ECLI:NL:GHAMS:2026:2861

ECLI:NL:GHAMS:2026:2861

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 18-08-2026
Datum publicatie 06-10-2026
Zaaknummer 23-002824-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Ontuchtige handelingen mede bestaand uit seksueel binnendringen, gepleegd bij destijds minderjarige slachtoffers. Overwegingen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen en steunbewijs. Het hof acht een hogere straf op zijn plaats dan de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd, en legt een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Toewijzing vorderingen van de benadeelde partijen.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026 en 18 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.hij in of omstreeks de periode van 10 mei 2016 tot en met 9 mei 2019 te Hoogkarspel en/of Hem, althans de gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedag 2] 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 1] en/of

- het beffen van die [slachtoffer 1] en/of

- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en/of

- het laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] ;

2. primairhij in of omstreeks de periode van 2 juni 2019 tot en met 1 juli 2020 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 2] en/of

- het beffen van die [slachtoffer 2] en/of

- het geven van een of meer (tong)zoenen aan die [slachtoffer 2] en/of

- het betasten van de (met kleding bedekte) borsten en/of billen van [slachtoffer 2] ;

2. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 2 juni 2019 tot en met 1 juli 2020 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2007, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de (met kleding bedekte) borsten en/of billen van [slachtoffer 1] en/of

- het geven van een of meer (tong)zoenen aan die [slachtoffer 1] en/of

- terwijl verdachte met die [slachtoffer 1] onder een dekbed in bed ligt, over de benen van die [slachtoffer 1] wrijven;

3. primairhij in of omstreeks de periode van 18 juli 2017 tot en met 17 juli 2019 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 3] en/of

- het betasten en/of kneden van de borst(en) van die [slachtoffer 3] en/of

- het zoenen van die [slachtoffer 3] in de nek in de richting van de borst(en), althans het bovenlichaam;

3. subsidiairhij in of omstreeks de periode van 18 juli 2017 tot en met 1 juli 2020 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het betasten van de (met kleding bedekte) borsten en/of billen van [slachtoffer 3] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich onder verwijzing naar de bewijsmotivering van de rechtbank op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte grotendeels moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft zij samengevat het volgende aangevoerd. Wat betreft het onder 1 tenlastegelegde (waarin als slachtoffer [slachtoffer 1] wordt genoemd) erkent de verdachte slechts gedeeltelijk de tenlastegelegde seksuele handelingen te hebben verricht, in die zin dat deze handelingen pas zijn aangevangen toen het slachtoffer de leeftijd van 15 jaar had bereikt en niet al toen zij 13 jaar oud was zoals is tenlastegelegd. Voor zover de tenlastegelegde pleegperiode ook de periode van 10 mei 2016 tot en met 9 mei 2018 bestrijkt, dient de verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs te worden vrijgesproken. Van het onder 2 en 3 tenlastegelegde (waarin respectievelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] als slachtoffer worden genoemd) dient de verdachte integraal te worden vrijgesproken, nu de verklaringen van deze aangeefsters onvoldoende betrouwbaar zijn, steunbewijs dan wel schakelbewijs ontbreekt en de door deze aangeefsters genoemde pleegperioden geen steun vinden in hetgeen overigens uit het dossier blijkt.

Het hof overweegt als volgt.

Juridisch kader

In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedragingen aanwezig geweest, namelijk het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. Wanneer de verdachte in zo’n geval de hem of haar verweten gedragingen ontkent, zijn de verklaringen van het veronderstelde slachtoffer doorgaans het enige directe bewijsmiddel.

Het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige, in dit geval het veronderstelde slachtoffer (zie artikel 342, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan). De vraag of aan het bewijsminimum als bedoeld in dit artikel is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad mogen de feiten en omstandigheden waarover de getuige, in dit geval het veronderstelde slachtoffer, verklaart, niet op zichzelf staan, maar moeten zij voldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd.

Dit betekent dat het hof moet beoordelen of de verklaring van het veronderstelde slachtoffer niet alleen betrouwbaar is, maar ook of deze voldoende steun vindt in bewijsmateriaal. Het is niet vereist dat de gedraging zelf steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar wel dat de verklaring van het veronderstelde slachtoffer op specifieke punten bevestiging vindt in het overige bewijsmateriaal. Verder moet het steunbewijs zien op concrete feiten en omstandigheden van het voorliggende geval, die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan de verdachte verweten gedraging(en).

Ten aanzien van feit 1 ( [slachtoffer 1] , voorheen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ))

De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 1] en, voor zover relevant, het steunbewijs

Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] voldoende betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs is.

Op 28 september 2022 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen de verdachte, waarbij zij heeft verklaard dat zij vanaf haar 13e levensjaar door de verdachte seksueel is misbruikt. Het hof is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] specifiek, gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent is over de wijze waarop, onder welke omstandigheden en in welke periode dat misbruik heeft plaatsgevonden. Zo heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over de handelingen die bij haar zijn verricht, waar deze handelingen hebben plaatsgevonden en de wijze waarop zij daarbij door de verdachte is benaderd. Het hof acht haar verklaring dan ook betrouwbaar.

De verdachte heeft de tenlastegelegde seksuele handelingen bekend, maar heeft verklaard dat deze handelingen pas aanvingen op het moment dat [slachtoffer 1] 15 jaar oud was. Het hof volgt de verdachte niet wat betreft de periode. [slachtoffer 1] heeft naar het oordeel van het hof ook consistent en gedetailleerd verklaard over de eerste keer dat de seksuele handelingen plaatsvonden en haar leeftijd op dat moment.

De verklaring van [slachtoffer 1] dat het misbruik op haar dertiende levensjaar begon, vindt bovendien steun in de verklaring van [getuige 1] , de vriendin van [slachtoffer 1] , inhoudend dat, toen zij [slachtoffer 1] en [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) leerde kennen, [slachtoffer 1] een jaar of veertien was en zij van [slachtoffer 1] had gehoord dat [slachtoffer 1] vanaf haar dertiende een relatie (het hof begrijpt: met [verdachte] ) had gekregen, en in de verklaring van [getuige 2] , de moeder van [slachtoffer 1] , inhoudend dat het contact tussen [slachtoffer 1] en [verdachte] vanaf [slachtoffer 1] haar 13e jaar intensiever werd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de seksuele handelingen tussen de verdachte en [slachtoffer 1] reeds plaatsvonden toen [slachtoffer 1] 13 jaar oud was.

Het hof ziet ook overigens geen reden om aan de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 1] te twijfelen en is dan ook van oordeel dat haar verklaring betrouwbaar is en voor het bewijs van het onder 1 tenlastegelegde kan worden gebezigd en is van oordeel dat er – mede gelet op de verklaring van de verdachte zelf – voldoende steunbewijs is.

Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2 ( [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ))

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 2]

Ook ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat deze betrouwbaar is. Het hof overweegt daartoe als volgt. [slachtoffer 2] heeft op 3 november 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte. In haar aangifte heeft [slachtoffer 2] op gedetailleerde wijze verklaard over de ontuchtige handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Zij heeft concrete gebeurtenissen beschreven en daarbij details vermeld over de locaties, de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden en de gedragingen van de verdachte. Daarbij komt dat zij in haar verklaring op wezenlijke punten heeft genuanceerd om te voorkomen dat zij de gedragingen van de verdachte ernstiger of heviger voorstelt dan zij heeft ervaren, door juist een duidelijk onderscheid te maken tussen hetgeen wel en wat niet ten aanzien van haar is voorgevallen in haar beleving. Naar het oordeel van het hof draagt dit bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring en voorts ziet het hof geen reden om aan de inhoud van haar verklaring te twijfelen.

Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, doet de omstandigheid dat [slachtoffer 2] voorafgaand aan haar aangifte met haar zussen heeft gesproken over hetgeen hun is overkomen, daaraan niet af. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat de inhoud van haar verklaring is afgestemd met die van haar zussen of daardoor is gekleurd dan wel anderszins is beïnvloed; [slachtoffer 2] heeft blijkens de processtukken haar eigen ervaringen in haar eigen bewoordingen beschreven.

Gelet op het voorgaande, is het hof dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] betrouwbaar is en daarom tot uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling van het bewijs van het onder 2 tenlastegelegde feit.

Steunbewijs

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. Zo heeft [slachtoffer 3] (hierna: ‘ [slachtoffer 3] ’) verklaard dat de verdachte binnenkwam en dan eerst naar [slachtoffer 2] ging en vervolgens naar haar. Als de verdachte bij/met [slachtoffer 3] bezig was, lag [slachtoffer 2] onder de dekens te huilen. Ook heeft [slachtoffer 3] verklaard dat [slachtoffer 2] na het vertrek van de verdachte ging douchen en haar beddengoed verschoonde, omdat zij zich dan vies voelde. Daarnaast heeft een broer van de aangeefsters, [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), verklaard dat hij zelf heeft gezien dat de verdachte aan de borsten en billen van [slachtoffer 2] zat.

Verder vindt de verklaring van [slachtoffer 2] steun in de eigen verklaring van de verdachte. De verdachte heeft erkend dat hij regelmatig bij de familie thuis kwam en met de jongere kinderen, onder wie [slachtoffer 2] , meeging naar boven en een keer bij [slachtoffer 2] in bed is gekropen, over haar ontblote been heeft gewreven en haar een kus op de lippen heeft gegeven.

Het verweer van de raadsvrouw dat de verdachte in een deel van de tenlastegelegde periode niet meer in de woning kwam, omdat [slachtoffer 1] inmiddels uit huis was gegaan, treft geen doel. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat [slachtoffer 1] in die periode wel op maandagavonden op haar jongere broertjes en zusjes paste en dat de verdachte daarbij aanwezig was. De enkele omstandigheid dat [slachtoffer 1] op enig moment uit huis is gegaan, sluit dan ook geenszins uit dat de verdachte in die periode in de woning is geweest.

Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 3 ( [slachtoffer 3] (‘ [slachtoffer 3] ’))

Betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer 3]

heeft op 3 november 2022 aangifte gedaan tegen de verdachte. In haar aangifte heeft zij gedetailleerd verklaard over de ontuchtige handelingen die de verdachte bij haar heeft verricht. Zij heeft onder meer verklaard dat de verdachte haar in haar nek kuste in de richting van haar borsten, haar zowel boven als onder haar kleding in haar borsten kneep, haar zowel boven als onder haar kleding aanraakte ter hoogte van haar vagina en met zijn vingers over haar clitoris bewoog. Ook over de omstandigheden waaronder deze handelingen plaatsvonden heeft [slachtoffer 3] gedetailleerd verklaard. Zij heeft concrete gebeurtenissen benoemd en details vermeld met betrekking tot de plaats waar, en de wijze waarop de seksuele handelingen plaatsvonden.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 3] acht het hof van belang dat zij haar verklaring op genuanceerde wijze heeft afgelegd. Zij heeft niet de indruk gewekt de gedragingen van de verdachte ernstiger of heviger te willen doen voorkomen dan zij deze heeft ervaren. Ook zij heeft integendeel juist onderscheid gemaakt tussen hetgeen wel en niet bij haar is voorgevallen. Naar het oordeel van het hof draagt deze nuancering bij aan de betrouwbaarheid van haar verklaring en voorts ziet het hof geen reden om aan de inhoud van haar verklaring te twijfelen.

Daarnaast geldt ten aanzien van [slachtoffer 3] eveneens dat het voorafgaand aan de aangifte bespreken van de ontuchtige handelingen met haar zussen niet afdoet aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. Het hof verwijst in dienovereenkomstige zin naar hetgeen hiervoor ten aanzien van [slachtoffer 2] is overwogen.

Gelet op het voorgaande, is het hof dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en daarom tot uitgangspunt kan worden genomen bij de beoordeling van het bewijs van het onder 3 tenlastegelegde feit.

Steunbewijs

De verklaring van [slachtoffer 3] vindt steun in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte naar boven kwam en dan naar haar of naar [slachtoffer 3] toeging, waarna de ontuchtige handelingen plaatsvonden. Ook de verklaring van [getuige 3] ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 3] . [getuige 3] heeft namelijk verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte aan de borsten en billen van [slachtoffer 3] zat.

Seksueel binnendringen

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde, dat ziet op het seksueel binnendringen van het lichaam (van [slachtoffer 3] ). Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder seksueel binnendringen in de zin van artikel 244 (oud) Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), elke vorm van binnendringen met een seksuele strekking in het lichaam valt. Volgens de Hoge Raad blijkt namelijk uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever geen beperking heeft willen aanbrengen in de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen. Dat past ook bij de bedoeling van de zojuist genoemde bepaling: het beschermen van de (seksuele) integriteit van het lichaam.

Uit de verklaring van [slachtoffer 3] volgt dat de verdachte met zijn vingers over haar clitoris heeft bewogen. In het betasten van de clitoris, nu deze zich binnen de omgeving van de schaamlippen bevindt, ligt een vorm van seksueel binnendringen van het lichaam. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 3] en meent dan ook, anders dan de rechtbank, dat het onder 3 primair tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.

Conclusie

Het hof komt, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde. Dat de exacte momenten waarop de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd niet kunnen worden vastgesteld door het hof, staat aan die bewezenverklaring niet in de weg, nu uit de bewijsmiddelen hoe dan ook volgt dat deze feiten zich hebben voorgedaan binnen de in de tenlastelegging opgenomen pleegperiodes.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij in de periode van 10 mei 2016 tot en met 9 mei 2019 te Hoogkarspel en/of Hem, althans de gemeente Drechterland, met [slachtoffer 1] , geboren op 10 mei 2003, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 1] en

- het beffen van die [slachtoffer 1] en

- het duwen en/of brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] en

- het laten aftrekken van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] ;

2. primairhij in de periode van 2 juni 2019 tot en met 1 juli 2020 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, met [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 2007, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 1] en

- het beffen van die [slachtoffer 1] en

- het geven van een of meer (tong)zoenen aan die [slachtoffer 1] en

- het betasten van de met kleding bedekte borsten en billen van [slachtoffer 1] ;

3. primairhij in de periode van 18 juli 2017 tot en met 17 juli 2019 te Hoogkarspel, althans de gemeente Drechterland, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, (het hof begrijpt: ontuchtige) handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten

- het vingeren van die [slachtoffer 1] en

- het betasten en kneden van de borsten van die [slachtoffer 1] en

- het zoenen van die [slachtoffer 1] in de nek in de richting van de borsten.

Hetgeen onder 1, 2 primair en 3 primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde levert op:

telkens:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 3 primair bewezenverklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gesteld, te weten een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 primair en 3 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren, waarbij aan het voorwaardelijk strafdeel dezelfde bijzondere voorwaarden worden verbonden als in eerste aanleg is gedaan. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contactverbod als bedoeld in artikel 38v Sr (hierna: 38v-maatregel) wordt opgelegd ten aanzien van [slachtoffer 1] (voorheen [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] voor de duur van 5 jaren. Bij iedere overtreding van de maatregel dient één week vervangende hechtenis te worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij heeft zij in het bijzonder voor het voetlicht gebracht dat de verdachte lijdt aan de taaislijmziekte, waardoor een gevangenisstraf voor hem relatief grotere gevolgen heeft. Daarnaast heeft zij verzocht geen bijzondere voorwaarden aan een eventueel op te leggen voorwaardelijk strafdeel te verbinden, nu deze volgens haar geen toegevoegde waarde hebben. Ook heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een contactverbod niet noodzakelijk is, omdat tussen de verdachte en de slachtoffers al jarenlang geen contact meer heeft plaatsgevonden.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met zijn achternichtjes vanaf het moment dat zij 9, 12 en 13 jaar oud waren. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat deze feiten voor de slachtoffers heel ingrijpend zijn geweest, te meer nu de verdachte als achterneef van de slachtoffers een, naar uit het dossier blijkt, bijzondere vertrouwensband met hen had. Bovendien vonden de strafbare feiten (onder meer) plaats in de slaapkamer van de slachtoffers, bij uitstek een plek waarvan het van groot belang is dat een kind zich daar veilig en op haar/zijn gemak kan voelen.

Als volwassen man had de verdachte zich ervan bewust moeten zijn dat zijn handelen ingrijpende en mogelijk blijvende lichamelijke en psychische gevolgen voor de slachtoffers zou kunnen hebben. Dat die gevolgen zich in deze zaak daadwerkelijk hebben voorgedaan, blijkt onder meer uit de aangiften van de slachtoffers en, ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , uit de onderbouwing van hun vorderingen tot schadevergoeding en de in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaringen, waaruit naar voren komt dat zij ook jaren na het misbruik nog steeds de nadelige gevolgen daarvan ondervinden. De negatieve impact die de verdachte op de levens van de slachtoffers heeft gehad is dus zeer groot en langdurig, zo niet blijvend.

Gelet op de ernst van de feiten neemt het hof dan ook een forse gevangenisstraf als uitgangspunt.

Persoon van de verdachte

Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 juni 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor het plegen van een strafbaar feit is veroordeeld. Ook is hij na de bewezenverklaarde pleegperiodes niet opnieuw verdacht van een strafbaar feit. In zoverre geeft de persoon van de verdachte dan ook geen aanleiding voor een hogere straf dan het hof op basis van de ernst van de feiten tot uitgangspunt neemt.

Het hof heeft daarnaast acht geslagen op het door de reclassering over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van 19 februari 2024 en de aanvulling daarop van 22 oktober 2024. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling. Het hof zal dit advies overnemen.

Het hof zal bij het bepalen van de hoogte van de straf geen rekening houden met de taaislijmziekte waaraan de verdachte lijdt, zoals de verdediging heeft bepleit. De enkele gestelde omstandigheid dat de levensverwachting van de verdachte daardoor aanmerkelijk lager is dan de gemiddelde levensverwachting, acht het hof onvoldoende om in strafmatigende zin rekening te houden met deze ziekte. Daar komt bij dat de verdachte, naar hij wist, al ten tijde van de bewezenverklaarde feiten aan de ziekte leed.

De op te leggen straf

Met de advocaat-generaal acht het hof, gelet op de aard en ernst van de feiten zoals hiervoor overwogen , een hogere straf op zijn plaats dan de rechtbank aan de verdachte heeft opgelegd. Het hof acht het met het oog op het voorkomen van recidive wenselijk dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat daaraan bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden, die voorzien in toezicht en begeleiding van de verdachte. Het hof neemt daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden over, te weten een meldplicht bij de reclassering en het meewerken aan een ambulante behandeling. Daarnaast zal het hof als bijzondere voorwaarde opleggen een contactverbod met de slachtoffers. Het hof acht het afdoende om dit contactverbod op te leggen in de vorm van een bijzondere voorwaarde als hier bedoeld en zal aan de verdachte dan ook geen 38v-maatregel opleggen, nu uit het dossier onvoldoende blijkt van een aanleiding daartoe.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden, waarbij de na te melden bijzondere voorwaarden worden gesteld.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (voorheen [slachtoffer 1] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 17.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.000,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering aanzienlijk te matigen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van een deel van de tenlastegelegde pleegperiode, zodat dit gevolgen zou moeten hebben voor de omvang van de toe te wijzen schadevergoeding. Daarnaast heeft de raadsvrouw – kort gezegd – betoogd dat onvoldoende is komen vast te staan dat de psychische klachten van de benadeelde partij in een zodanig rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde handelen van de verdachte dat deze als rechtstreekse schade voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens de raadsvrouw kunnen de klachten (mede) zijn veroorzaakt door eerdere traumatische gebeurtenissen in het leven van de benadeelde partij.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden.

Uit de zich in het dossier bevindende brief van de GZ-psycholoog blijkt dat bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is vastgesteld en dat zij daarvoor is behandeld. Daarnaast volgt uit de in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring dat zij nog steeds kampt met ernstige psychische klachten als gevolg van hetgeen haar is overkomen. Hiermee is genoegzaam aangetoond dat bij de benadeelde partij sprake is van geestelijk letsel, zodat – mede in aanmerking genomen de aard en de ernst van de normschending en van de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij – sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook brengen de aard en ernst van de bewezenverklaarde ontuchtige handelingen mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond hiervan heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding. Dat de benadeelde partij mogelijk eerder in haar leven ingrijpende of traumatische gebeurtenissen heeft meegemaakt, maakt dit oordeel niet anders. De enkele mogelijkheid dat dergelijke eerdere gebeurtenissen mede van invloed zijn geweest op de psychische gesteldheid van de benadeelde partij, is onvoldoende om het causaal verband tussen het bewezenverklaarde handelen en de gevorderde immateriële schade te doorbreken. Evenmin is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om de schade geheel of gedeeltelijk niet aan de verdachte toe te rekenen.

Bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt genomen. Hieruit volgt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 12.500,00 en

€ 32.000,00 billijk kan zijn bij de meest ernstige gevallen van ontucht met binnendringen (categorie 15.2 onder a). Het hof acht, mede gelet op de aard, ernst en duur van het bewezenverklaarde handelen en de blijvende psychische gevolgen voor de benadeelde partij, het gevorderde bedrag van € 17.500,00 passend en billijk. Het hof zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de periode waarover wettelijke rente zal zijn verschuldigd, zal het hof bepalen op 8 november 2017, zijnde een datum gelegen in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel moet worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht het toe te wijzen bedrag aanzienlijk te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, in die zin dat sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde slachtofferverklaring volgt dat de gevolgen van het handelen van de verdachte de benadeelde partij nog dagelijks belemmeren in haar functioneren. Daarnaast geldt dat de genoemde aard en ernst van het handelen van de verdachte meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon wordt aangenomen. Zoals hiervoor reeds uiteengezet heeft de verdachte op indringende wijze de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij aangetast in een situatie waarin zij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen.

Bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade heeft het hof de Rotterdamse schaal tot uitgangspunt genomen. Hieruit volgt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 6.000,00 –

€ 12.500,00 billijk kan zijn bij de ernstige gevallen van ontucht met binnendringen (categorie 15.2 onder b). Het hof acht, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de gevorderde vergoeding van € 7.500,00 aan immateriële schade passend en billijk. Het hof zal dit bedrag dan ook toewijzen.

Het hof zal de vordering vermeerderen met de wettelijke rente. De aanvangsdatum van de periode waarover wettelijke rente zal zijn verschuldigd, zal het hof bepalen op 18 juli 2018, zijnde een datum gelegen in het midden van de bewezenverklaarde pleegperiode.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 (oud) en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 primair en 3 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2]. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Ambulante behandeling

De verdachte dient mee te werken aan een intakegesprek, diagnostiek en, indien hieruit voortvloeit, een behandeling bij de GGZ Noord-Holland Noord (locatie Hoorn) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

Contactverbod

De verdachte zal gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (voorheen [slachtoffer 1] )

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 112 (honderdtwaalf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 november 2017.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 3 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 18 juli 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E.J. Hofstee, mr. T. de Bont en mr. J.F.C. Schnitzler, in tegenwoordigheid van

mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 augustus 2026.

mr. J.F.C. Schnitzler is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.C. Vermeijden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand