ECLI:NL:GHAMS:2026:2639

ECLI:NL:GHAMS:2026:2639

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 16-09-2026
Zaaknummer 200.344.533
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

kopje volgt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.344.533/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/740703 / HA ZA 23-929

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 september 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] .,

gevestigd en kantoorhoudende in [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

wonende in [plaats 2] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A. Robustella, kantoorhoudende in Ede,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd en kantoorhoudende in [plaats 3] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. J.O. de Wilde, kantoorhoudende in ‘s-Hertogenbosch.

Partijen worden hierna [appellant 1] , [appellant 2] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] vordert betaling van een contractuele schadevergoeding en stelt daartoe dat [appellant 1] een [naam 2] van haar heeft gekocht en daarna van de koop heeft willen afzien, waarna [geïntimeerde] de overeenkomst heeft ontbonden. Volgens [appellant 1] en haar directeur [appellant 2] is geen koop gesloten, maar heeft [geïntimeerde] slechts een aanbod voor de (ver)koop van de auto gedaan dat door [appellant 1] na enkele dagen bedenktijd is afgewezen. Ook betogen zij dat als wel sprake zou zijn geweest van een koop, de algemene voorwaarden waarop de schadevergoeding is gebaseerd niet van toepassing zijn of in elk geval niet gelden. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Het hof wijst een tussenarrest waarbij het [appellant 1] en [geïntimeerde] de gelegenheid biedt tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewijsoordeel (het vermoeden) dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten. Verder worden alvast de verweren van [appellant 1] en [appellant 2] tegen de gelding van de algemene voorwaarden besproken en verworpen.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant 1] en [appellant 2] zijn bij dagvaarding van 1 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2024, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres in conventie tevens verweerster in voorwaardelijke reconventie en [appellant 1] en [appellant 2] als gedaagden in conventie tevens eisers in voorwaardelijke reconventie.

Bij tussenarrest van 17 september 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bevolen, die op 27 november 2024 heeft plaatsgevonden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met productie 7;

- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met productie 12;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en de vorderingen van [appellant 1] en [appellant 2] in reconventie zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in principaal hoger beroep het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met dien verstande dat het hof de proceskostenveroordeling in eerste aanleg als gevolg van het incidenteel hoger beroep zal verhogen van € 5.659,76 naar € 7.317,91, met veroordeling van [appellant 1] en [appellant 2] in de kosten van dit hoger beroep.

[appellant 1] en [appellant 2] hebben in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot verwerping van de grief van [geïntimeerde] en, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in discussie dat deze feiten juist zijn zodat ook het hof daarvan uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

[geïntimeerde] exploiteert een garagebedrijf dat gericht is op onder meer de in- en verkoop van luxe auto’s. De heer [naam 1] is de bestuurder en eigenaar van [geïntimeerde] .

[appellant 2] is de bestuurder en eigenaar van [appellant 1] .

In 2023 had [geïntimeerde] een tweedehands [naam 2] voor € 236.888 te koop staan. Op 25 augustus 2023 heeft [appellant 2] [geïntimeerde] gebeld met het verzoek de [naam 2] te bekijken en een proefrit te maken. Deze afspraak heeft dezelfde dag plaatsgevonden. [appellant 2] heeft de [naam 2] met zijn partner [naam 3] bekeken en zij hebben samen een proefrit gemaakt.

Na afloop van de bezichtiging en de proefrit hebben [naam 4] en [appellant 2] besproken dat de aankoopprijs van de [naam 2] € 236.000 zou zijn. [appellant 2] heeft aangegeven dat hij deze koopprijs gedeeltelijk met twee inruilauto’s zou willen voldoen. Dit zouden een [naam merk] en een [naam merk 1] zijn. [naam 4] en [appellant 2] hebben achter de computer, in het kantoor van de showroom van [geïntimeerde] , de waarde van deze twee auto’s bepaald. Aan de hand van dit online onderzoek hebben [naam 4] en [appellant 2] besproken dat de inruilwaarde van de [naam merk] € 31.000 en van de [naam merk 1] € 60.000 zou zijn. Hierdoor zou er een restant koopbedrag van € 145.000 overblijven.

[naam 4] heeft vervolgens een opdrachtformulier met het opschrift ‘Opdracht-Formulier 00780’ (hierna: het opdrachtformulier) ingevuld. [naam 4] heeft onder andere de volgende informatie op het opdrachtformulier opgenomen: dat de [naam 2] door [appellant 1] zou worden gekocht en door [appellant 2] bereden, de personalia van [appellant 1] en [appellant 2] , de gegevens en de totale waarde van de twee inruilauto’s, dat de [naam 2] inclusief onderhoudsbeurt, garantie en met een nieuwe spoiler zou worden afgeleverd, en de levertermijn.

[naam 4] heeft het opdrachtformulier ondertekend. Het opdrachtformulier bevatte twee doordrukvellen: het eerste doordrukvel was geel en [naam 4] heeft dat gehouden en het tweede doordrukvel was blauw en [naam 4] heeft dat aan [appellant 2] meegegeven. Nadat [naam 4] het tweede doordrukvel aan [appellant 2] had meegegeven heeft hij nog het volgende op het opdrachtformulier vermeld: de totale verkoopprijs van de [naam 2] van € 236.000 en de inruilprijs van de [naam merk] van € 31.000.

Onderaan het opdrachtformulier en de twee doordrukvellen staat “Op deze overeenkomst zijn van toepassing die bij de Griffie van de Arrondissementsrechtbank te Breda gedeponeerde en aan ommezijde afgedrukte voorwaarden – Koper verklaart van deze voorwaarden kennis te hebben genomen daarmee akkoord te gaan en een exemplaar te hebben ontvangen.” Deze algemene voorwaarden zijn op de achterkant van het opdrachtformulier en beide doordrukvellen afgedrukt. In de artikelen 5 lid 1 en 6 lid 7 van de algemene voorwaarden staat het volgende:

“Art. 5 Partijen

1. Indien een natuurlijk persoon of rechtspersoon met ons een overeenkomst aangaat als vertegenwoordiger van een derde, zijn deze persoon en de vertegenwoordigde naast elkaar hoofdelijk aansprakelijk voor de juiste nakoming van de overeenkomst tenzij uitdrukkelijk het tegendeel is overeengekomen.

Art. 6: Betaling

7. Indien wij overgaan tot ontbinding van een overeenkomst, hebben wij aanspraak op schadevergoeding. Onze schade wordt daarbij gesteld op tenminste 15% van de factuurwaarde van de verkochte auto c.q. 15% van de factuurwaarde van de door ons op grond van de ontbonden overeenkomst verrichte of te verrichten prestatie, onverminderd onze bevoegdheid onze werkelijke schade zo deze meer bedraagt, van cliënt te vorderen.

Op 30 augustus 2023 heeft [appellant 2] telefonisch aan [geïntimeerde] laten weten dat hij de [naam 2] niet wilde kopen. [geïntimeerde] heeft vervolgens op 6 september 2023 geschreven dat zij de overeenkomst buitengerechtelijk ontbond en 15% van de factuurwaarde van [appellant 1] en [appellant 2] gevorderd.

Op 20 oktober 2023 heeft [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag laten leggen op bankrekeningen die [appellant 1] en [appellant 2] bij ABN AMRO aanhouden. Op basis van een afspraak tussen partijen is het beslag opgeheven in ruil voor een bankgarantie ten gunste van [geïntimeerde] .

4. Eerste aanleg

[geïntimeerde] heeft [appellant 1] en [appellant 2] op 10 oktober 2023 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en gevorderd dat beiden hoofdelijk worden veroordeeld tot

betaling van € 35.400 plus wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, en in de proceskosten, waaronder begrepen eventuele beslagkosten.

Hieraan heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij een overeenkomst met [appellant 1] heeft gesloten over de (ver)koop van de [naam 2] voor € 236.000. [appellant 2] heeft namens [appellant 1] laten weten deze overeenkomst niet te zullen nakomen. Om die reden heeft [geïntimeerde] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en maakt zij aanspraak op schadevergoeding. Op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden bedraagt de schadevergoeding 15% van de factuurwaarde, dat is € 35.400, en zijn [appellant 1] en [appellant 2] daarvoor hoofdelijk aansprakelijk, aldus [geïntimeerde] .

[appellant 1] en [appellant 2] hebben verweer gevoerd.

Daarnaast hebben [appellant 1] en [appellant 2] een vordering in reconventie ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering van [geïntimeerde] wordt afgewezen omdat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen (en “dus” de handtekening op het opdrachtformulier niet van [appellant 2] is). Zij vorderen in dat geval dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het teruggeven van de bankgarantie die is verstrekt in ruil voor het opheffen van het conservatoir derdenbeslag. Hieraan leggen zij ten grondslag [geïntimeerde] ten onrechte c.q. onrechtmatig beslag heeft gelegd en daarmee [appellant 1] en [appellant 2] ten onrechte heeft bewogen om een bankgarantie te verstrekken.

[geïntimeerde] heeft in reconventie verweer gevoerd.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank in conventie [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 36.529 (€ 35.400 plus € 1.129 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2023. Ook zijn [appellant 1] en [appellant 2] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 5.659,76 plus nasalaris. De rechtbank heeft de vordering in reconventie niet beoordeeld omdat de voorwaarde waaronder deze vordering is ingesteld niet in vervulling is gegaan. De rechtbank heeft kosten in reconventie (daarom) gecompenseerd.

5. Beoordeling

In principaal hoger beroep

Totstandkoming koopovereenkomst

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of een overeenkomst over de koop van de [naam 2] tot stand is gekomen. De bewijslast van de gestelde koopovereenkomst rust op [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] stelt dat de totstandkoming blijkt uit het opdrachtformulier dat volgens haar op 25 augustus 2023 is ondertekend door zowel [naam 4] als [appellant 2] . [appellant 1] en [appellant 2] betwisten dat.

Een dergelijk ondertekend geschrift dat bestemd is om tot bewijs dienen, is een onderhandse akte. Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte dwingend bewijs op - behoudens tegenbewijs - dat partijen hebben verklaard wat in de akte is vastgelegd en dat hetgeen is verklaard tussen partijen als waarheid geldt. Indien de partij tegen wie de onderhandse akte dwingend bewijs oplevert stellig ontkent dit stuk te hebben ondertekend, dan levert de akte echter geen bewijs op zolang de echtheid van de handtekening niet is bewezen (artikel 159 lid 2 Rv). Aangezien [appellant 1] en [appellant 2] uitdrukkelijk hebben betoogd dat de handtekening/paraaf op het opdrachtformulier niet afkomstig is van [appellant 2] , is daarmee dus geen dwingend bewijs van de totstandkoming van de koopovereenkomst geleverd zo lang de echtheid van die handtekening/paraaf niet is aangetoond.

Het hof is van oordeel dat een onderzoek naar de echtheid van de aan [appellant 2] toegedichte handtekening/paraaf achterwege kan blijven als ook in het geval die echtheid niet kan worden vastgesteld op basis van de wel tussen partijen vaststaande feiten en omstandigheden kan worden geconcludeerd kan worden dat de koopovereenkomst tot stand is gekomen. Of dat, zoals de rechtbank overwoog, hier het geval is zal het hof nu beoordelen.

Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling of een overeenkomst tot stand is gekomen het aankomt op de verklaringen en gedragingen van partijen over en weer en hetgeen zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten afleiden.

Wat betreft de gang van zaken bij het bezoek van [appellant 2] aan de showroom van [geïntimeerde] , staat tussen partijen het volgende vast. Naar aanleiding van een advertentie op internet heeft [appellant 2] telefonisch een afspraak gemaakt met [geïntimeerde] om de [naam 2] te bekijken en een proefrit te maken. [appellant 2] en zijn partner hebben vervolgens de showroom van [geïntimeerde] bezocht, koffie gedronken met [naam 4] , hem vragen over de [naam 2] gesteld en de proefrit gemaakt. Aansluitend hebben [appellant 2] en [naam 4] gesproken over de totale prijs van de [naam 2] , de inruil van een [naam merk] en een [naam merk 1] en de aan deze auto’s toe te kennen waarde, en - op verzoek van [appellant 2] - het uitvoeren van een onderhoudsbeurt en het vervangen van de achterspoiler. [naam 4] heeft verder in aanwezigheid van [appellant 2] en zijn partner het opdrachtformulier ‘00780’ ingevuld. Op het formulier zijn na “Ondergetekende” de volledige naam van [appellant 1] , haar contactgegevens (adres en telefoonnummer) en de inruilauto’s met kenteken en geschatte kilometerstand genoteerd. Dat zijn gegevens die [appellant 2] zelf moet hebben verstrekt. Daaronder staat “Bevestigd hiermede te hebben besteld”, waarna de gegevens van de [naam 2] staan vermeld. Ook zijn genoteerd de nieuwe achterspoiler, de onderhoudsbeurt, de voorziene levertermijn van een maand, de totaalprijs en het bedrag dat na aftrek van de verkoopprijs van de inruilauto’s nog betaald zou moeten worden. [naam 4] heeft na het invullen het opdrachtformulier omgedraaid en de daarin vermelde bedragen aan [appellant 2] uitgelegd. Zij hebben elkaar vervolgens de hand gedrukt en [naam 4] heeft het tweede doordrukvel van het opdrachtformulier aan [appellant 2] overhandigd.

Op basis van deze gang van zaken, en met name de concrete en gedetailleerde bespreking van de voorwaarden van de verkoop en het feit dat daarbij, in bijzijn van [appellant 2] , een opdrachtformulier is ingevuld en daarna aan hem is getoond waarop staat vermeld dat [appellant 1] bevestigt dat zij de [naam 2] heeft besteld, gaat het hof er tot op tegenbewijs van uit dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het verkopen van de [naam 2] . Tot dat vermoeden draagt nog bij dat de rechtbank in haar vonnis overweegt te hebben vastgesteld dat een deel van de aan [appellant 2] toegedichte handtekening/paraaf is doorgedrukt naar het eerste (gele) doordrukvel, en ook het tweede (blauwe) doordrukvel dat [naam 4] aan [appellant 2] heeft gegeven.

[appellant 1] en Alders krijgen de gelegenheid om tegenbewijs te leveren en dit vermoeden te ontzenuwen. [appellant 1] en [appellant 2] hebben in eerste aanleg en in hoger beroep in verschillende bewoordingen betoogd dat [appellant 2] afsluitend tijdens het gesprek heeft aangegeven dat hij wenste na te denken over de voorwaarden voor een mogelijke koop en daarop zo nodig zou terugkomen. Hun gemachtigde had dat voorafgaande aan de procedure ook al geschreven in zijn brief van 13 september 2023. [geïntimeerde] heeft dat betoog op de zitting bij de rechtbank betwist met de verklaring dat hij zich dit niet kon herinneren. Volgens hem had [appellant 2] desgevraagd juist gezegd er niet over te hoeven nadenken. Of en wanneer en in welke volgorde deze uitlatingen zijn gedaan, kan bij de (tegen)bewijslevering aan de orde komen. Bij die bewijslevering kan ook worden betrokken of Alders de handtekening/paraaf op het opdrachtformulier heeft gezet.

[appellant 1] en Aalbers hebben verder verschillende verweren gevoerd tegen het beroep van [geïntimeerde] op haar algemene voorwaarden. Om proceseconomische redenen zal het hof die verweren al in dit tussenarrest beoordelen.

Toepasselijkheid algemene voorwaarden

Voor het geval wel sprake is van een koopovereenkomst, hebben [appellant 1] en [appellant 2] betwist dat zij voor of bij het sluiten van deze overeenkomst hebben aanvaard dat de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] daarop van toepassing zijn. Zij voeren daartoe aan dat in het gesprek op 25 augustus 2023 de algemene voorwaarden niet aan de orde zijn gekomen en dat geen gelegenheid is geboden om deze voorwaarden in te zien en daartegen bezwaar te maken, ook omdat het verstrekken van het opdrachtformulier aan [appellant 2] de afronding van het gesprek is geweest.

Het hof oordeelt hierover als volgt. In de voettekst van het opdrachtformulier staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, waarbij verwezen wordt naar de tekst van de voorwaarden die op de achterkant van dit formulier zijn afgedrukt. Dat is ook zo op de doordruk van het formulier die [appellant 2] heeft ontvangen (zie ook hiervoor in 3.7). Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft [naam 4] onweersproken verklaard dat hij het opdrachtformulier na het invullen heeft omgedraaid en de bedragen aan [appellant 2] heeft uitgelegd. Het hof neemt aan dat [appellant 2] toen ook de van toepassing verklaring van de algemene voorwaarden heeft kunnen lezen, aangezien deze duidelijk zichtbaar onderaan het formulier is vermeld en het vrij gebruikelijk is om een dergelijke verklaring op deze plek te vermelden. [appellant 2] heeft toen geen kennelijk bezwaar gemaakt tegen de van toepassing verklaring. Gelet op dit alles is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] erop heeft mogen vertrouwen dat [appellant 1] daarmee heeft ingestemd. Dat betekent dat als na bewijslevering komt vast te staan dat partijen een koopovereenkomst hebben gesloten, ook vaststaat dat zij zijn overeengekomen dat daarop de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] van toepassing zijn.

Redelijke mogelijkheid om van de algemene voorwaarden kennis te nemen

[appellant 1] en [appellant 2] hebben zich erop beroepen dat de algemene voorwaarden vernietigbaar zijn omdat [geïntimeerde] geen redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de voorwaarden kennis te nemen (artikel 6:233, aanhef en onder b, BW). Hierover overweegt het hof het volgende. Artikel 6:234 lid 1 BW bepaalt dat een redelijke mogelijkheid tot kennisname is geboden indien de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld. Vaststaat dat de algemene voorwaarden zijn afgedrukt op de achterkant van het doordrukvel van het opdrachtformulier dat [naam 4] tijdens het gesprek op 25 augustus 2023 aan [appellant 2] heeft overhandigd. Op dat moment was voor [appellant 2] kenbaar dat de algemene voorwaarden van toepassing werden verklaard en dat de tekst daarvan op de achterkant van het formulier staat; hij had dat immers kunnen lezen toen [naam 4] de op het formulier genoteerde bedragen had uitgelegd (zie hiervoor in 5.12). Voor de vraag of de terhandstelling ‘voor of bij het sluiten van de overeenkomst’ heeft plaatsgevonden is in dit verband - anders dan [appellant 1] en [appellant 2] menen - niet beslissend dat [naam 4] en [appellant 2] eerst elkaar de hand hebben geschud en daarna het formulier aan [appellant 2] is overhandigd. Het hof is daarom van oordeel dat, als partijen een koopovereenkomst hebben gesloten, voor of bij het sluiten van die koopovereenkomst aan [appellant 1] een redelijke mogelijkheid is geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen en dat het beroep op de vernietigingsgrond niet opgaat.

Onredelijk bezwarend karakter van artikel 6 lid 1 van de algemene voorwaarden

Ook hebben [appellant 1] en [appellant 2] zich in eerste aanleg tevergeefs erop beroepen dat de regeling van artikel 6 lid 1 van de algemene voorwaarden voor hen onredelijk bezwarend is en om die reden voor vernietiging in aanmerking komt (artikel 6:233, aanhef en onder a, BW).

[appellant 1] en [appellant 2] hebben dit beroep in de eerste plaats gebaseerd op artikel 6:237, aanhef en onder i, BW, waarin voor overeenkomsten met consumenten is bepaald dat vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn een beding dat verplicht tot het betalen van een bedrag “voor het geval de overeenkomst wordt beëindigd anders dan op grond van het feit dat de wederpartij in de nakoming van de verbintenis is tekort geschoten”. Daaronder valt niet artikel 16 lid 7 van de algemene voorwaarden. Dit beding voorziet immers in een aanspraak op schadevergoeding indien [geïntimeerde] overgaat tot ontbinding van de overeenkomst en dat veronderstelt juist dat sprake is van een tekortkoming van de contractuele wederpartij in de nakoming van een verbintenis (artikel 6:265 lid 1 BW). Het betoog van [appellant 1] en [appellant 2] dat zij niet in de nakoming zijn tekortgeschoten omdat zij volgens de algemene voorwaarden pas tot betaling van de koopsom verplicht zijn bij aflevering van de [naam 2] , leidt niet tot een andere conclusie. Op grond van artikel 6:80 lid 1, aanhef en onder b, BW treden de gevolgen van niet-nakoming reeds in voordat de vordering opeisbaar is, indien de schuldeiser (hier: [geïntimeerde] ) uit een mededeling van de schuldenaar (hier: [appellant 1] ) moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten. Een zodanige mededeling heeft [appellant 1] (in de persoon van [appellant 2] ) gedaan door in het telefoongesprek op 30 augustus 2023 te laten weten dat de [naam 2] niet zal worden afgenomen. [geïntimeerde] heeft de koopovereenkomst met [appellant 1] dus buitengerechtelijk mogen ontbinden. Het beroep op vernietigbaarheid kan niet worden gebaseerd op artikel 6:237, aanhef en onder i, BW nog daargelaten de vraag of [appellant 1] een met een consument verglijkbare positie inneemt en deze bepaling daarom een ‘reflexwerking’ kan hebben.

In de tweede plaats hebben [appellant 1] en [appellant 2] hun beroep op vernietigbaarheid gebaseerd op het betoog dat [geïntimeerde] in het geheel niet heeft onderbouwd dat zij een bedrag van € 35.400 aan schade heeft geleden. [geïntimeerde] heeft echter in eerste aanleg onweersproken gesteld, en met een factuur onderbouwd, dat zij de [naam 2] op 7 november 2023 heeft verkocht voor € 212.500 en dat zij alleen al op basis van een lagere verkoopprijs een schade van € 23.500 heeft geleden. Gelet hierop leidt het verschil tussen de omvang van de in artikel 6 lid 7 van de algemene voorwaarden gefixeerde schadevergoeding en de daadwerkelijke geleden schade niet reeds tot het oordeel dat het beding onredelijk bezwarend is. Andere feiten en omstandigheden hebben [appellant 1] en [appellant 2] niet ten grondslag gelegd aan hun betoog dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. Dit betoog gaat dus niet op.

Slotsom

[appellant 1] en [appellant 2] zullen worden toegelaten tot het hieronder beschreven tegenbewijs. Het hof wijst [geïntimeerde] erop dat zij ter gelegenheid van haar contra-enquête de mogelijkheid heeft om nader bewijs van haar stellingen te leveren.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden tot na de bewijslevering.

6. Beslissing

Het hof:

laat [appellant 1] en [appellant 2] toe tot het leveren tegenbewijs tegen het rechterlijk vermoeden dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het verkopen van de [naam 2] ;

beveelt dat, indien [appellant 1] en [appellant 2] getuigen willen doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. M.C. Bosch, daartoe tot raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam;

verwijst de zaak naar de rol van 29 september 2026 voor opgave van de verhinderdagen van beide partijen en hun advocaten en van de getuigen in de maanden november 2026 t/m maart 2027, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;

bepaalt dat [appellant 1] en [appellant 2] overeenkomstig art. 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.C. Bosch, F.W.J. Meijer, J. de Graaf en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand