op 19 april 2017 hebben Marktkwartier en de Vereniging een Hoofdlijnen Overeenkomst (hierna: HLO) gesloten. De HLO bouwt voort op en komt in de plaats van het Principeakkoord van 16 december 2015. In de HLO is net als in het Principeakkoord onder meer bepaald, kort gezegd, dat de reeds gevestigde ondernemers die ook lid zijn van de Vereniging met voorrang recht hebben op hervestiging op het nieuwe FCA .
In 2019 heeft Marktkwartier in aanvulling op de HLO aan de ondernemers die in aanmerking komen voor hervestiging op het nieuwe FCA een Voorlopig Individueel Aanbod (hierna: het VIA) gedaan die inhoudt dat wanneer de herontwikkeling in een verder stadium zou zijn, aan de ondernemers die het VIA hebben ondertekend een Definitief Individueel Aanbod (hierna: het DIA) zou worden gedaan. In totaal is door Marktkwartier aan 45 ondernemers een VIA aangeboden. In de VIA’s is voorzien dat uiterlijk vóór 31 december 2023 een DIA zou worden gedaan. In de VIA’s zijn de volgende voorwaarden waaraan een definitieve aanbieding moet voldoen opgenomen: (i) er moet sprake zijn van uitgewerkte regelingen met betrekking tot collectieve voorzieningen; (ii) de bouwkosten moeten zijn vastgesteld; (iii) er moet sprake zijn van een erfpacht aanbieding; en (iv) er moet sprake zijn van een onherroepelijke omgevingsvergunning.
Marktkwartier heeft op 22 maart 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van de nieuwbouw van ‘De Slang’, fase 1. Bij besluit van 27 juni 2024 heeft het college van B&W de omgevingsvergunning verleend. Deze is, enigszins gewijzigd, inmiddels onherroepelijk geworden, nadat de rechtbank Amsterdam daarover bij uitspraak van 20 april 2026 heeft beslist.
Het is Marktkwartier en de Vereniging niet gelukt om tot overeenstemming te komen over de inhoud van de DIA’s. Uiteindelijk zijn de VIA’s niet omgezet in DIA’s. Bij brief van 4 oktober 2024 gericht aan de Vereniging heeft Marktkwartier bericht dat zij heeft besloten de HLO te beëindigen. Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
Dat Marktkwartier de HLO en daarmee de samenwerking met de VH beëindigt, betekent overigens allerminst dat Marktkwartier wil terugkomen op wat zij met de individuele ondernemers inmiddels heeft afgesproken in de VIA’s. De VIA’s zijn voor Marktkwartier nog steeds bindend en leidend – met dien verstande dat zij nu met de ondernemers individueel in gesprek zal treden over de nog in te vullen onderdelen van de DIA, en daarbij niet langer gegijzeld zal zijn door de vereiste goedkeuring van de VH.
Omdat de Vereniging het niet eens is met deze opzegging heeft zij een bodemprocedure aangespannen jegens Marktkwartier.
Bij brief van 27 februari 2025 heeft Marktkwartier Amsterdam B.V., handelend als enig beherend vennoot van Marktkwartier, aan de Gemeente verzocht:
om, onder nog nader overeen te komen voorwaarden, over te gaan tot uitgifte in erfpacht van:
- Het op Bijlage 1 met A aangegeven perceel grond aan Exploitatiemaatschappij Wheere B.V.; en
- Het op Bijlage 1 met B aangegeven perceel grond aan Marktkwartier C.V.
Op 12 maart 2025 heeft (het college van B&W van) de Gemeente in het Gemeenteblad de ‘Kennisgeving voornemen tot uitgifte in erfpacht van percelen grond Food Center Amsterdam ’ gepubliceerd. Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
De gemeente Amsterdam is voornemens om ten behoeve van het project Food Center Amsterdam verschillende percelen uit te geven in erfpacht.
(…)
Selectiecriterium en toelichting daarop
De selectie per perceel van een partij binnen het plangebied wordt gebaseerd op een aanwijzing aan of door Marktkwartier C.V. In Marktkwartier C.V. zijn als vennoten Ballast Nedam en VolkerWessels verenigd.
Het voornemen van de gemeente tot uitgiften aan Marktkwartier C.V. of op aanwijzing door Marktkwartier C.V., vloeit voort uit de tussen deze beide partijen gesloten Realisatie- en exploitatieovereenkomst FCA (hierna te noemen: “REOK”). De REOK dateert van 19 december 2013 en is gepubliceerd en gegund in een Europese aanbestedingsprocedure (concurrentiegerichte dialoog) voor het ‘project Herstructurering FCA ’, waarin Ballast Nedam en VolkerWessels de economisch meest voordelige inschrijving hebben gedaan. De REOK geeft Marktkwartier C.V. de bevoegdheid om partijen voor verwerving van bepaalde percelen in erfpacht in het plangebied aan te wijzen. Hieruit volgt dat de gemeente geen percelen uitgeeft anders dan aan Marktkwartier C.V. of aan een partij die door Marktkwartier C.V. is aangewezen. Niet uitgesloten is dat Marktkwartier C.V. zichzelf, een van haar vennoten of een aan haar of aan haar vennoten gelieerde partij aanwijst. Ook in dat geval kan de gemeente Amsterdam percelen in het plangebied aan de aangewezen partij uitgeven in erfpacht.
De genoemde Europese aanbestedingsprocedure is een transparante selectieprocedure als bedoeld in de Didam-arresten (…) In het kader van die procedure kon elke serieuze gegadigde zich melden om een kans te maken om het gebied te herstructureren met de daarbij behorende bevoegdheid om aan te wijzen welke partij de percelen krijgt. De aanwijzing van partijen aan wie de gemeente de percelen zal uitgeven, door Marktkwartier op basis van het aanwijsrecht, vormt bovendien een objectief, redelijk en toetsbaar criterium op grond waarvan de desbetreffende partijen als enige serieuze gegadigde kwalificeren. (…)
De Gemeente zal op korte termijn overgaan tot de volgende uitgiften in erfpacht aan Marktkwartier C.V. op grond van de REOK, dan wel op grond van het gegeven dat de hierna te noemen partijen voor de hierna te noemen percelen, gelegen binnen het plangebied, door Marktkwartier C.V. zijn aangewezen.
