ECLI:NL:GHAMS:2026:2796

ECLI:NL:GHAMS:2026:2796

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 29-09-2026
Zaaknummer 200.344.753
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Eindarrest. Huur woonruimte. Rentebeding in algemene voorwaarden van verhuurder oneerlijk in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het hof vernietigt het rentebeding en wijst de wettelijke rente in hoger beroep alsnog af. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)

zaaknummer : 200.344.753/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10940486 \ CV EXPL 24-1755

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026

in de zaak van

[appellant] ,

wonend in [plaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. A. Frederiksen te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend in [plaats 2] , Hong Kong (China),

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1. De zaak in het kort

Het hof heeft bij tussenarrest voorlopig geoordeeld dat het rentebeding in de algemene voorwaarden van de verhuurder oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) en dat dit meebrengt dat de verhuurder niet alleen geen beroep kan doen op dat rentebeding maar ook geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente. Partijen zijn bij tussenarrest in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten. Het hof vernietigt het rentebeding en wijst de wettelijke rente in hoger beroep alsnog af. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige.

2. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In deze zaak heeft het hof op 21 april 2026 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen (ECLI:NL:GHAMS:2026:1098).

[geïntimeerde] heeft op 19 mei 2026 een akte genomen.

[appellant] heeft op 16 juni 2026 een antwoordakte genomen.

Vervolgens is opnieuw arrest bepaald.

3. De verdere beoordeling

Recapitulatie

In het tussenarrest heeft het hof geoordeeld dat de grieven van [appellant] tegen het bestreden vonnis falen, en dat het bestreden vonnis bij eindarrest zal worden bekrachtigd wat betreft de hoofdsom en de proceskostenveroordeling.

Met betrekking tot de door de kantonrechter over de hoofdsom toegewezen wettelijke rente heeft het hof het oordeel aangehouden. Het hof heeft voorshands geoordeeld dat het rentebeding in artikel 13 lid 3 van de algemene voorwaarden, die deel uitmaken van de huurovereenkomst, oneerlijk is in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn. Naar het voorlopig oordeel van het hof is de sanctie die moet worden gesteld op de oneerlijkheid van het rentebeding niet alleen dat op dat beding geen beroep kan worden gedaan, maar ook dat [geïntimeerde] geen aanspraak kan maken op de wettelijke rente. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.

Standpunten van partijen

[geïntimeerde] voert in zijn akte aan dat uit de vernietiging van het rentebeding wegens oneerlijkheid nog niet zonder meer volgt dat ook een zelfstandige aanspraak op wettelijke rente vervalt. De wettelijke rente is immers niet identiek aan het vernietigde beding, maar berust op een eigen, van het beding te onderscheiden, wettelijke grondslag. Het hof dient daarom onderscheid te maken tussen het oneerlijke contractuele beding en de wettelijke rentevordering als rechtsgevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom. Toewijzing van wettelijke rente houdt niet zonder meer in dat het vernietigde rentebeding in gewijzigde vorm wordt gehandhaafd. Het hof zal daarom afzonderlijk moeten motiveren waarom toepassing van de wettelijke rente in dit geval toch moet worden aangemerkt als vervanging van het vernietigde beding. Het voorlopig oordeel van het hof lijkt categorisch te luiden dat na vernietiging van het rentebeding nooit wettelijke rente kan worden toegewezen en is daarmee te absoluut geformuleerd. De rechtsontwikkeling laat zien dat de precieze reikwijdte van het verbod op terugval op nationaal recht na vernietiging van een oneerlijk beding niet in alle opzichten is uitgekristalliseerd (zie de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 23 mei 2025 (ECLI:NL:HR:2025:820)). [geïntimeerde] verzoekt het hof dan ook terug te komen van zijn voorlopige oordeel dat na vernietiging van het rentebeding geen aanspraak kan bestaan op wettelijke rente en – naar het hof begrijpt – het bestreden vonnis ook op dit punt te bekrachtigen.

[appellant] heeft bij antwoordakte verklaard zich te refereren aan het oordeel van het hof.

Rentebeding oneerlijk

Het hof begrijpt het standpunt van [geïntimeerde] aldus dat hij zich verenigt met het oordeel van het hof dat het rentebeding oneerlijk is in de zin van de Richtlijn. Het hof zal het rentebeding wegens oneerlijkheid vernietigen.

Aanspraak op wettelijke rente?

Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) moet de Richtlijn aldus worden uitgelegd dat een verkoper die – in die hoedanigheid – de consument een beding heeft opgelegd dat door de nationale rechter oneerlijk is verklaard en dus is vernietigd, wanneer de overeenkomst zonder dat beding kan voortbestaan, geen aanspraak kan maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.

Nu de huurovereenkomst zonder het rentebeding kan voortbestaan, kan [geïntimeerde] dan ook geen aanspraak maken op de bij bepalingen van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest, zoals in dit geval dus de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW. Toepassing van artikel 6:119 BW zou immers neerkomen op een aanvulling van de overeenkomst door de inhoud van het beding te herzien. Het Hof van Justitie heeft meermalen geoordeeld dat, indien de nationale rechter bevoegd zou zijn om de inhoud van oneerlijke bedingen te herzien, de verwezenlijking van het langetermijndoel van artikel 7 van de Richtlijn in gevaar zou kunnen komen. Die bevoegdheid zou er namelijk toe bijdragen dat de afschrikkende werking die voor verkopers uitgaat van het feit dat deze oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, teniet wordt gedaan doordat verkopers nog steeds geneigd zouden zijn om die bedingen te gebruiken in de wetenschap dat, ook al mochten deze ongeldig worden verklaard, de overeenkomst niettemin voor zover noodzakelijk door de nationale rechter zou kunnen worden aangevuld en hun belang dus gediend zou zijn.

Dat de Hoge Raad op 4 juli 2025 een prejudiciële vraag heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de gevolgen van de vernietiging van een proceskostenbeding (ECLI:NL:HR:2025:1081), maakt het bovenstaande – anders dan [geïntimeerde] stelt – ten slotte niet anders. De terugvalrechtspraak in een geval zoals hier aan de orde is immers wel uitgekristalliseerd.

Slotsom en proceskosten

De grieven van [appellant] slagen niet. Het hof zal het rentebeding in de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] wegens oneerlijkheid vernietigen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd, met uitzondering van de over de hoofdsom toegewezen wettelijke rente. Het hof zal die rente alsnog afwijzen. [appellant] is in het hoger beroep overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:

- griffierecht € 349,00

- salaris advocaat € 3.340,00 (tarief € 1.670,00 x 2 punten)

Totaal € 3.689,00.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt het rentebeding in artikel 13 lid 3 van de algemene voorwaarden van [geïntimeerde] ;

bekrachtigt het bestreden vonnis, met uitzondering van de in het dictum onder 5.2 toegewezen wettelijke rente;

wijst de wettelijke rente over de hoofdsom af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.689,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;

verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.C.W. Rang, mr. J.C. Toorman en mr. E.J. Bellaart en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C. Toorman
  • mr. E.J. Bellaart

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand