ECLI:NL:GHAMS:2026:2786

ECLI:NL:GHAMS:2026:2786

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 200.368.717
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Incidentele vordering tot schorsing van executie art 351 Rv: afgewezen (gebrek aan belang). Voorlopige voorziening art. 223 Rv.: afgewezen (onvoldoende gesteld).

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

team I (handel)

zaaknummer : 200.368.717/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/772582/ HA ZA 25-1297

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 september 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

wonend in [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

gevestigd te [plaats 2] ,

appellanten in de hoofdzaak,

eisers in het incident

advocaat: mr. R. Dufour te Amersfoort,

tegen

1. [geïntimeerde 1] .,

gevestigd te [plaats 3] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

gevestigd te [plaats 4] (Zwitserland),

geïntimeerden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. B.S.J.M. van Gangelen te Rotterdam.

Eisers in het incident worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd. Verweerders in het incident worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd en afzonderlijk, respectievelijk, [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] .

1. Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 14 april 2026 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 april 2026 onder bovenstaand zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers en [appellanten] als gedaagden.

Bij memorie van grieven hebben [appellanten] een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging ingesteld ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.

[appellanten] hebben, samengevat, incidenteel gevorderd dat het hof zal schorsen:

A. de executie van het eindvonnis;

B. de verdeling van de opbrengst van de woning aan de [straat] [nummer] in [plaats 1] ,

totdat in hoger beroep eindarrest is gewezen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het incident, uitvoerbaar bij voorraad.

[geïntimeerden] hebben daarop bij conclusie, met producties, geantwoord in het incident en, samengevat, geconcludeerd dat het hof:

Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.

2. Beoordeling

in het incident

In het eindvonnis heeft de rechtbank [appellanten] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van:

- € 260.000,00 aan [geïntimeerde 1] te vermeerderen met 10% rente vanaf 28 juni 2023, boetes en buitengerechtelijke kosten;

- € 90.000,00 aan [geïntimeerde 2] te vermeerderen met 10% rente vanaf 28 juni 2024, boetes en buitengerechtelijke kosten.

Voorts heeft de rechtbank [appellanten] hoofdelijk veroordeeld in de beslag-, proces- en nakosten met wettelijke rente. Het eindvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring is niet gemotiveerd.

Ter onderbouwing van hun incidentele vorderingen stellen [appellanten] dat het eindvonnis berust op juridische en feitelijke misslagen en dat het belang van [appellanten] bij behoud van de bestaande toestand, totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij tenuitvoerlegging van het eindvonnis.

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

Aangezien in het eindvonnis ongemotiveerd over de uitvoerbaarheid bij voorraad is beslist, stelt het hof bij de beoordeling van de incidentele vordering het volgende voorop

(vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

Uit de toelichting van [appellanten] op hun incidentele vorderingen maakt het hof op dat de vordering sub A. in hoofdzaak ziet op de schorsing van de executoriale verkoop van de woning [straat] [nummer] in [plaats 1] (hierna: de woning). In diezelfde toelichting stellen [appellanten] dat de executieverkoop van de woning al heeft plaatsgevonden. Daarmee is het executietraject op dit onderdeel voltooid. Dit heeft tot gevolg dat [appellanten] geen rechtens te respecteren belang (meer) hebben bij hun vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging op dit onderdeel.

Voor zover de vordering sub A. een ruimere strekking heeft dan de executie van de woning, geldt het volgende. Het hof kan in het kader van dit incident niet ingaan op de inhoudelijke bezwaren van [appellanten] tegen het eindvonnis omdat niet op het oordeel in de hoofdzaak mag worden vooruit gelopen. De inhoudelijke bezwaren kunnen niet leiden tot het oordeel dat het eindvonnis op een kennelijke misslag berust. Daarvoor is nodig dat het om ‘kennelijke’ misslagen gaat die op het eerste gezicht duidelijk kenbaar zijn zonder dat nader feitelijk of juridisch onderzoek hoeft plaats te vinden. Daarvan is in deze zaak niet gebleken.

De veroordelingen betreffen betalingen van geldsommen, zodat het belang van [geïntimeerden] bij (verdere) tenuitvoerlegging daarvan in beginsel is gegeven. Het door [appellanten] gestelde restitutie-risico staat in beginsel de tenuitvoerlegging van het eindvonnis niet in de weg, nog daargelaten dat een dergelijk risico niet volgt uit de stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] in [plaats 3] resp. Zwitserland zijn gevestigd.

Ook voor het overige is onvoldoende gesteld door [appellanten] dat hun belang bij schorsing van de executie zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerden] bij tenuitvoerlegging van het eindvonnis.

[appellanten] beogen met de onder B. gevorderde voorlopige voorziening de verdeling van de (meer)opbrengst van de woning gedurende de behandeling van de hoofdzaak op te schorten voor [geïntimeerden] en andere concurrente schuldeisers; zij hebben geen bezwaar tegen uitdeling van de opbrengst aan de bevoorrechte en preferente schuldeisers (de hypotheekhouder en de Belastingdienst). Zij stoelen deze vordering op hetgeen zij aan hun vordering onder A. ten grondslag leggen en stellen dat [geïntimeerden] , afgezet tegen het belang van [appellanten] bij een inhoudelijke beoordeling van de hoofdzaak, niet ernstig in hun belang worden geschaad omdat de beschikbare gelden bij een bewaarder worden gestald. Daarmee hebben [appellanten] onvoldoende gesteld om deze voorziening te rechtvaardigen. Een eigen belang van [appellanten] bij de gevorderde beslissing ontbreekt, nu uit hun eigen opstelling volgt dat de gehele opbrengst hoe dan ook aan de diverse schuldeisers zal toekomen. Daarbij komt dat in dit incident geen beslissingen kunnen worden genomen die in de kern neerkomen op verdeling van de opbrengst tussen de schuldeisers.

Dit betekent dat beide incidentele vorderingen van [appellanten] zullen worden afgewezen.

Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door [geïntimeerden]

3. Beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst de vorderingen af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor memorie van antwoord door [geïntimeerden] ;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand