Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de medewerkster van Slachtofferhulp namens de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde belaging. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het contact tussen de verdachte en de aangeefster wederrechtelijk was en dat geen sprake is geweest van een stelselmatig patroon nu – kort weergegeven – de aangeefster ook contact heeft gezocht met de verdachte. Daarnaast is het voor de verdachte niet duidelijk geweest dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde en geldt dat het niet om een stelselmatige inbreuk, maar om een kortdurende, zij het ernstige, escalatie is gegaan. Bovendien is voor bepaalde gedragingen onvoldoende bewijs, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van stelselmatigheid.
Het hof overweegt als volgt.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het hof stelt op grond van de inhoud en het dossier en wat ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De verdachte, de ex-vriend van de aangeefster, heeft in de tenlastegelegde periode de aangeefster op diverse manieren lastiggevallen. Dit is, één maand nadat de relatie tussen beiden op 27 mei 2025 was beëindigd, begonnen met het veranderen van de wachtwoorden van het Gmail- en het Instagram account van de aangeefster. Om haar wachtwoorden terug te krijgen heeft de aangeefster op 22 juni 2025 op Amsterdam Centraal afgesproken met de verdachte, waar ze twee uur lang met hem heeft gepraat en hem heeft moeten smeken om haar wachtwoorden terug te krijgen. Ook heeft zij hem daar gesmeekt een aantal naaktfoto’s van haar van zijn telefoon te verwijderen. Nadat zij haar wachtwoorden van de verdachte had gekregen en hij uiteindelijk (naakt)foto’s van zijn telefoon had verwijderd (het hof overweegt daarbij dat dit niet alle foto’s waren die de verdachte van de aangeefster had, zie aanvulling op de bewijsmiddelen) heeft zij de verdachte gezegd dat het echt over was en is zij weggerend. Zij heeft hem vervolgens op verschillende social media accounts geblokkeerd. Gelet op het voorgaand is het hof van oordeel dat het voor de verdachte glashelder moet zijn geweest dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. De gestelde omstandigheid dat de aangeefster ook tijdens de relatie de verdachte wel eens zou hebben geblokkeerd, maakt dit niet anders reeds omdat de relatie inmiddels was beëindigd en gelet op de aard en sfeer van voornoemd gesprek.
Daarna is de aangeefster vrijwel dagelijks door verschillende ongebruikelijke accounts op [bedrijf 1] , Whatsapp en [bedrijf 2] benaderd. Aangezien de verdachte na het benaderen zijn excuses aanbood, een en ander bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen waaronder de verklaring van de verdachte en in aanmerking genomen het ‘thema’ van de berichten zoals de aangeefster verklaarde, gaat het hof ervan uit dat het de verdachte was die de aangeefster vrijwel dagelijks benaderde. Daarbij betrekt het hof ook dat de aangeefster heeft verklaard dat zij de stem van de verdachte herkende in spraakberichten die werden verstuurd vanaf verschillende accounts. De verdachte benaderde haar onder meer met het bericht dat zij met hem moest gaan praten, anders zou hij haar naaktfoto’s online zetten. Verder heeft de verdachte haar een lange e-mail gestuurd.
In juli 2025 stond de verdachte voor het huis van de aangeefster en belde hij bij haar aan. Op 15 augustus 2025 kreeg zij een volgverzoek van een Instagramaccount met een accountnaam lijkend op de naam van de aangeefster. Dit is daarna nog vaak gebeurd. In oktober 2025 contacteerde de verdachte de aangeefster via [bedrijf 1] en begon weer te dreigen met het plaatsen van haar naaktfoto’s.
In de avond van 11 oktober 2025 zag de aangeefster dat er meerdere Instagram-accounts waren aangemaakt en haar een volgverzoek hadden gestuurd. In de nacht van 12 oktober 2025 zag zij dat zij een volgverzoek had gekregen van een Instagramaccount genaamd ‘ [naam] ’. Zij zag dat de profielfoto een naaktfoto van haar was, die de verdachte ooit van haar had gekregen. Bij het profiel stond de tekst: “So you racist cheating whore? This is only the beginning.” Ook kreeg zij een volgverzoek van twee andere Instagram accounts, genaamd: “ [persoon 1] ” en “helenadailywhore”. Op 12 oktober 2025 was de aangeefster samen met haar nieuwe vriend, [persoon 2] , bij [Coffeeshop] , waar de verdachte plots achter haar stond. De aangeefster is toen achterop de fiets van haar vriend gaan zitten waarna zij snel zijn weggefietst. De verdachte is toen achter hen aangerend.
Het hof overweegt dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is, nu deze op meerdere, wezenlijke onderdelen wordt ondersteund door niet alleen de verklaringen van de verdachte zelf, zoals afgelegd tegenover de politie en tijdens de terechtzittingen, maar ook door de printscreens zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. Het hof gaat voor de bewezenverklaring dan ook uit van hetgeen de aangeefster heeft verklaard.
Het hof is van oordeel dat het in ieder geval vanaf de afspraak op Amsterdam Centraal op 22 juni 2025 voor de verdachte onmiskenbaar duidelijk moet zijn geweest dat de aangeefster geen contact meer met hem wilde. Zoals hiervoor overwogen leidt het hof dat af uit het feit dat zij de verdachte toen vertelde dat het echt over was, nadat zij pas na lang praten en met moeite haar wachtwoorden had teruggekregen en de verdachte naaktfoto’s van haar had verwijderd van zijn telefoon, en de aangeefster de verdachte had ‘geblokkeerd’. Contacten daarna kwamen (onder meer) via ongebruikelijke social media-accounts, waarbij de verdachte dreigde met het online verspreiden van haar naaktfoto’s als zij niet met hem ging praten. Het ‘moeten’ afdwingen van contact op deze wijze toont ontegenzeglijk aan dat het hem bekend was dat zij spontaan contact niet wenste.
Het hof is verder van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte zoals hierboven uiteengezet, alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, naar objectieve maatschaven bezien zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster sprake is geweest. De verdachte heeft deze inbreuk opzettelijk gemaakt met het oogmerk de aangeefster te dwingen iets te doen, te dulden en haar vrees aan te jagen. Immers dreigde hij met het openbaar maken van naaktfoto’s van de aangeefster en werden zowel zij als haar nieuwe partner door de verdachte via social media bedreigd. De verdachte volhardde in het maken van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster terwijl hem duidelijk was gemaakt zat zij dit niet wilde. Hij deed dit alles om de aangeefster ertoe te bewegen om linksom of rechtsom contact met hem te onderhouden en dat contact te dulden, of in elk geval niet te beëindigen. Om dat te bereiken stuurde de verdachte haar – en (eenmalig) haar moeder – ook dreigende berichten, die naar hun inhoud en het moment waarop zij werden gezonden – aan het einde van een langere periode dat hij in contact met haar probeerde te komen, hetgeen niet lukte – de aangeefster de nodige vrees hebben aangejaagd. Daar komt bovendien bij dat de verdachte op de openbare weg achter de aangeefster en haar nieuwe partner (de heer [persoon 2] ) is aangerend, een zeer intense gedraging die de dreigende en dwingende sfeer verder heeft versterkt.
De gedragingen van de verdachte waren naar reeds hun aard zodanig dwingend dat zij wederrechtelijk waren. Het kan niet anders dan dat de verdachte wist dat zijn gedragingen een ongewenste, wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster veroorzaakten, zodat zijn opzet daarop minst genomen in voorwaardelijke zin gericht was. Daaraan doet niet af dat de aangeefster op enkele momenten op de berichten van de verdachte zou hebben gereageerd. Daarbij overweegt het hof in aanvulling op het voorgaande dat het invoelbaar is, mede gelet op de psychische toestand waarin de verdachte op dat moment verkeerde, dat de aangeefster af en toe op de verdachte reageerde omdat zij in eerste instantie met hem te doen had (de verdachte had gedreigd zelfmoord te plegen) en met het doel om verdere escalatie te voorkomen. Van een dusdanig wederkerig contact dat gelet daarop de wederrechtelijkheid zou ontbreken, zoals de verdediging kennelijk heeft willen betogen, is naar het oordeel van het hof echter geenszins sprake. Zulks volgt ook niet uit de in hoger beroep overgelegde chatberichten.
Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan belaging van de aangeefster.
Aanvulling op de bewijsmiddelen
Het hof zal de bewijsmiddelen als volgt aanvullen:
1. Een proces-verbaal aangifte van [benadeelde partij 1] met nummer PL1300-2025257353-2 van 12 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] , doorgenummerde pag. 1 t/m 6 (aanvulling op het bewijsmiddel zoals opgenomen in het proces-verbaal van zitting van eerste aanleg op pag. 2).
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [benadeelde partij 1] , zakelijk
weergegeven:
Ik heb mijn relatie [het hof begrijpt: met de verdachte] beëindigd. Na ongeveer een maand toonde [persoon 3] [het hof begrijpt: de verdachte] raar gedrag. Ik zag dat [het hof begrijpt dat hier moet staan: [persoon 3] ] de wachtwoorden van mijn gmail en Instagram account had veranderd.
Ik was op 22 juni 2025 naar het Centraal station van Amsterdam toe gegaan. [persoon 3] had toen twee uur lang tegen mij aan geschreeuwd. Ik had dit toen aangehoord en [persoon 3] gaf vervolgens mij de wachtwoorden. Ik had hierom moeten smeken. [persoon 3] wou een aantal keren weglopen en ik moest smekend achter hem aan lopen om mijn wachtwoorden terug te krijgen.
Ik moest ook smeken of [persoon 3] een aantal naaktfoto's van mij wou gaan verwijderen. Deze naaktfoto's had [persoon 3] van mij gekregen toen wij een relatie hadden. Ik had de foto's gestuurd via [bedrijf 2] . Ik dacht dat de foto's na 10 seconden automatisch verwijderd zouden worden. Ik kreeg vervolgens een melding dat [persoon 3] de foto’s had opgeslagen.
Hij probeerde hierna nog met mij te praten en ik had mijn gesprek beëindigd. [persoon 3] wou nog een afscheidszoen maar ik had toen gezegd dat het echt over was, was toen weggerend en had niet achter mij om gekeken. Ik heb hem vervolgens op verschillende social media accounts geblokkeerd.
Ik zag dat ik benaderd werd door verschillende ongebruikelijke accounts op onder andere [bedrijf 1] , Whatsapp en [bedrijf 2] . Ik kreeg toen verschillende chat berichten en gesprek berichten met allemaal hetzelfde thema met woorden van soort gelijke strekkingen:
"You whore. Contact me. Talk to me. If you don't do it i will expose your nude pictures".
Ik werd bijna dagelijks benaderd op verschillende social media platformen. Ik was dit aan het negeren. [persoon 3] biedt daarna hiervoor zijn excuses aan.
Ik op 12 oktober 2025 rond 19.00 uur gebeld door mijn moeder dat [persoon 3] haar een bericht had gestuurd via Whatsapp. Hierin had hij mij weer een hoer genoemd en gezegd dat zij moest oppassen want anders zou er iemand gewond raken.
2. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep inhoudende, zakelijk weergegeven en voor zover van belang:
U, voorzitter, houdt mij pagina D van het dossier (digitale pagina 6) [bewijsmiddel zoals opgenomen door de politierechter op p. 6 van het proces-verbaal van zitting in eerste aanleg] voor en vraagt of de accounts van mij zijn. Dat is het geval. Een account leek [het hof begrijpt: qua naam] heel erg op een account van aangeefster zelf. Ik heb dat aangemaakt om berichten naar de aangeefster te sturen.
Het klopt dat ik met de aangeefster heb afgesproken op Amsterdam Centraal na 27 mei 2025 en dat de aangeefster mij toen gevraagd heeft om foto’s van haar te verwijderen van mijn telefoon. Dat is toen ook gebeurd, maar niet alle foto’s die ik van haar had waren verwijderd. Het klopt dat ik nadien pikante foto’s van de aangeefster heb gebruikt als profielfoto op accounts die ik had gemaakt.
3. Ten aanzien van de profielfoto’s van de Instagramaccounts ‘patatoe_3’ (p. 25 en 26) en ‘ [persoon 1] ’ (p. 27 en 28) neemt het hof waar dat dit om foto’s gaat die vanwege de vergaande ontklede staat en de positie van de persoon die daarop is te zien gaat om foto’s die als seksueel pikant zijn aan te merken. Het hof begrijpt dat de foto op p. 25 en 26 de foto is die de aangeefster in haar aangifte, zoals door de politierechter opgenomen als bewijsmiddel, wordt aangeduid als ‘naaktfoto’ die als profielfoto is gebruikt.
4. De inhoud van de in de Engelse taal vermelde teksten zoals opgenomen in de als bewijsmiddel gebruikte berichten van de genoemde Instagram accounts is voor het hof, alsook voor alle procesdeelnemers begrijpelijk, zo heeft het hof vastgesteld. Alle procesdeelnemers hebben zulks bevestigd bij de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep.
Strafmotivering
De politierechter heeft de verdachte veroordeelt tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de politierechter bijzondere voorwaarden gesteld in de vorm van een meldplicht, behandelverplichting en een contact- en locatieverbod.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dezelfde straf op te legen als de politierechter, met uitzondering van de behandelverplichting (bijzondere voorwaarde) en voor zover het locatieverbod betrekking heeft op de Reguliersdwarsstraat.
De verdediging verzocht om in geval van strafoplegging rekening te houden met de impact die de strafzaak op de verdachte heeft gehad, gelet op onder meer de aanhouding door DSI, de duur van het voorarrest en de elektronische monitoring en locatieverbod in het kader de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft de aangeefster gedurende enkele maanden gestalkt omdat hij niet kon verkroppen dat hun relatie was beëindigd. Op verschillende manieren heeft hij geprobeerd in contact te komen met de aangeefster, zowel langs digitale als fysieke weg, onder meer door langs haar huis te gaan. De verdachte heeft gedreigd om naaktfoto’s van haar openbaar te maken en heeft hij accounts op social media aangemaakt waarvan de naam sterk leek op die van de aangeefster. Als profielfoto heeft hij een ‘pikante foto’ van de aangeefster gebruikt. Daarnaast heeft de verdachte de aangeefster en haar nieuwe partner bedreigd met de dood. Het gedrag van de verdachte cumuleerde erin dat hij op de openbare weg is aangerend achter de aangeefster en haar nieuwe partner, die al fietsend zijn weggevlucht.
De impact op de aangeefster en haar nieuwe partner is groot geweest. Zij hebben veel angst doorstaan en mochten een nacht niet thuis slapen, omdat de verdachte nog niet was aangehouden. De aangeefster heeft PTTS overgehouden aan de stalking en bedreiging en heeft een studievertraging van een half jaar opgelopen.
Het hof ziet anderzijds onder ogen dat de impact van de strafzaak, waaronder de aanhouding en de tijd die de verdachte heeft vastgezeten, ook op de verdachte aanmerkelijk is geweest. Het hof ziet hierin echter geen aanleiding om te komen tot een andere of lagere straf dan hierna te noemen. De verdachte heeft deze gevolgen immers te danken aan zijn eigen strafbare gedragingen.
Het hof acht de straf en bijzondere voorwaarde die de politierechter heeft opgelegd en gesteld passend en geboden en zal de straf – zoals hiervoor overwogen – dan ook bevestigen, met dien verstande dat het locatieverbod niet geldt voor de Reguliersdwarsstraat te Amsterdam. Ook wat betreft de behandelverplichting die de politierechter heeft gesteld bevestigt het hof het vonnis dus. Daartoe overweegt het hof dat uit de aanvullende informatie van de reclassering (evaluatieverslag) weliswaar volgt dat de verdachte inmiddels (enige) behandeling heeft gevolgd, maar niet dat deze behandeling volledig en succesvol is afgerond en verdere behandeling niet zinvol is. In aanmerking genomen advies van de reclassering van 23 december 2025 om aan de verdachte een behandeling op te leggen en erop gelet dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep kenbaar heeft gemaakt open te staan voor verdere behandeling (zij het bij voorkeur op vrijwillige basis) alsmede de aard van de bewezenverklaarde feiten, acht het hof het wenselijk dat de verdachte verdere behandeling krijgt voor zo lang als de reclassering dat (binnen de proeftijd) nodig acht. Het hof merkt daarbij op dat het bemoedigend is dat de verdachte volgens de reclassering goede stappen heeft gezet en spreekt de hoop uit dat de verdachte deze positieve weg weet door te zetten en bestendigen.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.534,19, bestaande uit materiële en immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.700,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting is de vordering verlaagd tot € 6058,11, bestaande uit € 2.558,11 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft verzocht de aldus bijgestelde vordering in zijn geheel toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade primair af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht het deel van de vordering gebaseerd op de belaging af te wijzen en aangegeven dat een bedrag van € 500,00 voor immateriële schade veroorzaakt door de bedreiging kan worden toegewezen.
Materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
totaal: € 2.558,11.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft meerdere behandelingen moeten volgen vanwege de PTSS die zij heeft opgelopen door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze behandelingen zijn tot een bedrag van € 1.257,61 aan de benadeelde in rekening gebracht, zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering. Daarnaast heeft de benadeelde partij studievertraging opgelopen waardoor zij een extra semester heeft moeten studeren en een half jaar extra collegegeld heeft moeten betalen (€ 1.300,50). De vordering tot schadevergoeding is naar het oordeel van het hof in zoverre voldoende onderbouwd en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor dit deel in haar geheel zal worden toegewezen.
Immateriële schade
Aanspraak
Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - onder meer - onder b: aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door de door de verdachte gepleegde strafbare feiten geestelijk letsel heeft opgelopen. Uit de overgelegde brief een GZ-psycholoog van 15 april 2026 volgt dat bij de benadeelde partij – ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen – de diagnose PTSS is gesteld. Bij de benadeelde partij was sprake van herbelevingen, hypervigilantie, vermijdingsgedrag, slaapproblemen, verminderde eetlust en een verstoorde dagstructuur. De benadeelde partij heeft meerdere behandelingen ondergaan vanwege deze PTSS klachten.
Het hof is gelet hierop van oordeel dat objectief vastgesteld is dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarmee heeft de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 sub b BW recht op vergoeding van immateriële schade en komt het hof toe aan de begroting van die schade.
Begroting
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
Het hof sluit voor de vaststelling van de omvang van de immateriële schade aan bij de Rotterdamse Schaal (RS) paragraaf 17 ‘Belaging (art. 285b Sr)’, categorie b) ‘ernstig’, bandbreedte € 2.000,00 - € 5.000,00 en paragraaf 19.5 ‘bedreiging (art 285 Sr)’, bandbreedte tot € 1.500,00. Daarbij betrekt het hof de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals volgt uit de voorgaande bewijs- en strafmaatoverwegingen, de medische diagnose en de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde partij, zoals die blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof in de gegeven omstandigheden het gevorderde bedrag aan immateriële schade van in totaal € 3.500,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.024,88, bestaande uit € 624,88 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 291,38, bestaande uit € 91,38 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering ten aanzien van de materiële schade toe te wijzen ten aanzien van de telefoonkosten en de arbeidskosten, en niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de kosten voor eigen risico. Ten aanzien van de immateriële schade heeft zij verzocht deze in zijn geheel toe te wijzen.
De raadsman heeft verzocht de materiële schade ten aanzien voor de toekomstige kosten voor eigen risico af te wijzen nu deze te onzeker zijn. Ten aanzien van de overige materiële schade heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, met wel het verzoek deze kritisch te toetsen. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij verzocht deze te matigen tot een bedrag van € 200,00.
Het hof overweegt als volgt.
Materiële schade
De gestelde materiële schade bestaat uit:
totaal: € 624,88.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (gedeeltelijk) zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de kosten onder a) oordeelt het hof dat het voldoende aannemelijk is dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de daarmee gepaard gaande dreiging – die op dat moment nog niet was geweken doordat de verdachte nog niet was aangehouden – heeft de benadeelde partij één dag niet kunnen werken. Deze gestelde schade is voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering ten aanzien van de kosten aan verlies arbeidsinkomen zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de kosten onder b) en c) overweegt het hof dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. Ten aanzien van de kosten onder b) (de toekomstige kosten voor eigen risico) geldt dat niet nader is onderbouwd dat deze kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt. Ten aanzien van de kosten onder c) (de telefoonkosten [bedrijf 3] ) overweegt het hof dat zonder een nadere toelichting van deze kosten, het hof niet vast kan stellen dat deze kosten in rechtstreeks verband staan tot het bewezenverklaarde handelen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij nader onderzoek vergt. Dat nadere onderzoek levert een onevenredige belasting voor het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Immateriële schade
Aanspraak
Het hof verwijst voor het toetsingskader naar wat hiervoor bij de andere benadeelde partij is opgemerkt onder het kopje ‘Aanspraak’, eerste alinea.
De benadeelde partij heeft blijkens het bij de rechtbank ingediende schadeformulier aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ten grondslag gelegd aan de vordering, nu sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde. Het hof stelt vast dat van objectief vastgesteld geestelijk letsel in dit geval geen sprake is, nu dit door de benadeelde partij onvoldoende nader is onderbouwd. Ook anderszins is de vordering onvoldoende onderbouwd om te kunnen vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
Het hof is van oordeel dat het aanhouden van de strafzaak teneinde gelegenheid te bieden de vordering nader te onderbouwen ertoe leidt dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat de benadeelde partij wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk wordt verklaard. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partijen en beslist als volgt.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 6.058,11 (zesduizend achtenvijftig euro en elf cent) bestaande uit € 2.558,11 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en elf cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 6.058,11 (zesduizend achtenvijftig euro en elf cent) bestaande uit € 2.558,11 (tweeduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en elf cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 55 (vijfenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 oktober 2025.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 148,50 (honderdachtenveertig euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 148,50 (honderdachtenveertig euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 13 oktober 2025.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
NB ten behoeve van de executie merkt het hof ten overvloede op dat het locatieverbod zoals opgelegd door de politierechter wordt bevestigd, met uitzondering van de locatie Reguliersdwarsstraat in Amsterdam.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. H.A. van Eijk en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 september 2026.
Mrs. Koster en Van Eijk zijn niet in de gelegenheid dit arrest mee te ondertekenen.