Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 21 september 2026 en 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Door het openbaar ministerie en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
Bespreking van in hoger beroep gedane verzoeken met betrekking tot SkyECC-data en gevoerde bewijsuitsluitingsverweren
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep – kort samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
Het Openbaar Ministerie heeft in de zaak Kanaga een onjuiste voorstelling van zaken gegeven over de rol van Nederland bij de verkrijging, de ontsleuteling, de analyse, het beheer en de verspreiding van de zogenoemde SkyECC-data, en heeft de stukken waaruit die rol blijkt, aan het hof onthouden. Het verkregen bewijs in onderhavige zaak is van meet af aan Nederlands bewijs is geweest.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman veelvuldig verwezen naar de door hem als bijlage bij zijn pleidooi ingebrachte stukken (ad zevenhonderd pagina’s), waaronder – en met name – een recentelijk door de verdediging verkregen document D3450 afkomstig van de Franse opsporingsdienst met het onderwerp ‘Synthèse des investigations – SkyECC – au 08/04/2024: 18ème ET DERNIER ENVOI’ (hierna: document D3450). In dit document bevestigt de Franse politie volgens de raadsman hetgeen hij op de regiezitting van 2 juni 2025 reeds betoogd heeft.
De raadsman heeft aangevoerd dat de genoemde stukken Nederlandse stukken zijn, die opgemaakt zijn door Nederlandse opsporingsambtenaren over in Nederland verrichte handelingen ten dele met machtiging van het Nederlandse parket. Het TTL onderzoek Kanaga komt voort uit de live fase van de SkyECC-operatie. Bij dat live meekijken was geen rechter-commissaris betrokken. Ten slotte wordt in het dossier melding gemaakt van het onderzoek Coffee. Dat is een identificatie-onderzoek van gebruikers van SkyECC. Dat impliceert dat er toestemming moet zijn gegeven op grond van artikel 126dd Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) voor de verstrekking van informatie uit Coffee naar Kanaga. Deze toestemming zit niet in het dossier. Gelet op het voorgaande is – aldus de raadsman – toetsing aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. Het hof is gehouden tot een eigen volwaardige toetsing. Dit is echter feitelijk onmogelijk nu de bewijsketen ontbreekt. Immers, kan het hof niet vaststellen uit welke versie van de dataset het bewijs tegen verdachte komt, met welke sleutel het leesbaar is geworden, op welke melding het onderzoek heeft aangevangen en op welke grondslag de gegevens uit Coffee naar Kanaga zijn verstrekt. Dit kan alleen op basis van stukken die het hof niet heeft en dat is in strijd met artikel 6 EVRM.
Op grond van het voorgaande stelt de raadsman zich primair op het standpunt dat het uit de SkyECC-operatie verkregen materiaal van het bewijs moet worden uitgesloten. Dat vloeit rechtstreeks voort uit hetgeen bepaald is in artikel 14 lid 7 van richtlijn 2014/41. Daarnaast is sprake van een samenstel van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, in de zin van artikel 359a Sv, begaan met veronachtzaming van fundamentele waarborgen waardoor verdachte in zijn verdediging is geschaad.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) en, indien het hof tot verwijzing besluit, de zaak aan te houden tot het HvJEU daarop en op de in de reeds aldaar aanhangige zaak C-625/25 gestelde vragen heeft beslist.
Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht verschillende onderzoekswensen toe te wijzen. Daarbij gaat het kortgezegd om het voegen van stukken (nrs. 1 tot en met 25 van de pleitnota), het horen van getuigen (nrs. 26 tot en met 31 van de pleitnota) en het benoemen (primair) of horen (subsidiair) van deskundigen (nrs. 32 en 33 van de pleitnota). De onderzoekswensen hebben ten doel de bewijsketen toetsbaar te maken voor het hof en de verdediging.
Uiterst subsidiair, indien het hof de onderzoekswensen geheel of gedeeltelijk afwijst en het bewijsmateriaal niet toetsbaar wordt, is door de verdediging verzocht bij de waardering daarvan uitdrukkelijk in aanmerking te nemen dat de verdediging de authenticiteit, de volledigheid en de kwaliteit daarvan niet heeft kunnen onderzoeken en het hof verzocht daaraan gevolgen te verbinden die het hof in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) geraden voortkomen.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van een op schrift gesteld requisitoir en een eveneens op schrift gesteld standpunt in repliek, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat alle verweren dienen te worden verworpen en alle verzoeken dienen te worden afgewezen.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof constateert dat de raadsman in de inleiding van zijn pleidooi te kennen heeft gegeven dat hij in het kader van de regiezitting in hoger beroep op 2 juni en 3 juli 2025) reeds (onder meer) uitgebreid verweer heeft gevoerd ten aanzien van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van SkyECC-bewijs.
De raadsman heeft toen een groot aantal verzoeken gedaan die door het (vorige) hof gemotiveerd zijn afgewezen. Een deel van de door de raadsman thans meer subsidiair gedane verzoeken tot nader onderzoek (nrs. 3, 7, 9, 12, 13, 17, 21, 23, 26 en 28 tot en met 31 van de pleitnota met de titel ‘Rechtmatigheid van het SkyECC-bewijs, in het licht van de Franse eindsynthese D3450 van 8 april 2024’) betreft een herhaling van bij de eerdere regiezitting gedane verzoeken. De raadsman heeft daarnaast nieuwe verzoeken gedaan.
In zijn pleidooi heeft de raadsman aangegeven dat het verschil met het door hem in 2025 ingenomen standpunt is, dat de verdediging haar stellingen destijds moest onderbouwen met stukken die zij zelf had verzameld, terwijl die stellingen nu worden onderbouwd door de inhoud van het document D3450.
Het hof dient allereerst de vraag te beantwoorden of de door de raadsman toegezonden documenten, in het bijzonder het document D3450, dienen te leiden tot een andere beoordeling van de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van het uit de SkyECC-operatie verkregen bewijs.
Het hof stelt daarbij voorop dat zij bij haar overwegingen de in het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 juli 2025 (vanaf pagina 17 van het proces-verbaal) door het (vorige) hof geformuleerde uitgangspunten, overwegingen en beoordelingsmaatstaven overneemt en tot de hare maakt.
Document D3450
Ter onderbouwing van zijn verweren en verzoeken heeft de raadsman veelvuldig verwezen naar document D3450, dat als onderdeel van een omvangrijke stukkenbundel (ongeveer 700 pagina’s) door de raadsman als bijlage bij zijn pleidooi is gevoegd. De raadsman heeft de stukkenbundel kort voor de zitting (in de nacht voorafgaand aan de zitting van 21 september 2021) aan het hof toegezonden en vervolgens dus bij pleidooi daar veelvuldig naar verwezen.
Het document D3450 was eerder geen onderdeel van het dossier en was ook anderszins niet bekend bij het hof. Het hof is van oordeel dat de authenticiteit, status, vertaling, context en inhoud van het op deze wijze en zo kort voor aanvang van de inhoudelijke behandeling ontvangen stuk niet gecontroleerd en maar heel beperkt beoordeeld kan worden.
Het hof stelt vast dat dit stuk is opgemaakt in de Franse taal en dat de door de verdediging bijgevoegde Nederlandse vertaling daarvan is opgemaakt door de verdediging zelf met behulp van een automatische vertaaltool en dus niet door een (beëdigde) tolk. Het hof kan dus ook niet met een voor gebruik in een strafprocedure voldoende zekerheid vertrouwen op de juistheid van deze vertaling, hetgeen bevestigd wordt doordat in de overgelegde vertaling meermalen staat opgenomen dat sprake is van vertaalfouten. Afgaand op de verwijzingen van de raadsman naar de inhoud van het D3450 document lijkt er bovendien sprake van complexe materie, die juist nauwkeurige vertaling en bestudering behoeft.
Voorts is er onvoldoende bekend over de herkomst of de context waarin het stuk is opgemaakt zodat niet voldoende duidelijk is hoe de inhoud daarvan dient te worden geïnterpreteerd. Gelet op het voorgaande zal het hof bij de beoordeling van de stellingen en (herhaalde) verzoeken van de raadsman slechts in beperkte mate rekening houden met de inhoud van stuk D3450.
Vertrouwensbeginsel en Nederlandse betrokkenheid bij de SkyECC-operatie
De raadsman heeft gesteld dat de rol van de Nederlandse autoriteiten bij de SkyECC operatie, blijkens het document D3450, van zwaarder gewicht is geweest dan tot nu toe bekend was zodat het daaruit voortkomende bewijsmateriaal Nederlands bewijs betreft en het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is. De politie zou live hebben meegelezen met de berichtgeving zonder dat daarbij een Nederlandse rechter-commissaris betrokken is geweest en er zou zonder toestemming informatie uit onderzoek Coffee naar onderzoek Kanaga zijn verstrekt.
In het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) heeft de Hoge Raad – kort gezegd – beslist dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel zich er in gevallen als de onderhavige in beginsel tegen verzet dat de Nederlandse rechter de rechtmatigheid toetst van de verkrijging van de gegevens door Frankrijk. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop het onderzoek onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, strookt met de rechtsregels die voor het uitvoeren van dat onderzoek gelden in het betreffende land. Zou de Nederlandse strafrechter wel tot zo’n toetsing overgaan, dan levert dat een aantasting op van de soevereiniteit van dat land. Dat is uitsluitend anders als in het betreffende land onherroepelijk is komen vast te staan dat onderzoek niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels is verricht. De Hoge Raad heeft verder beslist dat als de toepassing van een opsporingsbevoegdheid in het buitenland onder verantwoordelijkheid van een buitenlandse autoriteit plaatsvindt, alleen dan hoeft te worden voldaan aan de vereisten die op grond van het Nederlandse strafprocesrecht gelden voor toepassing van de betreffende bevoegdheid in een nationaal onderzoek naar de strafbare feiten, als de toepassing van de opsporingsbevoegdheid plaatsvindt op initiatief van de Nederlandse autoriteiten.
Het hof stelt vast dat in Frankrijk niet onherroepelijk is komen vast te staan dat het onderzoek niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels is verricht. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de inhoud van het document D3450 – voor zover het hof daarvan kennis heeft kunnen nemen – geen blijk geeft van een andere of grotere betrokkenheid van de Nederlandse autoriteiten bij de interceptie van SkyECC-bewijs dan reeds blijkens vaste jurisprudentie bekend was. Het hof neemt derhalve de overwegingen van het hof uit het proces-verbaal van de regiezitting van 2 juni en 3 juli 2025, leidende tot de conclusie dat het gezag van de opsporing niet feitelijk volledig of in overwegende mate toekwam aan de Nederlandse officier van justitie, over.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverminderd van toepassing is en dat het hof derhalve niet wordt geacht de rechtmatigheid van de verkrijging van de SkyECC-gegevens te toetsen.
Met betrekking tot hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van het gebrek aan rechterlijke betrokkenheid bij het live meelezen van SkyECC-berichtgeving door de politie in de TTL-fase van het onderzoek overweegt het hof als volgt. Anders dan de raadsman suggereert, blijkt uit het dossier dat het onderzoek Kanaga niet is voortgekomen uit gelezen berichtgeving in het kader van TTL, maar is voortgekomen uit meldingen naar aanleiding van het incident in Bergen aan Zee op 16 februari 2021. Het standpunt van de raadsman berust op een onjuiste voorstelling van zaken. Voor het achterhalen van vertrouwelijke SkyECC-berichten naar aanleiding van dat incident is bovendien, blijkens de stukken in het dossier, toestemming gegeven door de rechter-commissaris.
Ook de stelling van de raadsman dat geen toestemming is gegeven voor de verstrekking van informatie uit het identificatie-onderzoek ‘Coffee’ naar onderzoek Kanaga is naar het oordeel van het hof onjuist. Het hof acht de overwegingen daaromtrent van de eerder op de regiebeslissing genomen beslissing als op deze plaats herhaald en ingelast en neemt deze over.
Beroep op artikel 6 EVRM
De raadsman heeft verzocht bij de waardering van het bewijs in aanmerking te nemen dat de verdediging de authenticiteit, de volledigheid en de kwaliteit daarvan niet heeft kunnen onderzoeken en verzocht daaraan de gevolgen te verbinden die het hof in het licht van artikel 6 EVRM geraden voorkomen.
Naar het oordeel van het hof is middels de stukken in het dossier, de nadere toelichting van het openbaar ministerie ter zitting en informatie volgend uit de jurisprudentie, aan de verdediging voldoende inzichtelijk gemaakt op welke wijze de SkyECC-interceptie heeft plaatsgevonden. Het openbaar ministerie heeft bovendien op verzoek van de verdediging de APN-data en de dataset behorend bij het SkyECC-account [accountnaam] aan de raadsman verstrekt. Daarmee is aan de verdediging de mogelijkheid gegeven om de gesprekken, ook buiten de selectie van het dossier, in de context te kunnen plaatsen en daartoe onderzoek te doen.
Een schending van artikel 6 EVRM acht het hof niet aanwezig.
Conclusies en beslissingen op verzoeken
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof alle verweren van de verdediging die – al dan niet in samenhang met andere verweren – strekken tot bewijsuitsluiting. Ook hetgeen overigens is aangevoerd door de verdediging, noopt niet tot die beslissing.
Het hof wijst het subsidiair gedane (herhaald) verzoek betreffende het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU af. Het hof ziet hiertoe, gelet op het hiervoor overwogene, geen noodzaak. Het hof acht zich gelet op de bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJEU voldoende voorgelicht.
De meer subsidiaire verzoeken betreffende – kortgezegd – het voegen van stukken, horen van getuigen en benoemen van deskundigen worden, gelet op het voorgaande, tevens afgewezen wegens gebrek aan noodzaak.
Naar het oordeel van het hof voldoet de procedure in haar geheel aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, wordt dat verweer dus verworpen. Dat geldt ook voor het beroep dat is gedaan op de beginselen van een behoorlijke procesorde, nu van een schending daarvan evenmin is gebleken.
Bespreking van in hoger beroep gevoerde bewijsverweren
Bewijsverweren
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken. Hij heeft ter terechtzitting in hoger beroep, indien het hof de verweren betreffende de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van het SkyECC-bewijs zou passeren, een alternatief scenario ingebracht. Ter onderbouwing daarvan heeft de raadsman aangevoerd dat niet uit de objectieve bewijsmiddelen en de berichten van de gebruiker van het SkyECC-account [accountnaam] in het dossier volgt dat de verdachte op 16 februari 2021 op het Van der Wijckplein aanwezig is geweest, noch dat de dodelijke schoten aan de verdachte of de groep rond de medeverdachte [medeverdachte 1] zijn te koppelen. De berichten van de verdachte in het dossier betreffen grootspraak. Het is onduidelijk door wie, waarom en met welke wapens is geschoten. Het dossier bevat echter aanwijzingen dat de Colombiaanse groep gewapend was en een Colombiaan heeft geschoten op de wegrijdende auto’s. Niet is buiten redelijke twijfel vast komen te staan dat het dodelijke schot van de zijde van de groep van [medeverdachte 1] kwam.
