GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.338.271/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 10197785/ CV EXPL 22-14931
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 februari 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. J.J. van der Goen te Hilversum,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
geïntimeerde, in hoger beroep niet verschenen.
Appellante wordt hierna [appellant] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
Het geschil gaat over schriftelijke uitlatingen die [geïntimeerde] over [appellant] heeft gedaan, en over door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte persoonsgegevens, die [geïntimeerde] zonder haar toestemming zou hebben verspreid. [appellant] stelt dat de handelwijze van [geïntimeerde] onrechtmatig is en vordert (onder) meer vernietiging of verwijdering van die persoonsgegevens, een verbod op verdere uitlatingen en een schriftelijke rectificatie, op verbeurte van een dwangsom. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. Daartegen richt zich het hoger beroep. Mede naar aanleiding van een nieuwe publicatie van [geïntimeerde] na het bestreden vonnis heeft [appellant] in hoger beroep haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd.
Het hof komt tot de conclusie dat de (gewijzigde) vorderingen van [appellant] gedeeltelijk toewijsbaar zijn. Dit leidt tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, een uitgebreider verbod op toekomstige uitlatingen en een uitgebreider bevel tot rectificatie.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 23 november 2023 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 24 augustus 2023 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres in conventie en gedaagde in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie en eiser in reconventie.
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet in de procedure verschenen, waarop tegen [geïntimeerde] verstek is verleend.
[appellant] heeft daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties 1 t/m 17;
- akte van 28 oktober 2025 met productie 18.
Productie 18 betreft een exploot van 3 oktober 2025, waarmee de memorie van grieven en de daarin opgenomen wijziging van eis aan [geïntimeerde] is betekend. Om die reden zal het hof recht doen op basis van de gewijzigde eis in hoger beroep.
3. Feiten
Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten.
[appellant] is voorzitter van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd. Daarnaast staat zij op persoonlijke titel ouders bij die te maken hebben met jeugdzorg.
[geïntimeerde] is oprichter en bestuurder van [X] , een aanbieder van juridisch onderwijs en juridische publicaties. Op de website van [X] ( [website] ) zijn verschillende blogs geplaatst over ontwikkelingen in de jeugdzorg.
[appellant] heeft [geïntimeerde] in mei 2021 benaderd voor overleg over mogelijk juridisch advies met betrekking tot het aankaarten van misstanden in de jeugdzorg. In dat kader heeft [appellant] aan [geïntimeerde] diverse documenten en bestanden verstrekt, waaronder een audiobestand van een opgenomen telefoongesprek (hierna: het Audiobestand) tussen de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en een medewerker van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: IGJ).
Filmproductiebedrijf Docsfair B.V. (hierna: Docsfair) heeft op 9 september 2022 de documentaire “Taken: Kinderen van de Staat” op haar online platform Indepen geplaatst. In die documentaire zijn delen van het Audiobestand gebruikt. Deze documentaire is inmiddels offline gehaald.
[appellant] heeft [geïntimeerde] bij brief van haar advocaat van 20 september 2022 gesommeerd om uit het Audiobestand afkomstige fragmenten in de documentaire te doen verwijderen en alle openbare verwijzingen naar het Audiobestand op Youtube en sociale media te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Aan deze sommatiebrief is geen gehoor gegeven, waarna [appellant] de procedure bij de kantonrechter aanhangig heeft gemaakt.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft [geïntimeerde] op 4 maart 2023 op zijn persoonlijke Facebook-account het volgende bericht geplaatst:
“(…) Het is maar een kleine greep uit de vele bedreigingen en intimiderende berichten die mij hebben bereikt sinds ik mij als jurist op het dossier #jeugdzorg ben gaan toeleggen. FD Persoonlijk wijdde een special aan professionals die bedreigd worden terwijl zij hun werk doen. Ik ben blij dat ik mijn verhaal heb kunnen vertellen, en wat het met mij doet (…).
Een van de bedreigers heeft een civiele zaak tegen mij gestart. Het betreft een vrouw die zich voordoet als jeugdzorgactivist, maar die zich achter de schermen heeft ingespannen om de documentaire Taken: Kinderen van de Staat uit de lucht te krijgen. Ze heeft haar procedure gestart om te voorkomen dat ik tijd zou hebben om een belangrijke zitting in de zaak van [naam 2] over haar overleden dochter # [naam 3] voor te bereiden, afgelopen december. (…)
Inhoudelijk is de zaak van deze vrouw kansloos, en dat weet zij zelf ook. Maar iedere keer als ik haar advocaat benaderde, regende het bedreigingen aan mijn adres, dat van [naam 2] , haar beide kinderen, en zelfs mijn eigen zoon en mijn ouders werden erbij betrokken. De bedreigingen kwamen via een man met een strafblad die eerder nog onderzoek had gedaan voor de zaak van [naam 2] . “Ik raad je aan om het leven te omarmen en mij en anderen met rust te laten. Ik hoop dat ik duidelijk ben geweest toetsenbord held”.
De openbare zitting in deze bizarre rechtszaak [appellant] / [geïntimeerde] dient op 17 maart a.s. bij de kantonrechter in Amsterdam aan de Parnassusweg 280. De zitting begint om 09:30.”
[geïntimeerde] heeft op 4 maart 2023 op zijn persoonlijke X/Twitter-account de volgende berichten geplaatst:
“Een bedreiger spande een rechtszaak aan, niet om te winnen maar om de zaak van [naam 2] over haar overleden dochter [naam 3] te dwarsbomen. Eerder probeerde zij de docu Taken al uit de lucht te halen. Haar zaak dient op 17-3 om 9:30 bij de Rechtbank Amsterdam.”
“De rechtszaak [appellant] / [geïntimeerde] dient op 17-3 om 9:30 bij de Rechtbank Amsterdam aan de Parnassusweg 280 (…)”.
De onder rechtsoverwegingen 3.6 en 3.7 genoemde berichten zijn niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar.
Na het vonnis van de kantonrechter heeft [geïntimeerde] op 6 september 2023 een door hem geschreven artikel/blog (hierna: het Artikel) op de website van [X] geplaatst. Het Artikel bevatte (onder meer) de volgende fragmenten:
“Wat mij hierin aangrijpt, is dat de felste tegenstand die ik ervaar, afkomstig is uit kringen van zelfbenoemde ‘slachtoffers van de jeugdzorg zoals [appellant] (…). Die naar buiten toe de schijn wekken dat zij het beste voor hebben met ouders en kinderen die met een ingrijpen van jeugdzorg worden geconfronteerd, maar achter de schermen sabotage plegen. Zij duperen daarmee juridische professionals zoals mijzelf, die hun nek uitsteken voor de ouders en kinderen die het slachtoffer worden van falend beleid en tekortschietende kinderrechtspraak. Maar vooral duperen zij de kinderen en hun ouders, die zij zeggen te beschermen (…)
[appellant] kwam in de casus van [naam 2] als een soort “ouderondersteuner” om haar te helpen in haar strijd om gerechtigheid voor haar overleden dochter [naam 3] . Toen ik in de casus kwam, sloeg de stemming bij [appellant] om. Nu zet zij alles op alles om de zaak van [naam 2] in de wielen te rijden. Ik vind het verschrikkelijk dat mensen zoals [appellant] mensen zoals mijzelf saboteren, die zich inzetten voor een veilige en rechtvaardige jeugdzorg, en die daarbij daadwerkelijk succes boeken.
[appellant] heeft mij en mijn gezin niet letterlijk zelf bedreigd, en evenmin heeft zij anderen daartoe aangezet. Wel wist zij dat het gebeurde, wat zij op 17 maart op zitting heeft toegegeven, en zij deed daarmee op een oneigenlijke manier haar voordeel (…) [appellant] is niet zelf een bedreiger, maar zij heeft in belangrijke mate bijgedragen aan het mislukken en offline gaan van de documentaire Taken: Kinderen van de Staat. Ik hoop dat de ouders en kinderen die haar hulp inroepen, zich eerst achter hun oor zullen krabben. Zij raken daardoor alleen maar van de regen in de drup.”
Het Artikel is inmiddels niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar via de website van [X] .
4. Procedure bij de kantonrechter en gewijzigde eis in hoger beroep
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] , voor zover in hoger beroep van belang, veroordeeld om zich te onthouden van uitlatingen dat [appellant] bedreigingen zou hebben geuit aan zijn adres en/of derden daartoe zou hebben aangezet, op verbeurte van een dwangsom. Daarnaast heeft de kantonrechter [geïntimeerde] bevolen om gedurende twee maanden na betekening van het vonnis een rectificatie te publiceren op zijn (persoonlijke) Facebook-account en zijn (persoonlijke) LinkedIn-account, eveneens op verbeurte van een dwangsom. De overige vorderingen van [appellant] zijn afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.
In hoger beroep heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. Zij vordert samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. vernietiging van het bestreden vonnis, met uitzondering van het oordeel dat [geïntimeerde] de in eerste aanleg toegewezen rectificatie dient te publiceren op zijn Facebook- en LinkedIn-account;
II. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest alle kopieën en transcripties van (delen van) het Audiobestand waarover [geïntimeerde] beschikt te verwijderen of te vernietigen, op verbeurte van een dwangsom;
III. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest alle openbare publicaties van en verwijzingen naar (delen van) het Audiobestand, waaronder op internet en sociale media, te verwijderen, op verbeurte van een dwangsom;
IV. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest aan [appellant] een overzicht te sturen van alle persoonsgegevens die [geïntimeerde] van [appellant] bezit en een bevestiging van verwijdering of vernietiging van die persoonsgegevens, op verbeurte van een dwangsom;
V. een bevel aan [geïntimeerde] om een aantal in de memorie van grieven nader aangeduide publicaties, althans een aantal in de memorie van grieven geciteerde uitlatingen uit deze publicaties, te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom;
VI. een verbod aan [geïntimeerde] om zich met onmiddellijke ingang via het internet of enig ander openbaar medium over [appellant] uit te laten, voor zover die uitlating één of meer in de memorie van grieven genoemde elementen bevat;
VII. een bevel aan [geïntimeerde] om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen arrest een rectificatie te plaatsen, zowel op de persoonlijke Facebook-, X- en LinkedIn-accounts van [geïntimeerde] als op de website van [X] , op zodanige wijze dat de rectificatie geenszins ontkracht zou worden, op verbeurte van een dwangsom;
VIII. betaling van een immateriële schadevergoeding aan [appellant] van € 1.000,00;
IX. veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
5. Beoordeling
Verstektoets in hoger beroep
[geïntimeerde] is in hoger beroep niet in de procedure verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend. Dit betekent dat de door [appellant] ingestelde vorderingen moeten worden toegewezen, tenzij de rechter deze vorderingen onrechtmatig of ongegrond voorkomen (artikel 139 lid 3 jo. 353 Rv). In hoger beroep moet deze verstektoets worden gehanteerd in het licht van de bestreden uitspraak. Dit houdt in dat de appelrechter in de eerste plaats door beoordeling van de daartoe aangevoerde grieven moet nagaan of de appellant met succes opkomt tegen de in eerste aanleg gedane uitspraak. Is dat niet het geval, dan blijft die uitspraak in stand, ook als een geïntimeerde niet is verschenen. Als één of meer grieven slagen in een geval waarin een in hoger beroep niet verschenen geïntimeerde in eerste aanleg gedaagde was en in die instantie wel is verschenen, dient de appelrechter op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep het door die geïntimeerde in eerste aanleg gevoerde verweer in zijn beoordeling te betrekken.
Audiobestand (grief 1)
De vorderingen II en III zien op het Audiobestand. [appellant] vordert kort gezegd dat [geïntimeerde] alle kopieën en transcripties van het Audiobestand waarover hij beschikt verwijdert of vernietigt, en dat hij alle openbare publicaties en verwijzingen naar het Audiobestand verwijdert. Met grief 1 keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat zij haar belang bij vernietiging of verwijdering van verwijzingen naar het Audiobestand onvoldoende heeft toegelicht.
[appellant] voert aan dat [geïntimeerde] een op hem rustende contractuele verplichting, dan wel buitencontractuele zorgplicht heeft geschonden, op grond waarvan [geïntimeerde] gehouden is tot vertrouwelijke omgang met door [appellant] aan hem verstrekte gegevens, waaronder het Audiobestand. Deze schending (en daarmee haar belang bij de vorderingen II en III) bestaat er volgens [appellant] in dat [geïntimeerde] het Audiobestand zonder haar expliciete toestemming openbaar heeft gemaakt, waardoor zij (reputatie)schade heeft geleden in haar hoedanigheid van jeugdzorgactivist.
Het betoog van [appellant] gaat niet op. Niet gebleken is van een (contractuele) rechtsverhouding die meebrengt dat [geïntimeerde] gehouden is tot vertrouwelijkheid tegenover [appellant] of op grond waarvan [geïntimeerde] expliciete toestemming van [appellant] nodig zou hebben voor verspreiding van of verwijzing naar het Audiobestand. [appellant] heeft verwezen naar Whatsapp-berichten waarin [geïntimeerde] bevestigde van [appellant] ontvangen informatie vertrouwelijk te zullen behandelen. Deze berichten zien echter niet op het Audiobestand. Bij toezending daarvan meldde [appellant] aan [geïntimeerde] dat de desbetreffende vader ( [naam 1] ) het online wilde delen. Om die reden hoefde [geïntimeerde] ook niet te begrijpen dat hij het Audiobestand vertrouwelijk diende te behandelen. Van schending van een specifieke contractuele verplichting of (contractuele dan wel buitencontractuele) zorgplicht van [geïntimeerde] kan om die reden geen sprake zijn. Tussen [appellant] en [geïntimeerde] bestond ook geen professionele (advies)relatie of een verwerkingsovereenkomst waaruit voor [geïntimeerde] een verplichting tot vertrouwelijkheid zou kunnen voortvloeien. Hooguit zou kunnen worden gesproken van een niet-beroepsmatige samenwerking, waarbij [geïntimeerde] met [appellant] heeft willen ‘meedenken’ over het aankaarten van misstanden in de jeugdzorg en [appellant] in dat verband aan hem bepaalde gegevens en documenten heeft toegezonden.
Daarbij komt dat [appellant] niet zelf op het Audiobestand te horen is. Het gaat immers om de opname van een telefoongesprek tussen [naam 1] en een medewerker van de IGJ. Ook hierin kan geen belang van [appellant] bij verwijdering van het Audiobestand gelegen zijn. Bovendien had [appellant] zelf al het Audiobestand gepubliceerd via een bericht op het openbaar toegankelijke sociale medium LinkedIn op het moment dat zij [geïntimeerde] in mei 2021 benaderde voor mogelijk advies. Dit blijkt expliciet uit de door [appellant] met [geïntimeerde] gedeelde link naar betreffende LinkedIn-bericht onder het Whatsapp-bericht van 20 mei 2021.
Het hof zal de onder II en III geformuleerde vorderingen dan ook afwijzen. Grief 1 slaagt niet.
Persoonsgegevens [appellant] (grief 2)
De vordering onder IV strekt ertoe dat [appellant] van [geïntimeerde] een overzicht ontvangt van haar persoonsgegevens die bij hem in bezit zijn en een bevestiging dat die persoonsgegevens zijn verwijderd of vernietigd. Grief 2 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] voldoende heeft aangetoond dat hij geen persoonlijke documenten van [appellant] meer in zijn bezit heeft en dat hij deze definitief heeft verwijderd.
[appellant] stelt dat aannemelijk is dat er nog documenten met haar persoonsgegevens aanwezig zijn in de systemen van [geïntimeerde] . De door [geïntimeerde] bij de kantonrechter overgelegde screenshots zouden niet aantonen dat de documenten ook daadwerkelijk uit de desbetreffende map op zijn computer zijn verwijderd. Omdat de documenten zich volgens [appellant] mogelijk nog in de (digitale) ‘prullenbak’ bevinden, zouden deze voor [geïntimeerde] eenvoudig terug te halen zijn. [appellant] zou onvoldoende zekerheid hebben dat haar persoonsgegevens daadwerkelijk zijn verwijderd. Volgens [appellant] is [geïntimeerde] aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4 onder 7 AVG en moet haar verzoek worden gezien als een verzoek om gegevenswissing in de zin van artikel 17 AVG.
Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat er geen verwerkingsovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerde] en [appellant] en dat [geïntimeerde] niet valt aan te merken als verwerkingsverantwoordelijke. Los daarvan geldt het volgende. Aan de vordering van [appellant] ligt de veronderstelling ten grondslag dat [geïntimeerde] nog in het bezit zou zijn of op eenvoudige wijze toegang zou hebben tot haar persoonsgegevens en dat van hem daarom gevergd zou kunnen worden dat hij deze (alsnog) verwijdert of doet verwijderen. Het hof ziet onvoldoende aanknopingspunten voor deze veronderstelling. Uit de genoemde screenshots volgt in de eerste plaats dat [geïntimeerde] op 19 maart 2023 de map ‘Documenten’, onderdeel van de groep ‘ [appellant] ’ in de SharePoint omgeving van [geïntimeerde] , heeft geleegd en dat deze geen bestanden meer bevat. Daarnaast is aannemelijk dat [geïntimeerde] ook de Microsoft 365-groep ‘ [appellant] ’ heeft verwijderd, nu het desbetreffende screenshot expliciet vermeldt: “U gaat de groep [appellant] verwijderen. Hiermee verwijdert u alle bronnen van [appellant] , inclusief de site bestanden, gesprekken, agenda, enzovoort. Maak een back-up van alle bestanden of andere inhoud voordat u verdergaat (…)”
In het licht van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk dat [geïntimeerde] nog in het bezit is of toegang heeft tot documenten of bestanden met persoonsgegevens van [appellant] . [appellant] heeft hierover, gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] , onvoldoende gesteld. Dat de door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte informatie nog op de servers van Microsoft te vinden zou zijn berust niet alleen op speculatie, maar is ook niet relevant voor een beoordeling van de vordering. Daarmee staat immers nog niet vast dat [geïntimeerde] (nog) toegang heeft tot deze documenten. Ook daarover heeft [appellant] onvoldoende gesteld.
Slotsom is dat de vordering met betrekking tot de persoonsgegevens niet toewijsbaar is. Ook grief 2 slaagt daarom niet.
Uitlatingen over [appellant] , verbod en rectificatie (grief 3)
[appellant] heeft daarnaast een drietal samenhangende vorderingen ingesteld (V-VII) die zien op berichten en publicaties van [geïntimeerde] , waarin uitlatingen worden gedaan over de persoon van [appellant] en haar werkzaamheden. Zij vordert niet alleen een gebod tot verwijdering van een aantal specifieke publicaties (althans specifieke uitlatingen in die publicaties), maar ook een verbod aan [geïntimeerde] om zich in de toekomst in bepaalde zin over [appellant] uit te laten. Tot slot vordert [appellant] een bevel tot het plaatsen van een nieuwe (meer uitgebreide) rectificatie. De daarmee samenhangende grief 3 richt zich tegen de beperkte reikwijdte van het door de kantonrechter opgelegde verbod en de bevolen rectificatie.
Het hof stelt voorop dat het recht van [geïntimeerde] op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 10 EVRM slechts kan worden beperkt als dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische rechtsorde, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en rechten van anderen. Voor een dergelijke beperking is aanleiding als de uitlatingen onrechtmatig zouden zijn tegenover [appellant] in de zin van artikel 6:162 BW. Voor het antwoord op de vraag of dit het geval is moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.
Het hof komt tot de conclusie dat in dit geval sprake is van onrechtmatige uitlatingen van [geïntimeerde] over [appellant] , zowel in de door [geïntimeerde] op sociale media geplaatste berichten van 4 maart 2023 als in het door [geïntimeerde] gepubliceerde Artikel van 6 september 2023. Dit geldt evenwel niet voor alle door [appellant] genoemde uitlatingen in deze publicaties. Om die reden zijn het gevorderde verbod op verdere uitlatingen en de gevorderde rectificatie niet volledig toewijsbaar. Het hof licht dit als volgt toe.
[appellant] stelt dat de uitlatingen van [geïntimeerde] onrechtmatig zijn, voor zover [geïntimeerde] daarin stelt of suggereert dat [appellant] :
an [geïntimeerde] toestemming zou hebben gegeven voor openbaarmaking van (delen van) het Audiobestand;
zich zou hebben ingespannen om de documentaire Taken: Kinderen van de Staat te doen verwijderen;
een juridische procedure zou zijn gestart om een procedure in de zaak van [naam 2] te voorkomen of te belemmeren;
[appellant] zich zou voordoen als jeugdzorgactivist;
[appellant] slachtoffers van of betrokkenen bij misstanden in de jeugdzorg zou saboteren of belemmeren;
[appellant] of haar advocaat bedreigingen en/of beledigingen zou hebben geuit aan het adres van [geïntimeerde] of derden daartoe zou hebben aangezet;
[appellant] oneigenlijk zou profiteren van de bedreigingen die [geïntimeerde] ontvangt;
[appellant] op enigerlei wijze verantwoordelijk zou zijn voor bedreigingen en/of beledigingen en/of intimiderende berichten die [geïntimeerde] of zijn naasten ontvangen;
[appellant] of haar advocaat de waarheidsvinding zou belemmeren in de juridische procedure tegenover [geïntimeerde] .
Ten aanzien van de uitlating onder a. geldt het volgende. In rechtsoverweging 5.5 heeft het hof vastgesteld dat op het moment dat [appellant] [geïntimeerde] in mei 2021 benaderde voor mogelijk advies, zij inmiddels het Audiobestand had gepubliceerd en gedeeld op LinkedIn. Omdat [appellant] het Audiobestand dus zelf al openbaar had gemaakt, mocht [geïntimeerde] er redelijkerwijs vanuit gaan dat [appellant] , voor zover dat al nodig was, toestemming had verleend althans geen bezwaar had tegen verdere verspreiding van het Audiobestand. Aldus vindt de uitlating voldoende steun in het feitenmateriaal en is deze niet onrechtmatig tegenover [appellant] .
De uitlatingen onder b. en c. lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [geïntimeerde] zijn beweringen, dat [appellant] zich heeft ingespannen om de documentaire Taken: Kinderen van de Staat te doen verwijderen en dat [appellant] de onderhavige civiele procedure is gestart om een procedure van [geïntimeerde] in de zaak van [naam 2] te voorkomen of te belemmeren, onvoldoende heeft onderbouwd. De vraag die in hoger beroep voorligt is of deze beweringen als zodanig onrechtmatig zijn tegenover [appellant] of dat het gaat om beweringen met een onschuldig karakter die geen inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] . Zoals volgt uit de hiervoor in de rechtsoverwegingen 3.6, 3.7 en 3.9 weergegeven citaten, heeft [geïntimeerde] deze beweringen meerdere malen gedaan, zowel tijdens de procedure bij kantonrechter in maart 2023 als na het bestreden vonnis in het Artikel, dat op 6 september 2023 op de website [X] is geplaatst. Daarbij gaat het om beweringen die expliciet zien op de persoon van [appellant] en haar integriteit en handelwijze als hulpverlener op het terrein van de jeugdzorg. Door bewust en herhaaldelijk dergelijke, niet onderbouwde, beweringen over [appellant] te doen, heeft [geïntimeerde] met deze beweringen inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] en onrechtmatig tegenover haar gehandeld. Van beweringen met een onschuldig karakter is geen sprake. In zoverre slaagt grief 3 en vindt het hof dat er redenen zijn voor een aanvullend verbod en een aanvullende rectificatie.
Ook de uitlatingen onder d. en e. hangen met elkaar samen en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling. De bewering dat [appellant] naar buiten treedt als jeugdzorgactivist, is naar het oordeel van het hof als zodanig niet onrechtmatig want feitelijk juist. Vaststaat immers dat [appellant] voorzitter is van de Stichting Jeugdhulp Voldoende Beschermd en op persoonlijke titel ouders bijstaat die te maken hebben met jeugdzorg. In het hiervoor in rechtsoverweging 3.9 weergegeven citaat uit het Artikel heeft [geïntimeerde] echter niet alleen in ondubbelzinnige bewoordingen beweerd dat [appellant] zich naar buiten toe zou profileren als ondersteuner en helper bij misstanden in de jeugdzorg, maar ook dat zij achter de schermen sabotage zou plegen en daarmee slachtoffers van en andere betrokkenen bij de bedoelde misstanden zou duperen. Niet alleen vindt deze bewering geen steun in het feitenmateriaal, maar ook is deze – gelet op de rol die [appellant] vervult – onnodig grievend tegenover de persoon en de reputatie van [appellant] . Aldus maakt [geïntimeerde] hiermee een ontoelaatbare inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer en handelt hij onrechtmatig. Ook in zoverre is er reden voor een aanvullend verbod en een aanvullende rectificatie.
De uitlating onder f. is eveneens onrechtmatig. Het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] , door zonder enig bewijs en ongefundeerd [appellant] te beschuldigen van bedreigingen aan zijn adres of het aanzetten tot dergelijke bedreigingen op diverse sociale media kanalen, onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld, is in hoger beroep niet bestreden. [geïntimeerde] dient zich in de toekomst te onthouden van dergelijke uitlatingen en moet deze rectificeren.
De uitlatingen onder g., h. en i. zijn naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. Dat en op welke wijze [geïntimeerde] heeft beweerd dat [appellant] oneigenlijk zou profiteren van de bedreigingen aan zijn adres of daarvoor persoonlijk verantwoordelijk zou zijn is van de zijde van [appellant] onvoldoende toegelicht. Hetzelfde geldt voor de (gestelde) bewering van [geïntimeerde] dat [appellant] en/of haar advocaat de waarheidsvinding in de juridische procedure tegenover [geïntimeerde] zouden belemmeren. Op deze punten is er dan ook geen reden voor een verbod en/of rectificatie.
Alles overziende zal het hof het gevorderde verbod en de gevorderde rectificatie (VI en VIII) toewijzen zoals hierna in het dictum vermeld. Het hof zal [geïntimeerde] veroordelen de rectificatie gedurende twee maanden te plaatsen op zijn persoonlijke Facebook-, X- (voorheen Twitter) en LinkedIn-accounts en ook op de homepage van de website van [X] , zonder enige toevoeging of commentaar in welke vorm dan ook, zodat daarmee tegemoet gekomen wordt aan de vrees van [appellant] dat de rectificatie op enigerlei wijze ontkracht zou worden. Grief 3 slaagt in zoverre.
Het onder V gevorderde bevel tot verwijdering van (gedeelten) van de in de rechtsoverwegingen 3.6, 3.7 en 3.9 genoemde publicaties zal worden afgewezen, omdat vaststaat dat deze publicaties niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar zijn. Het belang van [appellant] bij toewijzing van deze vordering ontbreekt.
Immateriële schadevergoeding (grief 4)
De vordering onder VIII strekt ertoe dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding van € 1.000,00 aan [appellant] wegens aantasting van haar eer en goede naam. Grief 4 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat met de toegewezen rectificatie de eer en goede naam van [appellant] is hersteld en dat om die reden de gevorderde immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Voorop staat dat, nu [geïntimeerde] niet in strijd heeft gehandeld met de AVG, artikel 82 AVG geen afzonderlijke grondslag biedt voor het toekennen van (immateriële) schadevergoeding.
Op grond van artikel 6:106 BW heeft een benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding in een aantal (limitatief) omschreven gevallen, waaronder het geval dat een benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer en goede naam is geschaad of op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat een aantal uitlatingen van [geïntimeerde] onrechtmatig zijn tegenover [appellant] . In dat oordeel ligt besloten dat een inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [appellant] , waarmee een aanspraak op een (naar billijkheid vast te stellen) schadevergoeding wegens een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b BW is gegeven (zie ook HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:851). Omdat de kantonrechter dit heeft miskend, slaagt grief 4.
Het hof stelt de door [geïntimeerde] te betalen schadevergoeding naar billijkheid vast op € 500,00. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de uitlatingen van [geïntimeerde] over [appellant] weliswaar onnodig grievend en persoonlijk van aard zijn, maar ook dat de publicaties waarin de uitlatingen waren opgenomen inmiddels niet meer openbaar toegankelijk of raadpleegbaar zijn. Het risico op nadelige gevolgen voor [appellant] is daarmee beperkt.
Slotsom en kosten
Het door [appellant] ingestelde hoger beroep heeft gedeeltelijk succes. Grieven 3 en 4 slagen en de overige grieven falen. Het hof zal het bestreden vonnis gedeeltelijk vernietigen, namelijk voor zover daarin het meer of anders gevorderde is afgewezen, en het hof zal de vorderingen van [appellant] toewijzen op de wijze als hierna vermeld. De onder I en II van het dictum van het bestreden vonnis uitgesproken veroordelingen blijven hiermee in stand. Het hof ziet geen aanleiding de in het bestreden vonnis neergelegde compensatie van proceskosten in conventie te vernietigen. Ook bij de uitkomst waartoe het hof komt, geldt dat partijen in eerste aanleg over en weer in het ongelijk zijn gesteld.
[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Om die reden komt het hof niet toe aan nadere bewijslevering.
In hoger beroep is [geïntimeerde] niet verschenen en overwegend in het ongelijk gesteld. Om die reden zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast.
- explootkosten € 133,76
- griffierecht € 349,00
- salaris advocaat € 1.214,00 (tarief II, 1 punt)
Totaal € 1.696,76.
6. Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis, voor zover daarin in conventie het meer of anders gevorderde is afgewezen, en opnieuw rechtdoende:
verbiedt [geïntimeerde] om zich op enigerlei wijze via internet of enig ander openbaar medium over [appellant] uit te laten, voor zover die uitlatingen één of meer van de volgende elementen bevatten:
dat [appellant] of haar advocaat bedreigingen en/of beledigingen zou hebben geuit aan het adres van [geïntimeerde] en/of dat zij derden daartoe zou hebben aangezet;
dat [appellant] zich zou hebben ingespannen om de documentaire Taken: Kinderen van de Staat te doen verwijderen;
dat [appellant] een juridische procedure zou zijn gestart om een procedure in de zaak van [naam 2] te voorkomen of te belemmeren;
dat [appellant] slachtoffers van of betrokkenen bij misstanden in de jeugdzorg zou saboteren of belemmeren;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500 voor iedere keer dat [geïntimeerde] het onder rechtsoverweging 6.2 opgenomen verbod geheel of gedeeltelijk overtreedt, met een maximum van € 15.000;
beveelt [geïntimeerde] om binnen 14 dagen na betekening van het arrest voor een periode van twee maanden de navolgende aanvullende rectificatie, zonder enige toevoeging of commentaar in welke vorm dan ook, te publiceren op zijn persoonlijke Facebook-, X- (voorheen Twitter) en LinkedIn-accounts en ook op de homepage van de website van [X] :
“RECTIFICATIE
In de afgelopen jaren heb ik, [geïntimeerde] , herhaaldelijk uitlatingen gedaan over mevrouw [appellant] . Hierin heb ik onder meer gesteld:
dat zij of haar advocaat bedreigingen en/of beledigingen zou hebben geuit richting mij en/of dat zij derden daartoe zou hebben aangezet;
dat zij zich heeft ingespannen om de documentaire Taken: Kinderen van de Staat te doen verwijderen;
dat zij een juridische procedure is gestart om een procedure in de zaak van [naam 2] te voorkomen of te belemmeren;
dat zij slachtoffers van misstanden in de jeugdzorg saboteert of belemmert.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs geoordeeld dat deze uitlatingen onjuist waren en onrechtmatig zijn tegenover mevrouw [appellant] .”
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [geïntimeerde] het onder rechtsoverweging 6.4 opgenomen bevel geheel of gedeeltelijk niet naleeft, met een maximum van € 15.000;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van € 500,00;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in het hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.696,76;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt het bestreden vonnis, voor zover dat is onderworpen aan het oordeel van het hof, voor het overige;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.J. Bisschop, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2026.