ECLI:NL:GHAMS:2026:2661

ECLI:NL:GHAMS:2026:2661

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 17-09-2026
Zaaknummer 200.353.878/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Mishandeling met schade tot gevolg. Benadeelde heeft schade voldoende onderbouwd; beroep van de dader op eigen schuld slaagt niet. Bekrachtiging vonnis kantonrechte

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer: 200.353.878/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: 11056619/ CV EXPL 24-2464

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.J. Engelsma te [plaats 2] .

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[appellant] heeft [geïntimeerde] mishandeld en is daarvoor onherroepelijk veroordeeld door de politierechter. [geïntimeerde] stelt als gevolg van de mishandeling schade te hebben geleden, onder meer bestaande uit gederfde inkomsten wegens (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid. De kantonrechter heeft de schadevorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

Het door [appellant] ingestelde hoger beroep heeft geen succes. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in het hoger beroep.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 18 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 december 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).

[appellant] heeft daarna het volgende stuk ingediend:

- memorie van grieven van 10 juni 2025.

(De advocaat van) [geïntimeerde] heeft nagelaten tijdig een memorie van antwoord in te dienen, waardoor het recht om dat te doen is komen te vervallen.

Op 19 augustus 2025 heeft het hof verstek verleend aan [geïntimeerde] , omdat het verschuldigde griffierecht niet tijdig was voldaan (artikel 139 jo. artikel 353 lid 1 Rv). Dit verstek is op 26 augustus 2025 gezuiverd, omdat het griffierecht alsnog is betaald.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

De kantonrechter heeft in rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.3 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft geen grieven gericht tegen deze feiten, zodat het hof ook van deze feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.

Op 6 oktober 2021 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van zware mishandeling, gepleegd op donderdagavond 23 september 2021.

Van 23 september 2021 tot en met 25 september 2021 is [geïntimeerde] opgenomen geweest op de afdeling mond-, kaak- en aangezichtschirurgie van het Spaarne Gasthuis (ziekenhuis) in Haarlem. In het ziekenhuis is [geïntimeerde] geopereerd aan (onder meer) letsel aan zijn kaak.

Na ontslag uit het ziekenhuis heeft [geïntimeerde] een periode niet kunnen werken als (zelfstandige) timmerman.

Bij vonnis van 22 mei 2023 is [appellant] door de politierechter te Haarlem veroordeeld wegens mishandeling van [geïntimeerde] . Ook heeft de politierechter [appellant] veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan [geïntimeerde] . Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

4. Procedure bij de kantonrechter

[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 11.080.23, te vermeerderen met wettelijke rente. [appellant] heeft de door [geïntimeerde] gestelde schadeposten (eigen risico zorgverzekering en inkomstenderving) betwist en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure. De kantonrechter heeft daartoe – samengevat – overwogen dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat het door hem betaalde eigen risico in verband staat met de mishandeling door [appellant] en dat [geïntimeerde] voldoende heeft onderbouwd dat hij schade heeft geleden wegens gederfde inkomsten doordat hij tijdelijk niet kon werken als zelfstandige timmerman.

5. Vordering in hoger beroep

[appellant] vordert in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

[geïntimeerde] heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

6. Beoordeling

Het hof neemt als uitgangspunt bij de beoordeling van de vorderingen dat de politierechter [appellant] bij (in kracht van gewijsde gegaan) vonnis heeft veroordeeld voor mishandeling. Dat levert in deze civiele procedure dwingend bewijs op van de bewezenverklaarde feiten, behoudens tegenbewijs (op grond van artikel 161 Rv). [appellant] heeft de mishandeling niet betwist en ook zelf tot uitgangspunt genomen bij zijn hoger beroep. Aldus staat vast dat [appellant] op 23 september 2021 [geïntimeerde] heeft mishandeld. [appellant] is daarmee tegenover [geïntimeerde] aansprakelijk uit onrechtmatige daad en in beginsel gehouden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden (artikel 6:162 lid 1 BW).

Daarnaast is niet in geschil dat [geïntimeerde] zijn werk als timmerman als gevolg van de mishandeling door [appellant] gedurende een periode van negen weken in 2021 helemaal niet heeft kunnen verrichten en in week 38 en 48 van dat jaar slechts gedeeltelijk. In hoger beroep is enkel de vraag aan de orde wat de omvang is van de op [appellant] rustende schadevergoedingsplicht, nu [appellant] het hoger beroep heeft beperkt tot het door hem gevoerde eigen-schuld-verweer (grief I) en de onderbouwing van de schade wegens gederfde inkomsten door [geïntimeerde] (grief II).

Eigen-schuld-verweer (grief I)

Het hof is het met [appellant] eens dat de kantonrechter in het bestreden vonnis ten onrechte niet is ingegaan op het in eerste aanleg gevoerde eigen-schuld-verweer. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep alsnog de gegrondheid van dit verweer zal beoordelen.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van eigen schuld van [geïntimeerde] in de zin van artikel 6:101 BW. [appellant] voert primair aan dat als gevolg daarvan alle schade voor rekening van [geïntimeerde] dient te blijven. Subsidiair stelt hij dat 20% van de schade voor zijn rekening komt en 80% voor rekening van [geïntimeerde] . Ter onderbouwing van dit verweer voert [appellant] aan dat hij op 23 september 2021 na zijn voetbaltraining in zijn straat aankwam waar hij grote consternatie aantrof. Wat er daarna gebeurde beschrijft [appellant] als volgt:

“ [geïntimeerde] was samen met een groep mannen overlast aan het veroorzaken. Er werd vuurwerk afgestoken en overal lagen gebruikte lachgascontainers. Er heerste een dreigende sfeer. Toen [appellant] zich door het daartoe bestemde steegje naar zijn achtertuin begaf, werd hij klemgezet door het groepje. [appellant] kon geen kant op en was in zijn bewegingsruimte beperkt omdat hij zijn voetbaltas om zijn nek droeg. De sfeer was zo bedreigend dat [appellant] zich uit noodweer heeft verdedigd en daarbij [geïntimeerde] heeft geslagen. Nimmer met de intentie om hem te verwonden, maar louter om zichzelf te ontzetten uit de dreigende situatie.”

Bij een beroep op eigen schuld dient [appellant] de relevante feiten en omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die het rechtsgevolg kunnen dragen dat de op hem rustende schadevergoedingsplicht moet worden verminderd. Aan de op hem rustende stelplicht heeft [appellant] in dit geval niet voldaan. [appellant] heeft namelijk onvoldoende toegelicht welke concrete omstandigheid die aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend de schade (mede) tot gevolg heeft gehad (in de zin van artikel 6:101 BW). Uit de toelichting van [appellant] als hiervoor in 6.4 weergegeven volgt in elk geval niet dat zich een situatie heeft voorgedaan waarin [appellant] genoodzaakt was zich met geweld te verdedigen tegen [geïntimeerde] .

[appellant] heeft in dit verband aangeboden om het volledige strafdossier, waarover hij naar eigen zeggen nog niet beschikt, in het geding te brengen. Het hof ziet geen reden om [appellant] alsnog in de gelegenheid te stellen om zijn eigen-schuld-verweer op deze wijze te onderbouwen en aldus een uitzondering te maken op de in hoger beroep geldende regel dat de eiser zijn grieven tijdig (bij de conclusie van eis in de zin van artikel 347 Rv (de memorie van grieven)) naar voren brengt.

Het voorgaande brengt mee dat er geen reden is om de op [appellant] rustende schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW te verminderen. Het beroep van [appellant] op eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] (en daarmee grief I) slaagt niet.

Onderbouwing schade (grief II)

Grief II is gericht tegen het bestreden vonnis, voor zover daarin de schadevordering van [geïntimeerde] wegens gederfde inkomsten als zelfstandige timmerman is toegewezen. [appellant] voert daartoe aan dat de kantonrechter zich enkel heeft gebaseerd op een zeer kort bericht van de opdrachtgever van [geïntimeerde] van 28 februari 2024 en een tweetal facturen. Daarnaast zou in zijn algemeenheid inkomstenderving van zelfstandigen worden onderbouwd met (financiële) documentatie, zoals belastingaangiften, bankafschriften en betalingsbewijzen. Nu deze documentatie ontbreekt, moet de schadevordering van [geïntimeerde] als volstrekt onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, aldus [appellant] .

Voorop staat dat [geïntimeerde] als benadeelde partij het bestaan en de omvang van de door hem gestelde schade voldoende moet toelichten en onderbouwen, waarna de rechter de schade begroot (dan wel schat) op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). In hoeverre de schade door [geïntimeerde] voldoende is onderbouwd om te kunnen worden toegewezen, hangt (mede) af van de betwisting van de zijde van [appellant] .

[geïntimeerde] stelt in het najaar van 2021 een bedrag van € 10.752,00 aan inkomsten te hebben gemist. Het schadebedrag is als volgt opgebouwd. In week 38 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 224 aan inkomsten gemist (één gemiste werkdag), daarna gedurende negen weken (week 39 tot en met 47) een bedrag van € 1.120 per week en tot slot in week 48 een bedrag van € 448 (twee gemiste werkdagen). Ter onderbouwing heeft [geïntimeerde] een viertal facturen overgelegd, gericht aan Timmerbedrijf Oussalem, een verklaring van de heer Oussalem van 28 februari 2024 en een e-mail van 7 mei 2023. Daarbij heeft [geïntimeerde] een toelichting gegeven op de facturen en de (datering van) de verklaring van de heer Oussalem. Tot slot heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat hij niet tegen arbeidsongeschiktheid is verzekerd, wat betekent dat hij zonder werk ook geen inkomen heeft en er ook geen grond is voor verrekening.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] het schadebedrag van € 10.752 wegens gederfde inkomsten summier heeft toegelicht en onderbouwd. Daartegenover staat dat [appellant] ook in hoger beroep slechts in algemene bewoordingen de omvang van de gestelde schade heeft betwist, door daarover slechts aan te voeren dat in zijn algemeenheid inkomstenderving van zelfstandigen wordt onderbouwd met (financiële) documentatie, zoals belastingaangiften, bankafschriften en betalingsbewijzen. Het had op de weg van [appellant] gelegen om concreet in te gaan op de door [geïntimeerde] naar voren gebrachte stellingen en in het geding gebrachte stukken, hetgeen hij heeft nagelaten.

Uit het voorgaande volgt dat, in het licht van de magere betwisting van de zijde van [appellant] , [geïntimeerde] het schadebedrag van € 10.752,00 wegens gederfde inkomsten voldoende heeft onderbouwd. Grief II slaagt niet. Het hof komt om die reden – net als de kantonrechter – tot de conclusie dat de schadevordering van [geïntimeerde] ter zake van gederfde inkomsten van € 11.080,23 in zijn geheel toewijsbaar is (inclusief de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg).

Slotsom, kosten en bewijsaanbod

Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Uit het voorgaande volgt dat het hof aan bewijslevering niet toekomt.

[appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt (ambtshalve) de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vast op een bedrag van € 362,00.

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 362,00;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, E.M. de Stigter en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand