GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel)
zaaknummer : 200.361.883/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/777121 KG ZA 25-836
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 september 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. B. Coskun te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. N.J.P. Vanaken te Eindhoven.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellant] vordert opheffing van een door [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag op zijn woning. Het hof bekrachtigt de afwijzing van deze vordering door de voorzieningenrechter in eerste aanleg.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 17 november 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 21 oktober 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), onder bovenvermeld zaaknummer in kort geding gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
De dagvaarding bevat de grieven. [geïntimeerde] heeft een memorie van antwoord in het geding gebracht met producties.
Partijen hebben om arrest gevraagd.
3. Feiten
De voorzieningenrechter is in het bestreden vonnis uitgegaan van de feiten vermeld in rechtsoverweging 2.1. tot en met 2.3. In hoger beroep zijn deze feiten niet in geschil, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
[geïntimeerde] is een groothandel gespecialiseerd in het plaatsen van veranda's en overkappingen. [appellant] handelt onder de naam [naam 1] en richt zich eveneens op het plaatsen van veranda's. [geïntimeerde] heeft [appellant] facturen gestuurd voor door haar verrichte werkzaamheden en geleverde materialen met een totaalbedrag van € 145.695,96. Betaling van de facturen door [appellant] bleef ondanks meerdere herinneringen en een sommatie uit. Derhalve heeft [geïntimeerde] bij dagvaarding van 25 februari 2025 een bodemprocedure bij de rechtbank Noord-Holland aanhangig gemaakt waarin zij nakoming van de betalingsverplichting vordert, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.
Eind augustus 2025 heeft [appellant] zijn woning aan het adres [straat] [nummer] ( [postcode] ) te [plaats 1] te koop gezet. [appellant] heeft een schriftelijke koopovereenkomst in het geding gebracht waarin staat dat hij de woning op 12 september 2025 heeft verkocht aan de heer [naam 2] voor € 675.000,-. In de koopovereenkomst is een boetebeding opgenomen, waaruit volgt dat [appellant] tien procent van de koopprijs als boete moet voldoen aan de koper indien levering niet voor 10 oktober 2025 plaatsvindt.
Op 20 september 2025 heeft [geïntimeerde] conservatoir beslag gelegd op de woning van [appellant] om haar verhaalsmogelijkheden te waarborgen. [appellant] was daardoor niet in staat de woning vrij van beslagen te leveren en de koopovereenkomst na te komen.
4. Procedure bij de voorzieningenrechter
Samengevat heeft [appellant] bij de voorzieningenrechter gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de beslagen op de woning aan het adres [straat] [nummer] te [plaats 1] op te heffen op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van deze procedure alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien voldoening niet binnen veertien dagen plaatsvindt.
[appellant] heeft aan deze vorderingen onder meer ten grondslag gelegd dat de vordering waarvoor beslag is gelegd summierlijk ondeugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). [appellant] heeft daartoe gesteld dat hij € 309.470,87 aan [geïntimeerde] heeft betaald. Er bestaat volgens [appellant] discussie over de hoogte van het restant van de vordering en hij acht het niet voldoende aannemelijk dat de vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen. [appellant] heeft voorts gesteld dat het beslag disproportioneel en onnodig is. Door het beslag kan de woning niet worden overgedragen en [geïntimeerde] maakt aldus misbruik van bevoegdheid. Tot slot heeft [appellant] gesteld dat [geïntimeerde] op geen enkele wijze schade zou ondervinden van levering van de woning en dat zij met haar vordering slechts een relatief beperkt financieel belang heeft tegenover het belang dat voor [appellant] gemoeid is met de verkoop en overdracht van zijn woning en de overeengekomen en aangekondigde boete. Een belangenafweging zou daarom in het voordeel van [appellant] moeten uitvallen. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
De voorzieningenrechter heeft de vordering tot opheffing van het beslag afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter overwoog daartoe – samengevat – als volgt. De vordering van [geïntimeerde] is niet summierlijk ondeugdelijk, omdat [appellant] de vordering in de bodemprocedure heeft erkend. Dat [appellant] al betalingen heeft gedaan betekent niet dat voldoende zeker is dat het resterende bedrag van € 145.695,96 ook zal worden voldaan, zoals door [appellant] gesteld. Het beslag is daarom niet onnodig. Ook ontstaat door het beslag geen noodtoestand, omdat [geïntimeerde] heeft toegezegd om mee te werken aan levering van de woning en alternatieven heeft geboden die [appellant] niet heeft aangegrepen.
5. Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zal toewijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
[geïntimeerde] concludeert dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.
Partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.
6. Beoordeling
In deze procedure vordert [appellant] opheffing van een door [geïntimeerde] gelegd conservatoir beslag op zijn woning. De voorzieningenrechter heeft deze vordering afgewezen. [appellant] komt tegen die beslissing op met vijf grieven.
Net als de voorzieningenrechter stelt het hof voorop dat opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, als het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze geldvordering voldoende zekerheid is gesteld.
Met grief I voert [appellant] aan dat de voorzieningenrechter artikel 705 Rv heeft geschonden omdat de vordering van [geïntimeerde] ondeugdelijk is, althans deze door [appellant] is voldaan en voorts dat het gelegde beslag onnodig is. Het hof volgt [appellant] niet in deze stellingen. Dat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk is gebleken heeft de voorzieningenrechter terecht geconcludeerd uit de erkenning van de vordering van [geïntimeerde] door [appellant] . [appellant] heeft onvoldoende toelichting op zijn grief gegeven om daarover anders te oordelen.
Voor zover [appellant] met grief I en met grief II daarnaast aanvoert dat het beslag onnodig dan wel disproportioneel is, heeft hij ook dit onvoldoende toegelicht. [appellant] stelt in dit verband wel dat hij voldoende verhaal biedt, maar die stelling heeft hij niet voldoende feitelijk onderbouwd. Ook stelt hij dat hij steeds tot nakoming bereid was, maar heeft hij onvoldoende toegelicht waarom hij [geïntimeerde] dan nog steeds niet heeft voldaan. Voor zover [appellant] heeft bedoeld te stellen dat hij bereid was de vordering van [geïntimeerde] te voldoen uit de opbrengst van de verkoop van zijn woning, bood (en biedt) die enkele mededeling voor [geïntimeerde] onvoldoende zekerheid om te concluderen dat het op de woning gelegde beslag onnodig is. Dit is te meer het geval omdat [appellant] zijn betalingsverplichtingen jegens [geïntimeerde] tot nu toe niet is nagekomen, ondanks erkenning van die vorderingen en toezegging tot betaling. Het leggen van conservatoir beslag op een vermogensbestanddeel dat dreigt te worden overgedragen aan een derde is onder die omstandigheden niet onnodig of disproportioneel. [geïntimeerde] heeft onder deze omstandigheden gerechtvaardigd belang bij het leggen van beslag en maakt daarmee geen misbruik van zijn bevoegdheid daartoe. Grief I en II stuiten op dit alles af.
Met grief III stelt [appellant] dat de voorzieningenrechter een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt door het spoedeisend belang van [appellant] bij opheffing te onderschatten. Deze grief faalt reeds omdat de voorzieningenrechter aan opheffing niet kon toekomen vanwege het voorgaande. Daar komt bij dat [geïntimeerde] bereid was om het beslag op te heffen tegenover zekerheidsstelling, waarmee [appellant] zijn woning wel degelijk aan een koper had kunnen overdragen. Daarover betoogt [appellant] met grief IV weliswaar dat zekerheid “geen reële optie” was, maar dat heeft [appellant] onvoldoende toegelicht, onder meer gelet op de door [geïntimeerde] genoemde mogelijkheid om de koopprijs in depot te storten zodat vrij van beslag aan de koper zou kunnen worden geleverd. [appellant] stelt kennelijk dat zijn koper daaraan niet zou hoeven meewerken, maar heeft die stelling onvoldoende toegelicht. [appellant] heeft met dit alles onvoldoende verklaard waarom hij die weg niet heeft gevolgd. De grieven III en IV stuiten hierop af.
Grief V is gericht tegen de proceskostenveroordeling. Aangezien ook het hof [appellant] in het ongelijk stelt, faalt ook deze grief.
De grieven slagen niet. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 1.290,00
Totaal € 2.117,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 2.117,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, J.C. Toorman en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.