arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.364.200/01
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2026
inzake:
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
eiseres tot herroeping,
advocaat: mr. A.M. Verbrugge te Heemstede,
tegen
1. [geïntimeerde 1] .,
gevestigd te [plaats 2] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend te [plaats 3] ,
gedaagden tot herroeping,
advocaat: mr. M.W.J. Ariëns te Haarlem.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] – afzonderlijk: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] – genoemd.
1. Het geding tot herroeping
[appellant] heeft bij dagvaarding van 10 oktober 2025 – die nogmaals aan [geïntimeerden] is betekend op 6 november 2025 – herroeping gevorderd van de tussen partijen onder zaaknummer 200.297.087/01 gewezen arresten van dit hof van 14 februari 2023 en 11 juni 2024 (hierna: het tussenarrest en het eindarrest).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- akte overlegging producties, met producties, van [appellant] ;
- conclusie van antwoord, met producties, van [geïntimeerden]
Bij e-mail van 20 april 2026 heeft de advocaat van [geïntimeerden] het hof bericht dat [appellant] bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 april 2026 is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, met benoeming van mr. M.W. Schüller, advocaat te Hoofddorp, tot bewindvoerder.
Bij exploot van 7 mei 2026 is de bewindvoerder door [geïntimeerden] in het geding opgeroepen om dit over te nemen. De bewindvoerder heeft het hof bij e-mail van 12 mei 2026 laten weten dat hij het geding niet wenst over te nemen.
Op de rol van 19 mei 2026 hebben [geïntimeerden] bij H16-formulier van 18 mei 2026, met bijlagen, om ontslag van instantie ex artikel 27 lid 2 juncto 313 van de Faillissementswet (Fw) verzocht, met veroordeling van [appellant] in de (proces)kosten.
[appellant] heeft op de rol van 19 mei 2026, bij H16-formulier van 18 mei 2026, het hof verzocht het geding ‘buiten bezwaar van de boedel’ te mogen voortzetten, eventueel onder zekerheidstelling.
Bij rolbeslissing van 22 juni 2026 is aan partijen voorgehouden dat het het hof voorkomt dat in dit geval niet artikel 27 Fw van toepassing is, maar artikel 29 Fw, omdat de vordering tot herroeping een (bijzonder) rechtsmiddel is tegen het arrest waarbij [appellant] tot betaling is veroordeeld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
Daarop is door [appellant] een akte genomen en door [geïntimeerden] een antwoordakte.
Arrest is bepaald op heden.
2. Beoordeling
[geïntimeerde 1] heeft in de procedure die heeft geleid tot het tussenarrest en het eindarrest gevorderd:
(i) veroordeling van [appellant] tot betaling van € 600.000,- vermeerderd met rente;
(ii) veroordeling van [appellant] tot betaling van de door [geïntimeerde 1] gemaakte beslagkosten.
[geïntimeerde 2] heeft in deze procedure gevorderd:
(iii) een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld;
(iv) veroordeling van [appellant] tot betaling van een (billijke) schadevergoeding (nader op te maken bij staat).
Verder hebben [geïntimeerden] in hoger beroep gevorderd terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van de door de rechtbank gewezen (bestreden) vonnissen aan [appellant] hebben voldaan (v). Daarnaast hebben [geïntimeerden] een incidentele vordering ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingesteld (vi).
Bij het tussenarrest heeft het hof de incidentele vordering (vi) van [geïntimeerden] gedeeltelijk toegewezen en de afwijzing door de rechtbank van die vordering voor het overige in stand gelaten. Bij het eindarrest heeft het hof vordering (i) toegewezen tot een bedrag van € 300.000,-, vorderingen (ii) en (iii) toegewezen, vordering (iv) toegewezen wat betreft de schadevergoeding nader op te maken bij staat, vordering (v) toegewezen wat betreft hetgeen [geïntimeerden] ter uitvoering van het door de rechtbank gewezen tussenvonnis aan [appellant] hebben voldaan en de vorderingen van [geïntimeerde 1] voor het overige afgewezen.
In het geding tot herroeping vordert [appellant] het tussenarrest en het eindarrest te herroepen, het geding tussen partijen te heropenen en de vorderingen van [geïntimeerden] alsnog (volledig) af te wijzen.
[geïntimeerden] hebben, omdat de bewindvoerder te kennen heeft gegeven het geding tot herroeping niet over te nemen, op de voet van artikel 27 lid 2 juncto 313 Fw ontslag van instantie verzocht. [appellant] heeft verzocht het geding ‘buiten bezwaar van de boedel’ te mogen voortzetten. Volgens partijen is artikel 27 Fw in dit geval van toepassing, omdat de vordering die ten tijde van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling aanhangig was de door [appellant] (de saniet) ingestelde vordering tot herroeping is.
Voorop gesteld wordt dat artikelen 25 e.v. Fw op grond van artikel 313 Fw ook van toepassing zijn op de schuldsaneringsregeling. Uit de strekking van artikel 25 e.v. Fw volgt naar het oordeel van het hof dat deze bepalingen (analoog) van toepassing zijn wanneer de saniet een vordering tot herroeping instelt. Voor de aanhangige rechtsvorderingen, zoals hiervoor onder 2.1 weergegeven, betekent dit dat artikel 29 Fw moet worden toegepast. Die vorderingen zijn immers alle ingesteld tegen de saniet en strekken tot voldoening van een verbintenis uit de boedel, met uitzondering van de vordering (iii) die strekt tot verkrijging van een verklaring voor recht en de incidentele vordering (vi). Niet is gebleken dat [geïntimeerden] bij deze vorderingen een ander belang hebben dan dat hun overige vorderingen worden toegewezen, zodat de vorderingen (iii) en (iv) voor de toepassing van artikelen 25 e.v. Fw geen zelfstandige betekenis hebben.
Wat partijen in hun aktes hebben aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de bewindvoerder de vordering die [geïntimeerden] op basis van het eindarrest op [appellant] hebben kennelijk al voorlopig heeft erkend. Daarmee doet zich in dit geval niet de situatie voor dat de aanhangige vorderingen van [geïntimeerden] nooit kunnen leiden
tot verhaal op de boedel en ook overigens staat dit niet aan toepassing van artikel 29 Fw in de weg. Het uitzonderingskarakter van het buitengewoon rechtsmiddel van herroeping en de door [appellant] aangevoerde (persoonlijke) belangen bij haar vordering tot herroeping, maken ook niet dat artikel 29 Fw niet kan worden toegepast (en artikel 27 Fw wel). Verder levert toepassing van artikel 29 Fw hier geen schending van artikel 6 EVRM op.
De conclusie is dat het geding tot herroeping op grond van artikel 29 Fw van rechtswege is geschorst. De zaak zal ambtshalve worden doorgehaald.
3. Beslissing
Het hof:
verstaat dat het geding tot herroeping is geschorst en haalt de zaak ambtshalve door.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en F.J. van de Poel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.