De advocaat-generaal vermoedt dat de verdachte in de witte Seat zat. Dat voertuig kwam pas tijdens het salvo aan schoten in beeld, stopte op de rotonde reed weg zonder dat iemand in- of uitstapte. Wie in de Seat zat kon derhalve niet met een vuurwapen bij de Audi hebben geschoten.
Nu niet kan worden bewezen dat de groep van [medeverdachte 1] de doodslag heeft gepleegd, dient de verdachte van het medeplegen daarvan dan wel medeplichtigheid daaraan te worden vrijgesproken.
De raadsman heeft voorts naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad en dat zijn bijdrage niet van voldoende gewicht geweest om te kunnen spreken van medeplegen. Ook is er geen wettig en overtuigend bewijs voor een poging tot vrijheidsberoving met dodelijke afloop, nu er geen bewijs is van enige strafbare bijdrage van de verdachte aan hetgeen op het Van der Wijckplein is gebeurd.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het medeplegen van doodslag (feit 1 primair) en medeplegen van een poging tot ontvoering (feit 2 primair) en heeft zich daartoe aangesloten bij de bewijsoverwegingen in het vonnis van de rechtbank. Volgens de advocaat-generaal is er sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het plan was om hem te ontvoeren en de verdachten hebben, rekening houdend met het feit dat de Colombianen gewapend waren, een vuurwapen meegenomen. Het plan moet zijn geweest dat bij de ontvoering met het vuurwapen zou worden gedreigd en mogelijk zou worden gebruikt. Het is niet duidelijk onder welke omstandigheden en door wie de trekker is overgehaald en in welke richting. Door te schieten met het doel om het slachtoffer te intimideren of verwonden, zodat hij mee zou werken aan zijn ontvoering, is de kans op het dodelijk raken bewust aanvaard. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de deelnemers zo blijkt uit het voorafgaande plan om het slachtoffer te ontvoeren, de communicatie, ontmoetingen, verkenningen en de rolverdeling tussen de deelnemers. De verdachte was op de hoogte van de plannen om een Colombiaan te ontvoeren en mishandelen, heeft op 16 februari 2021 een voorverkenning gedaan, had een uitrusting bij zich en was blijkens de berichten een van de schutters. Ook als het hof de verdachte niet als schutter aanmerkt, dan is zijn bijdrage nog steeds van voldoende gewicht om te spreken van medeplegen. Op het moment van het incident heeft de verdachte niet in de Seat gezeten. Hij moet eerder zijn overgestapt naar een andere auto, vermoedelijk de Audi A6 Avant die bij het schietincident is gebruikt. Een bericht van de verdachte aan [medeverdachte 2] bevestigt dit vermoeden en dat de verdachte betrokken was bij het schieten op het slachtoffer. Dat de berichten van de verdachte grootspraak betreffen is niet nader onderbouwd. Dat er geen forensisch bewijs voorhanden is dat de verdachte op de plaats delict betrokken was bij de worsteling, niet zichtbaar was op de beelden en niet is herkend door getuigen is nietszeggend. Er zijn geen wapens aangetroffen, de beelden zijn te onduidelijk om personen te herkennen en de getuigen hebben geen duidelijk signalement van de betrokkenen kunnen geven.
Oordeel van het hof
De raadsman heeft kortgezegd betoogd dat er geen forensisch bewijs is dat de verdachte tijdens de worsteling op de plaats delict aanwezig is geweest en heeft geschoten en dat de berichten van de verdachte daaromtrent berusten op grootspraak. Het hof is van oordeel dat deze verweren worden weerlegd door de door de rechtbank in het vonnis – door het hof door bevestiging overgenomen – gebezigde bewijsconstructie en bewijsmiddelen. In aanvulling daarop overweegt het hof dat het ontbreken van forensisch bewijs dat de aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict bevestigt, in deze zaak geen aanleiding geeft te twijfelen aan de vastgestelde aanwezigheid en betrokkenheid van de verdachte op grond van de berichten van de verdachte en de medeverdachten in het dossier en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de berichten van de verdachte berusten op grootspraak.
Het door de verdediging in hoger beroep aangevoerde alternatieve scenario – kortgezegd inhoudende dat het aannemelijk is dat het slachtoffer door iemand van de groep Colombianen dodelijk is geraakt – acht het hof onaannemelijk. Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Het hof verwijst naar de beschrijving van de camerabeelden van het van der Wijckplein in het vonnis van de rechtbank (pagina 5) op basis van processen-verbaal uit het dossier. Uit de camerabeelden volgt dat [betrokkene], de partner van het slachtoffer, haar Ford Focus parkeert op het Van der Wijckplein op een parkeerplaats aan de kant van de flat. Het hof stelt op basis van de camerabeelden vast dat de Ford Focus vooruit een parkeervak inrijdt en geparkeerd stond met de voorkant (neus) richting de stoep en achterzijde naar de weg. Een paar seconden later rijdt een Mercedes het plein op en parkeert met de voorkant richting de weg in een parkeervak, ongeveer tegenover de plaats waar de Ford Focus staat. Om 15:42 uur loopt het slachtoffer vanaf de Zeeweg het Van der Wijckplein op. Hij loopt naar de Mercedes waar hij aan de bestuurderszijde blijft staan. Om 15:44 uur rijdt de Audi A6 het Van der Wijckplein op en stopt ter hoogte van de Mercedes, waar het slachtoffer nog steeds staat. De Audi A6 staat dan tussen de Ford Focus en de Mercedes. Op het moment dat de Audi A6 stopt, klinkt er direct een luide knal. Er stappen achtereenvolgens vanuit de rechterachterportier en de bijrijdersplaats van de Audi A6 twee personen (persoon 1 en persoon 2) uit die naar het slachtoffer lopen, waarbij er een worsteling ontstaat en persoon 1, even later geholpen door persoon 2, het slachtoffer via de linkerzijde van het voertuig in de Audi A6 proberen te duwen. Ongeveer een halve minuut later stappen twee personen uit de Mercedes. Het hof gaat er met de rechtbank vanuit dat medeverdachte [medeverdachte 3] de man is die vanaf de bijrijdersplaats uitstapt. De bestuurder van de Mercedes loopt naar de mannen die bij de Audi A6 aan het worstelen zijn en maakt direct een slaande beweging met zijn arm. Ook [medeverdachte 3] loopt daar naartoe en neemt deel aan de worsteling. Dan klinkt er weer een harde knal. [medeverdachte 3] loopt kort daarna naar de BMW van medeverdachte [medeverdachte 4], en het slachtoffer gaat naar de grond.
Het overlijden van het slachtoffer kan blijkens de forensisch pathologische bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) worden verklaard door inwendige letsels als gevolg van een inschotletsel hoog aan de rug met een schotkanaal dat verliep van achter naar voor en van boven naar beneden. Mogelijk heeft een doorschot door het rechterbovenbeen bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. Een kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat nog in het lichaam van het slachtoffer.
Het NFI heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inschotbeschadiging in het bovenbeen van het slachtoffer is veroorzaakt door een kogel van kaliber 9mm Parabellum, dan door munitie van het kaliber 7.65mm Browning. Ook heeft het NFI gerapporteerd naar aanleiding van indicatief vergelijkend onderzoek naar de sporen van vuurwapens in kogels en hulzen dat de resultaten daaruit werden verwacht wanneer de twee hulzen van het kaliber 9mm Parabellum met bodemstempel ‘CBC 9mm LUGER’ zijn verschoten met één vuurwapen.
Door het NFI is middels vergelijkend schotrestenonderzoek aan de hand van een beschadiging aan de spijkerbroek van het slachtoffer, passend bij het doorschot in het rechterbovenbeen, een schootsafstand bepaald. Daarbij is uitgegaan van het kaliber 9mm Parabellum en van een direct schot. Het NFI heeft aan de hand van deze beschadiging vastgesteld: ‘De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand tussen 10 en 50 centimeter is, dan wanneer de schootsafstand kleiner dan 10 of groter dan 50 centimeter is.’
Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat het inschot in de rug en doorschot in het bovenbeen zijn veroorzaakt door twee kogels van het kaliber 9mm Parabellum en zijn verschoten uit hetzelfde vuurwapen. Het hof concludeert op grond van de bevindingen van het NFI dat de schutter op een afstand van minimaal 10 en maximaal 50 centimeter van het slachtoffer moet zijn geweest tijdens het lossen van de schoten die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Gezien de richting van het vastgestelde schotkanaal – van boven naar beneden – van het inschot in de rug heeft de schutter daarbij van boven naar beneden op het slachtoffer geschoten.
Op de camerabeelden is niet zichtbaar door wie en vanuit welke positie(s) is geschoten. Gelet op de posities van het slachtoffer en de voertuigen is het hof van oordeel dat [betrokkene], indien zij het slachtoffer geraakt zou hebben, uit de Ford Focus moet zijn gestapt. Zij kan het slachtoffer niet op de afstand en vanuit haar lage positie zittend op de bestuurdersstoel van de Ford Focus hebben geraakt op de wijze die past bij de voornoemde forensische vaststellingen. Dat zij is uitgestapt is echter niet zichtbaar op de beelden en daarvoor zijn ook anderszins in het dossier geen aanknopingspunten.
Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat een andere persoon behorende bij de Colombiaanse groep het dodelijke schot heeft gelost. Dat een door de politie als ‘persoon A’ aangeduide man heeft geschoten op de wegrijdende auto’s is in dat kader niet relevant en vond bovendien pas plaats nadat deze persoon richting het Van der Wijckplein was komen aanlopen nadat het slachtoffer al dodelijk was geraakt.
Naar het oordeel van het hof is het op grond van de forensische bevindingen aannemelijk dat de schoten zijn gelost door de groep die poogde het slachtoffer te ontvoeren. Dit vindt steun in de door de rechtbank in het vonnis vermelde SkyECC-berichten én de inhoud van een in hoger beroep aanvullend opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2024 betreffende de posities van de hulzen die zijn aangetroffen op de plaats delict. Hieruit volgt namelijk dat meeste hulzen, waaronder twee hulzen van kaliber 9mm Luger, lagen bij de parkeerplek van de Mercedes en de plaats waar gepoogd werd het slachtoffer in de Audi A6 te duwen.
Het hof concludeert met de rechtbank op grond van het voornoemde en de berichten in het dossier dat niet door iemand uit de groep Colombianen, maar door de verdachte, het dodelijke schot is gelost. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdediging onaannemelijk zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Partiële vrijspraak onder 1 ten laste gelegde kwalificerende omstandigheid
Standpunt van het openbaar ministerie
Door het openbaar ministerie is in eerste aanleg gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. Blijkens de appelmemorie is door het openbaar ministerie onder meer hoger beroep ingesteld vanwege de partiële vrijspraak van de rechtbank op dit punt. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid gevorderd. Zij heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het schieten erop gericht was om de vlucht makkelijk te maken en daarmee straffeloosheid te verzekeren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep en de overwegingen van de rechtbank omtrent de vrijspraak van de kwalificerende omstandigheid.
Oordeel van het hof
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de doodslag is gepleegd met het doel om de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het doden van het slachtoffer is namelijk niet verenigbaar met het oogmerk om zijn ontvoering voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Verder bevat het dossier, mede in aanmerking genomen het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de poging om het slachtoffer in de auto te duwen plaatsvindt en de schoten worden gelost, onvoldoende bewijs om aan te nemen dat het slachtoffer is doodgeschoten om de daders bij betrapping op heterdaad van straffeloosheid te verzekeren.
Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid.
Conclusie
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag in vereniging. De verdachte wordt partieel vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde kwalificerende omstandigheid. Het hof acht daarnaast de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, de dood ten gevolge hebbend wettig en overtuigend bewezen.
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsman heeft in hoger beroep, indien het hof niet op grond van het ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerde tot een vrijspraak komt, verzocht om het onderzoek te heropenen en voorwaardelijke verzoeken geformuleerd. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het noodzaakscriterium van toepassing is en benadrukt dat dit criterium moet worden toegepast in het licht van het in artikel 6 EVRM gestelde.
Het hof zal de voorwaardelijke verzoeken afwijzen en overweegt daartoe als volgt. Met de raadsman is het hof van oordeel dat het noodzaakscriterium van toepassing is.
Door de verdediging is voorwaardelijk verzocht een beëdigde tolk-vertaler Pools te benoemen als deskundige met de opdracht de betekenis van woorden in de berichten van het SkyECC-account [accountnaam] in hun context vast te stellen en de in het dossier met ‘[niet af]’ aangeduide zin volledig te vertalen. Het hof wijst het verzoek af nu het hof geen twijfel heeft aan de reeds voor handen zijnde vertaling van de SkyECC-berichten en zich daarmee voldoende geïnformeerd acht.
Door de verdediging is voorwaardelijk verzocht de getuigen. [betrokkene] en [betrokkene 2] te horen omtrent hun waarnemingen op het Van der Wijckplein, de aanwezigheid van vuurwapens aan Colombiaanse zijde, de identiteit van ‘persoon A’ en de voorwerpen die van de grond zijn opgeraapt en het wissen van telefoons. Het hof wijst het verzoek af nu de inhoud van hun verklaringen in het licht van de forensische bevindingen in het dossier, zoals hiervoor opgenomen, niet relevant is.In de onderbouwing van het verzoek noch anderszins ziet het hof aanleiding de getuigen te horen.
De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht [medeverdachte 5] te horen als getuige over de inzittenden en locatie van de Seat Leon op 16 februari 2021 en over wie hij aanduidde met zijn uitlatingen ‘die ander’ en ‘de Pool’. Het hof wijst het verzoek af omdat de verzochte getuige [medeverdachte 5] blijkens informatie uit het dossier is overleden.
Het gelasten van nader onderzoek door het NFI. Enerzijds naar de schootsafstand en – richting van het rugschot aan de hand van de kleding van het slachtoffer en de sectiebevindingen en anderzijds naar de vraag of het volmantelprojectief bij Grand Café Maz ([beslagnummer]) en het tweede projectiel ([beslagnummer]) met de 7.65- dan wel 9mm – hulzen corresponderen en vanuit welke positie zij zijn verschoten.Het hof wijst het verzoek af nu de daaruit voortkomende informatie niet relevant is voor enige in het licht van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen zodat de noodzaak van toewijzing niet is gebleken.
Het laten opmaken van een aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] en/of de opsteller van het proces-verbaal camerabeelden (met documentcode 20210219.1615.2826) over de identiteit van ‘persoon A’ en de vragen welk onderzoek naar deze schutter is gedaan en of op enig beeld iemand uit de Seat Leon uit- of instapt.Het hof wijst het verzoek af nu de daaruit voortkomende informatie niet relevant is voor enige in het licht van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen zodat de noodzaak van toewijzing niet is gebleken.
Het verstrekken van alle camerabeelden en geluidsdragers waarop voornoemd proces-verbaal camerabeelden en het proces-verbaal rolverdeling (met documentcode 211112.1450.09923) berusten en het gelasten van forensisch akoestisch onderzoek naar die geluidsdragers en de 112-meldingen ter bepaling van het aantal, de volgorde en de tussenpozen van de schoten en het aantal gebruikte wapens, afgezet tegen de aangetroffen hulzen.Het hof wijst het verzoek af nu de daaruit voortkomende informatie niet relevant is voor enige in het licht van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen zodat de noodzaak van toewijzing niet is gebleken.
Het verstrekken van de ChatX-metadata van het account [accountnaam] voor 16 februari 2021, zoals eerder verzocht. Het hof wijst het verzoek af nu de daaruit voortkomende informatie niet relevant is voor enige in het licht van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissingen zodat de noodzaak van toewijzing niet is gebleken.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof vult de door de rechtbank in de aanvulling strafvonnis (art. 365a Sv) uitgewerkte bewijsmiddelen aan.
Het hof zal de inhoud van het bewijsmiddel op pagina’s 54-55 van de aanvulling strafvonnis met de aanhef ‘Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut inzake schotrestenonderzoek n.a.v. een schietincident in Bergen op 16 februari 2021, d.d. 13 augustus 2021 (map 6, dossierpagina's 548-583)’ uitbreiden met de volgende passage:
UitgangspuntenBij het onderzoek aan de spijkerbroek en bij de interpretatie van de resultaten zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
(…)
Voor de bepaling van de schootsafstand is uitgegaan van het kaliber 9mm Parabellum (gebaseerd op de verkregen informatie en de resultaten en conclusie van het vergelijkend schotrestenonderzoek.
Bij het bepalen van de schootsafstand is uitgegaan van een direct schot.
(…)
Het hof voegt voorts het hierna te noemen bewijsmiddel toe aan de bewijsconstructie:
Een aanvullend proces-verbaal met nummer PL1100-2021032378 met bijlagen van 12 februari 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2].
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
In een reeds opgemaakt proces-verbaal onder nummer PL1100-2021032378-10 staat met betrekking tot het aantreffen van de hulzen het volgende vermeld:
‘Op de openbare weg en de parkeervakken van het Van der Wijckplein werden door verbalisanten 8 hulzen aangetroffen
- 1. Markering 1 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).
- 2. Markering 2 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).
- 3. Markering 3 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).
- 4. Markering 4 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).
- 5. Markering 5 betreft een huls van het kaliber 9 mm Luger. ([beslagnummer]).
- 6. Markering 7 betreft een huls van het kaliber 9 mm Luger. ([beslagnummer]).
- 7. Markering 14 betreft een huls kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).
- 8. Markering 15 betreft een huls kaliber 7.65 Br. ([beslagnummer]).’
In het reeds opgemaakte proces-verbaal met nummer PL1100-2021032378-75 staat vermeld:
- 9. Door verbalisanten werd een huls kaliber 7.65 Br. aangetroffen op het plein. Deze plaats werd door ons gemarkeerd met nummer 2.
Op basis van de genoemde processen-verbaal en de daarbij behorende foto’s waarop de locaties van de aangetroffen hulzen fotografisch is vastgelegd is door mij de locatie van de negen aangetroffen hulzen aangegeven op een plattegrond c.q. luchtfoto.
Bijlagen:
- 1. Een luchtfoto uit 2023 van de ruime plaats delict
- 2. Een luchtfoto uit 2023 van de enge plaats delict (ingezoomd) met hierin aangegeven de locaties van de aangetroffen hulzen.
Kwalificatie
De kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten wordt vernietigd en komt te luiden als volgt.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de eendaadse samenloop van het onder 1 primair – met dien verstande dat volgens de advocaat-generaal geen sprake is van gekwalificeerde doodslag – en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren. In beginsel is een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren volgens de advocaat-generaal passend, maar wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep komt de advocaat-generaal tot een korting van 1 jaar.
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de strafmaat.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beide primair tenlastegelegde feiten; het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met anderen gepoogd een Colombiaanse man, [slachtoffer], te ontvoeren. Bij deze poging ontvoering is geweld gebruikt en is geschoten. Het slachtoffer is daarbij getroffen door meerdere kogels ten gevolge waarvan hij is overleden.
De achtergrond van de poging tot ontvoering en het schieten was daarin gelegen dat een medeverdachte bij een cocaïnedeal was opgelicht en bestolen van een geldbedrag van 150.000 euro en een Rolex horloge. Er was sprake geweest van een zogenaamde ‘ripdeal’. Het slachtoffer behoorde bij de groep – van Colombiaanse herkomst – die betrokken was bij deze ‘ripdeal’.
De ‘geripte’ medeverdachte wilde hierop wraak nemen en proberen het geld en het horloge terug te krijgen. De verdachte (kennelijk een bekende van meerdere medeverdachten) is aangezocht om mee te doen met de wraakactie. De groep waartoe verdachte behoorde, maakte met de Colombianen een afspraak – die ogenschijnlijk zag op een nieuwe drugsdeal – op 16 februari 2021 op een parkeerplaats in het centrum van Bergen aan Zee. De verdachte en de medeverdachten hadden het plan gemaakt het slachtoffer daar te ontvoeren om hem vervolgens op een andere locatie te ‘verhoren en breken’, zo is gebleken uit berichten in het dossier.
De verdachte is aanwezig geweest in Bergen aan Zee en heeft een actieve rol gehad. Uit de bewijsmiddelen heeft het hof afgeleid dat de verdachte één van de mannen is geweest die het slachtoffer in een auto heeft proberen te duwen en daarbij ook heeft geschoten. De verdachte wordt in het dossier door een medeverdachte wel aangeduid als “Cobra crazy” en als gevaarlijk. De verdachte is vanuit Servië naar Nederland gereisd om mee te doen aan de actie in Bergen aan Zee.
Het feit vond overdag (rond 15.30 uur) plaats, in het centrum van Bergen aan Zee. Er is sprake geweest van fors (vuurwapen-) geweld op klaarlichte dag. Verschillende omwonenden en voorbijgangers zijn (zo blijkt ook uit de beelden in het dossier) geconfronteerd met een schietpartij en de vreselijke gevolgen daarvan. Het slachtoffer heeft de mislukte ontvoering uiteindelijk met zijn leven moeten bekopen. Zijn partner en zoon hebben een en ander van dichtbij moeten meemaken.
In het oog springend zijn de snelheid en doortastendheid waarmee de verdachte en zijn medeverdachten een dergelijke criminele wraakactie konden organiseren. De berichten die daarover zijn gedeeld tussen de verschillende mededaders laten zich kenmerken als zakelijk, kil en berekenend.
Dit soort ernstige geweldsdelicten gerelateerd aan de georganiseerde drugshandel speelt zich steeds vaker in de openbare ruimte af, met alle risico's voor onschuldige omstanders van dien. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid bij burgers en hebben maatschappelijke impact. De verdachte heeft zich daarvan en van het leed dat de nabestaanden is aangedaan niets aangetrokken. Hij probeert zich bovendien aan bestraffing te onttrekken door niet te verschijnen ter terechtzitting. Tegen de verdachte is op 26 april 2023 een bevel gevangenneming uitgevaardigd. De verdachte staat internationaal gesignaleerd, maar is nog steeds voortvluchtig.
De slotconclusie moet zijn dat bescherming van de samenleving, naast vergelding, in deze zaak een belangrijke rol speelt bij de straftoemeting. De verdachte heeft door zijn proceshouding c.q. afwezigheid geen enkel aanknopingspunt geboden om aan te nemen dat bestraffing hem zou kunnen weerhouden van hervatting van ondermijnend crimineel handelen, al dan niet in georganiseerd verband, nadat de straf is tenuitvoergelegd. Van overwegend belang is daarom de speciale preventie, in die zin dat de drempel om strafbare feiten te plegen voor de verdachte zeer hoog is, zolang hem zijn vrijheid is ontnomen. Daarnaast laat het hof zich leiden door overwegingen van algemeen-preventieve aard. Het hof wil tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze, waarbij de verdachte bovendien geen enkel zicht biedt op de achtergronden van zijn handelen, noch op zijn intenties voor een betekenisvolle deelname aan de samenleving in de toekomst, tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.
De ernst van het feit en de rol van de verdachte maken dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.
Door het openbaar ministerie is op 10 mei 2023 en namens de verdachte is op 26 april 2023 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 12 oktober 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met ongeveer 1 jaar en 5 maanden is overschreden.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof geen strafkorting toepassen wegens deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De verdachte onttrekt zich aan zijn berechting en is nog steeds voortvluchtig. Nu de verdachte voortvluchtig is en de inbreuk op zijn recht op een berechting binnen redelijke termijn in zoverre kan worden gerelativeerd, ziet het hof redelijkerwijs geen aanleiding om wegens de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn te komen tot strafvermindering. Het hof zal volstaan met constatering van overschrijding van de redelijke termijn en daaraan geen consequenties verbinden. Daarbij betrekt het hof ook dat de eerder voor een inhoudelijke behandeling bestemde zitting van 2 juni 2025 in verband met onderzoekswensen van de verdediging een regiekarakter heeft gekregen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.
Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.S. Ludwig en mr. A. Eichperger, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2026.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[...]