GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.355.981/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/752040 / HA ZA 24-635
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026
in de zaak van
[appellant] ,
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
[geïntimeerde] ,
gevestigd te [plaats 2] (Duitsland),
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. V.C. Hofman te Middelharnis.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1. De zaak in het kort
[appellant] heeft gevorderd dat de rechtbank Amsterdam [geïntimeerde] onder andere veroordeelt tot betaling van schadevergoeding. Aan die vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] een duurovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd zonder daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat de rechtbank Amsterdam niet bevoegd is om van de schadevergoedingsvordering van [appellant] kennis te nemen. [appellant] zou haar vordering moeten voorleggen aan de rechter van de woonplaats van [geïntimeerde] , dat is [plaats 2] in Duitsland.
De rechtbank heeft het standpunt van [geïntimeerde] gevolgd en zich onbevoegd verklaard. Daartegen komt [appellant] in dit hoger beroep op.
2. Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 7 maart 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis dat de rechtbank Amsterdam op 11 december 2024 onder bovenvermeld zaak- en rolnummer heeft gewezen tussen [appellant] als eiseres in de hoofdzaak en verweerster in het incident, en [geïntimeerde] als gedaagde in de hoofdzaak en eiseres in het incident.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3. Feiten
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] houdt zich bezig met internationaal transport en logistiek. [geïntimeerde] verhandelt bloemen.
[appellant] heeft op grond van elkaar opvolgende meerjarige schriftelijke overeenkomsten vervoerswerkzaamheden voor [geïntimeerde] verricht. Na het aflopen van de laatste overeenkomst op 31 juli 2016 is [geïntimeerde] [appellant] blijven inschakelen, op basis van tarieven in jaarlijks door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte prijslijsten.
In 2023 hebben partijen overlegd over de hoogte van de prijzen van de werkzaamheden van [appellant] in dat jaar, waarin [appellant] voor [geïntimeerde] transporten heeft verzorgd in Duitsland, tussen Nederland en Duitsland en tussen Polen en Duitsland. Voor die werkzaamheden heeft [appellant] facturen aan [geïntimeerde] uitgebracht.
[geïntimeerde] heeft de samenwerking met [appellant] beëindigd.
4. Procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft – voor zover in dit hoger beroep relevant en kort gezegd – gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 210.000, met rente en kosten, ten titel van schadevergoeding, op de grond dat [geïntimeerde] de duurovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd zonder daarbij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen.
[geïntimeerde] heeft incidenteel gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van deze schadevergoedingsvordering van [appellant] . In dat incident heeft [appellant] het standpunt van [geïntimeerde] bestreden.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van de schadevergoedingsvordering van [appellant] kennis te nemen. Ze heeft geoordeeld – kort gezegd – dat die vordering niet voortvloeit uit de vervoersovereenkomsten tussen partijen maar uit de gestelde onjuiste wijze van beëindigen van de handelsrelatie, waarop niet artikel 31 CMR maar artikel 4 Verordening Brussel I bis van toepassing is, dat als de bevoegde rechter aanwijst de rechter van de woonplaats van de gedaagde, in dit geval dus [geïntimeerde] , die woonplaats heeft in [plaats 2] , Duitsland.
5. Hoger beroep
[appellant] is met één grief tegen het vonnis opgekomen. Ze concludeert dat het hof dat vonnis zal vernietigen voor zover de rechtbank zich daarin onbevoegd heeft verklaard om van de schadevergoedingsvordering van [appellant] kennis te nemen, en dat ze de zaak naar de rechtbank zal terugverwijzen om op de hoofdzaak te beslissen, met – uitvoerbaar bij voorraad − beslissing over de kosten.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
In incidenteel hoger beroep heeft [geïntimeerde] één grief aangevoerd, die strekt tot bekrachtiging van het door [appellant] bestreden dictum van het vonnis van de rechtbank. Ze concludeert dat het hof [appellant] – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen in de kosten van het incidentele hoger beroep, met nakosten.
[appellant] heeft de grief in incidenteel hoger beroep bestreden, en geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] – uitvoerbaar bij voorraad – zal veroordelen in de kosten van het incidentele hoger beroep.
6. Beoordeling
In het principale hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank in rov. 5.19 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft beslist dat op grond van de hoofdregel van artikel 4 Verordening Brussel I bis (alleen) de rechter van de woonplaats van [geïntimeerde] bevoegd is om kennis te nemen van de schadevergoedingsvordering.
Anders dan [geïntimeerde] leest het hof in de memorie van grieven van [appellant] niet dat ze ook de overweging van de rechtbank bestrijdt dat haar schadevergoedingsvordering geen vordering is waartoe het aan de CMR onderworpen vervoer aanleiding geeft. Partijen nemen dit terecht tot uitgangspunt.
Het hof is van oordeel dat niet – en dus anders dan [geïntimeerde] betoogt – kan worden aanvaard dat de Nederlandse rechter niet op grond van artikel 7 Verordening Brussel I bis bevoegd zou kunnen zijn op de enkele grond dat artikel 31 CMR toepassing mist en dus voor de vordering van [appellant] geen bevoegde rechter aanwijst.
De internationale bevoegdheid van de rechtbank Amsterdam moet in dat geval worden bepaald aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.
In hoger beroep voert [appellant] aan dat de rechtbank Amsterdam aan artikel 7 lid 1 Verordening Brussel I-bis de bevoegdheid ontleent om van de schadevergoedingsvordering van [appellant] kennis te nemen. Uit artikel 7 lid 1 onder b, tweede gedachtestreepje, Verordening Brussel I-bis zou volgen dat de Nederlandse rechter bevoegd is omdat de dienstverlening van [appellant] het nauwst met Nederland is verbonden althans omdat [appellant] in Nederland is gevestigd. Als artikel 7 lid 1 onder b Verordening Brussel I-bis toepassing mist, zou de bevoegdheid van de Nederlandse rechter volgen uit artikel 7 lid 1 onder a Verordening Brussel I-bis, omdat [geïntimeerde] de aan [appellant] verschuldigde schade in Nederland moet vergoeden.
[geïntimeerde] bestrijdt dat op artikel 7 lid 1 Verordening Brussel I bis de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd.
Het hof oordeelt als volgt.
Met [appellant] kan worden aangenomen dat haar schadevergoedingsvordering een contractuele grondslag heeft in de zin van artikel 7 lid 1 Verordening Brussel I-bis. Ze ziet immers op de onregelmatige beëindiging door [geïntimeerde] van een langdurige handelsrelatie, waarin [appellant] sinds juli 2016 voor Blime2000 honderden transporten per jaar verzorgde op basis van tarieven die volgden uit door [appellant] aan [geïntimeerde] verstrekte prijslijsten. Zo’n handelsrelatie kan in het licht van HvJ EU 14 juli 2016, C-196/15, ECLI:EU:C:2016:559 (Granarolo) worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot verstrekking van diensten.
Als, zoals [appellant] stelt, deze handelsrelatie wordt beheerst door Nederlands recht, zou dan op artikel 6:248 lid 1 BW het standpunt kunnen worden gebaseerd dat [geïntimeerde] de handelsrelatie niet dan met inachtneming van een redelijke termijn heeft mogen beëindigen, en dat [geïntimeerde] door de niet-nakoming van deze verbintenis schadeplichtig jegens [appellant] is geworden. Artikel 7 lid 1 Verordening Brussel I-bis creëert dan een aanvullende bevoegdheid voor de rechter van de plaats waar deze verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Omdat de verbintenis die [geïntimeerde] naar de stelling van [appellant] niet is nagekomen, geen dienstverlening betreft, mist artikel 7 lid 1 onder b, tweede gedachtestreepje, Verordening Brussel I-bis toepassing (vgl. HvJ EU 14 september 2023, C-393/22, ECLI:EU:C:2023:675 (Extéria)), en moet de aanvullende bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden onderzocht aan de hand van artikel 7 lid 1 onder a Verordening Brussel I-bis.
Niet juist is de stelling van [appellant] dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is omdat de op [geïntimeerde] rustende schadevergoedingsverbintenis moet worden uitgevoerd aan de woonplaats van [appellant] (art. 6:116 lid 1 BW). Die schadevergoedingsverbintenis is de secundaire verbintenis die ontstaat doordat, naar de stelling van Ablas, [geïntimeerde] haar primaire contractuele verbintenis niet is nagekomen. Het gaat er in het kader van artikel 7 lid 1 onder a Verordening Brussel I-bis om waar [geïntimeerde] die primaire verbintenis, die naar de stelling van [appellant] inhoudt dat [geïntimeerde] de duurovereenkomst alleen kon opzeggen met inachtneming van een redelijke termijn, is nagekomen dan wel had moeten nakomen.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gemotiveerd, en ondersteund met schriftelijk bewijs, aangevoerd dat zij tijdens gesprekken tussen partijen in Duitsland (Jakobsdorf/ [plaats 2] ) de rechtsverhouding met [appellant] heeft beëindigd, en dat zij die beëindiging bij haar brief van 29 september 2023 heeft bevestigd. [appellant] heeft die stellingen niet (voldoende gemotiveerd) bestreden. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat [geïntimeerde] de handelsrelatie met [appellant] heeft opgezegd in Duitsland, zodat de gestelde niet-nakoming van de verbintenis om de handelsrelatie met inachtneming van een redelijke termijn op te zeggen, in Duitsland moet worden gelokaliseerd. Daaruit volgt dan dat de Nederlandse rechter aan artikel 7 lid 1 Verordening Brussel I-bis geen aanvullende bevoegdheid ontleent.
De rechtbank heeft dus terecht beslist dat [appellant] haar schadevergoedingsvordering op de voet van artikel Verordening 4 lid 1 Brussel I-bis moet voorleggen aan de Duitse rechter.
Bij deze stand van zaken bestaat geen belang bij een bespreking van de grief in het incidentele hoger beroep, waarbij [geïntimeerde] de beslissing van de rechtbank bestrijdt dat de forumkeuze voor een Duitse rechter- en een rechtskeuze voor Duits recht in de raamovereenkomsten niet langer van toepassing zijn.
De slotsom luidt dat de grief van [appellant] niet slaagt en dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.
[appellant] is in het principale hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dat principale hoger beroep. In het incidentele hoger beroep wordt geen kostenveroordeling uitgesproken omdat het standpunt van [geïntimeerde] strekt tot bekrachtiging van het door [appellant] bestreden dictum en van rechtswege aan de orde zou zijn geweest als de grief van [appellant] succes had gehad.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 6.803,00
- salaris advocaat € 4.707,00 (tarief VI, 1 punt)
Totaal € 11.510,00
7. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in principaal hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 11.510,00, vermeerderd met € 189,00 voor nasalaris, en met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Alwin, mr. J.W.M. Tromp en mr. A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.