beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.362.042/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/761525 DW RK 24/438
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 8 september 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
tegen
[geïntimeerde] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna klaagster en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1. De zaak in het kort
De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis ten laste van klaagster uit 2011. In dat kader heeft de gerechtsdeurwaarder in 2019 beslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). In deze tuchtprocedure maakt klaagster de gerechtsdeurwaarder diverse verwijten: (1) weigering tot terugbetaling aan klaagster van teveel ontvangen bedragen, (2) onjuiste toepassing van de beslagvrije voet, (3) aan klaagster geen inzage verlenen in haar dossier en (4) doorgaan met executeren terwijl klaagster geen verhaal biedt. Het hof acht, net als de kamer voor gerechtsdeurwaarders in eerste aanleg, de klacht op alle onderdelen ongegrond, behoudens klachtonderdeel a, dat niet-ontvankelijk is.
2. Het geding in hoger beroep
Klaagster heeft op 28 november 2025 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 7 november 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:101).
De gerechtsdeurwaarder heeft op 27 februari 2026 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
Klaagster heeft op 4 juni 2026 aanvullende producties bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 juni 2026. De gerechtsdeurwaarder is verschenen en heeft het woord gevoerd. Klaagster is niet verschenen.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
De gerechtsdeurwaarder is belast met de tenuitvoerlegging van een vonnis ten laste van klaagster van 4 mei 2011.
Op 21 oktober 2019 heeft de gerechtsdeurwaarder beslag gelegd onder het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) ten laste van klaagster.
4. De klacht
Klaagster beklaagt zich er samengevat over dat (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder:
5. Beoordeling
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klaagster tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard.
Verantwoordelijke gerechtsdeurwaarder
Klaagster heeft haar klacht ingediend tegen het kantoor van de gerechtsdeurwaarder. Evenals de kamer merkt het hof de in het kopje van deze beslissing vermelde gerechtsdeurwaarder als beklaagde aan.
Ter beoordeling voorliggende klacht
Het hof behandelt een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang. Het gaat daarbij om de klacht zoals die oorspronkelijk bij de kamer is ingediend. Het hof zal daarom de door klaagster in hoger beroep opgebrachte aanvullende klacht – over het niet terugbetalen aan klaagster van het vakantiegeld van 2025 en 2026 dat onder de beslagvrije voet viel – niet behandelen, nu deze klacht geen onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke klacht.
Weigering terugbetaling teveel ontvangen bedragen (klachtonderdeel a)
Klaagster stelt dat de gerechtsdeurwaarder ten onrechte weigert een bedrag van € 0,09 uit 2024 terug te betalen waarop zij nog recht heeft. Wat van de verschuldigdheid van dat bedrag ook zij, het hof acht het bedrag te gering om een tuchtrechtelijk oordeel over de weigering te rechtvaardigen. Dit klachtonderdeel is daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast stelt klaagster dat er nog gelden uit de beslagvrije voet van het jaar 2020 ontbreken, namelijk het deel van het vakantiegeld dat onder de beslagvrije voet viel. Dit onderdeel van de klacht is te laat ingediend. Op grond van artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet moet een klacht worden ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop een klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder waarop de klacht betrekking heeft. Het beslag op het vakantiegeld heeft in 2020 plaatsgevonden, terwijl de klacht op 23 december 2024 door de kamer is ontvangen. Dit is ruimschoots na de vervaltermijn van drie jaar. Aan de in artikel 37 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet bedoelde nadere vervaltermijn van één jaar kan niet worden toegekomen, omdat de gevolgen van het handelen dan wel nalaten niet pas later zijn ingetreden en/of bekend zijn geworden. Gezien het vorenstaande is het hof van oordeel dat ook dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is.
Onjuiste toepassing van de beslagvrije voet (klachtonderdeel b)
Het hof is, net als de kamer, van oordeel dat – indien klaagster het niet eens is met de hoogte van de vastgestelde beslagvrije voet of de door de gerechtsdeurwaarder opgegeven hoogte van de vordering, of vindt dat er een terugbetalingsverplichting rust op de gerechtsdeurwaarder vanwege onjuistheid in de berekening van de beslagvrije voet, dan wel een onjuiste afdracht door de derde-beslagene – klaagster zich dient te wenden tot de gewone (civiele) rechter en niet tot de tuchtrechter. Verder heeft de gerechtsdeurwaarder ter zitting in hoger beroep toegelicht dat (het kantoor van) de gerechtsdeurwaarder telkens in contact heeft gestaan met klaagster over de berekening van de beslagvrije voet. Als er iets niet klopte (na eigen onderzoek of na een verzoek van klaagster), is dit door een medewerker van de gerechtsdeurwaarder aan het UWV doorgegeven. Met betrekking tot dit klachtonderdeel constateert het hof dan ook, net als de kamer, geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder, zodat klachtonderdeel b ongegrond is.
Geen inzage verlenen in dossier (klachtonderdeel c)
Over dit klachtonderdeel heeft de kamer overwogen dat de gerechtsdeurwaarder niet gehouden is meer informatie aan klaagster te verstrekken dan hij tot nu toe heeft verstrekt. Bij brief van 12 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klaagster medegedeeld dat hij geen informatie zou verstrekken met betrekking tot afspraken en correspondentie tussen hem en de opdrachtgeefster en dat klaagster al over alle exploten beschikte. Volgens de kamer is de gerechtsdeurwaarder bovendien niet zonder meer bevoegd om correspondentie met zijn opdrachtgever aan klaagster te verstrekken.
Het hof sluit zich aan bij deze overwegingen en het oordeel van de kamer en maakt die tot de zijne. Klaagster wil inzage om te kunnen controleren of de opdrachtgeefster nog wel in beeld is, maar zij heeft geen recht op inzage in het contact tussen de gerechtsdeurwaarder en zijn opdrachtgeefster. Er is een lopend beslag, waarbij de gerechtsdeurwaarder het geld int ten behoeve van zijn opdrachtgeefster. Ook dit klachtonderdeel acht het hof, net als de kamer, ongegrond.
Executie doorzetten terwijl klaagster geen verhaal biedt (klachtonderdeel d)
Dat het nog vele jaren zal duren voordat de vordering door klaagster zal zijn betaald, doet niet af aan de ministerieplicht van de gerechtsdeurwaarder. De opdrachtgeefster heeft de gerechtsdeurwaarder laten weten dat zij de inning van de vordering wenst voort te zetten. De gerechtsdeurwaarder kan dan niet anders dan doorgaan met de executie, ook al duurt dit door de kleine aflossingsbedragen nog jaren en is zelfs onzeker of volledige aflossing ooit zal plaatsvinden. Het hof stelt op dit punt geen tuchtrechtelijk laakbaar handelen van de gerechtsdeurwaarder vast, zodat ook dit klachtonderdeel ongegrond is.
Toekomstige klacht(en)
In de bestreden beslissing heeft de kamer nog opgemerkt dat als klaagster opnieuw een klacht tegen de gerechtsdeurwaarder indient met betrekking tot de punten die reeds aan de orde zijn gekomen (de tenuitvoerlegging van het vonnis 4 mei 2011, waarbij de vordering dan wel de beslagvrije voet niet of onjuist zou zijn vastgesteld), klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Het hof voegt aan deze opmerking van de kamer het volgende toe. Het is vaste rechtspraak van het hof dat het strafrechtelijke beginsel ‘ne bis in idem’ – inhoudende dat niemand mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde feit waarover reeds bij definitieve einduitspraak is beslist – ook van toepassing is binnen het tuchtrecht voor gerechtsdeurwaarders. Er kan dus niet opnieuw over dezelfde gedraging van een gerechtsdeurwaarder worden geklaagd waarover al definitief tuchtrechtelijk is geoordeeld; dan volgt inderdaad niet-ontvankelijkverklaring van de klacht. Andere gedragingen, ook wanneer die plaatsvinden in het kader van dezelfde executie, vallen niet onder dit beginsel.
Conclusie
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hof van oordeel is dat klachtonderdeel a niet-ontvankelijk is en dat de overige klachtonderdelen ongegrond zijn. Ten behoeve van de leesbaarheid zal het hof de beslissing van de kamer geheel vernietigen en een nieuwe beslissing formuleren.
6. Beslissing
Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing,
en, opnieuw beslissende,
- verklaart klachtonderdeel a niet-ontvankelijk;
- verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, M.J.R. Brons en O.M. Jans en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026 door de rolraadsheer.