Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 18 september 2026 en 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Door het openbaar ministerie en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) en van hetgeen de raadsvrouwen naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof:
Bespreking in hoger beroep gevoerd bewijsverweer
Standpunt verdediging
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair bepleit dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat hooguit kan worden gekomen tot een beperkte vorm van medeplichtigheid aan de ontvoeringspoging (feit 2 subsidiair).
De rol van de verdachte is volgens de verdediging beperkter en minder ernstig dan door de rechtbank is vastgesteld. Daartoe is aangevoerd dat in de SkyECC-berichten in het dossier door de verdachte wordt gesproken over mogelijke strafbare activiteiten, maar dat hij daarbij enkel de schijn van behulpzaamheid heeft willen wekken om zijn positie te bepalen en verbeteren. De verdachte is niet betrokken geweest bij het maken van een gezamenlijk plan en heeft geen concrete opdracht voor uitvoering gekregen. Hij heeft slechts voorgesteld om via de persoon achter het SkyECC-account ‘[accountnaam]’ mannen naar de plaats delict te sturen om te observeren op afstand. De verdachte wilde meedoen met de samenwerking, maar van de door hem aangeboden hulp werd door de medeverdachten geen gebruik gemaakt.
De handelingen van de verdachte zijn van onvoldoende gewicht om van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde te kunnen spreken. Uit het dossier blijkt ook niet dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de doodslag. Die conclusie kan ook niet worden getrokken uit de enkele wetenschap van de verdachte dat er vuurwapens aanwezig zouden zijn. Het helpen zoeken naar de groep Colombianen en het stellen van vragen zonder dat het tot concrete hulp komt, kan niet worden beschouwd als medeplichtigheidshandelingen ten behoeve van de ontvoeringspoging en het is de vraag of hij (voorwaardelijk) opzet had op medeplichtigheid aan de poging tot ontvoering, gelet op het politieke spel dat hij speelde blijkens de berichtenreeks.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld. De verdachte was volgens de advocaat-generaal als organisator bij de voorbereiding en uitvoering van het plan betrokken om het slachtoffer van zijn vrijheid te beroven en hem aan te pakken. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de berichten volgt dat de verdachte wist dat er geweld zou worden toegepast en heeft zich daartoe aangesloten bij de overwegingen in het vonnis.
Overwegingen hof
Het hof overweegt als volgt.
Het hof heeft kennis genomen van de verweren die ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging bij pleidooi naar voren is gebracht. Dit heeft het hof geen aanleiding gegeven tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.
De verdediging heeft uitvoerig en onder verwijzing naar SkyECC-berichten uit het dossier onderbouwd dat de verdachte enkel zijn hulp aanbood aan medeverdachte [medeverdachte 1] om zich te bewijzen en zijn positie te versterken, maar dat daarvan geen gebruik is gemaakt zodat de verdachte geen rol heeft gehad in de planning en uitvoering van de ontvoeringspoging en doodslag in Bergen aan Zee op 16 februari 2021.
In het dossier bevindt zich een zeer groot aantal SkyECC-berichten afkomstig van en gericht aan de verdachte. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de inhoud van die berichten – anders dan de verdediging stelt – geen blijk geeft van grootspraak, maar dat daaruit is af te leiden dat de verdachte een significante, zo niet cruciale rol heeft gespeeld bij het bedenken van het plan en het regelen van personen die de ontvoering zouden gaan uitvoeren en een observant. Het hof verwijst hieromtrent en ter weerlegging van hetgeen door de verdediging overigens naar voren is gebracht naar de bewijsmotivering in het vonnis en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
Partiële vrijspraak onder 1 ten laste gelegde kwalificerende omstandigheid
Standpunt verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. Ter onderbouwing van dat standpunt is naar voren gebracht dat het opzet van de schutter bij deze strafverzwarende omstandigheid centraal staat en dat het opzet van de medeplegers van de ontvoeringspoging hierop niet zonder meer kan worden aangenomen.
Standpunt openbaar ministerie
Door het openbaar ministerie is in eerste aanleg gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. Blijkens de appelmemorie is door het openbaar ministerie onder meer hoger beroep ingesteld vanwege de partiële vrijspraak van de rechtbank op dit punt. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid gevorderd. Zij heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het schieten erop gericht was om de vlucht makkelijk te maken en daarmee straffeloosheid te verzekeren.
Oordeel hof
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de doodslag is gepleegd met het doel om de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het doden van het slachtoffer is namelijk niet verenigbaar met het oogmerk om zijn ontvoering voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Verder bevat het dossier, mede in aanmerking genomen het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de poging om het slachtoffer in de auto te duwen plaatsvindt en de schoten worden gelost, onvoldoende bewijs om aan te nemen dat het slachtoffer is doodgeschoten om de daders bij betrapping op heterdaad van straffeloosheid te verzekeren.
Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid.
Kwalificatie
De kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten wordt vernietigd en komt te luiden als volgt.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de eendaadse samenloop van het onder 1 primair – met dien verstande dat volgens haar geen sprake is van gekwalificeerde doodslag – en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van voorarrest. In beginsel is een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest volgens de advocaat-generaal passend, maar wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep komt zij tot een korting van 1 jaar.
De verdediging heeft primair vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten bepleit. Subsidiair is door de verdediging betoogd dat hoogstens bewezen kan worden de onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid aan de poging tot ontvoering de dood tot gevolg hebbend. Specifieke opmerkingen over de strafmaat heeft de verdediging niet gemaakt.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beide primair tenlastegelegde feiten; het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met anderen gepoogd een Colombiaanse man, [slachtoffer], te ontvoeren. Bij deze poging ontvoering is geweld gebruikt en is geschoten. Het slachtoffer is daarbij getroffen door meerdere kogels ten gevolge waarvan hij is overleden.
De achtergrond van de poging tot ontvoering en het schieten was daarin gelegen dat een medeverdachte bij een cocaïnedeal was opgelicht en bestolen van een geldbedrag van 150.000 euro en een Rolex horloge. Er was sprake geweest van een zogenaamde ‘ripdeal’. Het slachtoffer behoorde bij de groep – van Colombiaanse herkomst – die betrokken was bij deze ‘ripdeal’.
De verdachte en de medeverdachten wilden hierop wraak nemen voor de ‘ripdeal’ en proberen het geld en het horloge terug te krijgen. De groep waartoe verdachte behoorde, maakte daartoe met de Colombianen een afspraak – die ogenschijnlijk zag op een nieuwe drugsdeal – op 16 februari 2021 op een parkeerplaats in het centrum van Bergen aan Zee. De verdachte en de medeverdachten hadden het plan gemaakt het slachtoffer daar te ontvoeren om hem vervolgens op een andere locatie te ‘verhoren en breken’, zo is gebleken uit berichten in het dossier.
De verdachte is niet fysiek aanwezig geweest in Bergen aan Zee, maar heeft een aanzienlijke rol gehad in de organisatie van de actie die daar heeft plaats gevonden. De verdachte is degene die door de beroofde medeverdachte wordt gecontacteerd. De verdachte helpt onmiddellijk bij het zoeken naar de Colombianen, het maken van een afspraak en meldt ook aan de beroofde medeverdachte dat hij ‘Albanezen heeft die sterk zijn’ en indien nodig ‘veel uitrusting’ hebben. De verdachte zegt een professioneel team te hebben en dat zijn team als ‘klanten’ naar de Colombianen toe zullen gaan. Zodra de Colombianen zijn ontwapend en vastgebonden, kan de medeverdachte komen om ze te verhoren. Zijn team zal het vuile werk doen. Ook op dag van de actie is de verdachte direct betrokken bij het doorgeven van relevante berichten, het regelen van een spotter en het aanbieden van een schuilplaats na het incident. Voor het hof staat vast dat de verdachte één van de organisatoren is van de poging tot ontvoering waarbij de Colombiaanse man uiteindelijk is doodgeschoten.
Het feit vond overdag (rond 15.30 uur) plaats, in het centrum van Bergen aan Zee. Er is sprake geweest van fors (vuurwapen-)geweld op klaarlichte dag. Verschillende omwonenden en voorbijgangers zijn (zo blijkt ook uit de beelden in het dossier) geconfronteerd met een schietpartij en de vreselijke gevolgen daarvan. Het slachtoffer heeft de mislukte ontvoering uiteindelijk met zijn leven moeten bekopen. Zijn partner en zoon hebben een en ander van dichtbij moeten meemaken.
In het oog springend zijn de snelheid en doortastendheid waarmee de verdachte en zijn medeverdachten een dergelijke criminele wraakactie konden organiseren. De berichten die daarover zijn gedeeld tussen de verschillende mededaders laten zich kenmerken als zakelijk, kil en berekenend.
Dit soort ernstige geweldsdelicten gerelateerd aan de georganiseerde drugshandel speelt zich steeds vaker in de openbare ruimte af, met alle risico's voor onschuldige omstanders van dien. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid bij burgers en hebben maatschappelijke impact. De verdachte heeft zich daarvan en van het leed dat de nabestaanden is aangedaan niets aangetrokken. Hij probeert zich bovendien aan bestraffing te onttrekken door zich, in strijd met de aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gestelde voorwaarden, uit de voeten te maken en niet te verschijnen ter terechtzitting. De verdachte is inmiddels ruim 3,5 jaar op de vlucht voor politie en justitie.
De slotconclusie moet zijn dat bescherming van de samenleving, naast vergelding, in deze zaak een belangrijke rol speelt bij de straftoemeting. De verdachte heeft door zijn proceshouding geen enkel aanknopingspunt geboden om aan te nemen dat bestraffing hem zou kunnen weerhouden van hervatting van ondermijnend crimineel handelen, al dan niet in georganiseerd verband, nadat de straf is tenuitvoergelegd. Van overwegend belang is daarom de speciale preventie, in die zin dat de drempel om strafbare feiten te plegen voor de verdachte zeer hoog is, zolang hem zijn vrijheid is ontnomen. Daarnaast laat het hof zich leiden door overwegingen van algemeen-preventieve aard. Het hof wil tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze, waarbij de verdachte bovendien geen enkel zicht biedt op de achtergronden van zijn handelen, noch op zijn intenties voor een betekenisvolle deelname aan de samenleving in de toekomst, tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.
De ernst van het feit en de rol van de verdachte maken dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.
Door het openbaar ministerie is op 10 mei 2023 en namens de verdachte is op 9 mei 2023 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 12 oktober 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met ongeveer 1 jaar en 5 maanden is overschreden.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof geen strafkorting toepassen wegens deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De verdachte heeft zich onttrokken aan zijn berechting door het niet naleven van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Nu de verdachte steeds voortvluchtig is geweest en de inbreuk op zijn recht op een berechting binnen redelijke termijn in zoverre kan worden gerelativeerd, ziet het hof redelijkerwijs geen aanleiding om wegens de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn te komen tot strafvermindering. Het hof zal volstaan met constatering van overschrijding van de redelijke termijn en daaraan geen consequenties verbinden. Daarbij betrekt het hof ook dat de eerder voor een inhoudelijke behandeling bestemde zitting van 2 juni 2025 in verband met onderzoekswensen van de verdediging een regiekarakter heeft gekregen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.S. Ludwig en mr. A. Eichperger, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[...]