ECLI:NL:GHAMS:2026:2784

ECLI:NL:GHAMS:2026:2784

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 200.361.856
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Hoger beroep tegen een deelvonnis. Weens Koopverdrag. Koopsom niet opeisbaar wegens niet-nakoming leveringsverbintenis (art. 58 lid 1 WKV). Tegenvordering stuit af op inhoud vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.361.856/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : C/15/349537/ HA ZA 24-111

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats 1] ,

appellante,

incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. H. van Lingen te Alkmaar,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] (Egypte),

geïntimeerde,

incidenteel appellant,

advocaat: mr. E. El-Sharkawi te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

[geïntimeerde] heeft in de periode 2020-2022 containers met groenten en fruit aan [appellant] verkocht. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de financiële afwikkeling van die koopovereenkomsten.

[geïntimeerde] heeft gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van bedragen à per saldo € 574.865,50, met rente en kosten. Bij deelvonnis van 30 juli 2025 heeft de rechtbank die vordering ten dele toegewezen en haar oordeel ten dele aangehouden in afwachting van het verloop van een getuigenverhoor.

Beide partijen komen in dit hoger beroep op tegen de verwerping van hun standpunten in het deel van het vonnis van 30 juli 2025 dat een eindvonnis is.

2. Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 30 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen die de rechtbank Noord-Holland op 18 december 2024 en 30 juli 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in hoger beroep, tevens incidenteel appel;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

[geïntimeerde] exploiteert in Egypte een onderneming in groenten en fruit. [appellant] importeert en verhandelt groenten en fruit. In de periode 2020 tot en met 2022 heeft [geïntimeerde] 105 containers met groenten en fruit aan [appellant] verkocht.

Tussen [appellant] en [geïntimeerde] is discussie ontstaan over de financiële afwikkeling van leveringen van [geïntimeerde] . Vanaf eind 2021 heeft tussen partijen vooral de financiële afwikkeling van de leveringen in 2021 ter discussie gestaan. In die discussies werd [geïntimeerde] mede vertegenwoordigd door zijn exportmanager [name] .

Bij e-mail van 9 januari 2022 heeft [appellant] aan [name] geschreven:

"Thx for your reply, but your statement below is not correctly.

The accounting team is not correctly informed, I have explained the during my visit in September.

From first arrival, there is a ‘difference’ of more that € 10.000 (of only 3 containers )

Rest of shipment, I have settled this out in my XL file, sent you and hamada several times.

So, the 500 K, the 250 K, and also the 100 K is really a farce, and absolutely not based on real figures.

I made several offers, and from side Technofarms, there is nothing happened.

When you see my XL file, it shows that Technofarms own me lot of money.

What do you think with all the problems.

To assist in this case, and develop on future b business, you know my proposal.

I offer 50 K, and paid buy each new container € 500, to close old balance.

(…)”

Diezelfde dag heeft [name] geantwoord:

“(…)

Techno farm doesn't approve your account sales,

And we stick to our proposal to solve this issue, which is 50k, to be transferred this week,

And other 50k to be divided on each new container 500 EUR,

(…)”

Daarna is de directeur van [appellant] afgereisd naar Egypte om met [geïntimeerde] te praten over een schikking. Op 7 februari 2022 heeft ze € 30.000 aan [geïntimeerde] betaald, met de omschrijving “confom agreement season 2021”. [geïntimeerde] heeft daarop niet gereageerd. Op zijn facturen van 26 januari, 3, 12, 17 en 23 februari 2022 heeft [geïntimeerde] zijn facturen vermeerderd met € 500 per container – per saldo tot een bedrag van €10.000 –, onder vermelding van “Old balance”. [appellant] heeft die facturen voldaan. Voor de resterende € 10.000 heeft [geïntimeerde] geen facturen gestuurd.

In haar e-mail van 15 november 2022, die betrekking had op de financiële afrekening van 2022, schreef [appellant] over 2021:

"Season 2021 is already closed"

In zijn e-mail van 24 november 2022 heeft [geïntimeerde] achter "Season 2021 is already closed" geschreven: "Ok".

Bij e-mail van 1 november 2023 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd om binnen veertien dagen openstaande facturen à € 541.876,00 te betalen.

4. Procedure bij de rechtbank

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd (kort gezegd) dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van bedragen à per saldo € 574.865,50, met rente en kosten, uit hoofde van de koopovereenkomsten die hij in de periode 2020 tot en met 2022 met [appellant] heeft gesloten. [appellant] heeft zich tegen deze vordering verweerd.

Bij het tussenvonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank aan [appellant] bewijs opgedragen. Bij het vonnis van 30 juli 2025 heeft de rechtbank – voor zover in dit hoger beroep relevant – [appellant] veroordeeld tot betaling van € 73.008,00, € 10.000,00 en € 33.238,00, steeds met rente, en elke verdere beslissing aangehouden in afwachting van nadere bewijslevering door [appellant] .

5. Hoger beroep

[appellant] concludeert dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen voor zover zij daarbij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 73.008,00, met rente, en dat het hof deze vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] , in de kosten van beide instanties, met rente.

Volgens [geïntimeerde] moet het hof de grieven van [appellant] verwerpen en de bestreden vonnissen in zoverre bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in beide instanties.

In incidenteel hoger beroep concludeert [geïntimeerde] (kort gezegd) dat het hof [appellant]

− uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen tot betaling van bedragen à € 73.008,00, € 60.000 (in plaats van € 10.000) en € 87.318 (in plaats van € 33.238,00), steeds met rente en kosten, en met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide instanties.

[appellant] concludeert in dat incidentele hoger beroep tot verwerping van de grieven en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten.

6. Beoordeling

Deze zaak heeft een internationaal karakter. Daarom moet het hof ambtshalve onderzoeken of de rechtbank Noord-Holland bevoegd is om van de vorderingen van [geïntimeerde] kennis te nemen. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord: de rechtbank heeft terecht beslist dat zij haar bevoegdheid ontleent aan artikel 4 lid 1 Verordening Brussel I bis, dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde partij – in dit geval [appellant] , gevestigd in Zuid-Scharwoude – als de bevoegde rechter aanwijst.

Tegen de beslissing van de rechtbank dat de vorderingen van partijen moeten worden beoordeeld aan de hand van het Weens Koopverdrag, hebben partijen geen grief gericht.

De grieven in het principale appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Door middel daarvan voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van € 78.008,00 heeft toegewezen. Zij stelt dat dit bedrag betrekking heeft op vijf containers die ze wel heeft besteld, maar niet geleverd heeft gekregen. Ze zijn “gererout” en aan een derde geleverd, aldus [appellant] .

De grieven slagen. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij de desbetreffende containers niet aan [appellant] maar aan een andere partij heeft geleverd. [appellant] heeft terecht aangevoerd dat de koopsom ingevolge art. 58 lid 1 van het Weens Koopverdrag bij wijze van uitgangspunt pas opeisbaar is als de verkoper de zaken ter beschikking stelt van de koper – wat hier dus niet is gebeurd – en dat, voor het geval de facturen zien op overeenkomsten tussen partijen – wat [appellant] betwist – deze inhouden dat pas na levering aan [appellant] behoeft te worden betaald. [geïntimeerde] heeft deze betalingsconditie niet betwist. Dat een en ander impliceert dat [appellant] niet gehouden is om de met de bestelling corresponderende koopsom à € 78.008,00 te betalen.

De vraag of de ontbindingsverklaring van [appellant] , gelet op art. 49 van het Weens Koopverdrag, het beoogde rechtsgevolg heeft gehad, kan hiermee in het midden blijven.

Ook de grieven in het incidentele appel lenen zich gezamenlijke behandeling. [geïntimeerde] betoogt daardoor dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat partijen hun geschil over de financiële afwikkeling van de leveringen in 2021, hebben geschikt door de afspraak dat [appellant] nog € 50.000 aan [geïntimeerde] zou betalen. Volgens [geïntimeerde] hield de schikking in dat [appellant] nog € 100.000 zou betalen. Nu [appellant] € 40.000 heeft betaald, had de rechtbank [appellant] niet moeten veroordelen tot betaling van € 10.000 maar tot betaling van € 60.000, aldus [geïntimeerde] .

Deze grieven falen. [geïntimeerde] bestrijdt de beslissing van de rechtbank door een beroep op zijn antwoord op het voorstel van [appellant] om de zaak te schikken door betaling van € 50.000. Dat antwoord hield in dat hij de zaak wilde schikken tegen betaling van € 100.000. Maar daardoor miskent [geïntimeerde] dat de rechtbank de inhoud van de schikking heeft afgeleid uit omstandigheden ná het antwoord van [geïntimeerde] en die door [geïntimeerde] niet worden weerlegd. Uit die omstandigheden blijkt dat partijen na het antwoord van [geïntimeerde] een schikking hebben bereikt. Toen [appellant] na haar betalingen à per saldo € 40.000 op 15 november 2022 aan [geïntimeerde] schreef dat het geschil over 2021 was afgewikkeld, heeft [geïntimeerde] dat in zijn reactie van 24 november 2022 bevestigd (zie hiervoor, onder 3.6 en 3.7). Daaruit valt niet af te leiden dat partijen hun geschil hebben geschikt voor een bedrag van € 100.000.

De twee andere genoemde bedragen in het incidenteel hoger beroep zijn door [appellant] terecht niet opgevat als separate vorderingen, maar slechts als recapitulatie.

De slotsom luidt dat het principale beroep slaagt en dat het incidentele beroep faalt. Het hof ziet geen aanleiding om [geïntimeerde] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld tot betaling van € 73.008,00, met rente. Die vordering wordt alsnog afgewezen.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principale en incidentele hoger beroep. De beslissing over de proceskosten in eerste aanleg laat het hof aan de rechtbank, die in het (deel)vonnis van 30 juli 2025 haar beslissing daarover heeft aangehouden.

Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 6.803,00

- salaris advocaat € 3.528,00 (tarief IV à € 2.352, 1,5 punt)

Totaal € 10.331,00

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis voor zover [appellant] daarbij is veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 73.008,00, met rente, te betalen en, opnieuw rechtdoende, wijst deze vordering alsnog af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in het principale en incidentele hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 10.331,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Alwin, mr. J.W.M. Tromp en mr. A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.W.M. Tromp
  • mr. A.C. van Schaick

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand