Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 en 16 september en 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Door het openbaar ministerie en namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren en partiële vrijspraak kwalificerende omstandigheid
Bewijsverweren
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft volgens de raadsman hoogstens een rol op afstand gehad. Er is geen sprake van medeplegen dan wel medeplichtigheid. De raadsman heeft daartoe in lijn met het door hem bij de rechtbank gevoerde pleidooi – kort samengevat – opnieuw aangevoerd dat niet uit het dossier blijkt dat de verdachte afspraken heeft gemaakt dan wel opdrachten heeft gegeven die hebben geleid tot poging tot ontvoering in Bergen aan Zee en de dood van het slachtoffer. Dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer zou hebben gehad, is ook niet bewezen; verdachte heeft verklaard niets te weten van vuurwapens. Ook kan volgens de raadsman niet uit het dossier worden afgeleid dat de verdachte op de plaats delict is geweest.
In hoger beroep heeft de raadsman bij pleidooi een niet eerder naar voren gebracht alternatief scenario geschetst. Dit scenario houdt kortgezegd het volgende in. De groep rondom [betrokkene] , de partner van het slachtoffer, was voornemens om op 16 februari 2021 een ripdeal te plegen. Weliswaar is door de groep van de verdachte veelvuldig geschoten met één wapen, maar het is ook aannemelijk dat [betrokkene] met het andere wapen heeft geschoten en het slachtoffer (onbedoeld) dodelijk heeft geraakt.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het medeplegen van doodslag (feit 1 primair) en medeplegen van een poging tot ontvoering (feit 2 primair) en heeft zich daartoe aangesloten bij de bewijsoverwegingen in het vonnis van de rechtbank. Volgens de advocaat-generaal is er sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Het plan was om hem te ontvoeren en de verdachten hebben, rekening houdend met het feit dat de Colombianen gewapend waren, een vuurwapen meegenomen. Het plan moet zijn geweest dat bij de ontvoering met het vuurwapen zou worden gedreigd en mogelijk zou worden gebruikt. Het is niet duidelijk onder welke omstandigheden en door wie de trekker is overgehaald en in welke richting. Door te schieten met het doel om het slachtoffer te intimideren of verwonden, zodat hij mee zou werken aan zijn ontvoering, is de kans op het dodelijk raken bewust aanvaard. Er was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de deelnemers zo blijkt uit het voorafgaande plan om het slachtoffer te ontvoeren, de communicatie, ontmoetingen, verkenningen en de rolverdeling tussen de deelnemers. De verdachte heeft daarbij een sturende en actieve rol aangenomen. Uit de berichten in het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte moet worden gezien als organisator, initiator en drijvende kracht. Of de verdachte aanwezig is geweest op de plaats delict is in dat kader niet relevant.
Het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario dat [betrokkene] het dodelijke schot heeft gelost is onaannemelijk gelet op de positie van de Ford Focus waarin [betrokkene] zat ten opzichte van het slachtoffer, de positie van de schotwonden aan de onderkant van het lichaam van het slachtoffer en de camerabeelden.
Oordeel van het hof
Voor wat betreft de in hoger beroep in navolging van het pleidooi in eerste aanleg herhaalde bewijsverweren, is het hof van oordeel dat deze worden weerlegd door de door de rechtbank in het vonnis – door het hof door bevestiging overgenomen – gebezigde bewijsconstructie en bewijsmiddelen.
Het door de verdediging in hoger beroep (nieuw) aangevoerde alternatieve scenario – kortgezegd inhoudende dat [betrokkene] het slachtoffer dodelijk heeft geraakt – acht het hof onaannemelijk. Het hof overweegt in dit verband als volgt.
Het hof verwijst naar de beschrijving van de camerabeelden van het Van der Wijckplein in het vonnis van de rechtbank (pagina 6) op basis van processen-verbaal uit het dossier. Uit de camerabeelden volgt dat [betrokkene] , de partner van het slachtoffer, haar Ford Focus parkeert op het Van der Wijckplein op een parkeerplaats aan de kant van de flat. Het hof stelt op basis van de camerabeelden vast dat de Ford Focus vooruit een parkeervak inrijdt en geparkeerd stond met de voorkant (neus) richting de stoep en achterzijde naar de weg. Een paar seconden later rijdt een Mercedes het plein op en parkeert met de voorkant richting de weg in een parkeervak, ongeveer tegenover de plaats waar de Ford Focus staat. Om 15:42 uur loopt het slachtoffer vanaf de Zeeweg het Van der Wijckplein op. Hij loopt naar de Mercedes waar hij aan de bestuurderszijde blijft staan. Om 15:44 uur rijdt de Audi A6 het Van der Wijckplein op en stopt ter hoogte van de Mercedes, waar het slachtoffer nog steeds staat. De Audi A6 staat dan tussen de Ford Focus en de Mercedes. Op het moment dat de Audi A6 stopt, klinkt er direct een luide knal. Er stappen achtereenvolgens vanuit de rechterachterportier en de bijrijdersplaats van de Audi A6 twee personen (persoon 1 en persoon 2) uit die naar het slachtoffer lopen, waarbij er een worsteling ontstaat en persoon 1, even later geholpen door persoon 2, het slachtoffer via de linkerzijde van het voertuig in de Audi A6 proberen te duwen. Ongeveer een halve minuut later stappen twee personen uit de Mercedes. Het hof gaat er met de rechtbank vanuit dat medeverdachte [medeverdachte 1] de man is die vanaf de bijrijdersplaats uitstapt. De bestuurder van de Mercedes loopt naar de mannen die bij de Audi A6 aan het worstelen zijn en maakt direct een slaande beweging met zijn arm. Ook [medeverdachte 1] loopt daar naartoe en neemt deel aan de worsteling. Dan klinkt er weer een harde knal. [medeverdachte 1] loopt kort daarna naar de BMW van medeverdachte [medeverdachte 2] , en het slachtoffer gaat naar de grond.
Het overlijden van het slachtoffer kan blijkens de forensisch pathologische bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) worden verklaard door inwendige letsels als gevolg van een inschotletsel hoog aan de rug met een schotkanaal dat verliep van achter naar voor en van boven naar beneden. Mogelijk heeft een doorschot door het rechterbovenbeen bijgedragen aan (de snelheid van) het overlijden. Een kogel van het kaliber 9mm Parabellum zat nog in het lichaam van het slachtoffer.
Het NFI heeft geconcludeerd dat het zeer veel waarschijnlijker is dat de inschotbeschadiging in het bovenbeen van het slachtoffer is veroorzaakt door een kogel van kaliber 9mm Parabellum, dan door munitie van het kaliber 7.65mm Browning. Ook heeft het NFI gerapporteerd naar aanleiding van indicatief vergelijkend onderzoek naar de sporen van vuurwapens in kogels en hulzen dat de resultaten daaruit werden verwacht wanneer de twee hulzen van het kaliber 9mm Parabellum met bodemstempel ‘CBC 9mm LUGER’ zijn verschoten met één vuurwapen.
Door het NFI is middels vergelijkend schotrestenonderzoek aan de hand van een beschadiging aan de spijkerbroek van het slachtoffer, passend bij het doorschot in het rechterbovenbeen, een schootsafstand bepaald. Daarbij is uitgegaan van het kaliber 9mm Parabellum en van een direct schot. Het NFI heeft aan de hand van deze beschadiging vastgesteld: ‘De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer de schootsafstand tussen 10 en 50 centimeter is, dan wanneer de schootsafstand kleiner dan 10 of groter dan 50 centimeter is.’
Het hof stelt gelet op het voorgaande vast dat het inschot in de rug en doorschot in het bovenbeen zijn veroorzaakt door twee kogels van het kaliber 9mm Parabellum en zijn verschoten uit hetzelfde vuurwapen. Het hof concludeert op grond van de bevindingen van het NFI dat de schutter op een afstand van minimaal 10 en maximaal 50 centimeter van het slachtoffer moet zijn geweest tijdens het lossen van de schoten die tot de dood van het slachtoffer hebben geleid. Gezien de richting van het vastgestelde schotkanaal – van boven naar beneden – van het inschot in de rug heeft de schutter daarbij van boven naar beneden op het slachtoffer geschoten.
Op de camerabeelden is niet zichtbaar door wie en vanuit welke positie(s) is geschoten. Gelet op de posities van het slachtoffer en de voertuigen is het hof van oordeel dat [betrokkene] , indien zij het slachtoffer geraakt zou hebben, uit de Ford Focus moet zijn gestapt. Zij kan het slachtoffer niet op de afstand en vanuit haar lage positie zittend op de bestuurdersstoel van de Ford Focus hebben geraakt op de wijze die past bij de voornoemde forensische vaststellingen. Dat zij is uitgestapt is echter niet zichtbaar op de beelden en daarvoor zijn ook anderszins in het dossier geen aanknopingspunten.
Naar het oordeel van het hof is het op grond van de forensische bevindingen aannemelijk dat de schoten zijn gelost door de groep die poogde het slachtoffer te ontvoeren. Dit vindt steun in de door de rechtbank in het vonnis vermelde SkyECC-berichten én de inhoud van een in hoger beroep aanvullend opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2024 betreffende de posities van de hulzen die zijn aangetroffen op de plaats delict. Hieruit volgt namelijk dat meeste hulzen, waaronder twee hulzen van kaliber 9mm Luger, lagen bij de parkeerplek van de Mercedes en de plaats waar gepoogd werd het slachtoffer in de Audi A6 te duwen.
Het hof concludeert op grond van het voornoemde dat het dodelijke schot niet door [betrokkene] , maar vanuit de groep die poogde te ontvoeren van de zijde van de verdachte, is gelost. Het hof acht het alternatieve scenario van de verdediging onaannemelijk zodat daaraan voorbij wordt gegaan.
Beroep op noodweer
Standpunt van de verdediging
Volgens de verdediging is sprake geweest van een noodweersituatie. Uit het dossier volgt dat het wapen waarmee op 16 februari is geschoten in een eerder strafrechtelijk onderzoek voorkwam en toebehoorde aan een verdachte uit Colombia. Het is onduidelijk wie welk wapen heeft gehanteerd en wat de volgorde van schieten is geweest. Berichten in het dossier wijzen erop dat de Colombianen eerst hebben geschoten. Het eerste schot is gevallen terwijl het slachtoffer bij de witte Mercedes stond te praten en er nog niet aan hem werd getrokken. Vervolgens is het slachtoffer de Audi ingetrokken en in die worsteling is een tweede schot gevallen. Het is mogelijk dat het slachtoffer zijn wapen trok en schoot. Hiermee is de aanranding van de bestuurder van de Mercedes en zijn bijrijder gegeven. Volgens de verdediging is het een reële mogelijkheid dat de mannen uit de Audi proberen het latere slachtoffer van het wapen te ontdoen omdat zij eerst worden beschoten. Die reactie is proportioneel, want op het schieten wordt gereageerd met vastpakken en proberen te ontwapenen. Er is ook sprake van subsidiariteit, want in de hectiek van de confrontatie is er geen mogelijkheid meer zonder onmiddellijk dreigend gevaar voor eigen leven (schot in de rug bij wegrennen) een alternatieve reactie te geven.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het slachtoffer is beschoten toen hij zich verzette tegen de poging hem te ontvoeren. Direct na het stoppen van de Audi en het uitstappen van de bijrijder is een schot gevallen. Er is aan het slachtoffer getrokken, hij is geslagen en geduwd door meerdere personen. Vrij snel daarna, terwijl werd geprobeerd het slachtoffer in de auto te krijgen, volgde een tweede schot waarbij het slachtoffer door een kogel vanuit de groep van de ontvoerders werd geraakt en neerzakte.
Oordeel van het hof Met betrekking tot het door de verdediging gedane beroep op noodweer overweegt het hof als volgt.
Op grond van hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft het hof geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat, voorafgaand aan het dodelijke schot, vanuit de groep Colombianen is geschoten. Derhalve is er geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dus niet van een noodweersituatie. Het hof gaat derhalve aan het beroep op noodweer voorbij.
Partiële vrijspraak onder 1 ten laste gelegde kwalificerende omstandigheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag en ter onderbouwing verwezen naar zijn standpunt in eerste aanleg.
Standpunt van het openbaar ministerie
Door het openbaar ministerie is in eerste aanleg gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de onder 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag. Blijkens de appelmemorie is door het openbaar ministerie onder meer hoger beroep ingesteld vanwege de partiële vrijspraak van de rechtbank op dit punt. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep echter vrijspraak van de strafverzwarende omstandigheid gevorderd. Zij heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het schieten erop gericht was om de vlucht makkelijk te maken en daarmee straffeloosheid te verzekeren.
Oordeel van het hof
Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de doodslag is gepleegd met het doel om de uitvoering van de poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het doden van het slachtoffer is namelijk niet verenigbaar met het oogmerk om zijn ontvoering voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Verder bevat het dossier, mede in aanmerking genomen het zeer korte tijdsbestek waarbinnen de poging om het slachtoffer in de auto te duwen plaatsvindt en de schoten worden gelost, onvoldoende bewijs om aan te nemen dat het slachtoffer is doodgeschoten om de daders bij betrapping op heterdaad van straffeloosheid te verzekeren.
Het hof zal de verdachte derhalve vrijspreken van de onder 1 ten laste gelegde strafverzwarende omstandigheid.
Conclusie
Het hof komt tot een bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde doodslag in vereniging. De verdachte wordt partieel vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde kwalificerende omstandigheid. Het hof acht daarnaast de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, de dood ten gevolge hebbend wettig en overtuigend bewezen.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof vult de door de rechtbank in de aanvulling strafvonnis (art. 365a Sv) uitgewerkte bewijsmiddelen aan.
Het hof zal de inhoud van het bewijsmiddel op pagina’s 54-55 van de aanvulling strafvonnis met de aanhef ‘Een schriftelijk stuk, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut inzake schotrestenonderzoek n.a.v. een schietincident in Bergen op 16 februari 2021, d.d. 13 augustus 2021 (map 6, dossierpagina's 548-583)’ uitbreiden met de volgende passage:
UitgangspuntenBij het onderzoek aan de spijkerbroek en bij de interpretatie van de resultaten zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:
(…)
Voor de bepaling van de schootsafstand is uitgegaan van het kaliber 9mm Parabellum (gebaseerd op de verkregen informatie en de resultaten en conclusie van het vergelijkend schotrestenonderzoek.
Bij het bepalen van de schootsafstand is uitgegaan van een direct schot.
(…)
Het hof voegt voorts het hierna te noemen bewijsmiddel toe aan de bewijsconstructie:
Een aanvullend proces-verbaal met nummer PL1100-2021032378 met bijlagen van 12 februari 2024, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant] .
Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:
In een reeds opgemaakt proces-verbaal onder nummer PL1100-2021032378-10 staat met betrekking tot het aantreffen van de hulzen het volgende vermeld:
‘Op de openbare weg en de parkeervakken van het Van der Wijckplein werden door verbalisanten 8 hulzen aangetroffen
- 1. Markering 1 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).
- 2. Markering 2 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).
- 3. Markering 3 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).
- 4. Markering 4 betreft een huls van het kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).
- 5. Markering 5 betreft een huls van het kaliber 9 mm Luger. ( [beslagnummer] ).
- 6. Markering 7 betreft een huls van het kaliber 9 mm Luger. ( [beslagnummer] ).
- 7. Markering 14 betreft een huls kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).
- 8. Markering 15 betreft een huls kaliber 7.65 Br. ( [beslagnummer] ).’
In het reeds opgemaakte proces-verbaal met nummer PL1100-2021032378-75 staat vermeld:
- 9. Door verbalisanten werd een huls kaliber 7.65 Br. aangetroffen op het plein. Deze plaats werd door ons gemarkeerd met nummer 2.
Op basis van de genoemde processen-verbaal en de daarbij behorende foto’s waarop de locaties van de aangetroffen hulzen fotografisch is vastgelegd is door mij de locatie van de negen aangetroffen hulzen aangegeven op een plattegrond c.q. luchtfoto.
Bijlagen:
- 1. Een luchtfoto uit 2023 van de ruime plaats delict
- 2. Een luchtfoto uit 2023 van de enge plaats delict (ingezoomd) met hierin aangegeven de locaties van de aangetroffen hulzen.
Kwalificatie
De kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten wordt vernietigd en komt te luiden als volgt.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van doodslag.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor de eendaadse samenloop van het onder 1 primair – met dien verstande dat volgens haar geen sprake is van gekwalificeerde doodslag – en onder 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren met aftrek van voorarrest. In beginsel is een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest volgens de advocaat-generaal passend, maar wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep komt zij tot een korting van 1 jaar.
De raadsman heeft integrale vrijspraak van beide tenlastegelegde feiten bepleit. Subsidiair heeft de raadsman in het kader van de eventuele strafoplegging onder meer gewezen op de gevolgen die een detentie zou hebben voor het gezin van de verdachte nu de partner van de verdachte kampt met medische problematiek.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de beide primair tenlastegelegde feiten; het medeplegen van doodslag en het medeplegen van poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft samen met anderen gepoogd een Colombiaanse man, [slachtoffer] , te ontvoeren. Bij deze poging ontvoering is geweld gebruikt en is geschoten. Het slachtoffer is daarbij getroffen door meerdere kogels ten gevolge waarvan hij is overleden.
De achtergrond van de poging tot ontvoering en het schieten was daarin gelegen dat de verdachte bij een cocaïnedeal was opgelicht en bestolen van een geldbedrag van 150.000 euro en een Rolex horloge. Er was sprake geweest van een zogenaamde ‘ripdeal’. Het slachtoffer behoorde bij de groep – van Colombiaanse herkomst – die betrokken was bij deze ‘ripdeal’.
De verdachte en de medeverdachten wilden hierop wraak nemen voor de ‘ripdeal’ en proberen het geld en het horloge terug te krijgen. De groep waartoe verdachte behoorde, maakte daartoe met de Colombianen een afspraak – die ogenschijnlijk zag op een nieuwe drugsdeal – op 16 februari 2021 op een parkeerplaats in het centrum van Bergen aan Zee. De verdachte en de medeverdachten hadden het plan gemaakt het slachtoffer daar te ontvoeren om hem vervolgens op een andere locatie te ‘verhoren en breken’, zo is gebleken uit berichten in het dossier.
De verdachte is op enige afstand aanwezig geweest in Bergen aan Zee, maar heeft een grote organiserende rol gehad bij de actie die heeft plaats gevonden en was daarvan de initiator. De verdachte is degene die aan een medeverdachte meldt te zijn beroofd. Deze medeverdachte helpt onmiddellijk bij het zoeken naar de Colombianen, het maken van een afspraak en het verzamelen van een ‘team’. De verdachte heeft een sturende en organiserende rol gehad in het actieplan dat is uitgevoerd en uiteindelijk heeft geleid tot de dood van de Colombiaanse man. De verdachte is degene die de verschillende uitvoerders instrueert en geeft de ontmoetingsplaatsen door. De bedrijfslocatie van de verdachte – een kantoor in Den Haag – is de uitvalsbasis voor een deel van de bij de uitvoering betrokken personen. Met de rechtbank constateert het hof dat de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte significant zo niet cruciaal is geweest.
Het feit vond overdag (rond 15.30 uur) plaats, in het centrum van Bergen aan Zee. Er is sprake geweest van fors (vuurwapen-)geweld op klaarlichte dag. Verschillende omwonenden en voorbijgangers zijn (zo blijkt ook uit de beelden in het dossier) geconfronteerd met een schietpartij en de vreselijke gevolgen daarvan. Het slachtoffer heeft de mislukte ontvoering uiteindelijk met zijn leven moeten bekopen. Zijn partner en zoon hebben een en ander van dichtbij moeten meemaken.
In het oog springend zijn de snelheid en doortastendheid waarmee de verdachte en zijn medeverdachten een dergelijke criminele wraakactie konden organiseren. De berichten die daarover zijn gedeeld tussen de verschillende mededaders laten zich kenmerken als zakelijk, kil en berekenend.
Dit soort ernstige geweldsdelicten gerelateerd aan de georganiseerde drugshandel speelt zich steeds vaker in de openbare ruimte af, met alle risico's voor onschuldige omstanders van dien. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid bij burgers en hebben maatschappelijke impact. De verdachte heeft zich daarvan en van het leed dat de nabestaanden is aangedaan niets aangetrokken. Hij probeert zich bovendien aan bestraffing te onttrekken door zich, in strijd met de aan de schorsing van zijn voorlopige hechtenis gestelde voorwaarden, uit de voeten te maken en niet te verschijnen ter terechtzitting. De verdachte is inmiddels ruim 3,5 jaar op de vlucht voor politie en justitie.
De slotconclusie moet zijn dat bescherming van de samenleving, naast vergelding, in deze zaak een belangrijke rol speelt bij de straftoemeting. De verdachte heeft door zijn proceshouding geen enkel aanknopingspunt geboden om aan te nemen dat bestraffing hem zou kunnen weerhouden van hervatting van ondermijnend crimineel handelen, al dan niet in georganiseerd verband, nadat de straf is tenuitvoergelegd. Van overwegend belang is daarom de speciale preventie, in die zin dat de drempel om strafbare feiten te plegen voor de verdachte zeer hoog is, zolang hem zijn vrijheid is ontnomen. Daarnaast laat het hof zich leiden door overwegingen van algemeen-preventieve aard. Het hof wil tot uitdrukking brengen dat strafbare feiten als deze, waarbij de verdachte bovendien geen enkel zicht biedt op de achtergronden van zijn handelen, noch op zijn intenties voor een betekenisvolle deelname aan de samenleving in de toekomst, tot een krachtige reactie van de strafrechter leiden.
De ernst van het feit en de rol van de verdachte maken dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende sanctie is.
Door het openbaar ministerie is op 10 mei 2023 en namens de verdachte is op 8 mei 2023 hoger beroep ingesteld. De zaak is in hoger beroep afgerond met een eindbeslissing op 12 oktober 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met ongeveer 1 jaar en 5 maanden is overschreden.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof geen strafkorting toepassen wegens deze overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
De verdachte heeft zich onttrokken aan zijn berechting door het niet naleven van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden. Nu de verdachte steeds voortvluchtig is geweest en de inbreuk op zijn recht op een berechting binnen redelijke termijn in zoverre kan worden gerelativeerd, ziet het hof redelijkerwijs geen aanleiding om wegens de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn te komen tot strafvermindering. Het hof zal volstaan met constatering van overschrijding van de redelijke termijn en daaraan geen consequenties verbinden. Daarbij betrekt het hof ook dat de eerder voor een inhoudelijke behandeling bestemde zitting van 2 juni 2025 in verband met onderzoekswensen van de verdediging een regiekarakter heeft gekregen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van voorarrest passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 57, 282 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor vermeld.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. W.S. Ludwig en mr. A. Eichperger, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 oktober 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.
[...]