ECLI:NL:GHAMS:2026:2669

ECLI:NL:GHAMS:2026:2669

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer 200.354.340/01 OK
Rechtsgebied Civiel recht; Ondernemingsrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ondernemingskamer; geschillenregeling; beschikking raadsheer-commissaris; afwijzing verzoeken.

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.354.340/01 OK

beschikking van de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer van 17 september 2026

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Aandeelhouder 1] B.V.,

gevestigd te [Plaats] ,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. M.G. Jansen, kantoorhoudende te Haarlem,

t e g e n

[Aandeelhouder 2] ,

wonende te [Plaats] ,

VERWEERDER,

advocaten: mr. M.L. Dingemans kantoorhoudende te Amsterdam en mr. C.M. van der Veer, kantoorhoudende te Enschede,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de Vennootschap] B.V.,

gevestigd te [Plaats] ,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. M.G. Jansen voornoemd,

e n t e g e n

1. de kerkelijke rechtspersoon

de [Pandhouder 1],

gevestigd te [Plaats] ,

2. [Pandhouder 2] ,

wonende te [Plaats] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaten: mr. I.R. Köhne, kantoorhoudende te Voorburg, en mr. M.H.J. van Rest, kantoorhoudende te Amsterdam.

Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:

1. Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding verwijst de raadsheer-commissaris naar de beschikkingen van de Ondernemingskamer van 16 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2434), 23 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2525), 10 november 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:3012) en 6 mei 2026 (ECLI:NL:GHAMS:2026:1231).

Ter zitting van de Ondernemingskamer van 11 september 2025 hebben partijen de Ondernemingskamer verzocht op de voet van art. 2:343c BW de prijs vast te stellen waartegen [Aandeelhouder 2] alle door hem gehouden aandelen in [de Vennootschap] (hierna: de aandelen) zal overdragen aan [Aandeelhouder 1] . In de beschikkingen van 16 september 2025, 23 september 2025, 10 november 2025 en 6 mei 2026 heeft de Ondernemingskamer, samengevat, een onderzoek bevolen naar de waarde van de door [Aandeelhouder 2] over te dragen aandelen in [de Vennootschap] , drs. G. Rooijackers RC RV (hierna: “Rooijackers”) benoemd tot waarderingsdeskundige, het bedrag van het voorschot voor het door Rooijackers te verrichten onderzoek bepaald, alsmede een aanvullend voorschot voor het onderzoek bepaald.

Op 6 mei 2026 heeft de deskundige zijn concept-deskundigenbericht uitgebracht. Op 4 juni 2026 hebben [Aandeelhouder 1] en [Aandeelhouder 2] op het concept-deskundigenbericht gereageerd. In zijn reactie heeft [Aandeelhouder 2] onder meer betoogd dat de vennootschap vorderingen heeft op haar bestuurders in verband met onjuist vastgestelde directiebeloningen en overtreding van het provisieverbod, waarmee in de waardering rekening moet worden gehouden.

Bij brief 19 juni 2026 heeft [Aandeelhouder 2] bij monde van zijn advocaat aan de deskundige geschreven dat hij akkoord is gegaan met een verzoek als bedoeld in artikel 2:343c BW, omdat het enquêteverzoek van [Aandeelhouder 2] afgewezen dreigde te worden. Volgens [Aandeelhouder 2] leek de Ondernemingskamer op basis van een kwartaalrapport van de externe compliance officer, De Reus RA, te aanvaarden dat [de Vennootschap] haar zzp’ers overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving beloonde. Inmiddels was volgens [Aandeelhouder 2] echter gebleken dat deze rapportage onjuist zou zijn en dat sprake zou zijn van overtreding van het provisieverbod. Volgens [Aandeelhouder 2] moet te allen tijde worden voorkomen dat de aandelen in [de Vennootschap] worden gewaardeerd alsof aan alle wet- en regelgeving wordt voldaan, terwijl alle betrokkenen weten dat er onder de vlag van [de Vennootschap] wordt gefraudeerd.

[Aandeelhouder 2] heeft tuchtklachten ingediend tegen zowel De Reus RA als tegen de externe accountant, De Boer RA.

In de tuchtrechtelijke procedure tegen De Boer RA heeft de Accountantskamer op 9 maart 2026 geoordeeld dat het klachtonderdeel van [Aandeelhouder 2] inhoudende dat De Boer RA niet had getoetst of tot de verhoging van de managementvergoeding bij [de Vennootschap] op rechtsgeldige wijze was besloten c.q. of deze op rechtsgeldige wijze was vastgesteld door de algemene vergadering, gegrond is. De Accountantskamer heeft De Boer RA hiervoor een berisping opgelegd. De andere klachtonderdelen, waaronder het klachtonderdeel dat De Boer RA een overtreding van het provisieverbod zou hebben versluierd, zijn afgewezen. Ten aanzien van het klachtonderdeel over de vermeende overtreding door [de Vennootschap] van het provisieverbod heeft de Accountantskamer overwogen dat [Aandeelhouder 2] de overtreding van het provisieverbod als feit presenteert, maar dat die overtreding niet vaststaat. Nu niet vaststond dat [de Vennootschap] het provisieverbod heeft overtreden, diende ook de klacht ten aanzien van het versluieren van die overtreding door De Boer RA te worden afgewezen, aldus de Accountantskamer.

In de tuchtrechtelijke procedure tegen De Reus RA heeft op 12 juni 2026 de mondelinge behandeling plaatsgevonden.

Bij vonnis van 8 juli 2026 van de rechtbank Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2026:4501, is [Aandeelhouder 2] veroordeeld tot betaling van (in hoofdsom) € 100.000.

[Aandeelhouder 1] heeft bij verzoekschrift van 20 juli 2026 de raadsheer-commissaris, althans de Ondernemingskamer, verzocht, samengevat:

a. de deskundige te ontheffen van zijn opdracht als waarderingsdeskundige;

b. één of twee onafhankelijke waarderingsdeskundigen aan te wijzen om de waardering voort te zetten en af te ronden;

c. te bepalen dat de nieuw aan te wijzen waarderingsdeskundige(n) zich bij de uitvoering van de opdracht strikt dienen te houden aan de waarderingsopdracht zoals vastgesteld in de beschikking van 16 september 2025 en zich dienen te onthouden van iedere beoordeling van, dan wel betrokkenheid bij, geschilpunten die buiten de reikwijdte van de opdracht vallen;

d. te bepalen dat de door [Aandeelhouder 2] in het kader van diens enquêteverzoek naar voren gebrachte bezwaren met betrekking tot het beleid en de gang van zaken binnen [de Vennootschap] bij de uitvoering van het waarderingsproject buiten beschouwing dienen te blijven;

e. zodanige aanwijzingen te geven of beslissingen te nemen die de raadsheer-commissaris, althans de Ondernemingskamer geraden acht.

Bij e-mail van 20 juli 2026 heeft de deskundige gereageerd op het verzoek van [Aandeelhouder 1] om de deskundige te ontheffen van zijn opdracht. De deskundige heeft daarbij – samengevat – geschreven dat hij geen aanleiding ziet om te twijfelen aan zijn onafhankelijkheid als gerechtelijk deskundige in deze procedure.

Bij e-mail van 23 juli 2026 heeft de secretaris van de Ondernemingskamer partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van [Aandeelhouder 1] .

Bij e-mail van 6 augustus 2026 heeft mr. Jansen namens [Aandeelhouder 1] voornoemde brief van 19 juni 2026 van de advocaat van [Aandeelhouder 2] aan deskundige Rooijackers in het geding gebracht, alsmede een e-mail van de advocaat van [Aandeelhouder 2] van dezelfde datum. Mr. Jansen verzoekt namens [Aandeelhouder 1] dat het waarderingstraject, mocht de raadsheer-commissaris of de Ondernemingskamer overgaan tot vervanging van Rooijackers of tot benoeming van één of meer deskundigen naast hem, zal worden voortgezet op basis van het reeds opgebouwde dossier, teneinde verdere vertraging van het waarderingsproces te voorkomen.

[Aandeelhouder 2] heeft bij verweerschrift van 13 augustus 2026 verzocht het verzoek van [Aandeelhouder 1] af te wijzen. [Aandeelhouder 2] heeft ook zelf een tegenverzoek gedaan. Hij heeft verzocht, samengevat:

a. de deskundige Rooijackers te verzoeken inzichtelijk te maken welke contacten er tussen partijen en belanghebbenden zijn geweest en welke contactpogingen zijn gedaan;

b. een mondelinge behandeling te gelasten om te bepalen of en op welke wijze een vervolg gegeven kan worden aan het waarderingsproces;

c. [Aandeelhouder 1] te gelasten om gedurende het waarderingsproces de executie van het vonnis van 8 juli 2026 te staken;

d. [Aandeelhouder 1] te gelasten inzichtelijk te maken op welke wijze zij de koop van de door [Aandeelhouder 2] gehouden aandelen [de Vennootschap] zal gaan betalen (‘proof of funds’).

Bij e-mail van 13 augustus 2026 hebben de Pandhouders zich verzet tegen het verzoek van [Aandeelhouder 1] . Het waarderingstraject is volgens de Pandhouders niet vastgelopen, althans daar is niets van gebleken. De Pandhouders zouden graag zien dat de deskundige op korte termijn zijn definitieve rapport oplevert. Er is volgens de Pandhouders geen sprake van enige gegronde vrees dat de deskundige niet onpartijdig of onafhankelijk zou zijn. De deskundige zou ook niet buiten zijn opdracht zijn getreden, aldus de Pandhouders.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het onder 1.13 bedoelde verzoek van [Aandeelhouder 2] . Van die gelegenheid hebben zij op 16 september 2026 gebruik gemaakt.

2. De gronden van de beslissing

De raadsheer-commissaris stelt voorop dat wat [Aandeelhouder 2] in de brief van 19 juni 2026 aan de Ondernemingskamer toeschrijft voor rekening van [Aandeelhouder 2] komt (zie 1.4). De Ondernemingskamer heeft op zitting geen voorlopig oordeel gegeven over (onderdelen van) de verzoeken die zijn gedaan. Zij heeft dus ook geen oordeel gegeven over een kwartaalrapport dat is opgesteld door De Reus RA.

De verzoeken van [Aandeelhouder 1]

[Aandeelhouder 1] heeft aan haar verzoeken, samengevat, ten grondslag gelegd dat: (i) het waarderingstraject zou zijn vastgelopen; (ii) het vertrouwen in Rooijackers zou ontbreken vanwege een niet gemelde professionele relatie tussen Rooijackers en prof. Lokin, die als partijdeskundige is opgetreden aan de zijde van [Aandeelhouder 2] ; en (iii) Rooijackers buiten zijn opdracht zou zijn getreden door in te gaan op door [Aandeelhouder 2] opgeworpen bezwaren tegen het beleid binnen [de Vennootschap] , terwijl deze bezwaren onderdeel zouden zijn van de tussen partijen in het kader van de eerder gevoerde enquêteprocedure overeengekomen finale kwijting. Deze bezwaren zouden volgens [Aandeelhouder 1] dus buiten de waarderingsopdracht moeten blijven. Volgens [Aandeelhouder 1] zou Rooijackers zou zich aldus zich (iv) laten beïnvloeden door [Aandeelhouder 2] en zich (v) laten afleiden door het onderliggende conflict tussen partijen.

De raadsheer-commissaris stelt voorop dat een verzoek tot ontheffing van de deskundige op grond van feiten en omstandigheden die objectief gezien bij een partij de indruk zouden kunnen wekken dat de deskundige niet onpartijdig en onafhankelijk is, moet worden gedaan zodra die feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit brengt mee dat verzoeker in zijn verzoekschrift zal moeten toelichten wanneer en op welke wijze hij met deze feiten bekend is geworden. Het verzoek vermeldt hieromtrent slechts dat uit openbare informatie blijkt dat prof. Lokin en de deskundige gezamenlijk hebben opgetreden en licht niet toe wanneer [Aandeelhouder 1] hiervan op de hoogte is geraakt.

Ook op inhoudelijke gronden kan het verzoek tot vervanging van de waarderingsdeskundige niet worden toegewezen. De omstandigheden dat (i) prof. Lokin onbezoldigd is opgetreden tijdens een kantoorseminar van de deskundige en (ii) daarvan geen melding heeft gemaakt voorafgaand aan het waarderingstraject, behelzen geen omstandigheden die objectief gezien de indruk kunnen doen ontstaan dat deze niet onpartijdig en onafhankelijk is.

Anders dan [Aandeelhouder 1] betoogt, laatstelijk in haar e-mail van 16 september 2026, kan niet worden geoordeeld dat het waarderingstraject is vastgelopen. Overeenkomstig de artikelen 5.13-5.19 van de Leidraad heeft de deskundige hoor en wederhoor toegepast. Partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt de opmerkingen te maken die zij dienstig achtten. Daarmee is het nu aan de deskundige om de opmerkingen van partijen zelfstandig te beoordelen en te verwerken in het definitieve rapport. In het kader van de vaststelling van de prijs staat het partijen vervolgens vrij om hun bezwaren tegen het rapport (nogmaals) aan de orde te stellen.

Het staat [Aandeelhouder 2] derhalve vrij de opmerkingen te maken op het concept-rapport die hij nodig acht. Het ligt op de weg van de deskundige om zelfstandig te beoordelen of, en zo ja in hoeverre een en ander noopt tot aanpassing. De raadsheer-commissaris ziet geen aanleiding om de deskundige op dit punt een aanwijzing te geven. De raadsheer-commissaris ziet in het verzoek namens [Aandeelhouder 1] ook geen aanleiding om de deskundige enige andere aanwijzing te geven. In het geval de deskundige oordeelt dat de waarde mede wordt bepaald door een vordering van [de Vennootschap] op een derde, verzoekt de raadsheer-commissaris de deskundige daarbij te betrekken (i) de kans op de peildatum dat een vordering op enig moment zal worden ingesteld, en, zo ja, (ii) de kans dat die vordering op enig moment zal worden toegewezen en tot welk beloop, (iii) de kans dat het naar verwachting toe te wijzen gedeelte van die gestelde vordering daadwerkelijk zal worden verhaald, en (iv) de kosten die [de Vennootschap] in dat verband zal moeten maken, alles contant te maken per de peildatum.

De verzoeken van [Aandeelhouder 1] onder 1.9 zullen worden afgewezen.

De verzoeken van [Aandeelhouder 2]

[Aandeelhouder 2] heeft aan zijn verzoek onder 1.13 sub a ten grondslag gelegd dat Rooijackers [Aandeelhouder 2] en de Pandhouders niet heeft geïnformeerd over een telefoongesprek tussen Rooijackers en [Aandeelhouder 1] , naar aanleiding waarvan Rooijackers contact zou hebben opgenomen met de secretaris van de Ondernemingskamer, terwijl Rooijackers daarover transparant zou behoren te zijn.

De raadsheer-commissaris wijst erop dat indien een partij zich door een advocaat laat bijstaan, de communicatie met de deskundige in beginsel via die advocaat verloopt (artikel 3.8 van de Leidraad). Indien een partij schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundige doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij (art. 190 lid 2 Rv). Partijen (en hun advocaten) dienen zich dus te onthouden van eenzijdige inhoudelijke correspondentie met (medewerkers van) de deskundige (en door de deskundige ingeschakelde derden) buiten de afgesproken kanalen, behoudens praktische kwesties (vgl. artikel 6.2.5 van het voorbeeld Plan van aanpak bij de Leidraad). De deskundige is niet verplicht ongevraagd toegezonden of mondeling gegeven zienswijzen van partijen of betrokkenen in het deskundigenonderzoek te betrekken (artikel 5.15 van de Leidraad).

