ECLI:NL:GHAMS:2026:2795

ECLI:NL:GHAMS:2026:2795

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 15-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 200.353.001
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De vordering van geïntimeerde tot terugbetaling van een door hem aan appellante onverschuldigd betaald bedrag aan huisvestingslasten is in eerste aanleg toegewezen, omdat daarvoor geen rechtsgrond aanwezig was. De grieven van appellante tegen het oordeel van de kantonrechter treffen geen doel

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht, team handel

zaaknummer gerechtshof: 200.353.001/01

zaaknummer rechtbank: 10849193 \ CV EXPL 23-15736

arrest van 29 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

gevestigd te [plaats] ,

appellante,

advocaat: mr. B.P. van Overeem,

tegen

[geïntimeerde] ,

voorheen gevestigd te [plaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. N.M. Don.

Het hof noemt partijen hierna [appellant] en [geïntimeerde] .

1. De zaak in het kort

De vordering van geïntimeerde tot terugbetaling van een door hem aan appellante onverschuldigd betaald bedrag aan huisvestingslasten is in eerste aanleg toegewezen, omdat daarvoor geen rechtsgrond aanwezig was. De grieven van appellante tegen het oordeel van de kantonrechter treffen geen doel.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam op 26 november 2024 tussen partijen heeft uitgesproken (hierna: het bestreden vonnis). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de nagekomen producties 1 t/m 3 van [appellant] .

Op 4 juni 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Ten slotte is arrest bepaald.

3. De feiten

De kantonrechter heeft onder 3.1 tot en met 3.7. van het bestreden vonnis feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover niet in geschil dienen die feiten ook het hof tot uitgangspunt. Waar nodig aangevuld met andere feiten die tussen partijen vast staan, gaat het om de volgende feiten.

[geïntimeerde] huurde als huisarts van [appellant] vanaf 1 december 2015 voor een periode van vijftien jaar 1/5de deel van de eerste verdieping van het pand Gezondheidscentrum Duizendblad aan [STRAAT + NUMMER] in [plaats] . Twee andere huisartsen huurden eveneens 1/5de deel van het pand; een ander 1/5de deel is langere tijd leeg blijven staan en 1/5de deel was in gebruik bij [appellant] die daar een apotheek exploiteert.

Partijen hebben ook een overeenkomst gesloten ten aanzien van onder andere de inrichting, serviceverlening, taakverdeling en gezamenlijke kosten. Partijen hebben daarbij tevens afspraken gemaakt over de leegstandskosten van 1/5de deel van de verdieping. Deze overeenkomst ‘Uitgangspunten verdeling huisvestingslasten huisartsen’ (hierna: Overeenkomst Huisvestingslasten) is op 24 november 2015 door partijen, de twee andere huisartsen en de Maatschap Duizendblad i.o. ondertekend.

In de Overeenkomst Huisvestingslasten is (voor zover van belang) het volgende bepaald:

1. Uitgangspunt is een normatief aantal ingeschreven patiënten per Partij c.q. praktijk van 2.600;

2. Indien een Partij c.q. praktijk meer patiënten heeft dan het normatieve aantal patiënten dan betaalt deze praktijk, naast de eigen huisvestingslasten, in eerste instantie voor dat deel mee aan de huisvestingslasten van Partij 4 Kostenmaatschap Duizendblad – hof];

(…)

4. Het resterende aandeel van huisvestingslasten van Partij 4 wordt naar rato (ieder 1/3de deel) verdeeld tussen Partijen 1, 2 en 3. [bedrijf] , Huisartsenpraktijk [geïntimeerde] resp. Maatschap van [naam 1] – hof, ] In onderstaande tabel is een rekenvoorbeeld opgenomen. Deze verdeling is alleen van toepassing in zoverre er geen dekking is vanuit onderhuuropbrengsten (zie artikel 11).

(…)

10. Partijen hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid t.a.v. de onderhuur aan derden.

(...)

11. Alle onderhuuropbrengsten komen in eerste instantie ten goede van Partij 4. Indien de door Partij 4 te ontvangen huisvestingslasten conform artikel 2 en de onderhuuropbrengsten hoger zijn dan de netto huisvestingslasten (op basis van kalenderjaar) dan komt de meeropbrengst ten goede aan Partij 5 [appellant] – hof] in zoverre Partij 5 conform de geldende systematiek verlies maakt op de huisvestingskosten (voor de rekening systematiek wordt verwezen naar de bijlage die integraal onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst).

(…)

13. Aanpassingen van de huur en overige huisvestingslasten c.q. huurcontracten (op basis van addendum) kan maximaal één maal per jaar plaatsvinden. Verrekening zal achteraf plaatsvinden. Basis voor aanpassingen is het gemiddeld aantal ingeschreven patiënten per kwartaal waarvoor ook declaratie plaats heeft gevonden alsmede de werkelijke onderhuuropbrengsten. Indien de afwijking van de vastgestelde capaciteit (voor het eerst conform tabel 1) minder is dan 5% op jaarbasis zal geen verrekening van huisvestingslasten plaatsvinden tenzij partijen op basis van algemene stemmen anders beslissen. Partijen zullen uit hun midden iemand of een externe aanstellen die op basis van de uitgangspunten van deze overeenkomst zal zorgdragen voor een voorstel tot bijstelling van de huurovereenkomsten en/of de huisvestingslasten. Vanaf ondertekening van deze overeenkomst wordt hiertoe [naam 2] (bekend bij Partijen) aangesteld.

(…)

15. Huurprijs: De richtprijs van de LHV is overeengekomen zijnde € 143 per m2 BVO (prijsniveau 2014). Dit is een turn key huurprijs. Ten aanzien van de investeringen is een demarcatielijst (wat is voor rekening verhuurder en wat voor huurder?) beschikbaar en bekend bij Partijen.

16. Servicekosten: Ten aanzien van de servicekosten is een demarcatielijst (wat is voor rekening verhuurder en wat voor huurder?) beschikbaar en bekend bij Partijen. De servicekosten worden in rekening gebracht op basis van een voorschot waarop nacalculatie plaatsvindt.

(…)

19. Deze overeenkomst moet in samenhang worden gezien met de getekende huurovereenkomsten zoals bedoeld in artikel 1 en de bijlage.

In het vierde kwartaal van 2016 is een vierde huisarts, [naam 3] (hierna: [naam 3] ), gestart op basis van overdracht van patiënten van de partijen 1 tot en met 3. Vanaf 1 oktober 2017 heeft zij zich door middel van een indeplaatsstelling zelfstandig gevestigd als huisarts in de vierde praktijkruimte en betaalt zij daarvoor huur aan [appellant] .

Over de jaren 2016 tot en met 2020 heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ) steeds op basis van nacalculatie en aan de hand van de jaarcijfers van de huisartsen berekend hoeveel de huisartsen aan onderhuuropbrengsten en afdrachten anderszins aan [appellant] verschuldigd waren. Op grond van deze berekeningen hebben partijen met elkaar afgerekend.

Op 23 december 2022 heeft [appellant] aan de huisartsenmaatschap Duizendblad een aantal aanvullende facturen ’af te dragen huur’ gezonden over de jaren 2016 tot en met 2021 met de vermelding `conform afspraken document huisvestingslasten’. De door [geïntimeerde] te betalen bijdrage is door [appellant] berekend op € 24.884,83. De huisartsen hebben bezwaar gemaakt tegen deze naheffingen. Nader overleg en bemiddelingspogingen hebben niet tot overeenstemming geleid.

[geïntimeerde] heeft in 2023 een procedure gevoerd tegen [appellant] waarbij hij, samengevat, heeft gevorderd dat [appellant] zou meewerken aan een indeplaatsstelling gelet op zijn voorgenomen bedrijfsoverdracht aan een andere huisarts. Bij vonnis van 22 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vorderingen van [geïntimeerde] afgewezen.

Onder protest heeft [geïntimeerde] € 31.415,35 aan [appellant] betaald teneinde medewerking van [appellant] aan de indeplaatsstelling te bewerkstelligen. [appellant] heeft uiteindelijk in de indeplaatsstelling bewilligd. Een deel van het door [geïntimeerde] betaalde bedrag heeft [geïntimeerde] vervolgens in de procedure bij de kantonrechter teruggevorderd.

Bij e-mail van 27 juni 2024 heeft [naam 3] hangende de procedure in eerste aanleg het volgende verklaard:“Hiermee verklaar ik, [naam 3] , geboren [datum] dat ik nimmer een onderhuurcontract met de huisartsenmaatschap Duizendblad ben aangegaan. De betalingen die door mij aan de maatschap zijn gedaan tussen 2016 en 1 oktober 2017 betroffen ingroei naar eigen praktijk, zoals bijdrage aan gebruik voorzieningen andere huisartsen (assistentes, computersysteem, telefonie etc.), overname terzijnertijd van patiënten en zo meer. Vanaf 1 oktober 2017 heb ik mij, mede door ondersteuning maatschap, zelfstandig kunnen vestigen als huisarts in Duizendblad. (…)”

4. De vorderingen, de beslissing van de kantonrechter en het geschil in hoger beroep

[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [appellant] een bedrag van € 23.705,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 november 2023, aan hem terugbetaalt op grond van onverschuldigde betaling.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente, aan [geïntimeerde] moet betalen, omdat er geen rechtsgrond is voor de naheffingen door [appellant] bij facturen van 23 december 2022, zodat de betalingen die [geïntimeerde] onder protest aan [appellant] heeft gedaan conform die facturen onverschuldigd zijn gedaan. [appellant] is tevens in de proceskosten veroordeeld.

[appellant] concludeert in hoger beroep dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en [geïntimeerde] veroordeelt om alle door [appellant] op grond van het bestreden vonnis betaalde bedragen aan [appellant] terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 december 2024 tot de voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

[geïntimeerde] concludeert in hoger beroep dat [appellant] niet ontvankelijk wordt verklaard dan wel dat de vordering van [appellant] wordt afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5. De beoordeling

De vordering van [geïntimeerde] is gebaseerd op onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 6:203 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de stelplicht en bewijslast van de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de vordering uit onverschuldigde betaling in beginsel rusten op degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. Dat betekent dat van [geïntimeerde] mag worden verlangd dat hij voldoende stelt en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant] , bewijst dat de door hem verrichte betaling zonder rechtsgrond heeft plaatsgevonden.

Het hof ziet aanleiding om eerst de grieven 2 tot en met 4 te behandelen. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering zich beroepen op diverse bepalingen uit de Overeenkomst Huisvestingslasten en een toelichting van [naam 2] daarover en over eerder gepresenteerde afrekeningen. [naam 2] is daarbij uitgegaan van de huuropbrengsten van alleen GGD (kennelijk een onderhuurder) en de jaarcijfers van de huisartsen. Volgens de kantonrechter is daaruit komen vast te staan dat de bijlage waarop [appellant] zich beroept louter als illustratie bij de overeenkomst is gevoegd, zodat die tabellen geen basis kunnen vormen om van [geïntimeerde] nabetaling te verlangen. Grief 2 houdt een betwisting in van hetgeen [naam 2] ter toelichting op diverse bepalingen uit de Overeenkomst Huisvestingslasten op de over de jaren 2016-2021 gepresenteerde afrekeningen naar voren heeft gebracht. [naam 2] is volgens [appellant] niet onpartijdig en zijn standpunten zouden alleen van doorslaggevend belang kunnen worden geacht als hij zijn verklaring als getuige onder ede zou afleggen.

Het hof volgt [appellant] hierin niet. De enkele omstandigheid dat [naam 2] betrokken is geweest bij de Overeenkomst Huisvestingslasten en de afrekeningen daarvan en werkzaamheden heeft verricht voor (een van) partijen, brengt niet mee dat zijn verklaring ter zitting van de kantonrechter wegens het ontbreken van een eventuele onafhankelijkheid buiten beschouwing moet worden gelaten. Evenmin is er grond voor het oordeel dat aan de toelichting slechts betekenis zou kunnen toekomen als [naam 2] onder ede als getuige wordt gehoord. De vraag welk gewicht aan een dergelijke verklaring toekomt hangt af van de inhoud daarvan, de mate waarin deze steun vindt in overige stukken en de wijze waarop deze door [appellant] wordt bestreden. [appellant] heeft in algemene bewoordingen de juistheid van de toelichting van [naam 2] betwist, maar heeft nagelaten voldoende concreet uiteen te zetten op welke onderdelen de toelichting onjuist zou zijn. Evenmin heeft [appellant] inzichtelijk gemaakt welke uitleg van de Overeenkomst Huisvestingslasten of van de afrekeningen zou moeten worden gevolgd en op welke concrete punten die uitleg afwijkt van de uitleg die [naam 2] hanteert. Daarmee is slechts sprake van een algemene ontkenning van de juistheid van de door [naam 2] gegeven toelichting. Aangezien de kantonrechter de door [naam 2] gegeven toelichting mede aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en [appellant] daartegen niet voldoende gespecificeerde bezwaren heeft aangevoerd, is geen aanleiding gegeven aan de juistheid daarvan te twijfelen. De grief faalt.

Met grief 3 komt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter dat ter zitting in eerste aanleg is komen vast te staan dat de in de berekening door [naam 2] gehanteerde Inschrijving Op Naam-norm (hierna: ION-norm) correspondeert met hetgeen de overeenkomst in artikel 1 daarover bepaalt en dat [appellant] ter zitting heeft erkend dat de ION-norm de ten behoeve van de financiële afrekening tussen partijen te hanteren norm moet zijn, maar dat uit de door haar overgelegde producties valt op te maken dat zij toch uitgaat van de Niet Op Naam Ingeschreven-norm (hierna: NOI-norm). [appellant] betwist dat ter zitting is erkend dat de ION-norm de te hanteren norm moet zijn. In lijn met artikel 13 van de Overeenkomst Huisvestingslasten is het volgens haar logisch dat ook de NOI-aantallen in beschouwing worden genomen, en dat het gemiddeld aantal patiënten over een heel jaar wordt berekend en niet slechts over de eerste negen maanden.

Los van de vraag of [appellant] ter zitting van de kantonrechter heeft erkend dat de ION-norm de te hanteren norm moet zijn – [appellant] weerspreekt dit in hoger beroep – , heeft [appellant] onvoldoende toegelicht waarom de NOI-norm zou moeten worden toegepast. Anders dan [appellant] betoogt, biedt artikel 13 van de Overeenkomst Huisvestingslasten (zie hiervoor onder r.o. 3.4.) daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. [appellant] is evenmin ingegaan op de stelling van [geïntimeerde] dat de door hem voorgestane norm binnen de branche de gangbare norm is. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grond voor het standpunt van [appellant] om in dit geval een andere norm dan de ION-norm toe te passen. Verder heeft [appellant] gesteld dat het gemiddeld aantal patiënten slechts over negen maanden is berekend, terwijl dit over een heel jaar dient te worden berekend. [geïntimeerde] heeft deze stelling gemotiveerd betwist en aangevoerd dat in de berekening is uitgegaan van het aantal ION-patiënten over een geheel jaar en dat er ook zo is afgerekend tussen partijen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] – in het licht van deze betwisting van [geïntimeerde] – ook deze stelling onvoldoende toegelicht. Zij heeft geen stukken, berekeningen of andere concrete gegevens overgelegd waaruit volgt dat het gemiddeld aantal patiënten over negen maanden is berekend en niet over een jaar. Evenmin kan het hof uit de overgelegde stukken afleiden dat een berekening over negen maanden heeft plaatsgevonden en niet over een jaar. De enkele stelling van [appellant] is daartoe onvoldoende. Het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij. Grief 3 faalt.

Grief 4 komt op tegen het oordeel van de kantonrechter in rov. 5.6. dat niet is komen vast te staan dat sprake is van onderhuur door anderen dan de GGD. De grief houdt in dat [naam 3] wel degelijk huur heeft betaald voor de praktijkruimte die zij gebruikte alvorens zij een overeenkomst tot indeplaatsstelling met [appellant] is aangegaan. Aangezien [geïntimeerde] niet volledig en naar waarheid de gegevens heeft aangeleverd, heeft [appellant] zelf de gegevens ingevuld om de afdracht verplichting te berekenen.

Het hof is van oordeel dat in het licht van de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] en de door hem overgelegde verklaring van [naam 3] van 27 juni 2024 (zie hiervoor onder r.o. 3.10.), [appellant] haar stelling dat [naam 3] praktijkruimte onderhuurde waarvoor zij huur betaalde onvoldoende concreet heeft toegelicht. De kantonrechter heeft terecht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van onderhuur door anderen dan de GGD. Het door [appellant] gestelde waaruit zou moeten worden afgeleid dat [naam 3] huur betaalde, kan niet als voldoende onderbouwing voor haar stelling worden aangemerkt. Grief 4 slaagt daarom evenmin.

Grief 1 is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd waarop zij haar naheffingsfacturen heeft gebaseerd, hetgeen wel van haar mocht worden verwacht. De kantonrechter heeft hierbij erop gewezen dat [appellant] in haar conclusie van antwoord en ter zitting slechts heeft verwezen naar door haar eerder gemaakte berekeningen en tabellen, zonder per punt of parameter aan te geven op welke bepaling van de Overeenkomst Huisvestingslasten zij haar naheffingen heeft gebaseerd. Volgens [appellant] heeft zij wel degelijk een onderbouwing gegeven van hetgeen zij in rekening heeft gebracht. In de processtukken is uitdrukkelijk verwezen naar de diverse correspondentie met bijlagen waarin grondslag en hoogte van de vordering uitdrukkelijk zijn uiteengezet en in de processtukken is ook uitdrukkelijk uiteengezet welke uitgangspunten daarbij zijn gekozen. Onjuist is dat de bijlage bij de Overeenkomst Huisvestingslasten niet relevant is. Door deze niet over te leggen heeft [geïntimeerde] het bepaalde in artikel 21 Rv geschonden, aldus [appellant] .

Het hof volgt [appellant] niet in haar standpunt. Van belang is allereerst dat [appellant] heeft erkend dat de door haar gemaakte berekening van het aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag, waarvan [geïntimeerde] stelt dat dit onverschuldigd is betaald, mede is gebaseerd op fictieve gegevens. Een berekening die niet steunt op concrete en controleerbare gegevens, maar op aannames kan niet als voldoende onderbouwing van de gestelde vordering dienen. Zoals door de kantonrechter overwogen is voorts in de processtukken geen berekening opgenomen van de gefactureerde naheffingen. In de processtukken in hoger beroep ontbreekt deze berekening ook. [appellant] heeft weliswaar in haar processtukken gewezen op producties en bijlagen die volgens haar ondersteuning bieden aan haar vordering op [geïntimeerde] , maar zij heeft nagelaten concreet en inzichtelijk uiteen te zetten op welke wijze uit die stukken volgt dat de in rekening gebrachte bedragen juist zijn. Een enkele verwijzing naar producties zonder verdere toelichting kan niet gelden als een voldoende gespecificeerde onderbouwing van het standpunt dat er een rechtsgrond voor de betaling van [geïntimeerde] bestond. Het lag op de weg van [appellant] om per onderdeel van de gevorderde bedragen inzichtelijk te maken welke kosten aan die bedragen ten grondslag liggen en hoe deze bedragen zijn berekend. Ook in hoger beroep heeft [appellant] niet, althans onvoldoende toegelicht welke specifieke passages uit de door haar genoemde correspondentie en bijlagen haar standpunt ondersteunen. Evenmin heeft zij de gehanteerde uitgangspunten en de daaruit voortvloeiende berekeningen zodanig geconcretiseerd dat het hof de juistheid daarvan kan toetsen. Het hof is daarom van oordeel dat [appellant] haar stelling dat de aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen van een deugdelijke onderbouwing zijn voorzien, onvoldoende feitelijk heeft toegelicht.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat [geïntimeerde] artikel 21 Rv heeft geschonden door de bijlage bij de Overeenkomst Huisvestingslasten niet in het geding te brengen, volgt het hof haar daarin niet. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd aangevoerd dat hij deze bijlage niet relevant achtte voor de beoordeling van het geschil, omdat deze slechts illustratieve en geen reële cijfers laat zien. Het enkele feit dat een partij een stuk niet overlegt omdat hij van oordeel is dat dit niet van belang is voor de beslissing van de zaak, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een schending van de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht. Artikel 21 Rv verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Niet is gebleken dat [geïntimeerde] bewust relevante feiten heeft verzwegen. Dat [appellant] een ander standpunt inneemt over de relevantie van de bijlage, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen uit artikel 21 Rv heeft geschonden. Het beroep op schending van artikel 21 Rv wordt daarom verworpen.

Uit het voorgaande volgt dat beide onderdelen van grief 1 falen. [appellant] heeft noch haar stelling dat voor haar vordering een rechtsgrond bestond, noch haar beroep op schending van artikel 21 Rv door [geïntimeerde] voldoende onderbouwd.

Ten slotte, voor zover in eerste aanleg het beginsel van hoor en wederhoor jegens [appellant] is geschonden zoals door haar is aangevoerd, heeft zij in hoger beroep de gelegenheid gehad alsnog haar standpunt naar voren te brengen.

De conclusie

Nu [appellant] geen voldoende concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, wordt haar bewijsaanbod als niet ter zake dienend gepasseerd.

Aangezien geen van de grieven succes hebben, slaagt het hoger beroep niet. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep, begroot op € 827,-- aan verschotten en € 3.340,-- aan salaris;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, A.S. Arnold en M.J.R. Brons en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand