GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.371.348/02 (schorsing) en 200.371.348/03 (voorlopige voorzieningen)
zaaknummer rechtbank: C/13/777948 / FA RK 25-8337 (CM AS KD TM)
beschikking van de meervoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
ingeschreven te [plaats A] , Duitsland,
verzoekster in het incident,
verzoekster in de voorlopige voorzieningen,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. Y.M. van Vliet te Heemstede,
en
[de vader] ,
ingeschreven te [plaats B] , Zwitserland,
verweerder in het incident,
verweerder in de voorlopige voorzieningen,
hierna: de vader,
advocaat: mr. M. Holthuis te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats C] ,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaken gaan over de plek waar [minderjarige] (1,5 jaar) verblijft. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft tenzij zij buiten een straal van 15 kilometer van de buitengrens van de gemeente [plaats C] gaat wonen, in welk geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn. Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling bepaald waarin de omgang met de vader in drie maanden wordt opgebouwd naar een tweewekelijkse weekendregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond.
De moeder is het daar niet mee eens en wil vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats A] , Duitsland, te verhuizen, met instandhouding van de zorgregeling maar dan onder begeleiding. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking maar wil in aanvulling daarop dat de moeder op straffe van een dwangsom wordt verplicht tot inschrijving van [minderjarige] binnen het door de rechtbank aangewezen gebied.
In deze beschikking gaat het over het verzoek van de moeder tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad (het incident) en de door de moeder verzochte voorlopige voorzieningen ten aanzien van de vervangende toestemming verhuizing en de zorgregeling.
2. De procedure in hoger beroep
De moeder is op 7 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 juni 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). Het hoger beroepschrift bevat tevens een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking en een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
De vader heeft op 13 augustus 2026 een verweerschrift met daarbij aanvullende verzoeken ingediend.
De mondelinge behandeling in deze zaken heeft op 27 augustus 2026 tegelijk plaatsgevonden met de hoofdzaak met zaaknummer 200.371.348/01.
Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.
Partijen zijn ieder door een tolk in de Engelse taal bijgestaan.
Het hof is voornemens om in de hoofdzaak met zaaknummer 200.371.348/01 uitspraak te doen op 6 oktober 2026.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2024 te [plaats D] , Zwitserland.
De ouders hebben tot juli 2025 een relatie met elkaar gehad. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] op 18 maart 2025 naar Zwitsers recht erkend.
De moeder is burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De vader is Brits burger. [minderjarige] is burger van de Bondsrepubliek Duitsland en Brits burger.
De vader heeft uit een eerder huwelijk nog twee kinderen. Die hebben hun hoofdverblijfplaats bij hun moeder in Zwitserland. De vader heeft een zorgregeling met deze kinderen.
De verdere familie van de vader woont in het Verenigd Koninkrijk.
De familie van de moeder woont in Duitsland.
Partijen hebben elkaar in 2021 leren kennen in [plaats C] . De moeder studeerde sinds 2019 in [plaats C] . Vanaf 2021 studeerde zij in [plaats E] , Italië. Partijen zijn daar gaan samenwonen. In 2023-2024 hebben zij in [plaats F] , Duitsland gewoond. In maart 2024 zijn partijen in [plaats D] , Zwitserland gaan wonen. In april 2025 zijn partijen met [minderjarige] in [plaats C] gaan wonen.
De moeder heeft zich met [minderjarige] op 24 september 2025 per 10 september 2025 in [plaats A] , Duitsland ingeschreven.
De Districtsrechtbank [plaats A] heeft op 15 april 2026 op het teruggeleidingsverzoek van de vader met betrekking tot [minderjarige] , kort samengevat, beslist dat de moeder [minderjarige] binnen twee weken na de uitspraak naar Nederland diende terug te brengen. Indien de moeder niet aan dit bevel voldoet, dient de moeder, dan wel enig ander persoon die [minderjarige] onder zich heeft, haar aan de vader af te geven. Voor de nakoming van de uitspraak is het de gerechtsdeurwaarder toegestaan om zo nodig onder dwang en doorzoeking van het huis van de moeder (zo nodig met behulp van de politie) [minderjarige] bij de moeder weg te nemen en aan de vader te overhandigen. Voorts bestaat de mogelijkheid van een op te leggen boete, indien de moeder de uitspraak niet nakomt. Tot slot is de moeder in de kosten van die procedure veroordeeld.
De Districtsrechtbank [plaats A] heeft aan de beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, het volgende ten grondslag gelegd:
Het Haagse verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 1980 (hierna het HKOV) is van toepassing tussen partijen, nu Nederland en Duitsland ieder een verdragsland zijn.
Op grond van het HKOV kan een verzoek tot teruggeleiding worden gedaan indien zonder toestemming van de gezaghebbende ouder de minderjarige wordt verwijderd van zijn gewone verblijfplaats. De Districtsrechtbank heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] voorafgaand aan de overbrenging naar Duitsland in Nederland was gelegen en dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor een permanente wijziging hiervan. De intentie van partijen was om permanent in [plaats C] te blijven, althans in ieder geval niet voor korte duur. Met de gekozen verhuizing van partijen gezamenlijk naar Nederland is de nieuwe gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland daarmee komen vast te staan en heeft de gewone verblijfplaats van [minderjarige] die van haar ouders hiermee gevolgd, nu zij deze nog niet zelfstandig kon vestigen gezien haar leeftijd. Per 25 april 2025 is daarom Nederland het land van haar gewone verblijfplaats. Verder is niet gebleken van toestemming van de vader tot een permanente wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar [plaats A] . Sterker, gebleken is uit een e-mail van de moeder aan de vader die in die procedure is ingebracht, dat moeder op 12 september 2025 ook nog uitgaat van een tijdelijk verblijf van haarzelf en [minderjarige] in [plaats A] , aldus de Duitse rechter. De door de moeder opgeworpen uitzonderingsgronden, die alsnog een terugkeer van [minderjarige] naar Nederland belemmeren omdat met de terugkeer haar veiligheid in het geding zou komen, zijn door de Districtsrechtbank verworpen. Verder is overwogen dat het niet aan de Districtsrechtbank is om te beslissen over de hoofdverblijfplaats, dan wel de zorgregeling, maar dat dit is voorbehouden aan de Nederlandse rechter.
De moeder is niet in beroep gegaan tegen deze beslissing waarmee die onherroepelijk is geworden.
4. De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat [minderjarige] hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder tenzij de moeder buiten een straal van 15 kilometer van de buitengrens van de gemeente [plaats C] gaat wonen, in welk geval de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn.
Daarnaast is een zorgregeling bepaald waarbij:
- [minderjarige] in de eerste maand na de bestreden beschikking om de twee weken op zaterdag van 11.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal zijn;
- [minderjarige] in de tweede maand na de bestreden beschikking om de twee weken op zaterdag en op zondag van 11.00 uur tot 18.30 uur bij de vader zal zijn, zonder overnachting;
- [minderjarige] in de derde maand na de bestreden beschikking om de twee weken bij de vader zal zijn van zaterdag 11.00 uur tot zondag 18.30 uur;
- [minderjarige] daarna eenmaal in de twee weken van vrijdag 15.00 uur, dan wel na haar slaapje, tot zondag 18.30 uur na het avondeten bij de vader zal zijn;
- waarbij de moeder naar de vader brengt en de vader naar de moeder terugbrengt;
de verzoeken van de moeder om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder in [plaats A] te bepalen en de moeder vervangende toestemming te verlenen om (met terugwerkende kracht) met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen, zijn afgewezen.
De moeder verzoekt,
in het incident en de voorlopige voorzieningen:
I. De uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder, onder de voorwaarde dat de moeder binnen 15 kilometer vanaf de buitengrens van de gemeente [plaats C] gaat wonen, alsmede ten aanzien van de zorgregeling, voor de duur van het hoger beroep in ieder geval tot een beslissing is genomen over de verzochte vervangende toestemming tot verhuizing, althans voor een in goede justitie te bepalen duur, althans totdat partijen hierover nader afspraken hebben gemaakt;
II. Bij voorlopige voorziening voor de duur van de procedure het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder, in [plaats A] , Duitsland te bepalen (en daarmee voorlopige toestemming om te verhuizen te geven), althans in Nederland (zonder oplegging van een straal rondom de gemeente [plaats C] te bepalen), althans [minderjarige] aan de moeder toe te vertrouwen;
III. Bij voorlopige voorziening de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zo in te richten dat er onder begeleiding contactmomenten plaatsvinden in [plaats C] , waarbij de moeder [minderjarige] brengt en haalt;
IV. Althans bij voorlopige voorziening een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen.
In het incident (en de hoofdzaak):
VI. De vader te veroordelen tot de proceskosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, althans de kosten te compenseren.
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in het incident en de voorlopige voorzieningen, althans om die verzoeken af te wijzen en de moeder te veroordelen in de kosten van het geding, voor zover rechtens mogelijk. De vader verzoekt het hof in het kader van het schorsingsverzoek en het verzoek tot voorlopige voorzieningen, de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De motivering van de beslissing
Rechtsmacht
[minderjarige] is burger van de Bondsrepubliek Duitsland en Brits burger. De moeder is burger van de Bondsrepubliek Duitsland. De vader is Brits burger. Zij zijn als gezin naar [plaats C] verhuisd in april 2025. De moeder voert geen verweer tegen het oordeel van de rechtbank dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] op het tijdstip van indiening van het inleidende verzoekschrift in Nederland gelegen was. Desondanks toetst het hof ambtshalve of het bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken van de ouders. Op de bevoegdheid ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid is de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) van toepassing. Onder het begrip ouderlijke verantwoordelijkheid valt op grond van artikel 1 lid 1 aanhef en onder b juncto artikel 1 lid 2 aanhef en onder a Brussel II-ter (mede) het gezagsrecht en het omgangsrecht. De verzoeken van de ouders vallen onder de ouderlijke verantwoordelijkheid, zodat Brussel II-ter van toepassing is op deze verzoeken.
Op grond van artikel 7 Brussel II-ter zijn ter zake de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Op grond van artikel 9 Brussel II-ter blijven, in geval van ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer van een kind, de gerechten van de lidstaat waar een kind onmiddellijk vóór de ongeoorloofde overbrenging of niet-terugkeer zijn gewone verblijfplaats had bevoegd tot het kind in een andere lidstaat een gewone verblijfplaats heeft gekregen én aan de voorwaarden onder sub a dan wel sub b van artikel 9 Brussel II-ter is voldaan.
Het begrip ‘gewone verblijfplaats’ genoemd in de bepalingen van Brussel II-ter dient volgens vaste rechtspraak (ontwikkeld in het kader van Brussel II-bis, maar tevens van toepassing op het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in het kader van Brussel II-ter) aldus te worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. De rechter dient bij het invullen van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ rekening te houden met alle feitelijke omstandigheden van de concrete situatie. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. In het kader van de beoordeling van deze factoren kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Zo kan zeker bij een jong kind de sociale en familiale omgeving van dat kind een wezenlijk belang zijn voor de vaststelling van diens gewone verblijfplaats. Een zuigeling bijvoorbeeld maakt noodzakelijkerwijs deel uit van de omgeving van wie hij afhankelijk is.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] op het moment dat de zaak bij inleidend verzoek op 31 oktober 2025 bij de rechtbank aanhangig werd gemaakt, haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat partijen in het voorjaar van 2025 vanuit Zwitserland naar [plaats C] zijn verhuisd met het doel zich hier als gezin duurzaam te vestigen. Zij hebben een huurwoning betrokken en hebben die ingericht voor een verblijf van een gezin en daarbij het leven in Zwitserland als gezin beëindigd. Hoewel de vader ingeschreven is gebleven in Zwitserland voor het behoudt van zijn C-verblijfsvergunning aldaar, zijn de moeder en [minderjarige] ingeschreven in [plaats C] in de Basisregistratie Personen (BRP). Dat partijen in de tussentijd nog op vakantie zijn geweest buiten Nederland maakt dat niet anders. Dit was onderdeel van hun levensstijl en betekent niet dat zij geen basis in Nederland hebben willen stichten.
Gelet op het oordeel van de Districtsrechtbank [plaats A] van 15 april 2026, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vader na de relatiebreuk niet heeft ingestemd met de permanente overbrenging van [minderjarige] naar Duitsland. De vader heeft ingestemd met een tijdelijk verblijf van [minderjarige] in Duitsland, wat gelet op de situatie op dat moment ook nodig was in het belang van [minderjarige] en de moeder. Nu vaststaat dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor permanente overbrenging van [minderjarige] naar Duitsland en daar ook geen (vervangende) toestemming voor was gegeven, was er sprake van ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren in de zin van artikel 2 lid 2 onder 11 Brussel II-ter. De vader heeft namelijk niet berust in het niet doen terugkeren van [minderjarige] en heeft (tijdig) een verzoek tot terugkeer ingediend bij de bevoegde autoriteiten in Duitsland. Nu zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 9 aanhef onder a en b Brussel II-ter, is de Nederlandse rechter bevoegd gebleven. Het hof zal deze zaak aan de hand van het Nederlandse recht beoordelen.
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253a, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter kunnen worden voorgelegd. De rechter dient in geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Overeenkomstig vaste rechtspraak dient het hof bij de beslissing over vervangende toestemming voor verhuizing alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en alle betrokken belangen af te wegen.
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De standpunten
De moeder verzoekt tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking. Het is voor de moeder op dit moment niet mogelijk om een woning te vinden binnen een straal van 15 kilometer vanaf de buitengrenzen van [plaats C] . Daardoor verblijven de moeder en [minderjarige] al sinds de terugkeer in Nederland na de beslissing van de rechter in [plaats A] op wisselende plekken wat veel onrust met zich meebrengt. [minderjarige] slaapt hierdoor niet goed. De huren in de omgeving van [plaats C] zijn hoog en de moeder heeft geen inkomen. Het is haar niet gelukt om een baan in de regio [plaats C] te vinden. Daarnaast ontvangt zij geen kinderalimentatie voor [minderjarige] van de vader.
In [plaats A] beschikken de moeder en [minderjarige] over een eigen huurwoning, heeft [minderjarige] een plekje op de kinderopvang, is het vangnet van de moeder in de buurt en met ingang van 1 september 2026 heeft de moeder een baan gevonden in de omgeving van [plaats A] . In het kader van de voorlopige voorzieningen verzoekt de moeder dan ook om vervangende toestemming om voor de duur van de procedure in hoger beroep met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen.
Bovendien hadden [minderjarige] en de vader elkaar tot de bestreden beschikking vijf maanden niet gezien dus het bepalen van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zou niet in haar belang zijn. Daarom verzoekt de moeder ook om schorsing van de zorgregeling. In de zaak in Duitsland hebben de Duitse Raad voor de Kinderbescherming en een bijzondere curator begeleide omgang geadviseerd. De moeder hecht daar veel waarde aan en verzoekt dan ook om bij voorlopige voorziening een begeleide omgang te bepalen zoals door de Duitse Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd. In dat licht heeft de moeder ook moeite met de overnachtingen van [minderjarige] bij de vader die met ingang van 29 augustus 2026 zouden moeten plaatsvinden. Zij acht dat niet in het belang van [minderjarige] , aldus de moeder.
De vader verweert zich als volgt.
De moeder stelt geen nieuwe feiten of een kennelijke juridische of feitelijke misslag op basis waarvan de uitvoerbaarheid bij voorraad geschorst zou moeten worden. Het belang van zowel de vader als [minderjarige] is erin gelegen dat de bestreden beschikking onmiddellijk wordt uitgevoerd.
[minderjarige] is geboren in Zwitserland. In april 2025 hebben partijen zich definitief gevestigd in [plaats C] omdat de moeder bij haar vrienden in [plaats C] in de buurt wilde wonen en dichter bij haar familie in [plaats A] . Met die verhuizing is de gewone verblijfplaats van [minderjarige] [plaats C] geworden. De vader blijft ingeschreven in Zwitserland omdat hij daar sinds 2001 het permanente verblijfsrecht heeft, maar zijn huidige baan binnen de DACH- en Benelux-regio verricht hij vanuit [plaats C] . De vader heeft nooit toestemming gegeven voor verhuizing van [minderjarige] naar [plaats A] en de moeder heeft de noodzaak om te verhuizen naar [plaats A] niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast verricht de moeder geen aantoonbare inspanningen om zich in [plaats C] te vestigen door middel van het vinden van een woning, een baan en kinderopvang voor [minderjarige] . De vader heeft de moeder een riante bijdrage beloofd als zij met [minderjarige] in [plaats C] woont. Bovendien beschikt de familie van de moeder over aanzienlijk vermogen waarmee zij haar zouden kunnen helpen bij het vinden van een woning in [plaats C] . De vader vindt dat hij ten aanzien van [minderjarige] voorgaat op de familie van de moeder.
Ten aanzien van de voorlopige voorzieningen is de vader van mening dat de grondslag hiervoor ontbreekt omdat er geen gewijzigde omstandigheden of een nieuwe spoedeisende situatie is. Bovendien is het verzoek niet concreet. Wie moet de omgang begeleiden en op welke momenten? En waarom dan? De enkele e-mail van de Duitse Raad voor de Kinderbescherming over het begeleiden van de omgang is onzorgvuldig en zonder hoor en wederhoor tot stand gekomen. De vader heeft nooit met deze medewerker gesproken en hij is ook niet benaderd of in de gelegenheid gesteld om te reageren. Noch zijn de vader en [minderjarige] door deze medewerker geobserveerd.
Tot slot zou het raar zijn als het contact nu ineens zou moeten worden begeleid, aangezien de vader en [minderjarige] elkaar inmiddels al vier weekenden zonder begeleiding hebben gezien (op 4 en 18 juli, 1 en 2 augustus en 15 en 16 augustus), aldus de vader.
Het advies van de raad
De raad heeft ter zitting in hoger beroep meegedeeld dat er samen met een gedragsdeskundige van de raad naar dit dossier is gekeken. De raad vindt dat de moeder met meer clementie mag worden beschouwd voor het feit dat zij met [minderjarige] naar [plaats A] is gegaan in september 2025. [minderjarige] was pas zeven maanden oud toen de ouders uit elkaar gingen. De moeder was dus nog niet lang geleden bevallen, het is voorstelbaar dat zij in de situatie waarin zij er alleen voor kwam te staan in een vreemd land, de behoefte voelde om naar haar vangnet in [plaats A] te gaan en zich te omringen met mensen die haar konden helpen en bij wie zij veiligheid ervaart.
Vaststaat in ieder geval dat de moeder de primaire hechtingsfiguur van [minderjarige] is. Zij moet de kans krijgen om een eigen leven op te bouwen. De raad kan niet beoordelen of de moeder in de omgeving van [plaats C] een leven kan opbouwen. Wel is de raad van mening dat het onwenselijk zou zijn als de moeder afhankelijk zou worden van de vader voor het betalen van de huur. De raad vindt daarnaast dat de moeder wordt klemgezet doordat zij binnen een straal van 15 kilometer van [plaats C] moet wonen. Temeer omdat het onduidelijk is hoezeer de vader gebonden is aan [plaats C] en hij zich buiten de tweewekelijkse weekendregeling geheel vrij buiten [plaats C] kan bewegen.
Ten aanzien van de zorgregeling heeft de raad opgemerkt dat de opbouw zoals die bij de bestreden beschikking is bepaald erg snel gaat voor een kind van [minderjarige] haar leeftijd, nadat zij zo lang geen contact met de vader heeft gehad. Gebruikelijk is dat het contact wordt opgebouwd door middel van korte contactmomenten meerdere keren per week. Met de keuze voor contact om de week is daarbij niet aangesloten. De geplande overnachting nadert dus wel erg snel voor [minderjarige] . Voor begeleiding van het contact zoals de moeder verzoekt ziet de raad echter geen noodzaak. [minderjarige] moet wennen aan de situatie bij haar vader en de vader mag groeien in zijn rol als opvoeder.
In het belang van [minderjarige] dient er nu duidelijkheid te komen. Ook ten aanzien van de overdrachten. Het is belangrijk dat er duidelijke afspraken op papier worden gezet zodat de locatie en het tijdstip van de overdracht vaststaan. Hun onderlinge communicatie kunnen de ouders bewaren voor de e-mail, aldus de raad.
De beoordeling door het hof
De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de vader de beschikking mag uitvoeren ondanks het hoger beroep van de moeder. Het hof kan op grond van de wet – als uitzondering – toch beslissen dat de beschikking nog niet mag worden uitgevoerd zolang het hoger beroep loopt. De Hoge Raad heeft daarvoor maatstaven uiteengezet (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
De maatstaven komen er kort gezegd op neer dat het hof de belangen van beide partijen en [minderjarige] bij het al dan niet direct uitvoeren van de beschikking tegen elkaar moet afwegen. Het hof gaat daarbij uit van de overwegingen en beslissingen in de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft hierbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
Dit alles leidt in deze zaak tot de volgende beoordeling.
Bij afsluiting van de mondelinge behandeling op 27 augustus 2026 heeft het hof aan partijen meegedeeld dat het hof het schorsingsverzoek met betrekking tot de voorwaarden aan de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling voor zover het de geplande overnachtingen betreft, met onmiddellijke ingang toewijst. Het hof is namelijk van oordeel dat de belangen van [minderjarige] en de moeder bij schorsing zwaarder wegen dan het belang van de vader om [minderjarige] binnen een straal van 15 kilometer aan de buitengrens van [plaats C] te houden en [minderjarige] bij zich te hebben voor een overnachting.
Daarnaast heeft het hof uitspraak gedaan inzake de door de moeder verzochte voorlopige voorziening tot vervangende toestemming om met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen. Het hof acht het namelijk in het belang van de moeder en [minderjarige] dat zij in een stabiele woonsituatie in [plaats A] de uitspraak in de hoofdzaak kunnen afwachten, in plaats van in de onrustige verblijfssituatie waarin zij op dit moment al sinds 18 mei 2026 verkeren en die zich kenmerkt door zeer frequente wisselingen van verblijfplaats. [minderjarige] is nog maar 20 maanden oud en voorstelbaar is dat zij onrustig slaapt door die vele wisselingen. Van de moeder kan niet worden verwacht dat zij voor de uitspraak van het hof in de hoofdzaak een huurwoning vindt in [plaats C] , omdat de hoger beroepsprocedure waarin zij om vervangende toestemming verhuizing verzoekt nog loopt en zo lang die loopt er onduidelijkheid is over waar zij een toekomst zal kunnen opbouwen met [minderjarige] . Bovendien heeft de moeder met ingang van 1 september 2026 een baan gevonden in de buurt van [plaats A] . Het hof acht het van belang dat de moeder in ieder geval met deze baan kan beginnen, zoals zij heeft afgesproken.
Ten aanzien van de geschorste overnachtingen die [minderjarige] op grond van de bestreden beschikking, met ingang van het weekend van 29 augustus 2026 bij de vader zou hebben gehad, is het hof met de raad van oordeel dat dit te snel is voor [minderjarige] . [minderjarige] en de vader hadden elkaar tot voor kort gedurende vijf maanden helemaal niet gezien. Sinds de bestreden beschikking hebben zij elkaar om het weekend overdag gezien. Het is positief dat [minderjarige] hier relatief goed op lijkt te reageren. Bij de vader overnachten is echter een te grote stap zo kort na herstel van het contact. Daarom acht het hof het in het belang van [minderjarige] om dit voorlopig op te schorten, zodat de vader en [minderjarige] eerst hun band verder kunnen opbouwen. Daarbij is het belangrijk dat de zorgregeling door blijft lopen, zodat er niet opnieuw een contactbreuk ontstaat en zodat de vader en [minderjarige] meer tijd met elkaar doorbrengen om hun band verder te kunnen uitbouwen en versterken. Gelet op het feit dat de moeder en [minderjarige] weer in [plaats A] zullen verblijven, vergt het een inspanning van beide ouders om dit mogelijk te maken.
Zoals bij de afsluiting van de zitting in hoger beroep uitgesproken, volgt het hof de beslissing van de rechtbank dat de moeder verantwoordelijk is voor het brengen van [minderjarige] naar de vader en dat de vader verantwoordelijk is voor het terugbrengen van [minderjarige] naar de moeder. Op advies van de raad zal het hof de locatie en het tijdstip van de overdrachten precies vastleggen zodat daarover geen discussie kan ontstaan. Daarom zal het hof vastleggen dat de moeder [minderjarige] om het weekend op zaterdag en zondag om 11.00 uur bij de vader thuis in [plaats C] moet brengen. Op zaterdag om 18.30 uur dient de vader [minderjarige] terug te brengen bij het verblijfadres van de moeder op dat moment. Op zondag om 18.30 uur dient de vader [minderjarige] bij de moeder thuis in [plaats A] te brengen.
Voor zover partijen over en weer hebben verzocht tot veroordeling van de wederpartij in de kosten van de procedure, zal het hof deze verzoeken aanhouden tot de beslissing in de hoofdzaak.
6. De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.371.348/02 (schorsing)
schorst de werking van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2026 totdat het hof heeft beslist in de hoofdzaak, voor zover:
- daarbij is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader zal zijn wanneer de moeder buiten een straal van 15 kilometer van de buitengrens van de gemeente [plaats C] gaat wonen;
- daarbij in het kader van de zorgregeling is bepaald dat:
- [minderjarige] in de derde maand na de bestreden beschikking om de twee weken bij de vader zal zijn van zaterdag 11.00 uur tot zondag 18.30 uur;
- [minderjarige] daarna eenmaal in de twee weken van vrijdag 15.00 uur, dan wel na haar slaapje, tot zondag 18.30 uur na het avondeten bij de vader zal zijn;
wijst de verzoeken van de moeder tot schorsing voor het overige af;
in de zaak met zaaknummer 200.371.348/03 (voorlopige voorzieningen)
bepaalt dat de moeder voorlopig vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] naar [plaats A] te verhuizen;
bepaalt dat de moeder voorlopig in het kader van de zorgregeling, [minderjarige] om het weekend op zaterdag en zondag om 11.00 uur bij de vader thuis in [plaats C] moet brengen. Op zaterdag om 18.30 uur dient de vader [minderjarige] terug te brengen bij het verblijfadres van de moeder op dat moment. Op zondag om 18.30 uur dient de vader [minderjarige] bij de moeder thuis in [plaats A] te brengen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de overige verzoeken van de moeder tot het treffen van voorlopige voorzieningen af;
houdt de beslissing ten aanzien van de over en weer gedane verzoeken ten aanzien van de proceskostenveroordeling aan tot de beslissing in de hoofdzaak.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 27 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.
Deze beschikking vormt de uitwerking van de mondelinge uitspraak van 27 augustus 2026 en is op 10 september 2026 aldus vastgesteld door voornoemde raadsheren.