Allereerst betreft het een uitgifte van een erfpachtrecht aan Exploitatiemaatschappij Wheere B.V. aangaande het perceel zoals met hoofdletter A aangeduid op bovenstaande kaart (…)
Daarnaast zal een erfpachtrecht worden uitgegeven aan Marktkwartier C.V. aangaande het perceel zoals met hoofdletter B aangeduid op bovenstaande kaart (…)
Met deze kennisgeving geeft de gemeente Amsterdam openheid over haar algemene voornemen tot uitgifte van het gehele plangebied in erfpacht en over het feit dat de percelen worden uitgegeven aan Marktkwartier C.V., dan wel partijen die door Marktkwartier C.V. worden aangewezen. Voor toekomstige uitgiften binnen het plangebied op de hiervoor beschreven wijze zal niet telkens een afzonderlijke publicatie in het Gemeenteblad plaatsvinden. Op de website (…) van de gemeente wordt een kaart en een lijst geplaatst waarin is weergegeven welke partij zich op welk perceel heeft gevestigd resp. zal vestigen voor zover bekend. Na elk voornemen tot uitgifte zal de gemeente Amsterdam de kaart en de lijst bijwerken. Anders dan het geval is na publicatie van de onderhavige kennisgeving (zie nader hieronder) zal de gemeente Amsterdam bij toekomstige uitgiftevoornemens binnen het plangebied geen opschortende termijn in acht nemen tussen de bijwerking van de kaart en lijst op de hiervoor bedoelde gemeentelijke website en de definitieve overeenkomst tot uitgifte in erfpacht resp. de vestiging van het erfpachtrecht. (…) Partijen die zich niet kunnen verenigen met een of meer van de voornemens uit de onderhavige kennisgeving of enig ander onderdeel daarvan, dienen uiterlijk 20 kalenderdagen na publicatie van dit voornemen in het Gemeenteblad een gerechtelijke procedure in kort geding aanhangig te hebben gemaakt tegen de gemeente Amsterdam.
Op 19 mei 2025 heeft het Adviesteam Selectie Marktpartijen van de Gemeente op verzoek van de directeur Grond & Ontwikkeling van de Gemeente een advies uitgebracht over de uitgifte van de verschillende percelen, met conclusie dat de voorgenomen transacties doorgang kunnen vinden. Diezelfde dag heeft de directeur Grond & Ontwikkeling van de Gemeente een afwijkingsbesluit genomen met de volgende conclusie:
Hiermee bevestig ik, namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, dat is besloten om ter zake van de voorgenomen transacties beschreven in Gemeenteblad 2025 nr. 104897 (…) geen nieuwe openbare selectieprocedure te organiseren, primair omdat met de aanbesteding van de REOK reeds een openbare procedure heeft plaatsgehad en subsidiair omdat aanwijzingen van Marktkwartier krachtens de contractuele aanwijsbevoegdheid van Marktkwartier onder de REOK uniciteit opleveren zoals medegedeeld bij voornoemde kennisgeving en zoals bevestigd in het advies van het Adviesteam.
Bij notariële akte van 30 juni 2025 (hierna: de erfpachtakte) is ter uitvoering van een overeenkomst tussen Marktkwartier en Gemeente een perceel aan Marktkwartier in erfpacht uitgegeven dat op onderstaand kaartje is aangeduid als ‘perceel B’, dat onderdeel (min of meer de kop) is van de hiervoor in rov. 3.18 aangeduide ‘slang’.
In deze akte is onder meer het volgende bepaald [onderstreping hof]:
Artikel 2. Algemene en bijzondere bepalingen
De onderhavige uitgifte in erfpacht van het Erfpachtrecht geschiedt (…):
B. onder de navolgende bijzondere bepalingen, zoals opgenomen in de Overeenkomst (…)
3a. het Perceel is bestemd voor de realisatie van (…) (9.189 m2 bvo) bedrijfsruimte (…), een technische ruimte en (…)parkeerplaatsen (140) op het parkeerdek.
3b. de onder 3a bedoelde bedrijfsruimte mag uitsluitend worden gebruikt door bedrijven in één van de deelmarkten vlees-, wild-, gevogelte-, en vissector/aardappelen, groente en fruitsector/algemene levensmiddelen- en/of dienstverleningssector die overwegend leveren/verkopen aan ‘food gerelateerde’ bedrijven in Amsterdam, en door serviceverlenende bedrijven van wie de bedrijfsvoering hoofdzakelijk is gericht op de op het Food Center gevestigde groothandelsbedrijven. (…)
13a. onmiddellijk na de datum waarop de verleende omgevingsvergunning voor de op het Perceel te stichten bebouwing onherroepelijk is geworden en de Erfpachter overeenkomsten heeft gesloten met de ondernemers voor vestiging in de op het Perceel te stichten bebouwing , is de Erfpachter verplicht om op eerste schriftelijk verzoek van de Gemeente jegens de Gemeente afstand te doen van het Erfpachtrecht dan wel van een (…) gedeelte van het Erfpachtrecht.
Marktkwartier is gestart met de bouw op perceel B. Ter zitting is aan de orde gekomen dat, na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, aan enkele ondernemers met een VIA voor de eerste fase van de Slang een DIA is aangeboden, maar dat deze nog niet waren getekend.
4. Procedure bij de voorzieningenrechter
In eerste aanleg hebben de oorspronkelijke eisers (de Vereniging c.s. en nog zeven andere ondernemingen) een vordering in incident ingediend die door de Voorzieningenrechter is afgewezen. Dat incident is geen voorwerp van dit hoger beroep. Verder hebben voornoemde zeven andere ondernemingen geen hoger beroep ingesteld. Ten aanzien van hen geldt dat het vonnis onherroepelijk is.
In de hoofdzaak hebben de Vereniging c.s. bij de voorzieningenrechter, kort samengevat, gevorderd de Gemeente respectievelijk Marktkwartier c.s. te verbieden, op straffe van een dwangsom, om een of meerdere erfpachtrechten of andere zakelijke genotsrechten uit te geven respectievelijk af te nemen voor (gedeelten van) een aantal percelen, zoals omgrensd met de blauwe lijn op de plattegrond als opgenomen in rov. 3.18.
De voorzieningenrechter heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd en de Vereniging c.s. veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Gemeente respectievelijk Marktkwartier c.s., te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente, en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. Vordering in hoger beroep
In hoger beroep hebben de Vereniging c.s. hun eis gewijzigd. Zij vorderen nu vernietiging van het bestreden vonnis en (alsnog) uitvoerbaar bij voorraad:
I. een gebod aan elk van de Gemeente en Marktkwartier c.s. om, binnen veertien dagen na betekening van het ten deze te wijzen arrest, over te gaan tot ongedaanmaking van de erfpachtuitgifte welke heeft plaatsgevonden bij notariële akte d.d. 30 juni 2025, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom door elk van Marktkwartier en de gemeente aan elk van de afzonderlijke appellanten ineens van €300.000,00 althans zodanig dwangsommen als juist worden geacht;
II. een verbod aan de Gemeente om over te gaan tot uitgifte aan Marktkwartier, een van haar vennoten of een aan haar of aan haar vennoten gelieerde partij, van een of meerdere erfpachtrechten of andere zakelijke genotsrechten ten aanzien van de kadastrale percelen zoals opgenomen in productie 33A bij de akte wijziging van eis in eerste aanleg, voor wat betreft de met de blauwe lijn omgrensde gedeelten daarvan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan elk van de afzonderlijke appellanten ineens van € 300.000,00, althans zodanige dwangsommen als juist worden geacht;
III. een verbod aan elk van Marktkwartier en Marktkwartier Amsterdam Beheer B.V. om over te gaan tot afname van een of meerdere erfpachtrechten of andere zakelijke genotsrechten ten aanzien van de kadastrale percelen zoals opgenomen in productie 33A bij de akte wijziging van eis in eerste aanleg, voor wat betreft de met de blauwe lijn omgrensde gedeelten daarvan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom aan elk van de afzonderlijke appellanten ineens van € 3.000.000,00, althans zodanige dwangsommen als juist worden geacht;
IV. veroordeling van de Gemeente en Martkwartier c.s. in de werkelijke proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met rente.
De in het petitum onder II en III genoemde ‘met blauwe lijn omgrensde gedeelten’ zijn hierboven op het plattegrondje in rov. 3.18 weergegeven.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van de Vereniging c.s. in de kosten van de procedure in hoger beroep, inclusief de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen arrest tot de dag der algehele voldoening;
Marktkwartier c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de gewijzigde vordering, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de Vereniging c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten en wettelijke rente vanaf veertien dagen na het te wijzen arrest tot de dag der algehele voldoening.
6. Beoordeling
De Vereniging c.s. verzetten zich met hun vorderingen jegens de Gemeente respectievelijk jegens Marktkwartier c.s. tegen:
- de erfpachtuitgifte aan Marktkwartier die inmiddels heeft plaatsgevonden bij notariële akte van 30 juni 2025 (perceel B);
- alle (toekomstige) erfpachtuitgiftes die de Gemeente, onder verwijzing naar het aanwijsrecht van Marktkwartier, heeft aangekondigd in haar kennisgeving van 12 maart 2025 (zie rov. 3.27).
A. De vorderingen jegens de Gemeente
De Vereniging c.s. leggen aan hun vordering jegens de Gemeente ten grondslag dat zij met deze erfpachtuitgiftes een onrechtmatige daad heeft dan wel zal begaan. Zij menen, samengevat, dat het aanwijsrecht zoals de Gemeente dit laat uitoefenen door Marktkwartier om meerdere redenen niet geldig is. Volgens hen is dit in strijd met (i) de REOK, (ii) het aanbestedingsrecht en/of de Didam-rechtspraak. Daarnaast stellen zij dat deze wijze van handelen door de Gemeente (iii) ertoe leidt dat Marktkwartier de met de ondernemers afgesloten VIA’s niet nakomt. Tot slot voeren zij aan dat de Gemeente in strijd handelt met (iv) het bestemmingsplan, (v) het gronduitgiftebeleid en (vi) het vertrouwensbeginsel.
De grieven in hoger beroep corresponderen met elk van deze aangevoerde - en door de voorzieningenrechter verworpen - gronden. Het geschil ligt in hoger beroep daarom in volle omvang voor. Het hof zal met inachtneming van de desbetreffende grieven hierna ingaan op ieder van deze gronden. Alvorens dat te doen zal het hof eerst ingaan op de onderhavige constructie met een ‘aanwijsrecht’ waarvoor de Gemeente heeft gekozen bij de gebiedsontwikkeling van het FCA .
Het in geschil zijnde ‘aanwijsrecht’
Partijen zijn het erover eens dat de gebiedsontwikkeling van het FCA een zeer complex project is, waarbij veel belangen meespelen: zo zijn veel ondernemingen al sinds lange tijd op het terrein gevestigd en kunnen zij nu, tegen inlevering van hun bestaande erfpachtrecht (dan wel opstal- of huurrecht) verplaatst worden binnen het nieuw in te richten FCA . Er zal een volledige herinrichting plaatsvinden. Mainportbedrijven zijn of zullen worden uitgeplaatst. Bestaande bedrijfsgebouwen zullen worden gesloopt en nieuwe bedrijfsunits worden gebouwd, alsmede 1.700 woningen. Aldus vormt de gebiedsontwikkeling een ingewikkelde schuifpuzzel. Het spreekt voor zich dat iedere blijvende ondernemer een voorkeur heeft voor een bepaalde plek en omvang en bepaalde wensen heeft voor de te betrekken bedrijfsruimte. Verder is niet betwist dat de Vereniging c.s. in onzekerheid verkeren over de vraag welke plek Mevlana c.s. krijgen toegewezen, hoe hoog de nieuwe canon en de bouwprijs zal worden, welke prijs zij ontvangen voor hun huidige erfpacht- of andere gebruiksrechten en over de gemeenschappelijke voorzieningen. Bovendien vrezen de Vereniging c.s. dat, nu de formele overlegafspraken met Marktkwartier zijn beëindigd (zie rov. 3.24-3.25), ondernemers in de individuele onderhandelingen met Marktkwartier onderling tegen elkaar uit worden gespeeld en collectieve belangen te weinig worden gewaarborgd.
Zoals de Gemeente heeft toegelicht en ook blijkt uit het Ambitiedocument (zie rov. 3.3) heeft zij vanwege de complexiteit van deze herstructureringsopgave in 2010 besloten om een en ander uit te besteden aan een commerciële partij als ‘regisseur’ en daartoe een openbare aanbestedingsprocedure uitgeschreven. Met instemming van de gemeenteraad (zie rov. 3.4) zag die procedure op ‘de herstructurering van het FCA , in hoofdlijnen inhoudend: het opstellen van een stedenbouwkundig plan incl. grond- en vastgoedexploitatie, beheer van het afgesloten FCA .’ De rechtsvoorganger van Marktkwartier heeft die aanbesteding in 2013 gewonnen. Tussen partijen is niet in geschil dat die aanbestedingsprocedure volgens de toepasselijke regels heeft plaatsgevonden.
Onderdeel van de aanbestedingsstukken vormt de Selectieleidraad (zie rov. 3.5 tot en met 3.9). Uit de toelichting daarvan blijkt - eveneens - dat de ontwikkelopgave bijzonder complex en langjarig is en de noodzakelijke bedrijfsverplaatsingen met zich brengt. De aanbesteding heeft als doel het selecteren van de opdrachtnemer met wie de Gemeente een REOK aangaat, waarbij de opdrachtnemer gedurende 25 jaar voor eigen rekening en risico het beheer en de exploitatie voert van het Food Center (paragraaf 11.6 respectievelijk 9.1 sub d. van de Selectieleidraad). Onder dat laatste valt onder meer het verplaatsen van de buikbedrijven alsmede het uitplaatsen van de mainportbedrijven en de overige bedrijven die niet terug zullen komen op het nieuwe FCA (paragraaf 16.1 sub b. van de Selectieleidraad). Dit betreft zowel het vastgoed als de besloten buitenruimte en omvat mede alle sloop-, bouwrijp-, sanerings- en woonrijpmaakwerkzaamheden, alsmede de verplaatsing dan wel uitplaatsing van de zittende bedrijven binnen het plangebied (paragraaf 19.1 van de Selectieleidraad). Volgens paragraaf 19.2 van de Selectieleidraad onderhandelt de opdrachtnemer met de zittende en nieuwe buikbedrijven over de condities van de realisatie of renovatie van het vastgoed op het Food Center en de afname, al dan niet in de vorm van huur, daarvan. Verder bepaalt paragraaf 18.1 van de Selectieleidraad dat de Gemeente op het door de opdrachtnemer gewenste moment de gronden en opstallen die in volle eigendom zijn of komen in erfpacht uitgeeft aan de opdrachtnemer. Tot slot bepaalt paragraaf 22.1 van de Selectieleidraad dat het aan de opdrachtnemer is om de buikbedrijven en/of servicebedrijven te verschuiven.
De Vereniging c.s. hebben niet betwist dat de achterliggende reden voor deze constructie, waarbij de Gemeente het recht van erfpacht eerst overdraagt aan Marktkwartier, is gelegen in het belang van Marktkwartier om ook eigenaar te kunnen worden van de door haar te bouwen opstallen (en die niet door natrekking te verliezen) om deze vervolgens over te dragen aan de buikbedrijven. Daarnaast is ook in het artikel over de canon (paragraaf 17.5 van de Selectieleidraad) duidelijk gemaakt dat de Gemeente grond in erfpacht kan uitgeven hetzij aan Marktkwartier als de opdrachtnemer, hetzij aan derden, zoals buikbedrijven.
Ook in artikel 7.1 en 13.2 van de Herziene Hoofdlijnen REOK van 19 juli 2010 is uitdrukkelijk bepaald dat het de taak en de verantwoordelijkheid is van de opdrachtnemer om in contact te treden met de zittende buikbedrijven en servicebedrijven teneinde te bewerkstelligen dat zij bereid zijn om hun huidige recht te beëindigen en al dan niet te verplaatsen naar het nieuwe Food Center. Dit omvat het onderhandelen met de zittende buikbedrijven over de condities van de realisatie of renovatie van het vastgoed en de afname, al dan niet in de vorm van huur, daarvan (zie rov. 3.10). Artikel 11.2 van deze Hoofdlijnen bepaalt, overeenkomstig artikel 18.1 van de Selectieleidraad, dat de Gemeente op het door de opdrachtnemer gewenste moment de gronden en opstallen die in volle eigendom zijn of komen in voortdurende erfpacht uitgeeft aan de opdrachtnemer. Daarnaast is ook in het artikel over de canon (artikel 10.3 van de Hoofdlijnen) duidelijk gemaakt dat de Gemeente grond in erfpacht kan uitgeven hetzij aan de opdrachtnemer, hetzij aan derden, zoals buikbedrijven.
In artikel 25.1 van de versie van de REOK van twee jaar later (6 juni 2012, zie rov. 3.12) is eveneens bepaald dat de Gemeente alle ondergrond in erfpacht uitgeeft ‘aan de Opdrachtnemer dan wel aan de door de Opdrachtnemer aangewezen derde(n)’. Hierin is duidelijk gemaakt dat als de ondergrond in erfpacht wordt uitgegeven aan derden, dit geschiedt op aanwijzing van de opdrachtnemer (het aanwijsrecht).
Geen strijd met de REOK
Ondanks deze consistente bewoordingen, bedoelingen en systematiek weergegeven in het Ambitiedocument en de daarop volgende aanbestedingsstukken (de Selectieleidraad, REOK versie van 19 juli 2010 en REOK versie van 6 juni 2012, behorend bij de Leidraad definitieve inschrijving) menen de Vereniging c.s. dat de REOK c.q. de met de aanbestedingsprocedure verleende opdracht niet inhield dat de Gemeente de te ontwikkelen ondergrond in erfpacht zou uitgeven aan de opdrachtnemer (dat wil zeggen Marktkwartier). Zij zijn van mening dat de Gemeente de gronden, weliswaar op aanwijzing door Marktkwartier, direct, dus zonder tussenstap, in erfpacht dient uit te geven aan de zittende bedrijven. Daartoe beroepen de Vereniging c.s. zich op de gewijzigde tekst van artikel 25.1 zoals achtereenvolgens opgenomen in de REOK van 23 juli 2012 en de ondertekende REOK (zie rov. 3.13, 3.14 en 3.16). Hierin is bepaald dat de Gemeente de ondergrond in erfpacht uitgeeft ‘aan de door de Opdrachtnemer aan te wijzen partij’.
Het hof gaat voorshands niet mee in de uitleg die de Vereniging c.s. bepleiten.
Het hof stelt voorop dat het in het aanbestedingsrecht geldende transparantiebeginsel impliceert dat alle aanbestedingsvoorwaarden en -modaliteiten in het aanbestedingsbericht of het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, onder meer opdat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren. Die stukken dienen daarom te worden uitgelegd naar hun objectieve betekenis, zoals een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver deze, binnen de context van het totaal van de aanbestedingsstukken, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen. Voor zover de aanbestedingsstukken verduidelijking behoeven, is in het aanbestedingsrecht voorzien in vragenrondes met daarop volgende nota’s van inlichtingen, waarvan alle potentiële inschrijvers gelijkelijk kennis kunnen nemen, dan wel vergelijkbare systemen (zoals een concurrentiegerichte dialoog). De nota’s van inlichtingen dienen overeenkomstig hetzelfde criterium te worden uitgelegd. Bij de uitleg van de aanbestedingsstukken dient de niet in die stukken tot uitdrukking gebrachte opvatting van de opstellers van de aanbestedingsstukken over de uitleg daarvan buiten beschouwing te worden gelaten, omdat die tot ongelijke behandeling zou kunnen leiden. Dat geldt tijdens de aanbestedingsprocedure, omdat de zittende opdrachtnemer veelal met die opvattingen bekend zal zijn en zijn inschrijving daarop zal kunnen afstemmen. Het geldt ook tot aan het einde van de fase van uitvoering van de opdracht, omdat een gewijzigde lezing van de aanbestedingsstukken tijdens die uitvoering een meer dan marginale wijziging van de opdracht zou kunnen impliceren, waarop verliezende inschrijvers hun inschrijving niet konden afstemmen. Een wijziging van de opdracht is slechts toegestaan als daarin uitdrukkelijk in de aanbestedingsstukken is voorzien (zie HvJEU 29 april 2004, C-496/99P, Commissie/CAS Succhi di Frutta, ECLI:EU:C:2004:236, rov. 115-121).
Noch de tekst en systematiek van de ondertekende REOK, noch de bedoelingen en systematiek gelegen achter de aanbestede opdracht zoals die zijn op te maken uit de hiervoor geciteerde aanbestedingsdocumenten geven (voldoende) aanknopingspunten om aan te nemen dat een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver de REOK zou hebben opgevat in de door Vereniging c.s. bepleite zin.
De tekst van artikel 25.1 van de ondertekende REOK maakt, net als de eerdere versies van dat artikel, duidelijk dat het aan de opdrachtnemer is om de ontvangende partij aan te wijzen (het aanwijsrecht). De tekst sluit niet uit dat de opdrachtnemer daarbij zichzelf of een aan haar gelieerde partij kan aanwijzen. Uit de considerans van de ondertekende REOK blijkt (wederom) dat gedurende 25 jaar de opdrachtnemer het beheer en de exploitatie van het FCA voert (zie rov. 3.16). Ook uit onder meer artikel 27.2 en 27.4 blijkt duidelijk dat percelen in erfpacht door de Gemeente zullen worden uitgegeven ten behoeve van de realisatie van het Vastgoed. Tussen partijen is niet in geschil dat die realisatie aan de opdrachtnemer is gegund, zoals de titel van de REOK ook duidelijk maakt. In het licht van de aanbestede taken om het vastgoed te realiseren én de onderhandelingen te voeren met de zittende ondernemers over hun verplaatsing, sluit de wijze waarop de Gemeente het aanwijsrecht uitlegt (en laat uitoefenen door Marktkwartier) aan bij hetgeen een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver had moeten begrijpen uit de (gewijzigde) tekst van artikel 25.1 van de REOK.
Andere door de Vereniging c.s. ingeroepen artikelen van de REOK (waaronder de artikelen 28.1, 35.1, 45.1 en 62.1, zie rov. 3.16), staan niet in de weg aan aanwijzing van Marktkwartier dan wel een aan haar gelieerde partij ter realisering van het benodigde vastgoed. Grief 1 slaagt daarom niet. Ook grief 11, waarmee de Vereniging c.s. betogen dat de definitieve REOK deels zwart gelakt is, heeft geen succes. Zoals hiervoor is toegelicht is de constructie die de Gemeente heeft beoogd met deze aanbesteding voldoende transparant en consistent uitgewerkt in de wel zichtbare delen van de ondertekende REOK en al helemaal in de daaraan voorafgegane aanbestedingsstukken.
De Vereniging c.s. vrezen nog voor strijdigheid met artikel 28.1 sub a van de ondertekende REOK: zij zijn bang dat met de erfpachtuitgifte aan Marktkwartier de indeling van de deelmarkten, die van belang is om redenen van onder meer voedselveiligheid en logistiek, niet zal worden gehandhaafd. Naar het voorlopig oordeel van het hof is van strijd met dit artikel vooralsnog niet gebleken. De Vereniging c.s. hebben niet concreet gemaakt dat de Gemeente op dit punt in de handhaving te kort is geschoten dan wel zal schieten. Zij wijzen er weliswaar op dat bij de erfpachtakte van 30 juni 2025 geen bijlage is opgenomen met betrekking tot de op die gronden te huisvesten deelmarkt, maar dat betekent nog niet dat die deelmarkten niet in acht zullen worden genomen bij de uiteindelijke aanwijzing, door Marktkwartier, van zittende ondernemers. Grief 3 slaagt daarom niet.
Geen strijd met het aanbestedingsrecht en/of de Didam-regels
Met de grieven 2, 6, 8, 12 en 13 voeren de Vereniging c.s. aan dat de onderhavige constructie, waarbij Marktkwartier een tijdelijk erfpachtrecht krijgt ter realisatie van het benodigde vastgoed, en waarbij Marktkwartier, met gebruikmaking van haar aanwijsrecht, vervolgens kan onderhandelen met zittende ondernemers over het aan hen toekomende erfpachtrecht, in strijd is met de Didamregels. Zij betogen dat de Gemeente, bij het uitgeven van erfpachtrechten op aanwijzing van Marktkwartier, zich moet houden aan de procedure voorgeschreven in de Didam-arresten (Hoge Raad 26 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1778, hierna: het arrest Didam I, en Hoge Raad 15 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1661, hierna: het arrest Didam II).
In de Didam-arresten ging het om een privaatrechtelijke overeenkomst waarbij een overheidslichaam een aan hem toebehorende onroerende zaak verkoopt. Partijen zijn het erover eens dat deze regels ook van toepassing zijn als een overheidslichaam een aan hem toebehorende onroerende zaak in erfpacht uitgeeft, zoals hier het geval is.
In het arrest Didam I heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
Op grond van art. 3:14 BW mag een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan een overheidslichaam toekomt, niet worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Tot de regels van publiekrecht behoren de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betekent dat een overheidslichaam bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en daarmee het gelijkheidsbeginsel in acht moet nemen. Dit geldt dus ook voor de beslissing met wie en onder welke voorwaarden het een overeenkomst tot verkoop van een aan hem toebehorende onroerende zaak sluit. Op dit punt verschilt de positie van een overheidslichaam van die van een private partij.
Uit het gelijkheidsbeginsel – dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen – vloeit voort dat een overheidslichaam dat het voornemen heeft een aan hem toebehorende onroerende zaak te verkopen, ruimte moet bieden aan (potentiële) gegadigden om mee te dingen naar deze onroerende zaak indien er meerdere gegadigden zijn voor de aankoop van de desbetreffende onroerende zaak of redelijkerwijs te verwachten is dat er meerdere gegadigden zullen zijn. In dat geval zal het overheidslichaam met inachtneming van de hem toekomende beleidsruimte criteria moeten opstellen aan de hand waarvan de koper wordt geselecteerd. Deze criteria moeten objectief, toetsbaar en redelijk zijn.
Het gelijkheidsbeginsel brengt ook mee dat het overheidslichaam, teneinde gelijke kansen te realiseren , een passende mate van openbaarheid moet verzekeren met betrekking tot de beschikbaarheid van de onroerende zaak, de selectieprocedure, het tijdschema en de toe te passen selectiecriteria. Het overheidslichaam moet hierover tijdig voorafgaand aan de selectieprocedure duidelijkheid scheppen door informatie over deze aspecten bekend te maken op zodanige wijze dat (potentiële) gegadigden daarvan kennis kunnen nemen.
De hiervoor in 3.1.4 en 3.1.5 bedoelde mededingingsruimte door middel van een selectieprocedure hoeft niet te worden geboden indien bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat op grond van objectieve, toetsbare en redelijke criteria slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt voor de aankoop. In dat geval dient het overheidslichaam zijn voornemen tot verkoop tijdig voorafgaand aan de verkoop op zodanige wijze bekend te maken dat een ieder daarvan kennis kan nemen, waarbij het dient te motiveren waarom naar zijn oordeel op grond van de hiervoor bedoelde criteria bij voorbaat vaststaat of redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er slechts één serieuze gegadigde in aanmerking komt. [onderstreping hof]
In het arrest Didam II heeft de Hoge Raad ten aanzien van de als laatst geciteerde regel (onder 3.1.6 van het Didam I arrest) toegelicht dat deze regel ertoe strekt een gegadigde die meent volgens de gestelde criteria in aanmerking te komen voor aankoop, of die meent dat de criteria niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen, alsnog de mogelijkheid te bieden op een gelijke kans bij aankoop van de onroerende zaak. Daarnaast heeft de Hoge Raad beslist dat een koopovereenkomst die in strijd met de Didam-regels is gesloten, niet op grond van artikel 3:40 lid 2 BW nietig of vernietigbaar is.
- De gunning van het aanwijsrecht
Zoals hiervoor is toegelicht heeft de Gemeente het hele proces van (her)plaatsing van ondernemingen op het FCA , overgedragen aan een commerciële partij (de rechtsvoorganger van Marktkwartier), ook al is de Gemeente zelf de partij die uiteindelijk de privaatrechtelijke (erfpacht)overeenkomst ten behoeve van die (her)plaatsing aangaat met de betrokken ondernemingen. Aan deze overdracht van (civielrechtelijke) bevoegdheden, waartoe niet alleen de bevoegdheid om te onderhandelen met de zittende ondernemers behoort, maar ook het daarmee verweven recht om aan te wijzen met wie de Gemeente een erfpachtovereenkomst zal aangaan, is een Europese aanbestedingsprocedure voorafgegaan, waarvan voorshands niet gebleken is dat daarbij het aanbestedingsrecht is geschonden. Met het voldoen aan het aanbestedingsrecht is ook voldaan aan het gelijkheidsbeginsel en daarmee de Didam-regels omtrent het bieden van een passende mate van openbaarheid en het bieden aan potentiële serieuze gegadigden van de benodigde ruimte mee te dingen naar de (aankoop van de) onroerende zaak. De Vereniging c.s. hebben niet toegelicht waarin de Didam-regels ten opzichte van het toepasselijke aanbestedingsrecht nog strengere eisen zouden stellen waaraan niet zou zijn voldaan door de Gemeente bij het gunnen van de opdracht aan (de rechtsvoorganger van) Marktkwartier. Het hof ziet dus voorshands geen grond voor het oordeel dat de gunning van het aanwijsrecht aan Marktkwartier is geschied in strijd met de Didamregels.
- De uitoefening van het aanwijsrecht
Wat betreft de uitoefening van dat aanwijsrecht door Marktkwartier merkt het hof allereerst op dat Marktkwartier zelf geen overheidslichaam is, dus op haar zijn de Didam-regels niet van toepassing. Niet gesteld of gebleken is dat de Gemeente met het overdragen van het aanwijsrecht de Didam-regels heeft willen omzeilen. Integendeel: zoals hiervoor (zie rov. 6.4 en 6.5) is toegelicht heeft de Gemeente hiervoor gekozen omdat de herstructurering een ingewikkelde schuifpuzzel vormt, waarbij tientallen grondposities zullen moeten worden uitgeruild, aan de hand van onderhandelingen over onder meer (bouw)kosten, canon, etc.
Zelfs als de Didam-regels wel – indirect – van toepassing zouden zijn op de uitoefening door Marktkwartier van het aan haar gegunde aanwijsrecht (in die zin dat de verplichtingen die op grond van de Didam-regels rusten op de Gemeente als het ware moeten worden ‘doorgelegd’ naar Marktkwartier) dan is vooralsnog niet gebleken van strijdigheid daarmee. Het hof licht dit als volgt toe.
Gelet op de inhoud van de vorderingen I en II jegens de Gemeente bestrijden de Vereniging c.s. enkel (toekomstige) aanwijzingen door Marktkwartier van zichzelf als erfpachthouder en niet toekomstige aanwijzingen door Marktkwartier van andere potentiële gegadigden, waaronder zittende ondernemers. Zoals hiervoor is toegelicht is de (tijdelijke) aanwijzing door Marktkwartier van zichzelf als erfpachtgerechtigde in alle hiervoor geciteerde aanbestedingsstukken voorzien als accessoir recht voor de opdrachtnemer. Deze wijze van uitoefening van het aanwijsrecht is dus voorwerp geweest van de aanbestedingsprocedure, met alle ruimte voor mededinging. Dat de Vereniging c.s. zelf een serieuze potentiële gegadigde zouden zijn voor de gehele aanbestede opdracht, waaronder de realisatie van het vastgoed, is niet gesteld of gebleken.
De Vereniging c.s. hebben nog bepleit dat de Gemeente de regie niet zomaar aan Marktkwartier kan overlaten en zelf meer de regie in handen moet nemen. Dit, omdat zij vrezen dat Marktkwartier als erfpachthouder de bedrijfsruimtes kan verhuren of verkopen aan iedere willekeurige ondernemer, niet zijnde een reeds op het FCA gevestigde. De Vereniging c.s. hebben echter geen feiten of omstandigheden gesteld die erop wijzen dat Marktkwartier erfpachtrechten die zijzelf zal verkrijgen middels het aanwijsrecht (of reeds heeft verkregen) zal gaan gebruiken anders dan voor de realisering van het vastgoed op het FCA en het (ver)plaatsen van c.q. onderhandelen met de daarvoor in aanmerking komende ondernemingen overeenkomstig de aan haar gegunde opdracht.
Voor de vrees van de Vereniging c.s. dat Marktkwartier de aan haar in erfpacht uitgegeven c.q. uit te geven percelen niet zal terugleveren aan de Gemeente ziet het hof voorshands geen grond. Integendeel: artikel 2 sub 13a van de erfpachtakte (zie rov. 3.30) bepaalt uitdrukkelijk dat onmiddellijk na de datum waarop de verleende omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en de erfpachter overeenkomsten heeft gesloten met de ondernemers voor vestiging in de op het perceel te stichten bebouwing, de erfpachter verplicht is om op eerste schriftelijk verzoek van de Gemeente jegens de Gemeente afstand te doen van het erfpachtrecht dan wel van een gedeelte van het erfpachtrecht. In zoverre heeft de Gemeente dus nog steeds de touwtjes in handen en kan de Gemeente dus ook worden aangesproken door de Vereniging c.s. mocht de erfpachter (lees Marktkwartier) zich hier niet aan houden.
De Vereniging c.s. hebben met grief 8 weliswaar nog gesteld dat (ook) het aanbestedingsrecht zich verzet tegen de rechtstreekse erfpachtuitgifte aan Marktkwartier. Dit, omdat artikel 25.1 van de ondertekende REOK een ‘wezenlijke wijziging’ van de concessieopdracht behelst die niet zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure mag worden doorgevoerd. Echter, zoals hiervoor in rov. 6.10-6.13 voorshands is geoordeeld valt die beweerdelijke wijziging niet op te maken uit de ondertekende en daaraan voorafgegane versies van de REOK en andere voorafgaande aanbestedingsstukken. Dat artikel 25.1 in de ondertekende REOK een tekstuele aanpassing bevat ten opzichte van eerdere versies van dat artikel is hoe dan ook niet aan te merken als een niet toegestane wezenlijke wijziging in de zin van de Aanbestedingswet omdat deze tekstuele wijziging immers onderdeel uitmaakt van de aanbestedingsprocedure. Verder hebben de Vereniging c.s. bij deze grief slechts volstaan met een niet onderbouwde verwijzing naar een memorie van grieven van een andere partij in een andere zaak, waarmee zowel voor het hof als voor de andere partijen onbegrijpelijk is wat de grief precies inhoudt.. Grief 8 kan dus hoe dan ook niet slagen.
Wat betreft het erfpachtrecht zoals dat op 30 juni 2025 aan Marktkwartier al is uitgegeven en waarop vordering I van de Vereniging c.s. jegens de Gemeente ziet, (gebod tot ongedaanmaking, zie rov. 5.1) merkt het hof verder nog op dat uit het arrest Didam II volgt dat de Didam-regels niet de strekking hebben om de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen met nietigheid of vernietigbaarheid te treffen. Ook dit staat in de weg aan toewijzing van de vordering sub I jegens de Gemeente voor zover die vordering gebaseerd is op strijd met de Didam-regels.
Wat betreft toekomstige erfpachtuitgiftes zoals de Gemeente die heeft aangekondigd in haar kennisgeving van 12 maart 2025 en waarop vordering II jegens de Gemeente betrekking heeft maar alleen voor zover het gaat om uitgiftes aan Marktkwartier, merkt het hof nog het volgende op. De Gemeente heeft aangekondigd dat zij voornemens is ten behoeve van het project FCA verschillende percelen uit te geven in erfpacht. Daaraan heeft zij toegevoegd dat de selectie per perceel wordt gebaseerd op een aanwijzing aan of door Marktkwartier en dat voor toekomstige uitgiften binnen het plangebied niet telkens een afzonderlijke publicatie in het Gemeenteblad zal plaatsvinden (zie rov. 3.27). Uit hetgeen het hof hiervoor, in rov. 6.21 heeft overwogen vloeit voort dat voor zover die toekomstige erfpachtuitgiftes uitgiftes aan Marktkwartier betreffen ten behoeve van de realisering van het vastgoed, dat niet in strijd is met de Didam-regels. Door middel van de aankondiging en het volgen van de aanbestedingsprocedure is aan alle serieuze gegadigden de mogelijkheid geboden mee te dingen naar de opdracht voor het realiseren van het vastgoed en het (her)plaatsen van de ondernemingen c.q. het onderhandelen met hen over de beëindiging van de bestaande erfpachtrechten en de uitgifte van een nieuw erfpacht (waarin het mede aanbestede aanwijsrecht voorziet). De opdracht is aan (de rechtsvoorganger van) Marktkwartier gegund nadat zij de enige inschrijver was die een (geldige) inschrijving had ingediend. Daarmee is (de rechtsvoorganger van Marktkwartier) de enige serieuze gegadigde voor de uitvoering van (de aanbestede) opdracht, mede inhoudende de realisatie van het vastgoed voorafgegaan door erfpachtuitgifte met toepassing van het aanwijsrecht.
Uit het voorgaande volgt dat de grieven 2, 6 en 12 niet slagen. Dit brengt met zich dat er voorshands ook geen grond is om te spreken van een zogenaamde ‘gekwalificeerde normschending’, zoals de Vereniging c.s. bepleiten. Grief 13 slaagt daarom niet.
Geen strijd met de VIA’s
Daarnaast vrezen de Vereniging c.s. dat het verdisconteren van de lopende canon in het gedrang komt, omdat met de uitoefening van het aanwijsrecht Marktkwartier alle regie in handen heeft. Tegelijk wijzen de Vereniging c.s. op afspraken die de ondernemers zélf over de canon hebben gemaakt in de VIA’s met Marktkwartier. De Vereniging c.s. hebben hun vrees onvoldoende concreet toegelicht. Allereerst omdat het hof niet beschikt over de desbetreffende VIA’s en ten tweede omdat de Vereniging c.s. niet concreet hebben gemaakt dat bij lopende onderhandelingen met Marktkwartier het recht op het verdisconteren van de lopende canon, waarvan het bestaan niet wordt betwist door Marktkwartier, door Marktkwartier niet wordt gerespecteerd. De grieven 4 en 5 hebben daarom geen succes.
Geen strijd met het bestemmingsplan en het gronduitgiftebeleid
De Vereniging c.s. betogen verder dat de rechtstreekse erfpachtuitgifte aan Marktkwartier in strijd is met het bestemmingsplan omdat Marktkwartier niet voldoet aan de bestemmingsomschrijving. Zij lichten echter niet toe waarom de overwegingen van de voorzieningenrechter op dit punt niet juist zijn. Het hof volgt de voorzieningenrechter in zijn oordeel (in rov. 6.9.11) dat voldoende aannemelijk is dat de uitgifte van grond in erfpacht aan Marktkwartier slechts tijdelijk is ten dienste van het kunnen starten van de bouw. De Vereniging c.s. hebben in hoger beroep geen enkel concreet feit of concrete omstandigheid genoemd die erop wijzen dat de Gemeente zal handelen in strijd met het bestemmingsplan. De herstructurering bevindt zich immers slechts in de beginfase van de bouw en dat is ook waar de erfpachtakte op ziet. Grief 9 slaagt daarom niet.
Daarnaast voeren de Vereniging c.s. aan dat de rechtstreekse erfpachtuitgifte in strijd is met het gemeentelijk gronduitgiftebeleid, in het bijzonder de Beleidsregels selectieprocessen bij gronduitgifte voor gebiedsontwikkeling. Zij hebben in hoger beroep echter volstaan met de stelling dat de percelen grond niet aan een projectontwikkelaar maar direct aan de beoogde eindgebruiker moeten worden uitgegeven. Het is het hof niet duidelijk wat de Vereniging c.s. met deze grief beogen.
Gelet op de vergunningenproblematiek en de staking van het overleg tussen de Vereniging en Marktkwartier zou een impasse ontstaan en zou nadere herinrichting en ontwikkeling van het gebied niet mogelijk zou zijn zonder aanmerkelijke vertraging. Het lijkt daarom juist in het belang van de ondernemers te zijn dat Marktkwartier ervoor heeft gekozen op eigen risico te starten met de voorbereiding van de bouw van de kop van de slang, en daarbij gebruik heeft gemaakt van de optie die de REOK biedt om eerst zichzelf aan te wijzen voor de uitgifte van percelen om vervolgens voor de daar te realiseren units ondernemers aan te wijzen. Er zijn geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten naar voren gebracht voor de stelling dat de gronden uiteindelijk niet aan de beoogde ondernemers in erfpacht zullen worden uitgegeven. Daar komt bij dat, zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen (rov. 6.9.15), de genoemde Beleidsregels niet van toepassing zijn. De grieven 10 en 14 slagen daarom niet.
Geen strijd met het vertrouwensbeginsel
In voorafgaande overwegingen heeft het hof voorshands geoordeeld dat de rechtstreekse erfpachtuitgifte aan Marktkwartier niet in strijd is met het Ambitiedocument, de aanbestedingsstukken, waaronder de ondertekende REOK en het bestemmingsplan. Dit oordeel brengt met zich dat grief 7, waarin de Vereniging c.s. zich beroepen op het vertrouwen dat zij hebben ontleend aan deze documenten, niet slaagt. De Vereniging c.s. wijzen erop dat hen door de Gemeente al vanaf de vaststelling van het ambitiedocument is verzekerd dat de buikondernemers van wie het verzorgingsgebied hoofdzakelijk in Amsterdam ligt op het FCA zouden kunnen blijven. De Vereniging c.s. hebben echter niet concreet toegelicht dat er nu al concrete aanwijzingen zijn waaruit valt op te maken dat bepaalde ondernemers, die al op het FCA gevestigd waren en wensen te blijven, buiten de boot dreigen te vallen.
Gemeente heeft ook niet anderszins onrechtmatig gehandeld jegens de Vereniging c.s.
Tot slot komt het hof tot het voorlopig oordeel dat, anders dan de Vereniging c.s. stellen, niet is gebleken dat de Gemeente anderszins onrechtmatig heeft gehandeld jegens de Vereniging c.s.
B. De vorderingen jegens Marktkwartier wegens wanprestatie
Met de grieven 15 tot en met 21 beroepen de Vereniging c.s. zich op diverse bepalingen uit VIA’s die Mevlana c.s. met Marktkwartier hebben afgesloten. Deze VIA’s zijn echter niet in het geding gebracht. De Vereniging c.s. voldoen hierdoor niet aan hun stelplicht. Hierdoor kunnen deze grieven niet slagen. De vorderingen jegens Marktkwartier zijn dan ook niet toewijsbaar.
Slotsom
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en de voor het eerst in hoger beroep ingediende vordering sub I zal worden afgewezen.
De Vereniging c.s. zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten van de Gemeente respectievelijk Marktkwartier c.s. in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 0
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II: € 1.290,00 x 2 punten)
Totaal € 3.407,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover gewezen in de hoofdzaak;
veroordeelt de Vereniging c.s. in de proceskosten in hoger beroep van de Gemeente, tot nu vastgesteld op € 3.407,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt de Vereniging c.s. tot betaling aan de Gemeente van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
veroordeelt de Vereniging c.s. in de proceskosten in hoger beroep van Marktkwartier c.s., tot nu vastgesteld op € 3.407,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt de Vereniging c.s. tot betaling aan Marktkwartier c.s. van € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart de veroordeling onder 7.4 en 7.5 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A.H.M. ten Dam, R.E. Weening en Z.D. van Heesen-Laclé en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.