De raadsheer-commissaris ziet geen aanleiding om de deskundige thans te verzoeken inzichtelijk te maken welke contacten er met de partijen en belanghebbenden zijn geweest en vertrouwt erop dat de deskundige eventueel (mondeling) verkregen informatie in het kader van hoor en wederhoor, voor zover die van belang is voor het deskundigenonderzoek en waarop het deskundigenbericht wordt gebaseerd, voorlegt aan de andere partij en opneemt in het (definitieve) deskundigenbericht (vgl. artikel 5.13 en artikel 5.14 van de Leidraad).

Ten aanzien van de communicatie tussen de deskundige en de secretaris van de Ondernemingskamer wordt verwezen naar artikel 3.10 van de Leidraad: de communicatie tussen de deskundige en de secretaris van de Ondernemingskamer wordt in beginsel niet met partijen gedeeld. De raadsheer-commissaris ziet geen aanleiding daar in die geval van af te wijken.

Aan het verzoek tot het gelasten van een mondelinge behandeling (1.13 sub b) heeft [Aandeelhouder 2] , samengevat, ten grondslag gelegd dat bij [de Vennootschap] sprake zou zijn geweest van overtreding van het provisieverbod en een buitenwettelijke verhoging van de directiesalarissen. De deskundige zou deze factoren volgens [Aandeelhouder 2] moeten verdisconteren in de waardering door toepassing van normalisaties en/of het opnemen van een vordering van de vennootschap op het bestuur. [Aandeelhouder 2] beroept zich in dat kader mede op de (door [Aandeelhouder 2] verwachte) uitkomsten van de tuchtrechtelijke procedures tegen De Boer RA en De Reus RA. Het verzoek om een mondelinge behandeling te gelasten strekt ertoe dat wordt nagegaan hoe een vervolg aan het waarderingsproces gegeven kan worden gelet op voornoemde ontwikkelingen.

Er ligt op dit moment geen verzoek voor op basis waarvan aanleiding bestaat een mondelinge behandeling te gelasten. De regie ligt bij de deskundige die zijn rapport zal moeten baseren op de feiten en omstandigheden per de peildatum, dat wil zeggen de ten tijde van het gezamenlijke verzoek op grond van art. 2:343c BW een recente en voor de hand liggende door de deskundige te bepalen peildatum. Feiten en omstandigheden na de peildatum dienen dan ook in beginsel buiten beschouwing te worden gelaten. Nadat het deskundigenbericht gereed is, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich daarover uit te laten. In dat stadium van de procedure bestaat de mogelijkheid om in het kader van de vaststelling van de prijs een mondelinge behandeling te laten plaatsvinden.

Ook het verzoek om [Aandeelhouder 1] (1.13 sub c) te gelasten om gedurende het waarderingsproces de executie van het vonnis van 8 juli 2026 te staken, zal worden afgewezen. De raadsheer-commissaris is daartoe niet bevoegd.

Ook bestaat geen grond om [Aandeelhouder 1] te gelasten een ‘proof of funds’ van [Aandeelhouder 1] bekend te maken, zodat ook dit verzoek (1.13 sub d) zal worden afgewezen.

Alle verzoeken van partijen worden afgewezen. De raadsheer-commissaris ziet ten slotte aanleiding beide partijen eraan te herinneren dat zij ingevolge artikel 190 lid 3 Rv zijn gehouden tot medewerking aan het deskundigenonderzoek. Indien zij niet of onvoldoende meewerken aan de voltooiing van het deskundigenonderzoek, kan de Ondernemingskamer daaraan de gevolgtrekkingen verbinden die zij geraden acht.

3. De beslissing

De raadsheer-commissaris:

a. wijst de verzoeken van [Aandeelhouder 1] af;

b. wijst de verzoeken van [Aandeelhouder 2] af.

Deze beschikking is gegeven mr. J.M. de Jongh, raadsheer-commissaris, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Haksteeg, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 17 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. de Jongh

Griffier

  • mr. H.W. Haksteeg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand