ECLI:NL:GHAMS:2026:2895

ECLI:NL:GHAMS:2026:2895

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 12-10-2026
Datum publicatie 09-10-2026
Zaaknummer 23-001444-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNHO:2023:3856

Samenvatting

Megastrafzaak Kanaga. Bevestiging vonnis. Vrijspraak. Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van of medeplichtigheid bij een poging tot ontvoering met dodelijke afloop in Bergen aan Zee. De handelingen die kunnen worden toegeschreven aan een door het OM aan de verdachte gelinkt ANOM-account zijn onvoldoende voor het aannemen van medeplegen. Ook is geen sprake van medeplichtigheid nu niet kan worden bewezen dat de gebruiker van het ANOM-account op de hoogte was van de aard van de op handen zijnde criminele actie. Geen bewijs voor het voor medeplichtigheid vereiste dubbel opzet.

Uitspraak

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 september en 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof niet gebracht tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank, zodat het hof zich verenigt met het vonnis waarvan beroep en dit derhalve zal bevestigen, met dien verstande dat het hof de motivering van de vrijspraak door de rechtbank in het vonnis onder het kopje ‘3.3. Het oordeel van de rechtbank’ zal vervangen door de hierna opgenomen overweging.

Vrijspraak

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het aan de verdachte primair tenlastegelegde feit – het medeplegen van een poging tot vrijheidsberoving de dood tot gevolg hebbend – bewezen wordt verklaard en dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en dus om het vonnis van de rechtbank te bevestigen.

Het hof komt met de rechtbank tot een vrijspraak van het aan de verdachte ten laste gelegde. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij in de vorm van medeplegen dan wel medeplichtigheid is betrokken bij een poging tot ontvoering van een Colombiaanse man in Bergen aan Zee op 16 februari 2021. Bij deze poging tot ontvoering is geweld gebruikt en is geschoten. Het slachtoffer is daarbij getroffen door meerdere kogels ten gevolge waarvan hij is overleden.

Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de gebruiker van het ANOM-account ‘[accountnaam]’ is benaderd om in het kader van een actie in Bergen aan Zee een zogenaamde ‘spotter’ te leveren. Uit de gewisselde berichten tussen ‘[accountnaam]’ en een medeverdachte volgt ook dat daadwerkelijk een door ‘[accountnaam]’ geleverde ‘spotter’ ter plaatse is geweest en ook berichten doorgegeven heeft.

De ANOM-berichtenwisseling tussen ‘[accountnaam]’ en de medeverdachte houdt echter niets concreets in over de reden waarom naar Bergen aan Zee moest worden gegaan en wat daar zou gaan gebeuren. Andere bewijsmiddelen dan de berichtenwisseling op grond waarvan kan worden vastgesteld dat ‘[accountnaam]’ op de hoogte was het ontvoeringsplan zijn niet voorhanden.

Het hof merkt daarbij wel op dat voor het hof vaststaat dat ‘[accountnaam]’ heeft geweten dat er een actie gepland stond met een crimineel karakter. Het gegeven dat er met gebruikmaking van aliassen en in bedekte termen gecommuniceerd werd via cryptotelefoons (het ANOM-netwerk) en dat het op zijn zachts gezegd opmerkelijk is om vanuit – naar is gebleken – de omgeving Den Bosch een persoon naar Bergen aan Zee te laten komen om iets te observeren, is voor het aannemen van een criminele actie al voldoende. Echter, zoals hiervoor is overwogen, is uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat ‘[accountnaam]’ op de hoogte was van de aard van de op handen zijnde criminele actie in Bergen aan Zee. Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is naast opzet op de hulpverlening eveneens opzet op het gronddelict vereist. Voor het aannemen van opzet op dat gronddelict hoeft niet te worden vast gesteld dat een verdachte exacte wetenschap had van de aard van dat gronddelict maar moet wel met een voldoende mate van precisie vast gesteld kunnen worden waar zijn hulpverlening op was gericht. De enkele vaststelling dat die hulpverlening gericht was op een bijdrage aan enig crimineel handelen is daartoe onvoldoende.

Het hof komt daarom met de rechtbank tot het oordeel dat ‘[accountnaam]’ opzettelijk hulp verleende aan een gebeurtenis met een crimineel karakter, maar dat dit te onbepaald en onvoldoende concreet was om aan te nemen dat hij wist (opzet) of bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat de door hem geboden hulp zou leiden tot het behulpzaam zijn bij een poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Het hof acht de handelingen die op grond van het dossier aan ‘[accountnaam]’ kunnen worden toegeschreven – het regelen van een ‘spotter’ – ook onvoldoende voor het aannemen van ‘medeplegen’ zoals dat primair ten laste is gelegd. De subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid acht het hof gelet op het voorgaande evenmin bewezen.

De vraag of de verdachte de gebruiker van het ‘[accountnaam]’ account was, zoals door de advocaat-generaal is aangevoerd met verwijzing naar de identificatie in het politiedossier en het (niet onherroepelijke) vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 12 maart 2024, waarin ‘[accountnaam]’ geïdentificeerd is als de verdachte, kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in het midden blijven.

Het hof spreekt de verdachte vrij.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.S. Ludwig en mr. A. Eichperger, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2026.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[...]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.T. Snellenberg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand