arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.367.570/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/768422 / HA ZA 25-997
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2026
inzake
[appellant] ,
gevestigd te [plaats] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. M.P. Vink te Amsterdam,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. M.E.G. Murris te Utrecht.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 7 april 2026 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2026 dat onder bovengenoemd zaaknummer is gewezen tussen [appellant] als eiseres en ING als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering op de voet van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties;
- conclusie van antwoord in het incident.
[appellant] heeft incidenteel gevorderd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van de procedure in hoger beroep, ING zal gebieden de door haar beëindigde pin-faciliteit binnen zeven dagen na dit arrest te herstellen en te blijven faciliteren, op straffe van een dwangsom.
ING heeft geconcludeerd tot afwijzing van de door [appellant] gevraagde voorziening, met
– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident, met nakosten en rente.
Ten slotte is arrest in het incident gevraagd.
2. Beoordeling
in het incident:
Samengevat en voor zover voor de beoordeling van de incidentele vordering van belang, gaat het in deze zaak om het volgende.
( i) [appellant] is een zogenoemde ‘money service business’. Klanten kunnen bij haar in Nederland gelden storten die bestemd zijn voor begunstigden in andere landen (Somalië) die vaak geen bankrekening hebben. [appellant] heeft twee kantoren in Nederland.
(ii) [appellant] maakt voor het uitoefenen van haar activiteiten gebruik van bankrekeningen en de daaraan verbonden faciliteiten van ING.
(iii) ING heeft meerdere van deze faciliteiten opgezegd, waaronder de pin-faciliteit.
(iv) Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank (onder meer) de vordering van [appellant] om ING te veroordelen tot voortzetting van de dienstverlening wat betreft de pin-faciliteit afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is opzegging van deze faciliteit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ING een reëel risico op problemen met MasterCard loopt, omdat zij niet kan voldoen aan de strikte voorwaarden die zij heeft afgesproken met MasterCard. Hierbij speelt mee dat ING in de veronderstelling verkeerde dat [appellant] alleen een ideële stichting was en niet ook een betaalinstelling. Verder heeft ING een lijst met mogelijke alternatieve aanbieders overgelegd, waarop [appellant] niet heeft gereageerd. Ten slotte speelt mee dat de mogelijkheid van geld overmaken via iDeal wel blijft bestaan, zodat klanten van [appellant] toch geld kunnen overmaken naar de betaalrekening van [appellant] .
( v) Op 6 mei 2026 heeft ING de pin-faciliteit beëindigd.
Bij de beoordeling van de door [appellant] gevorderde voorlopige voorziening stelt het hof het volgende voorop. Een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv strekt ertoe om gedurende de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. De provisionele vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben. De hoofdzaak is reeds aanhangig. Ook de vereiste samenhang is aanwezig. De provisionele vordering is immers nagenoeg identiek aan de (door de rechtbank afgewezen) hoofdvordering met betrekking tot de pin-faciliteit. Anders dan ING betoogt, maakt dit niet dat de gevorderde voorlopige voorziening buiten de reikwijdte van artikel 223 Rv valt.
Ten aanzien van haar belang bij de incidentele vordering voert [appellant] het volgende aan. Klanten storten op de fysieke locaties geld door te pinnen. Dat is voor [appellant] een essentiële faciliteit, waarover zij zo spoedig mogelijk weer moet kunnen beschikken. De iDeal-faciliteit bij ING, waarvan [appellant] nog wel gebruik kan maken, is hiervoor namelijk geen volwaardig alternatief. Het niet kunnen pinnen doet afbreuk aan het vertrouwen dat klanten in [appellant] moeten hebben en leidt ertoe dat zij zullen uitwijken naar een andere partij. Dat dit ook daadwerkelijk gebeurt, blijkt volgens [appellant] uit de significante daling van het aantal transacties op fysieke locaties sinds de beëindiging van de pin-faciliteit. Ondanks haar inspanningen daartoe is [appellant] er niet in geslaagd om een alternatieve aanbieder te vinden. ING heeft daarentegen geen, althans een (veel) minder zwaarwegend belang bij het niet hoeven voortzetten van de pin-faciliteit.
ING betwist dat het voorgaande het geval is. [appellant] heeft volgens ING niet toereikend onderbouwd dat zonder onmiddellijke voortzetting van de pin-faciliteit zich een acuut en onomkeerbaar nadeel voordoet dat uitsluitend door de gevraagde voorziening kan worden voorkomen. Zo heeft [appellant] niet inzichtelijk gemaakt dat alternatieven ontbreken of niet reëel zijn. Bij toewijzing van de incidentele vordering wordt ING gedwongen om de aanvullende bancaire dienst tegen haar beleid in opnieuw aan [appellant] aan te bieden, het transactieverkeer van [appellant] te faciliteren en de daaraan verbonden processen en risico’s gedurende de appelprocedure te blijven dragen. Dat kan niet van haar worden verwacht, ook gelet op het aanzienlijke belang dat zij heeft bij naleving van de voorwaarden van MasterCard. Het niet-naleven daarvan kan voor ING grote financiële en commerciële gevolgen hebben en de kans daarop wordt vergroot als zij verplicht zou worden om de pin-faciliteit opnieuw aan te bieden.
Het hof is van oordeel dat voorshands en bij de huidige stand van zaken onvoldoende aannemelijk is dat hetgeen door [appellant] (in de memorie van grieven) is aangevoerd ertoe zal leiden dat in de hoofdzaak wordt beslist dat de pin-faciliteit zal moeten worden hersteld. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het debat in de hoofdzaak nog niet voldragen is. Bij deze stand van zaken bestaat onvoldoende grond om de door [appellant] gevorderde voorlopige voorziening toe te wijzen en moet van haar worden gevergd dat zij de afloop van het hoger beroep afwacht. Een afweging van de betrokken belangen leidt niet tot een andere uitkomst. De incidentele vordering zal dus worden afgewezen.
Een oordeel over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak:
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor memorie van antwoord door ING.
3. Beslissing
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering van [appellant] af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan totdat in de hoofdzaak eindarrest zal worden gewezen;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2026 voor memorie van antwoord door ING;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, M.C. Bosch en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.