ECLI:NL:GHAMS:2026:2635

ECLI:NL:GHAMS:2026:2635

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 200.368.967/01
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

spoed kort geding; vernietiging voorlopige zorgregeling, vaststelling tijdelijke zorgregeling.

Uitspraak

arrest

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.368.967/01 SKG

zaaknummer rechtbank: C/15/376151 / KG ZA 26-157

arrest van de meervoudige familiekamer van 8 september 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

appellant in principaal hoger beroep,

tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. A.C.M. Montessori te Almere,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 1] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

tevens appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. L.J.W. van Kesteren te Zoetermeer.

Het hof heeft als informant aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam (hierna: de raad).

1. De procedure in hoger beroep

De vader is bij dagvaarding van 8 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) van 16 april 2026 (hierna: het bestreden vonnis), in kort geding gewezen tussen de vader als eiser en de moeder als gedaagde.

De appeldagvaarding bevat de grieven, met daarbij het bestreden vonnis.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van antwoord in principaal appel, tevens bevattende (memorie van grieven in) incidenteel appel van 2 juni 2026 van de zijde van de moeder,

- memorie van antwoord in incidenteel appel van de zijde van de vader van 16 juni 2026,

- drie afzonderlijke berichten van de zijde van de vader van 3 augustus 2026, met producties, en

- een bericht van de zijde van de moeder van 5 augustus 2026, met producties.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2026, waarbij partijen en hun advocaten aanwezig waren. De raad is, met bericht van afwezigheid, niet ter zitting verschenen. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van pleitnotities die zijn voorgedragen en overgelegd.

2. Feiten

Het hof gaat uit van de feiten die de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis heeft vastgesteld. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. De in hoger beroep relevante feiten zijn, waar nodig aangevuld, de volgende.

Partijen zijn gehuwd geweest, welk huwelijk is geëindigd op 28 februari 2020 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 februari 2020 van de rechtbank Midden-Nederland in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente 2] .

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarigen:

- [minderjarige 1] , [in ] 2015 te [plaats C] , en

- [minderjarige 2] , geboren [in ] 2017 te [plaats A] .

Het gezamenlijk gezag van partijen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is na het huwelijk in stand gebleven.

Na het huwelijk van partijen is geboren de minderjarige [minderjarige 3] , [in ] 2023 te [plaats A] .

De vader heeft [minderjarige 3] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 3] .

Uit een rapport van DNA onderzoek van 3 maart 2026, uitgevoerd door AlphaBiolabs, komt naar voren dat met een waarschijnlijkheid van meer dan 99,99% is aangetoond dat [naam] de biologische vader is van [minderjarige 3] .

De moeder en [naam] hebben op 30 maart 2026 een verzoekschrift strekkende tot vernietiging van de erkenning van [minderjarige 3] door de vader bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de rechtbank) ingediend. Bij beschikking van 2 juni 2026 is mr. J.J.C. Engels tot bijzondere curator van [minderjarige 3] benoemd in de hiervoor genoemde zaak. Bij rapport van 26 juni 2026 heeft de bijzondere curator de rechtbank verzocht in het belang van [minderjarige 3] tot toewijzing van het verzoek van de moeder over te gaan tot vernietiging van de erkenning door de vader en aan [naam] vervangende toestemming tot erkenning te verlenen, zodat de juridische situatie van [minderjarige 3] op de juiste wijze wordt afgestemd op de feitelijke/biologische werkelijkheid, met inachtneming van haar identiteit, stabiliteit en emotionele ontwikkeling.

De vader heeft eind mei 2026 in een bodemprocedure een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank waarin hij verzoeken heeft gedaan met dezelfde strekking als de vorderingen in de onderhavige procedure.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op het adres van de vader. Zij verblijven de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder. [minderjarige 3] stond volgens het BRP sinds 15 augustus 2025 samen met de moeder ingeschreven op het adres van de vader en staat sinds 7 maart 2026 ingeschreven op het adres van de moeder in [plaats B] , en verblijft feitelijk bij haar.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder meegedeeld dat zij momenteel een woning in [plaats D] huurt en daar sinds kort woont.

3. De vorderingen

In eerste aanleg heeft de vader (in conventie) gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. [minderjarige 3] voorlopig – tot het moment dat de rechter in de bodemprocedure zal hebben beslist – aan de vader toevertrouwt;

b. de moeder gebiedt de inschrijving van [minderjarige 3] op het adres [A-straat] te [plaats B] in de BRP van de gemeente [gemeente 1] ongedaan te maken en [minderjarige 3] binnen drie dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis in te schrijven op het adres [plaats E] te [plaats A] en – bij gebreke daarvan – de vader vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige 3] op zijn genoemde adres in [plaats A] in te schrijven;

c. bepaalt dat – totdat de rechter in de bodemprocedure zal hebben beslist – met betrekking tot [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] de navolgende zorgregeling tussen partijen zal gelden:

de zorg voor de kinderen zal in een tweewekelijks rooster worden gedeeld waarbij de kinderen vanaf zondagavond 18.00 uur in de even weken tot woensdagmiddag 12.30 uur (uit school) bij de vader verblijven, vervolgens van woensdagmiddag 12.00 uur tot vrijdagmiddag 14.30 uur (uit school) bij de moeder, vervolgens van vrijdag 14.30 uur (uit school) tot woensdagmiddag (uit school) om 12.30 uur bij de vader verblijven en tenslotte van woensdagmiddag (uit school) tot zondagavond 18.00 uur bij de moeder;

met bepaling dat de vader de kinderen in de even weken op zondag om 18.00 uur bij de moeder in [plaats B] zal komen ophalen, waarbij de kinderen bij de moeder gegeten zullen hebben;

met bepaling dat de overdracht van [minderjarige 3] op woensdagmiddag en op vrijdagmiddag op de school van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal plaatsvinden;

met bepaling dat de schoolvakanties bij helfte worden gedeeld, zoveel mogelijk in aansluiting op de weekendregeling;

d. bepaalt dat de moeder – mocht zij zich niet houden aan de door de voorzieningenrechter vast te stellen zorgregeling – een dwangsom verbeurt van € 500 per dag of gedeelte daarvan waarop zij de door de voorzieningenrechter vast te stellen zorgregeling niet nakomt.

De moeder heeft bij wijze van verweer geconcludeerd om:

I. de vorderingen van de vader met betrekking tot [minderjarige 3] , waaronder begrepen de gevorderde (voorlopige) toevertrouwing van [minderjarige 3] aan de vader, de gevorderde verplichting tot wijziging/ongedaanmaking van de BRP-inschrijving van [minderjarige 3] en de gevorderde vaststelling van een zorgregeling voor [minderjarige 3] af te wijzen, althans te beslissen zoals de voorzieningenrechter juist en redelijk acht;

II. de door de vader onder c gevorderde zorgregeling uitsluitend vast te stellen voor zover deze betrekking heeft op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als strikt tijdelijke regeling, zonder dat daarbij een dwangsom wordt opgelegd, althans te beslissen zoals de voorzieningenrechter juist en redelijk acht.

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van de vader die betrekking heeft op de voorlopige zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waaronder de door de vader gevorderde dwangsom, afgewezen nu de moeder ter zitting heeft ingestemd met die voorlopige zorgregeling. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad, en onder afwijzing van het meer of anders gevorderde, een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige 3] en de vader bepaald waarbij de vader wekelijks op de woensdagochtend van 10.00 uur tot 12.00 uur omgang heeft met [minderjarige 3] bij Ballorig of een andere speelplek in de buurt van de vader. Verder zijn de vorderingen van de vader inzake de toevertrouwing van [minderjarige 3] en inzake de BRP inschrijving van [minderjarige 3] afgewezen.

In principaal appel

De vader heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de vader in eerste aanleg alsnog zal toewijzen.

De moeder heeft geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder compensatie van proceskosten, al het gevorderde aan de vader zal ontzeggen als zijnde niet (voldoende) bewezen en ongegrond, met bekrachtiging van het bestreden vonnis, dan wel met inachtneming van het door de moeder gestelde zal beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht en/of hooguit de gronden waarop het (bestreden) vonnis van de rechtbank berust zal verbeteren.

In incidenteel appel

De moeder heeft in incidenteel appel twee grieven aangevoerd en vordert dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, onder compensatie van proceskosten, het bestreden vonnis ten aanzien van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 3] zal vernietigen, dan wel zal beslissen zoals het hof in goede justitie juist en redelijk acht.

De vader heeft geconcludeerd dat het hof de vordering van de moeder in incidenteel appel zal afwijzen.

Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling op 12 augustus 2026 hebben de ouders overeenstemming bereikt. In r.o. 4.3 zal daarop nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

Standpunten van partijen

De vader heeft (in principaal appel) vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Hij voert aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn vorderingen heeft afgewezen en een beperkte zorgregeling (van twee uur per week, in een onnatuurlijke setting) heeft vastgesteld (grief 4 en 5). Ook heeft de voorzieningenrechter volgens de vader ten onrechte aangenomen en aan de beslissing ten grondslag gelegd dat [minderjarige 3] sinds haar geboorte bij de moeder verblijft en dat de moeder altijd haar hoofdverzorgster is geweest (grief 2). Verder is ten onrechte geoordeeld dat het niet in het belang van [minderjarige 3] geacht wordt om haar woonsituatie wederom te wijzigen en haar – bij wijze van voorlopige maatregel – toe te vertrouwen aan de vader (grief 3). Tot slot meent de vader dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn overgelegde producties 13, 14 en 15 buiten beschouwing heeft gelaten (grief 1).

De vader betwist de stellingen van de moeder (in incidenteel appel) en hij voert verweer.

De moeder heeft in principaal appel verweer gevoerd met betrekking tot het spoedeisend belang en voor het overige de stellingen van de vader betwist en verweer gevoerd. De moeder heeft (in incidenteel appel) twee grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd. Zij voert aan dat de rechtbank ten onrechte de vorderingen van de vader ten aanzien van [minderjarige 3] , waaronder zijn vordering omtrent de zorgregeling, inhoudelijk heeft beoordeeld (grief 1). Bovendien heeft de rechtbank volgens de moeder ten onrechte een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 3] bepaald, althans dient deze op basis van de huidige omstandigheden te worden vernietigd (grief 2).

De beoordeling

Tijdens een schorsing van de mondelinge behandeling op 12 augustus 2026 hebben de ouders overeenstemming bereikt, in die zin dat totdat de rechtbank over de zorgregeling in de bodemprocedure heeft beslist – met uitzondering van de herfstvakantie 2026 en de voorjaarsvakantie 2027, waarbij de omgangsmomenten in onderling overleg tussen de ouders geruild zullen worden zodat de moeder met de kinderen op vakantie kan – [minderjarige 3] vanaf 18 augustus 2026 iedere week op dinsdag van 13.00 uur tot 17.00 uur omgang zal hebben met de vader bij de vader thuis. De ouders regelen daarbij het halen en brengen van [minderjarige 3] in onderling overleg. De advocaten hebben namens de ouders verder ter zitting in hoger beroep te kennen gegeven dat de over en weer gedane vorderingen als gewijzigd overeenkomstig de overeenstemming dienen te worden beschouwd. Zij hebben verzocht deze overeenstemming in een door het hof te wijzen arrest op te nemen. Het hof is van oordeel dat het belang van [minderjarige 3] zich niet verzet tegen deze afspraak en zal dienovereenkomstig beslissen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarin een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige 3] en de vader is bepaald, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt de volgende tijdelijke zorgregeling vast totdat de rechtbank in de bodemprocedure over de zorgregeling heeft beslist:

- [minderjarige 3] verblijft – met uitzondering van de herfstvakantie 2026 en de voorjaarsvakantie 2027, waarbij de omgangsmomenten in onderling overleg tussen de ouders geruild zullen worden zodat de moeder met de kinderen op vakantie kan – vanaf 18 augustus 2026 iedere week op dinsdag van 13.00 uur tot 17.00 uur bij de vader (thuis), waarbij de ouders het halen en brengen van [minderjarige 3] in onderling overleg regelen;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. A.N. van de Beek, mr. M.T. Hoogland en mr. M.E. Burger en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.T. Hoogland
  • mr. M.E. Burger

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand