GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht team I
zaaknummer : 200.337.156/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/329906 / HA ZA 22-419
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026
in de zaak van
1. [appellant 1] ,
wonend te [plaats 1] ,
2. [appellant 2],
wonend te [plaats 2] ,
3. [appellant 3],
wonend te [plaats 3] ,
4. [appellant 4],
wonend te [plaats 4] ,
5. [appellant 5],
wonend te [plaats 5] ,
6. [appellant 6],
wonend te [plaats 6] ,
appellanten,
advocaat: mr. M.A. de Jager te Rotterdam,
tegen
VERENIGING NEDERLANDSE VERKEERSVLIEGERS,
gevestigd te Badhoevedorp,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Stam te Utrecht.
Partijen worden hierna [appellanten] . en VNV genoemd.
1. Zaak in het kort
2. Geding in hoger beroep
Bij arrest van 8 juni 2021 heeft het hof Den Haag vastgesteld dat sprake is van een overgang van onderneming van de vrachtdivisie van Martinair naar KLM per 1 januari 2014. Als gevolg daarvan diende KLM aan de oud-Martinair vrachtvliegers een aanbod tot tewerkstelling te doen, waarbij vermeld moest worden welke cao op de oud-Martinair vrachtvliegers van toepassing was. Deze zaak gaat over één aspect in het debat tussen de vrachtvliegers enerzijds en KLM en VNV anderzijds: de rechtsgeldigheid van het (bestuurs)besluit van VNV van 9 juli 2021, waarmee zij KLM met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 als partij bij de Martinair-cao’s heeft toegelaten, onder aanpassing van de definitie ‘werknemer’ in die cao. Het hof oordeelt dat het besluit van VNV niet in strijd is met de statutaire en de wettelijke totstandkomingsvereisten, zodat het besluit niet nietig is op grond van art. 2:14 lid 1 en 2 BW, en ook niet vernietigbaar is op grond van art. 2:15 BW. Het besluit is bovendien noch in strijd met de goede zeden, noch met de redelijkheid en billijkheid. Ook heeft VNV geen misbruik van haar bevoegdheid gemaakt. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
[appellanten] . zijn bij dagvaarding van 30 augustus 2023 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 26 juli 2023 van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] . als eisers en VNV als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 21 april 2026 laten toelichten. [appellanten] . door mr. M.A. de Jager voornoemd en mr. J.H. Even, advocaat te Rotterdam, en VNV door mr. J.W. Stam voornoemd, allen aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Partijen hebben vragen beantwoord en inlichtingen verstrekt. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met vijf andere bij het hof aanhangige zaken tussen oud-Martinair vrachtvliegers en VNV en/of Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. (hierna: KLM), die bij het hof aanhangig zijn onder zaaknummers 200.343.062/01, 200.343.064/01, 200.343.752/01, 200.344.286/01 en 200.344.457/01.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
3. Feiten
De rechtbank heeft onder 2.1 tot 2.23 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die tot uitgangspunt zijn genomen. Met grief 1 komen [appellanten] . op tegen onder meer de vaststelling van de feiten. Samengevat en waar nodig rekening gehouden met deze grief gaat het hof uit van de volgende feiten.
[appellanten] . zijn allen bij Martinair Holland N.V. (hierna: Martinair) werkzaam geweest in de functie van vrachtvlieger . Martinair heeft als activiteiten (gehad) passagiersluchtvaart en luchtvrachtvervoer, ondergebracht in afzonderlijke divisies. Het vrachtvervoer van Martinair vindt plaats onder de naam Martinair Cargo (hierna: MAC). KLM heeft een passagiersdivisie en een vrachtdivisie (de laatste hierna: AFKL Cargo).
VNV is een vakvereniging van werknemers als bedoeld in de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: Wet CAO) voor vliegers van onder meer KLM en Martinair.
VNV kent binnen haar organisatie de volgende organen:
de algemene vergadering;
het bestuur;
het presidentieel team (de president en vicepresident(en) gezamenlijk);
de afdelingen;
de afdelingsledenraden (gekozen door en uit de leden van VNV in dienst van een burgerluchtvaartbedrijf);
de vliegervergaderingen (een directe vertegenwoordiging van vliegers in dienst van een burgerluchtvaartbedrijf waarvoor geen afdelingsledenraad bestaat, waarbij de vliegers stemrecht hebben over de in de statuten genoemde onderwerpen) en
de toetsingsraad.
De statuten van VNV anno 2021 (hierna: de statuten) bepalen, voor zover van belang:
“9 Definitie: in dienst
Een vlieger wordt geacht bij een bedrijf als bedoeld in artikel 8.1 in dienst te zijn, wanneer en zolang hij als zodanig op de loonlijst of senioriteitslijst voorkomt dan wel een andere relatie met het bedrijf heeft, zulks ter beoordeling van het bestuur. (…)
38. De afdelingen met afdelingsraad
Een afdeling met afdelingsledenraad bestaat uit leden die in dienst zijn van een door de vereniging, op grond van nader bij huishoudelijk reglement vastgelegde criteria, erkend commercieel burgerluchtvaartbedrijf. (…)
47. Afdelingen met een vliegervergadering
Een afdeling met vliegervergadering bestaat uit leden die in dienst zijn van een door de vereniging, op grond van nader bij huishoudelijk reglement vastgelegde criteria, erkend commercieel burgerluchtvaartbedrijf. (…)
Een vliegervergadering besluit binnen vergadering dan wel buiten vergadering, in dat laatste geval door middel van een schriftelijke stemming gehouden onder alle leden van de betreffende afdeling, een en ander als nader bij huishoudelijk reglement geregeld. (…)”
De statuten bepalen voorts:
“23 Bevoegdheids- en bestuursbeperkingen
(…)
De voorafgaande goedkeuring van de betreffende afdelingsledenraad dan wel vliegervergadering is vereist voor de besluiten van het bestuur betreffende de belangen van een betreffende afdeling ten aanzien van:
(a) het aangaan of wijzigen van cao’s, arbeidsovereenkomsten en/of regelingen en overeenkomsten welke onderwerpen bevatten die in een cao of arbeidsovereenkomst thuishoren dan wel met de aanvang of beëindiging daarvan samenhangen;
(…)
Voor zover niet anders is bepaald, is het bestuur bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van alle in artikel 23.2 (a) opgesomde regelingen en overeenkomsten, onder de verplichting daarvan zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan de betreffende afdelingsledenraad dan wel vliegervergadering. (…).”
en
“34. Vertegenwoordiging
(…)
In de gevallen als bedoeld in artikel 23 moet van de daar vereiste goedkeuring tegenover derden blijken door de medewerking van de voorzitter van de algemene vergadering respectievelijk de voorzitter(s) van de betreffende afdelingsledenra(a)d(en) respectievelijk de voorzitter(s) van de betreffende vliegervergadering(en). (…)”
Voor de vliegers van Martinair die lid waren van VNV bestond tot 2015 een Martinair- afdelingsledenraad. Nadat deze afdelingsraad in april 2015 was ontbonden, werden de bij VNV aangesloten vliegers van Martinair vertegenwoordigd in de Martinairvliegervergadering.
Voor vliegers in dienst bij Martinair gold van 1 januari 2012 tot 31 december 2013 de Martinair-cao. Vanaf 1 januari 2017 zijn vervolgens nieuwe, opvolgende, Martinair-cao’s tot stand gekomen tussen Martinair en VNV door middel van zogenaamde protocollen. Deze protocollen bevatten ten opzichte van de voorgaande cao overeengekomen wijzigingen en bepalen dat de overige cao-bepalingen in stand worden gehouden.
Op 4 februari 2021 zijn VNV en Martinair het protocol ‘cao Martinair vliegers 2021’ overeengekomen, op grond waarvan een Martinair-cao met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 tot stand zou komen. Voorafgaand aan de totstandkoming van dit protocol heeft het bestuur van VNV goedkeuring gevraagd aan en verkregen van de Martinair-vliegervergadering.
In de Martinair-cao 2012-2013 en de daaropvolgende cao’s was in art. 1.15 de volgende definitie van ‘werknemer’ opgenomen:
“De vlieger als zodanig in dienst zijnde van werkgever, niet zijnde freelance kracht.”
VNV heeft tevens cao’s afgesloten met KLM, waaronder de ‘CAO voor KLM-vliegers op vleugelvliegtuigen’ (hierna: KLM-cao). In die cao is het begrip ‘vlieger’, dat het toepassingsbereik van de cao bepaalt, als volgt gedefinieerd:
“De vlieger op vleugelvliegtuigen, als zodanig in dienst van de KLM en tewerkgesteld bij de KLM of KLM Cityhopper.”
KLM is vanaf 31 december 2008 enig aandeelhouder van Martinair. In de loop van 2011 zijn de commerciële organisaties van MAC en AFKL Cargo volledig samengevoegd. Martinair heeft haar passagiersdivisie per 1 november 2011 opgeheven.
Met betrekking tot de gevolgen van de hiervoor omschreven ontwikkelingen voor de vliegers van Martinair is in september 2011 het zogenaamde Ringvaartakkoord (hierna: RVA) gesloten. In het RVA is door Martinair, KLM en VNV afgesproken dat alle vliegers van Martinair in de gelegenheid zouden worden gesteld om per (uiterlijk) 1 januari 2014 in dienst van KLM te treden. In het RVA was voorzien in afspraken omtrent onder meer de overstap, het (gedeeltelijk) behoud van senioriteit en een salarissuppletie.
Het RVA bevatte een regeling omtrent opzegging, die – kort gezegd – inhield dat volgens de partijen bij het RVA geen sprake was van overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en dat indien daarover door of namens een of meer werknemers van Martinair een rechtszaak aanhangig zou worden gemaakt, het RVA kon worden opgezegd.
In het voorjaar van 2013 is tussen enerzijds 116 oud-Martinair vrachtvliegers en anderzijds KLM en VNV geprocedeerd over de vraag of sprake was van overgang van onderneming als bedoeld in art. 7:662 e.v. BW van de onderneming MAC van Martinair naar KLM. Daarop heeft VNV op 31 oktober 2013 het RVA opgezegd tegen 31 december 2013. De geschillen tussen (een deel van) de vrachtvliegers en Martinair zijn in 2016 behandeld door de kantonrechters te Amsterdam, in 2018 door dit hof en in 2019 door de Hoge Raad.
Bij arrest (na verwijzing) van 8 juni 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1023) heeft het hof Den Haag – voor zover hier van belang – geoordeeld dat op 1 januari 2014 sprake is geweest van een overgang van de onderneming MAC van de vennootschap Martinair naar KLM (hierna: (het arrest van) het hof Den Haag). Het hof Den Haag heeft KLM onder meer veroordeeld om de vrachtvliegers binnen twintig dagen na betekening van het arrest een aanbod tot tewerkstelling te doen onder vermelding van de in art. 7:655 lid 1 sub a tot en met m BW genoemde gegevens. In het arrest is VNV veroordeeld “om de gevolgen van de toewijzing van de vordering jegens KLM te gehengen en te gedogen”.
Op 8 juni 2021 heeft VNV in een zogenaamde ‘Nieuwsflits’ geschreven, voor zover relevant:
“KLM zal de vrachtvliegers uiterlijk binnen zes maanden bij of ten behoeve van KLM te werk moeten stellen met behoud van de laatstelijk bij Martinair vervulde functie en het bestaande functieniveau. Het hof heeft verder geoordeeld dat de bij Martinair opgebouwde senioriteit van de vrachtvliegers niet overgaat naar KLM. De vrachtvliegers worden per door het hof vastgestelde datum van overgang van onderneming (1 januari 2014), dus hun datum van indiensttreding bij KLM, onderaan de senioriteitslijst van KLM geplaatst.”
Op 23 juni 2021 is het arrest aan KLM en VNV betekend, zodat KLM uiterlijk op 12 juli 2021 een aanbod tot tewerkstelling diende te doen.
Bij brief van 8 juli 2021 heeft KLM aan het bestuur van VNV, voor zover relevant, het volgende geschreven:
“Uit het arrest blijkt dat met ingang van 1 januari 2014 de uit de arbeidsovereenkomst tussen de Vrachtvliegers en Martinair voortvloeiende rechten en plichten zijn overgegaan op KLM. Tussen KLM en de VNV is overleg gevoerd over de situatie en daarbij zijn gezamenlijk de volgende constateringen gedaan:
(…)
Met betrekking tot de vraag welke cao er van toepassing is (een punt dat KLM van de rechter moet aangeven in de aanbiedingsbrief), is vastgesteld dat de cao voor KLM-vliegers op vleugelvliegtuigen niet van toepassing is op de Vrachtvliegers , aangezien daar als vlieger wordt aangemerkt (art. 1.19): “De vlieger op vleugelvliegtuigen, als zodanig in dienst van de KLM en tewerkgesteld bij de KLM of KLM Cityhopper.” Deze cao heeft geen betrekking op full freighter vliegtuigen en vrachtvliegers tewerkgesteld bij Martinair en/of op de uitvoering van de vrachtoperatie bij Martinair;
De cao voor vliegers Martinair Holland N.V. (hierna: “cao Martinair”) heeft betrekking op full freighter vliegtuigen, vrachtvliegers en de uitvoering van de vrachtoperatie bij Martinair en de bepalingen hiervan zijn vanaf de vastgestelde overgang van onderneming tot op heden van toepassing, geheel in lijn met de intentie van overgang van onderneming;
Aangezien de Vrachtvliegers van KLM krachtens het arrest een aanbod krijgen om ten behoeve van KLM tewerkgesteld te worden (dan wel te blijven) bij Martinair op de 747 full freighters zal hierop uitsluitend de cao Martinair van toepassing zijn, waarmee het behoud van arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden geregeld zal zijn;
Gelet op deze constateringen, dwingt het arrest tot het volgende:
(…)
KLM zal met ingang van 1 januari 2014 (de datum dat de Vrachtvliegers bij haar in dienst zijn gekomen) als partij toetreden tot de cao Martinair;
In art. 1.15 van de cao Martinair wordt met ingang van 1 januari 2014 aangegeven dat werknemer is: ‘de vlieger in dienst bij KLM of Martinair, tewerkgesteld bij Martinair Holland N.V., niet zijnde freelance kracht’.”
Bij brief van 8 juli 2021, die volgens VNV is verstuurd op 9 juli 2021, heeft VNV aan KLM – samengevat weergegeven – geschreven dat zij het eens is met de constateringen van KLM in haar brief van 8 juli 2021 en dat zij de werkwijze van KLM moet en zal accepteren, gelet op de in het [het hof leest:] arrest opgenomen veroordeling ‘te gehengen en gedogen’.
Op 9 juli 2021 heeft het dagelijks bestuur van VNV, in onderstaand citaat aangeduid met ‘DB’, het volgende besluit genomen (waarbij ‘OVO’ staat voor overgang van onderneming) (hierna: het besluit van 9 juli 2021):
“Besluit
Het DB heeft kennisgenomen van de werkwijze van KLM naar aanleiding van het OVO-arrest zoals uiteengezet in de brief van 8 juli 2021 (AMS/HA.21.027) en besluit zich niet tegen deze werkwijze te verzetten en zal meewerken aan de implementatie waar noodzakelijk.
Toelichting
(…)
Uit het arrest blijkt dat met ingang van 1 januari 2014 de uit de arbeidsovereenkomst tussen de vrachtvliegers en Martinair voortvloeiende rechten en plichten ̶ beschreven in de Martinair cao ̶ zijn overgegaan op KLM. Daarmee is KLM effectief per 1-1-2014 partij geworden in de Martinair cao. KLM omschrijft dit in haar brief en hoe ze hiermee wenst om te gaan. Op grond van het [het hof leest:] arrest dient de VNV de gevolgen van de uitspraak te gehengen en gedogen. Daarmee is de VNV eraan gehouden om, zoals KLM in haar brief motiveert, ook KLM als partij in de Martinair-cao te accepteren en meewerken aan de implementatie waar noodzakelijk. De opname van KLM als werkgever in de Martinair-cao volgt van rechtswege en mocht VNV hierover toch beslissingsbevoegd blijken, dan passen we op dit punt art 23.3 statuten toe.
Hierbij valt te constateren dat deze werkwijze aan alle de Martinair-vliegers zekerheid biedt, voortzetting van hun (oorspronkelijke) tewerkstelling, functie en beloningspakket. Hiermee wordt voldaan aan het arrest en de bedoeling van ovo-regelgeving. Daarnaast worden andere door de VNV vertegenwoordigde groepen hierdoor niet onevenredig (negatief) geraakt. (…)”
Op 12 juli 2021 heeft KLM de oud-Martinair vrachtvliegers een aanbod gedaan als bedoeld in de uitspraak van het hof Den Haag. In dat aanbod staat onder meer dat de vrachtvlieger in dienst is bij KLM en vanaf 1 januari 2022 tewerkgesteld wordt bij Martinair Holland N.V. met behoud van de laatstelijk bij Martinair vervulde functie en functieniveau. In de brief staat dat de Martinair-cao en pensioenregeling van toepassing zijn. In de brief staat verder vermeld dat bij aanvaarding van het aanbod eventuele door Martinair betaalde ontslagvergoedingen als onverschuldigd terugbetaald dienen te worden. KLM heeft zich in de brief het recht voorbehouden om cassatie in te stellen tegen het arrest van het hof Den Haag. Als het arrest van het hof Den Haag als gevolg daarvan geheel of gedeeltelijk komt te vervallen heeft KLM het recht het aanbod met terugwerkende kracht te laten vervallen of aan te passen, zo heeft KLM de vrachtvliegers geschreven.
Op 12 juli 2021 heeft VNV in een zogenaamde ‘Airmail extra’ geschreven, voor zover relevant:
“KLM biedt een voortzetting van de tewerkstelling aan bij Martinair op de full freighter, vanuit een dienstverband bij KLM. Een deel van de vliegers is momenteel reeds actief in deze functie en voor een ander deel maakt dit terugkeer in hun oude functie mogelijk. De op de full freight toepasselijke arbeidsvoorwaarden zet KLM ongewijzigd voort. Dat is effectief ook in de afgelopen zeven jaar sinds de (met terugwerkende kracht) vastgestelde OvO gebeurd. Dat betekent dat de Martinair-cao toegepast blijft op de full freighter operatie bij Martinair, en dat KLM partij is geworden in de Martinair vlieger-cao.
Volgens het [het hof leest:] arrest dient de VNV de gevolgen van de uitspraak te gehengen en gedogen. De implementatie hiervan is passend voor onze leden en in lijn met het uitgangspunt van OvO waarbij arbeidsvoorwaarden bij de nieuwe werkgever worden voortgezet. Daarom zal de VNV bovenstaande moeten accepteren en heeft het bestuur dit aan KLM en Martinair bevestigd. In de komende tijd zullen wij met KLM en Martinair spreken over het vervolg hiervan want er zijn nog diverse zaken te regelen voor de Martinair collega’s.”
Op 13 juli 2021 is een Martinair-cao, met een looptijd van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021, aangemeld bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarbij ook KLM partij is. De definitie van ‘werknemer’ in de Martinair-cao (art. 1.15) is daarbij als volgt gewijzigd:
“De vlieger in dienst bij KLM of Martinair en tewerkgesteld bij Martinair Holland N.V., niet zijnde freelance kracht.”
KLM is vervolgens met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 als partij toegetreden tot alle sedertdien bestaan hebbende Martinair-cao’s. Per die datum is tevens de in art. 1.15 van de Martinair-cao’s opgenomen definitie van ‘werknemer’ in voormelde zin gewijzigd.
Op 19 augustus 2021 heeft de Stichting MAC Vliegers (hierna: SMV), die de belangen behartigt van verschillende oud-Martinair vrachtvliegers , een kort geding procedure aanhangig gemaakt tegen KLM en VNV waarin zij onder meer vernietiging van de aanpassing van de Martinair-cao en salarisbetaling voor de vrachtvliegers vanaf 1 januari 2014 heeft gevorderd. Daarnaast was onderwerp van geschil de vraag of KLM met haar aanbod tot tewerkstelling voldeed aan de veroordelingen uit het arrest van het hof Den Haag. Bij vonnis van 28 oktober 2021 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland de vorderingen van SMV afgewezen (ECLI:NL:RBNHO:2021:9524).
Gelijktijdig met het aanhangig maken van de procedure die tot het bestreden vonnis heeft geleid, hebben diverse oud-Martinair vrachtvliegers , waaronder [appellanten] ., KLM en VNV gedagvaard. Op 11 januari 2024 heeft de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2024:81) onder meer en kort gezegd voor recht verklaard dat de vrachtvliegers met ingang van 1 januari 2014 vallen onder de werking van de Martinair-cao en de pensioenregeling van Martinair, en dat de anciënniteit van de vrachtvliegers behouden blijft voor zover deze betrekking heeft op de ontslagvolgorde bij een eventuele reorganisatie. De vrachtvliegers hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof doet in deze zaken (met zaaknummers 200.343.062/01, 200.343.064/01, 200.343.752/01, 200.344.286/01 en 200.344.457/01) ook vandaag uitspraak.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellanten] . hebben in eerste aanleg – samengevat – gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair, nietig verklaart de besluiten:
tot het aangaan van de Martinair-cao 2021 (in afwijking van het kort daarvoor overeengekomen protocol);
tot toelating van KLM met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 bij de reeds beëindigde Martinair-cao’s, onder gelijktijdige aanpassing van onder andere de werkingssfeerbepaling van die (reeds beëindigde) cao’s;
II. subsidiair: de hiervoor onder I genoemde besluiten vernietigt;
III. meer subsidiair: voor recht verklaart dat VNV misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid door uitvoering te (doen) geven aan de onder I genoemde besluiten;
met veroordeling van VNV in de proceskosten.
VNV heeft verweer gevoerd en – samengevat – geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellanten] .
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] . afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten. Hiertoe heeft de rechtbank – samengevat weergegeven – geoordeeld dat het beroep van VNV op art. 23.3 van de statuten slaagt omdat sprake was van een ‘bijzonder geval’ in de zin van die bepaling. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer en kort gezegd overwogen dat vaststaat dat geen sprake was van reguliere cao-onderhandelingen, dat het besluit van VNV een direct gevolg was van het arrest van het hof Den Haag, omdat de Martinair-cao’s waren gesloten door Martinair, terwijl vanaf 1 januari 2014 KLM de werkgever was. VNV voelde zich door het arrest van het hof Den Haag gedwongen het besluit van 9 juli 2021 te nemen en met het besluit zijn inhoudelijk geen wijzingen aangebracht in de Martinair-cao’s. Bij de besluitvorming van 9 juli 2021 speelde een tijdsfactor. Bij het oordeel dat sprake was van een bijzonder geval in de zin van art. 23.3 speelt volgens de rechtbank ook een rol dat door de gevolgen van het arrest onzekerheid bestond over de vraag aan wie het bestuur goedkeuring moest vragen. De rechtbank heeft verder overwogen dat zij [appellanten] . niet volgt in hun stelling dat art. 23.3 van de statuten alleen de bevoegdheid geeft om tijdelijk van de cao af te wijken. VNV heeft voldoende duidelijk mededeling gedaan van het besluit van 9 juli 2021 aan haar leden in de Airmail Extra en het beroep van [appellanten] . op art. 34.2 van de statuten gaat eveneens niet op, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 juli 2021 tot medewerking aan de implementatie van het besluit van KLM van 8 juli 2021, in deze zin een uitvoering is van het arrest van het hof Den Haag, zodat het besluit niet is genomen met geen ander doel dan de oud-Martinair vrachtvliegers te benadelen, zoals [appellanten] . hebben betoogd. Dat betekent voorts dat van strijd met de goede zeden, strijd met de redelijkheid en billijkheid en misbruik van bevoegdheid niet is gebleken. [appellanten] . zijn door de rechtbank veroordeeld in de proceskosten.
5. Procedure in hoger beroep
Tegen de afwijzing van de vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen [appellanten] . in hoger beroep op met tien grieven, die ertoe strekken dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen en hun vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van VNV in de kosten van de procedure.
VNV heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellanten] . – naar het hof begrijpt – in de kosten van het geding in hoger beroep.
6. Beoordeling
Het hoger beroep heeft hoofdzakelijk betrekking op de rechtsgeldigheid van het besluit van 9 juli 2021, waarmee VNV KLM als werkgever heeft toegelaten tot (i) de Martinair-cao 2021 en (ii) de voorgaande (geëxpireerde) Martinair-cao’s met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014, waarbij de werkingssfeerbepaling is verruimd door aanpassen van de definitie ‘werknemer’, zodat ook vliegers die in dienst zijn bij KLM en zijn tewerkgesteld bij Martinair daaronder vallen. Het hof zal de vorderingen en gronden waarop deze zijn gebaseerd hierna per onderwerp gezamenlijk behandelen.
Is het besluit in strijd met wettelijke of statutaire totstandkomingsvereisten?
[appellanten] . komen met grieven 2 tot en met 6 op tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van VNV op art. 23.3 van de statuten slaagt. [appellanten] . voeren daartoe – samengevat weergegeven – aan dat in deze zaak geen sprake is van een bijzonder geval dat meebrengt dat het bestuur van VNV mocht besluiten zonder voorafgaande goedkeuring van de Martinair-vliegervergadering. Het beroep van VNV op deze bepaling is een bevrijdend verweer, zodat op VNV de stelplicht en de bewijslast ter zake rust. Volgens [appellanten] . is VNV hierin niet geslaagd. Daarbij geldt dat een bepaling in de statuten die meebrengt dat de leden juist niet moeten worden betrokken bij belangrijke caobeslissingen, met uiterste terughoudendheid moet worden benaderd, hetgeen de rechtbank niet heeft gedaan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat vaststaat dat bij de besluitvorming een tijdfactor speelde. Daarbij geldt dat zelfs al zou VNV in tijdnood zijn geweest, dat nog geen beroep op art. 23.3 van de statuten rechtvaardigt, omdat er geen reden was om op korte termijn een Martinair-cao met KLM te sluiten. KLM had een tewerkstellingsaanbod kunnen doen met verwijzing naar de Martinair-cao; het was niet nodig om een nieuwe Martinair-cao te sluiten met zeven jaar terugwerkende kracht, met toetreding van KLM en om daaraan een standaardkarakter toe te kennen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat onzekerheid bestond over de vraag aan wie het bestuur goedkeuring moest vragen. [appellanten] . betwisten dat de Martinair-vliegervergadering vanwege de vastgestelde overgang van onderneming met ingang van 1 januari 2014 (automatisch) is opgehouden te bestaan; er zijn in de periode na het arrest van het hof Den Haag nog zeker twee vergaderingen van het bestuur van de Martinair-vliegervergadering geweest. De voorzitter van de Martinair-vliegervergadering, [X] (hierna: [X] ), bevestigt in zijn verklaringen dat hij het niet eens was met toetreding van KLM tot de Martinair-cao’s en zeker niet met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014.
Ook in het geval VNV wel formeel bevoegd zou zijn geweest om art. 23.3 van de statuten toe te passen, dan verhoudt dit zich op geen enkele manier met het oordeel van het hof Den Haag om de tewerkstelling van de oud-Martinair vrachtvliegers ‘te gehengen en gedogen’. Dit oordeel impliceert dat VNV pas op de plaats moest maken en zich passief moest opstellen. In plaats daarvan heeft VNV een actieve houding aangenomen en besluiten genomen zonder de Martinairvliegervergadering te raadplegen met (voorzienbare) negatieve gevolgen voor de oud-Martinair vrachtvliegers . [appellanten] . stellen dat KLM de vrachtvliegers door toetreding tot de Martinair-cao uit de KLM-cao heeft geweerd, terwijl de KLM-cao vanaf 1 januari 2014 toegepast had moeten worden. [appellanten] . stellen verder dat geen mededeling is gedaan aan de Martinair-vliegervergadering door VNV en dat medewerking van de voorzitter van de Martinair-vliegervergadering ontbreekt. Omdat art. 23.3 van de statuten toepassing mist, is het besluit van VNV in strijd met de wettelijke en/of statutaire totstandkomingsvereisten. De rechtbank heeft aldus ten onrechte geoordeeld dat het beroep van VNV op art. 23.3 van de statuten slaagt en heeft miskend dat de besluiten nietig zijn op grond van art. 2:14 lid 2 BW, en (voor zover nodig subsidiair) vernietigbaar zijn, aldus nog steeds [appellanten] . VNV heeft verweer gevoerd.
Het hof stelt voorop dat op grond van art. 2:14 lid 1 BW een besluit nietig is indien het in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Daarvan kan onder meer sprake zijn indien het besluit naar inhoud of strekking strijdig is met de wet of de statuten, is genomen door een daartoe onbevoegd orgaan, of is genomen zonder een door de wet of statuten voorgeschreven voorafgaande handeling van of mededeling aan een ander dan het orgaan dat het besluit heeft genomen.
Art. 2:15 lid 1 BW ziet op de vernietigbaarheid van besluiten en bepaalt dat een besluit vernietigbaar is wegens strijd met (onder meer) a) wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen, b) de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW wordt geëist, of c) een reglement.
Bij de beoordeling van de vraag of een besluit nietig dan wel vernietigbaar is, komt het aan op de omstandigheden waaronder het besluit is genomen en die tot het besluit hebben geleid. Omstandigheden van na de totstandkoming zijn daarbij in beginsel niet van belang.
Op grond van art. 23.2 van de statuten geldt als uitgangspunt dat voor besluiten van het bestuur van VNV betreffende (onder meer) het aangaan of wijzigen van cao’s, arbeidsovereenkomsten en/of regelingen en overeenkomsten die onderwerpen bevatten die in een cao of arbeidsovereenkomst thuishoren dan wel met de aanvang of beëindiging daarvan samenhangen, voorafgaande toestemming is vereist van de betreffende afdelingsraad dan wel vliegervergadering (zie 3.5). Tussen partijen is niet in geschil dat sinds 2015 geen Martinairafdelingsraad meer bestaat, zodat hierna uitsluitend zal worden gesproken van de Martinairvliegervergadering (zie 3.6). Art. 23.3 van de statuten biedt het bestuur van VNV de mogelijkheid om in bijzondere gevallen besluiten te nemen zonder voorafgaande toestemming van de Martinair-vliegervergadering. Deze bepaling vormt aldus een uitzondering op de reguliere besluitvormingsprocedure. Voor toepassing daarvan is vereist dat zich omstandigheden voordoen die kwalificeren als een ‘bijzonder geval’.
[appellanten] . betogen allereerst dat het beroep van VNV op art. 23.3 van de statuten heeft te gelden als een bevrijdend verweer, zodat op VNV de stelplicht en bewijslast rust ter zake van de stelling dat sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van de hoofdregel rechtvaardigt. VNV heeft dit bestreden en aangevoerd dat sprake is van een (zuivere) betwisting van de door [appellanten] . gestelde strijd met de statuten. Het hof kan in het midden laten hoe het beroep op art. 23.3 bewijsrechtelijk moet worden gekwalificeerd. Ook indien wordt uitgegaan van het standpunt van [appellanten] . ter zake, lag het op de weg van VNV (voldoende) concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt dat een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten zich voordeed. Anders dan [appellanten] . betogen, is het hof van oordeel dat VNV daaraan heeft voldaan. Het hof licht dit hierna toe.
Uitleg statuten
Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten, komt het aan op de uitleg van de statuten. Als uitgangspunt geldt dat statuten, die naar hun aard zijn bestemd om de rechtspositie van derden te beïnvloeden, in beginsel naar objectieve maatstaven moeten worden uitgelegd. Daarbij komt betekenis toe aan hetgeen redelijk oordelende mensen onder de bewoordingen van de statuten mogen verstaan, bezien in de context waarin die bewoordingen zijn gebruikt en gelet op de inrichting van de rechtspersoon zoals die uit de wet en de statuten blijkt. Dat betekent dat het begrip ‘bijzondere gevallen’ niet extensief moet worden uitgelegd.
Evenals de rechtbank overweegt het hof dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een bijzonder geval moet worden betrokken dat de (inspraak)bevoegdheden van de vliegervergadering de kern raken van een vakbond als VNV. Dat betekent evenwel niet dat, zoals [appellanten] . betogen, de (inspraak)bevoegdheden van de leden in alle gevallen doorslaggevend zijn in die zin dat het bestuur altijd eerst de leden dient te raadplegen en zich daarbij altijd naar de uitkomst van die raadpleging heeft te richten. Weliswaar brengt de bijzondere positie van een vakbond mee dat het bevragen van de belangen van de eigen leden van (grote) betekenis is, maar dat laat onverlet dat de statuten in dit geval uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid dat het bestuur van VNV in bijzondere gevallen besluiten omtrent cao’s neemt zonder voorafgaande instemming van de vliegervergadering.
Het voorgaande in acht nemende is het hof van oordeel dat het besluit van 9 juli 2021 een bijzonder geval betrof als bedoeld in art. 23.3 van de statuten. Het hof acht daarbij de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang.
Allereerst staat vast dat geen sprake was van reguliere cao-onderhandelingen over de materiële inhoud van de in de cao vastgelegde rechten en plichten. Het besluit had immers uitsluitend betrekking op het wegnemen van onzekerheid over de werkingssfeer van de cao op de arbeidsovereenkomsten die de vrachtvliegers al sinds geruime tijd met KLM bleken te hebben (in plaats van met Martinair, de oorspronkelijke contractspartij van VNV). KLM was na het arrest van het hof Den Haag van 8 juni 2021 met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 werkgever geworden van de oud-Martinair vrachtvliegers . Na het arrest diende KLM hen binnen twintig dagen een aanbod tot tewerkstelling te doen, waarbij zij op grond van haar veroordeling tevens diende te vermelden welke cao op de arbeidsovereenkomsten met de vrachtvliegers van toepassing was. Daarmee staat, anders dan [appellanten] . betogen, naar het oordeel van het hof vast dat een urgentie opleverende tijdsfactor in het besluitvormingsproces wel degelijk een rol speelde.
Het hof acht voorts van belang dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, met het besluit van 9 juli 2021 geen inhoudelijke wijzigingen zijn aangebracht in de (arbeidsvoorwaarden van de) Martinair-cao’s. Het besluit strekte juist tot behoud van de toepasselijkheid van de bestaande arbeidsvoorwaarden, en niet tot een inhoudelijke wijziging daarvan. In de andere zaken waarin vandaag arrest wordt gewezen (met zaaknummers 200.343.062/01, 200.343.064/01, 200.343.752/01, 200.344.286/01 en 200.344.457/01) oordeelt dit hof dat de vrachtvliegers niet onder de werkingssfeerbepaling van de KLM-cao vallen, zodat de stelling van [appellanten] . dat KLM de vrachtvliegers door toetreding tot de Martinair-cao uit de KLM-cao heeft geweerd, terwijl de KLM-cao vanaf 1 januari 2014 toegepast had moeten worden, onjuist is bevonden. Anders dan [appellanten] . aanvoeren, is aan de Martinair-cao 2021 niet eerst bij die gelegenheid een standaardkarakter toegekend; dat standaardkarakter was er daarvoor al.
Daarnaast volgt het hof [appellanten] . niet in hun standpunt dat er geen (arbeidsrechtelijke) noodzaak bestond voor VNV om met KLM (op korte termijn) een Martinair-cao te sluiten en haar met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 toe te laten tot de reeds geëxpireerde Martinair-cao’s. Weliswaar is juist dat KLM de betreffende Martinair-cao(’s) ook vrijwillig had kunnen toepassen en dat VNV daarop had kunnen wachten, maar die mogelijkheid alleen bood, zonder een akkoord daarover, geen garantie voor het behoud van de uit de cao voortvloeiende arbeidsvoorwaarden. Gelet op de veroordeling om een aanbod tot tewerkstelling te doen en daarbij te vermelden welke cao van toepassing was, ontstond een bijzondere situatie waarbij KLM en VNV meenden dat de KLM-cao toepassing miste, terwijl KLM tegelijkertijd met terugwerkende kracht per 1 januari 2014 werkgever van de oud-Martinair vrachtvliegers was geworden. Daardoor kon rechtsonzekerheid ontstaan over het antwoord op de vraag welke collectieve arbeidsvoorwaarden op de vrachtvliegers van toepassing waren.
Met het besluit van 9 juli 2021 heeft VNV getracht te bewerkstelligen dat rechtsonzekerheid voor de vrachtvliegers juist werd weggenomen omdat de Martinair-cao’s op hen van toepassing bleven, ook na de door het hof Den Haag vastgestelde overgang van onderneming. Het hof volgt VNV in haar standpunt dat ‘niets doen’ van VNV, inhoudende dat KLM niet tot de Martinair-cao’s zou worden toegelaten, tot een onwenselijke situatie had kunnen leiden. Het zou immers kunnen leiden tot de situatie waarin de Martinair-cao geen rechtskracht meer had, omdat deze – zo bleek na de (achteraf) vastgestelde overgang van onderneming – was gesloten met een partij die niet de werkgever van de vrachtvliegers was. Een mogelijk gevolg daarvan is dat (een deel van) de vrachtvliegers geen rechten meer konden ontlenen aan de na 1 januari 2014 overeengekomen gunstigere bepalingen uit de Martinair-cao, of zelfs gehouden zou kunnen zijn tot restitutie, gelet op het standaardkarakter van de cao. Dat dit potentiële risico zich in de praktijk mogelijk niet zou hebben verwezenlijkt, is een standpunt dat ten tijde van de besluitvorming niet (met zekerheid) kon worden ingenomen en bovendien slechts achteraf kan worden beoordeeld. Dat VNV dit risico, zoals zij heeft aangevoerd, niet heeft willen lopen, acht het hof navolgbaar. Al met al leidt het voorgaande het hof tot het oordeel dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten.
Bij zijn oordeel acht het hof voorts van belang dat, in navolging van de rechtbank en zoals VNV heeft aangevoerd, onzekerheid bestond over het antwoord op de vraag aan wie het bestuur van VNV voorafgaande goedkeuring moest vragen. Het hof overweegt in dat verband als volgt.
Bij een vliegervergadering is sprake van een directe vertegenwoordiging. Art. 47.1 van de statuten bepaalt dat de leden van een vliegervergadering ‘in dienst zijn van’ een (erkend commercieel) burgerluchtvaartbedrijf (zie 3.5). VNV heeft gesteld dat haar afdelingen zijn ingericht per luchtvaartmaatschappij die werkgever is en heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat daarbij het bestaan van een arbeidsovereenkomst met de betreffende luchtvaartmaatschappij doorslaggevend is. Vaststaat dat de vrachtvliegers als gevolg van de door het hof Den Haag vastgestelde overgang van onderneming per 1 januari 2014 niet langer een arbeidsovereenkomst hadden met Martinair, maar met KLM. Daarmee is, anders dan [appellanten] . betogen, de Martinair-vliegervergadering vanaf dat moment formeel opgehouden te bestaan, omdat voor deelname aan die vliegervergadering juist een arbeidsovereenkomst met Martinair was vereist. Onder die omstandigheden acht het hof navolgbaar dat bij het VNV-bestuur onzekerheid bestond over het antwoord op de vraag aan wie goedkeuring gevraagd moest worden. Art. 23.3 van de statuten biedt immers niet de mogelijkheid om een niet (meer) bestaande vliegervergadering alsnog bijeen te roepen. De oud-Martinair vrachtvliegers zijn vanaf de vastgestelde overgang van onderneming binnen VNV automatisch overgegaan naar de KLMafdeling en bijbehorende ledenraad. Zoals VNV ter zitting in hoger beroep heeft toegelicht, lag het niet voor de hand om de KLMledenraad te raadplegen, omdat daarin (nog) geen vrachtvliegers zitting hadden en niet valt in te zien hoe daarmee de belangen van de vrachtvliegers zouden zijn gediend. Voor zover [appellanten] . aanvoeren dat op 21 juni en 19 juli 2021 nog een Martinair-vliegervergadering heeft plaatsgevonden, is dit door VNV gemotiveerd betwist. VNV heeft toegelicht dat in die periode meerdere (online) informatiebijeenkomsten met groepen oud-Martinair vrachtvliegers hebben plaatsgevonden, maar dat deze niet kunnen worden aangemerkt als bijeenkomsten van de Martinair-vliegervergadering. Hiervoor gelden immers formele vereisten ten aanzien van (onder meer) oproeping, agenda, voorzitterschap en vastlegging. [appellanten] . hebben deze toelichting onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat het hof aan hun stelling voorbijgaat.
Voor zover [appellanten] . stellen dat de (voormalig) voorzitter van de Martinair-vliegervergadering, [X] , had kunnen worden geraadpleegd heeft het volgende te gelden. Indien sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten – zoals het hof heeft aangenomen – kan het bestuur zonder voorafgaande instemming van de vliegervergadering besluiten nemen. De statuten bepalen niet dat in dat geval (alsnog) de voorzitter afzonderlijk moet worden geraadpleegd of dat instemming via hem kan verlopen. Bovendien moet ook worden aangenomen dat met het ophouden te bestaan van de vliegervergadering ook de functie van de (voormalig) voorzitter daarvan was komen te vervallen. Ook de stelling van [appellanten] . dat de vrachtvliegers individueel hadden kunnen worden benaderd, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten of daarvoor in de gegeven omstandigheden voldoende tijd bestond, schrijven de statuten een dergelijke handelwijze niet voor, zodat de vrachtvliegers daar geen aanspraak op kunnen maken.
[appellanten] . betogen verder dat, ook indien een beroep op art. 23.3 van de statuten gerechtvaardigd zou zijn geweest, het besluit van VNV zich niet verdraagt met de veroordeling uit het arrest van het hof Den Haag dat VNV de gevolgen van de overgang van onderneming diende te ‘gehengen en gedogen’. Volgens [appellanten] . impliceerde die veroordeling dat VNV zich passief had moeten opstellen en geen actieve rol had mogen innemen. Hierin volgt het hof [appellanten] . niet. Het hof leidt uit het arrest van het Hof Den Haag af dat VNV de gevolgen van de vastgestelde overgang van onderneming niet mocht frustreren of tegenwerken. Uit die veroordeling volgt niet dat VNV was gehouden zich van iedere vorm van handelen of besluitvorming te onthouden. Met haar besluit van 9 juli 2021 heeft VNV KLM in staat gesteld te voldoen aan de veroordelingen uit het arrest van het hof Den Haag, waarbij werd gewaarborgd dat de uit de arbeidsovereenkomsten met Martinair voortvloeiende rechten en verplichtingen van toepassing bleven. De handelwijze van VNV paste daarom in de lijn van het arrest. Ook dit betoog van [appellanten] . slaagt dus niet.
Uitleg ‘afwijken van overeenkomsten’
[appellanten] . betogen verder dat de term ‘afwijken’ in art. 23.3 van de statuten uitsluitend ziet op het afwijken van de in art. 23.2 onder (a) genoemde regelingen en overeenkomsten en niet op het afwijken van de in art. 23.2 neergelegde verplichting tot voorafgaande goedkeuring van de vliegervergadering. In art. 23.3 van de statuten is het volgende opgenomen:
“Voor zover niet anders is bepaald, is het bestuur bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van alle in artikel 23.2 (a) opgesomde regelingen en overeenkomsten, onder de verplichting daarvan zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan de betreffende afdelingsledenraad dan wel vliegervergadering. (…)”.
Het hof volgt de door [appellanten] . gestelde uitleg niet. Noch uit de tekst noch uit de systematiek van de statuten volgt dat art. 23.3 uitsluitend ziet op een inhoudelijke afwijking van de in art. 23.2 onder (a) genoemde regelingen en overeenkomsten. Art. 23.2 bevat immers de hoofdregel voor besluitvorming voor het aangaan en wijzigen van onder meer cao’s, terwijl art. 23.3 daarop een uitzondering vormt door het bestuur in bijzondere gevallen de bevoegdheid te geven daarvan af te wijken. Die afwijkingsbevoegdheid kan redelijkerwijs niet worden opgevat dat zij uitsluitend betrekking heeft op de inhoud van de betreffende regelingen, maar ziet (ook) op de wijze waarop besluiten daarover tot stand komen. Indien de vereiste voorafgaande goedkeuring in bijzondere gevallen onverkort zou blijven gelden, zoals [appellanten] . betogen, zou de uitzonderingsbepaling in de praktijk weinig tot geen betekenis hebben. Daarbij weegt mee dat art. 23.3 tevens een mededelingsplicht bevat om van een besluit dat tot stand is gekomen onder toepassing van deze uitzonderingsmogelijkheid, zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan de betreffende afdelingsraad dan wel vliegervergadering. Dat bevestigt dat de uitzonderingsbepaling juist ziet op besluiten die normaal gesproken aan de vereiste voorafgaande goedkeuring zijn onderworpen, maar in bijzondere gevallen dus niet.
Het hof volgt [appellanten] . evenmin in hun betoog dat art. 23.3 uitsluitend toestaat om af te wijken van ‘overeenkomsten en regelingen’, en daarom niet kan worden toegepast op het aangaan van cao’s. VNV heeft terecht aangevoerd dat art. 23.3 van de statuten verwijst naar ‘alle’ in art. 23.3 (a) opgesomde regelingen en overeenkomsten. Tot die opsomming behoort (ook) “het aangaan of wijzigen van cao’s (…)” (zie 3.5). Het feit dat KLM als partij tot de Martinair-cao(‘s) is toegetreden betekent niet dat daarmee automatisch een nieuwe cao tot stand is gekomen (c.q. is aangegaan). Daarvoor is in beginsel vereist dat tussen caopartijen een zelfstandige collectieve overeenkomst wordt gesloten die naar inhoud en strekking als nieuwe cao moet worden aangemerkt. Het besluit van VNV van 9 juli 2021 strekte ertoe de Martinair-cao van toepassing te laten blijven in een gewijzigde werkgeverssituatie als gevolg van de overgang van onderneming. Daarbij is weliswaar de definitie van ‘werknemer’ in art. 1.15 van de Martinair-cao aangepast, maar die aanpassing vloeit logischerwijze voort uit de aansluiting van KLM, waarbij de in de cao opgenomen arbeidsvoorwaarden inhoudelijk ongewijzigd zijn gebleven. Onder die omstandigheden kan de toetreding van KLM als partij bij de Martinair-cao(’s) veeleer worden aangemerkt als een voortzetting van de bestaande caoverhouding en cao-bepalingen. Dat deze toetreding gevolgen heeft voor de kring van cao-partijen (aan werkgeverszijde) en voor de omschrijving van de reikwijdte van de cao, maakt dit niet anders. De gewijzigde omschrijving van de reikwijdte heeft ook geen andere arbeidsovereenkomsten onder de cao gebracht dan bij het sluiten ervan beoogd was. Het betreft slechts een aanpassing aan ‘gewijzigde omstandigheden’. Dergelijke wijzigingen kunnen zich ook voordoen binnen het kader van een bestaande cao zonder dat daarmee sprake hoeft te zijn van een nieuwe cao in de zin van de Wet CAO.
Mededeling aan vliegervergadering
Bij gebruikmaking van de uitzonderingsbevoegdheid uit art. 23.3 van de statuten geldt dat dit dient te gebeuren “(…) onder de verplichting daarvan zo spoedig mogelijk mededeling te doen aan de betreffende afdelingsledenraad dan wel vliegervergadering. (…)”. [appellanten] . bestrijden het oordeel van de rechtbank dat VNV aan deze mededelingsplicht heeft voldaan met de zogenaamde ‘Airmail Extra’ van 12 juli 2021 (zie 3.22), waarin staat vermeld:
“(…) De op de full freight toepasselijke arbeidsvoorwaarden zet KLM ongewijzigd voort. Dat is effectief ook in de afgelopen zeven jaar sinds de (met terugwerkende kracht) vastgestelde OvO gebeurd. Dat betekent dat de Martinair cao toegepast blijft op de full freighter operatie bij Martinair, en dat KLM partij is geworden in de Martinair vlieger-Cao. (…)”.
Het hof stelt voorop dat art. 23.3 van de statuten niet voorschrijft op welke wijze of in welke bewoordingen de vereiste mededeling dient plaats te vinden; de bepaling schrijft uitsluitend voor dat van het besluit ‘zo spoedig mogelijk mededeling’ wordt gedaan. Uit de tekst van de statuten volgt niet dat die mededeling een formeel karakter van een besluit moet dragen, als zodanig moet zijn aangeduid of een expliciete verwijzing naar art. 23.3 van de statuten moet bevatten.
Dat in de ‘Airmail Extra’ niet expliciet het woord ‘besluit’ is gebruikt, betekent in het licht van het voorgaande niet dat geen sprake is van een mededeling van een besluit in de zin van art. 23.3 van de statuten. Het hof acht doorslaggevend of uit de inhoud van het bericht voor de geadresseerden daarvan voldoende kenbaar was welk besluit was genomen en wat daarvan de gevolgen waren. Naar het oordeel van het hof is daarvan sprake. Uit het hiervoor geciteerde gedeelte van de ‘Airmail Extra’ van 12 juli 2021 volgt immers zowel de inhoud als de strekking van het genomen besluit, namelijk dat de Martinair-cao op de vrachtvliegers van toepassing blijft en dat KLM partij is geworden bij die cao, terwijl, zoals voor de vrachtvliegers kenbaar was of moest zijn, dat vóór die tijd niet het geval was. Dat in de mededeling niet expliciet is vermeld dat art. 23.3 van de statuten is toegepast, maakt het voorgaande niet anders. Voor de rechtsgeldigheid van de besluitvorming is niet vereist dat in een dergelijke mededeling uitdrukkelijk wordt verwezen naar de statutaire grondslag van het besluit. Het hof volgt [appellanten] . dan ook niet in hun betoog dat uit het woord ‘daarvan’ in art. 23.3 van de statuten volgt dat de mededelingsplicht ziet op het expliciet vermelden van het gebruik van de uitzonderingsbevoegdheid. De tekst van die bepaling biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten, zodat het hof uitgaat dat het woord ‘daarvan’ betrekking heeft op het genomen besluit en de inhoud daarvan. Het hof neemt verder in aanmerking dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, het voor de oud-Martinair vrachtvliegers duidelijk moet zijn geweest dat er geen voorafgaande goedkeuring van de Martinair-vliegervergadering was gevraagd en verkregen, omdat zij zelf – als directe vertegenwoordiging – niet waren opgeroepen en geraadpleegd. Gelet op het voorgaande overweegt het hof, evenals de rechtbank, dat VNV met de ‘Airmail Extra’ van 12 juli 2021 heeft voldaan aan de mededelingsplicht uit art. 23.3 van de statuten.
Voor zover [appellanten] . betogen dat de mededeling onvolledig was, overweegt het hof dat het gestelde gebrek aan uitvoerigheid noch de gestelde ontoereikendheid van de gegeven toelichting ertoe leidt dat sprake is van strijd met de statuten of van een zodanig gebrek in de besluitvorming dat dit leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van het besluit. De tekst had mogelijk uitvoeriger gekund, maar bevat voldoende feitelijke informatie om te kunnen vaststellen dat het bestuur daarmee aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan. In dat verband weegt het hof tevens mee dat, zoals hiervoor onder 6.13 is overwogen, de Martinairvliegervergadering vanaf het moment van de vastgestelde overgang van onderneming was opgehouden te bestaan. Tegen die achtergrond bestond ook hier onzekerheid aan wie de mededeling formeel moest worden gedaan. Dat VNV in dat verband heeft gekozen voor een ‘Airmail Extra’ aan haar leden, acht het hof onder die omstandigheden navolgbaar.
[appellanten] . hebben nog gewezen op een tweetal verklaringen van [X] , waarin staat dat voor de vrachtvliegers op dat moment niet duidelijk was dat VNV onder gebruikmaking van art. 23.3 van de statuten had besloten om de Martinair-cao met KLM als partij aan te gaan. Het hof overweegt dat de (subjectieve) beleving van leden of van [X] niet beslissend is voor het antwoord op de vraag of aan de statutaire mededelingsplicht is voldaan, zodat het hof aan die verklaringen voorbijgaat.
Medewerking van de voorzitter van de vliegervergadering
[appellanten] . stellen zich ook nog op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten vast te stellen dat de medewerking van de voorzitter van de algemene vergadering heeft ontbroken, hetgeen wel is vereist op grond van art. 34.2 van de statuten (zie 3.5). Art. 34.2 van de statuten bepaalt:
“In de gevallen als bedoeld in artikel 23 moet van de daar vereiste goedkeuring tegenover derden blijken door de medewerking van de voorzitter van de algemene vergadering respectievelijk de voorzitter(s) van de betreffende afdelingsledenra(a)d(en) respectievelijk de voorzitter(s) van de betreffende vliegervergadering(en).”
Uit de systematiek van de statuten volgt dat art. 34.2 is gekoppeld aan situaties waarin een voorafgaande goedkeuring van afdelingsraad of vliegervergadering is vereist. Die bepaling strekt ertoe die goedkeuring extern te kunnen doen blijken. In het onderhavige geval heeft het hof echter geoordeeld dat het bestuur van VNV met toepassing van art. 23.3 van de statuten bevoegd was om zonder voorafgaande goedkeuring van de vliegervergadering te besluiten. Dat betekent dat hier geen sprake is van een besluit dat onderworpen is aan voorafgaande goedkeuring van de vliegervergadering in de zin van art. 23.2 van de statuten. Daarmee mist art. 34.2 in zoverre toepassing, omdat die bepaling aanknoopt bij gevallen waarin een vereiste goedkeuring van de vliegervergadering aan de orde is. Nu in dit geval juist rechtsgeldig van die voorafgaande goedkeuring kon worden afgeweken, kan ook niet worden gezegd dat van een dergelijke goedkeuring ‘tegenover derden moet blijken’ door middel van de medewerking van de voorzitter. Voor zover [appellanten] . betogen dat desondanks de medewerking van een voorzitter vereist was, volgt het hof dat niet. De statuten voorzien niet in een afzonderlijk vereiste van betrokkenheid van een voorzitter bij besluitvorming door het bestuur in bijzondere gevallen als bedoeld in art 23.3. De besluitvorming vindt in dat geval plaats binnen het bestuur zelf, terwijl de statuten uitsluitend een mededelingsplicht aan de vliegervergadering voorschrijven. De stellingen van [appellanten] . miskennen ook dat met het wegvallen van de Martinair-vliegervergadering (op de grondslag dat geen van de betreffende VNV-leden nog de statutair vereiste arbeidsovereenkomst met Martinair had) de functie van voorzitter van die vergadering niet langer bestond.
Dat eventuele interne bevoegdheidsbeperkingen of statutaire voorschriften inzake vertegenwoordiging in beginsel externe werking kunnen hebben jegens derden, kan daaraan niet afdoen.
Tussenconclusie – geen strijd met de wettelijke en statutaire totstandkomingsvereisten
Hiervoor heeft het hof geoordeeld dat sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in art. 23.3 van de statuten, zodat de uitzonderingsbevoegdheid om besluiten te nemen gold, en dat VNV afdoende mededeling van het besluit heeft gedaan. Het voorgaande leidt het hof tot de conclusie dat het besluit van VNV van 9 juli 2021 niet in strijd is met de statutaire totstandkomingsvereisten. Het besluit is tevens niet in strijd met de wettelijke totstandkomingsvereisten. Het besluit van VNV van 9 juli 2021 is daarom niet nietig op grond van art. 2:14 lid 1 en 2 BW, en ook niet vernietigbaar op grond van art. 2:15 BW. Grieven 2 tot en met 6 slagen niet.
Is het besluit van VNV in strijd met de goede zeden?
Met grieven 7 en 8 betogen [appellanten] . dat het besluit van VNV in strijd is met de goede zeden. [appellanten] . voeren daartoe aan dat oud-Martinair vrachtvliegers door de overgang van onderneming met ingang van 1 januari 2014 onder de KLM-cao vielen. Het RVA voorzag erin dat de vrachtvliegers onder de KLM-cao vielen: een kennelijk logisch en gewenst gevolg van hun indiensttreding bij KLM. De oud-Martinair vrachtvliegers behielden niet de arbeidsvoorwaarden die zij voor de overgang van onderneming hadden, omdat de cao na de overgang van onderneming in 2017, 2019 en 2021 tot een verslechtering van hun arbeidsvoorwaarden heeft geleid. [appellanten] . achten het onbegrijpelijk dat VNV heeft ‘gehengd en gedoogd’ door met KLM de Martinair-cao te sluiten. VNV heeft een schriftelijk cao-voorstel van KLM nagenoeg per ommegaande, op 8 juli 2021, geaccepteerd, hetgeen erop lijkt te duiden dat er al eerder hierover reeds eerder contact is geweest tussen KLM en VNV. Deze gang van zaken heeft ten minste een zweem van achterkamertjespolitiek en staat haaks op de democratische grondbeginselen van een vakbond, die de belangen van haar leden behoort te behartigen. Het doel van het aangaan door VNV van de Martinair-cao met KLM was het separeren van de vrachtvliegers door ze niet onder de KLM-cao, maar onder de Martinair-cao te brengen, aldus nog steeds [appellanten] .
Het hof neemt, evenals de rechtbank en [appellanten] ., bij het beroep op art. 3:40 BW tot uitgangspunt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon in strijd met de goede zeden kan worden geacht indien het is genomen met de uitsluitende bedoeling de rechtspersoon of andere (rechts)personen te benadelen. De bedoelde onzedelijkheid moet voor derden kenbaar zijn en dient te worden getoetst naar het moment waarop de rechtshandeling wordt verricht. Het beroep van [appellanten] . kan daarom alleen slagen als komt vast te staan dat op het moment dat VNV het besluit nam, zij daarmee geen ander doel had dan, zoals [appellanten] . betogen, de oud-Martinair vrachtvliegers te benadelen door te bewerkstelligen dat uitsluitend de Martinair-cao’s op hen van toepassing zouden zijn en hen hoe dan ook buiten de werkingssfeer van de KLM-cao te houden.
In de andere zaken waarin vandaag arrest wordt gewezen (zie 6.9), is geoordeeld dat de oud-Martinair vrachtvliegers (waaronder [appellanten] ., allen partij in één van die zaken) niet onder de werkingssfeerbepaling van de KLM-cao vallen. De stelling van [appellanten] . dat de oud-Martinair vrachtvliegers door de overgang van onderneming met ingang van 1 januari 2014 onder de KLM-cao kwamen te vallen, is daarom onjuist. Dat geldt ook voor hun stelling dat VNV met het aangaan van de Martinair-cao met KLM heeft beoogd de vrachtvliegers te separeren, door hen niet onder de KLM-cao maar onder de Martinair-cao te brengen. Omdat het RVA is opgezegd, kan daaruit evenmin worden afgeleid dat – ondanks die opzegging – toelating van de oud-Martinair vrachtvliegers in de KLM-cao een kennelijk logisch en gewenst gevolg van hun indiensttreding bij KLM was. Dat de Martinaircao na de overgang van onderneming in 2017, 2019 en 2021 tot een verslechtering van arbeidsvoorwaarden heeft geleid is, voor zover al juist, niet in strijd met de regeling omtrent overgang van onderneming, noch voldoende om tot strijd met de goede zeden te concluderen. Gelet op het oordeel onder 6.15 volgt het hof [appellanten] . niet in hun betoog dat onbegrijpelijk is dat VNV heeft ‘gehengd en gedoogd’ door met KLM de Martinair-cao te sluiten. [appellanten] . hebben nog gesuggereerd dat er al eerder contact is geweest tussen KLM en VNV en sprake zou zijn van achterkamertjespolitiek, maar dit heeft VNV voldoende gemotiveerd weersproken. Grieven 7 en 8 slagen niet.
Is het besluit van VNV in strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of is sprake van misbruik van bevoegdheid van VNV?
Met grief 9 betogen [appellanten] . dat het besluit van VNV in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. [appellanten] . voeren daartoe aan dat VNV de Martinair-vliegervergadering voorafgaand om goedkeuring had moeten vragen en haar ten minste vooraf had moeten informeren. De handelwijze van VNV kan, als de KLMcao van toepassing blijkt, in potentie wel degelijk tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden van de oud-Martinair vrachtvliegers leiden. De Martinair-cao wordt door KLM aangegrepen om de vrachtvliegers te separeren door hen bij Martinair tewerk te stellen, onder toepassing van de Martinair-cao, waarmee VNV heeft ingestemd. VNV is daardoor tenminste medeplichtig aan het tot stand brengen van de door KLM toegepaste constructie om toepassing van de KLM-cao te voorkomen. VNV heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid door vergaande en nadelige handelingen te verrichten zonder de vrachtvliegers te raadplegen of te informeren. Het bestuur van VNV heeft de eisen van good governance geschonden, aldus tot zover [appellanten] .
Voor het beroep op art. 2:15 lid 1 sub b BW geldt dat moet worden getoetst of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Bij deze beoordeling dient de rechter de nodige terughoudendheid te betrachten en kan hij niet te snel tot overschrijding van bedoelde norm besluiten.
Van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in art. 3:13 BW is sprake als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend, of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Ook bij deze beoordeling betracht de rechter de nodige terughoudendheid.
Gelet op voormeld criterium en de bij toepassing daarvan in acht te nemen terughoudendheid, en gelet op de eerdere beoordeling van de statutaire mogelijkheden voor het bestuur van VNV om het bewuste besluit te mogen nemen, faalt het betoog dat het niet raadplegen of informeren van de Martinair-vliegervergadering in strijd met de redelijkheid en billijkheid is of misbruik van bevoegdheid oplevert. De statuten bieden de grondslag voor besluitvorming zonder raadpleging van de vliegervergadering en in het voorgaande is al geoordeeld dat VNV gegeven de bijzondere omstandigheden van die bevoegdheid gebruik kon en mocht maken. Bij de overige stellingen over deze grondslag gaan [appellanten] . ervan uit dat de KLM-cao van toepassing was, terwijl in het voorgaande is vastgesteld dat dit uitgangspunt onjuist is. Van schending van de eisen van good governance is derhalve geen sprake, noch van strijd met de redelijkheid en billijkheid en/of van misbruik van bevoegdheid. Grief 9 slaagt niet.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Gelet op het voorgaande slaagt ook grief 10 niet, de veeggrief waarmee [appellanten] . betogen dat hun vorderingen ten onrechte door de rechtbank zijn afgewezen. De conclusie van het hof is dat het hoger beroep van [appellanten] . niet slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof ziet geen gronden om [appellanten] . toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
[appellanten] . worden in hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 783,-
- salaris advocaat € 2.580,- (twee punten maal tarief II)
Totaal € 3.363,-
7. Beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellanten] . in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden vastgesteld op € 3.363,-;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. van der Burg, H.T. van der Meer en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.