ECLI:NL:GHAMS:2026:2902

ECLI:NL:GHAMS:2026:2902

Instantie Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak 13-10-2026
Datum publicatie 12-10-2026
Zaaknummer 200.332.514/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verjaring. Vordering tot schadevergoeding voor arbeid die in de periode van 1951 tot en met 1979 in kloosters is verricht. Geen verborgen schade of verborgen onrechtmatige daad. Geen uitzonderlijke situatie waarin de verjaring kan worden doorbroken.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

team I (handel)

zaaknummer : 200.332.514/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/302790 / HA ZA 20-304

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 september 2026, verbeterd bij arrest van 13 oktober 2026

in de zaak van

1. [appellant 1] ,

wonend te [plaats 1] ,

2. [appellant 2],

wonend te [plaats 2] ,

3. [appellant 3],

wonend te [plaats 3] ,

4. [appellant 4],

wonend te [plaats 7] ,

5. [appellant 5],

wonend te [plaats 4] ,

6. [appellant 6],

wonend te [plaats 5] ,

7. de gezamenlijke erven van [appellant 7],

bij leven wonend te [plaats 6] , België,

8. [appellant 8],

wonend te [plaats 3] ,

9. [appellant 9],

wonend te [plaats 8] ,

10. [appellant 9],

wonend te [plaats 9] ,

11. ( (vervallen: wijlen [naam 1] , bij leven wonend te [plaats 11] ,)

11. ( [appellant 11],

wonend te [plaats 10] ,

13. de gezamenlijke erven van [appellant 12],

bij leven wonend te [plaats 12] ,

14. [appellant 13],

wonend te [plaats 13] ,

15. [appellant 14],

wonend te [plaats 14] ,

16. [appellant 15],

wonend te [plaats 15] ,

17. [appellant 16],

wonend te [plaats 16] ,

18. [appellant 17],

wonend te [plaats 17] ,

19. [appellant 18],

wonend te [plaats 14] ,

appellantes,

advocaat: mr. L. Zegveld te Amsterdam,

tegen

Kerkgenootschap KLOOSTER EUPHRASIA,

gevestigd te Bloemendaal,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.F.P. Nabben te Haarlem.

Partijen worden hierna appellantes en Klooster Euphrasia genoemd.

1. De zaak in het kort

Appellantes zijn vrouwen die in hun jeugd kortere of langere tijd hebben verbleven in kloosters van de katholieke congregatie Onze Lieve Vrouw van Liefde van de Goede Herder. Dit vond plaats in de periode van 1951 tot en met 1979. Appellantes voeren aan dat zij in de kloosters dwangarbeid hebben moeten verrichten, onder zware omstandigheden. Appellantes willen daarvoor schadevergoeding. De vordering tot schadevergoeding is echter volgens de wet verjaard. De vraag is of in dit geval daarvan kan worden afgeweken. De rechtbank heeft aangenomen dat dit niet mogelijk is en het hof is het daarmee eens, gelet op de voorwaarden die daarvoor in de vaste rechtspraak van de Hoge Raad zijn gesteld.

2. Het geding in hoger beroep

Appellantes zijn bij dagvaarding van 13 juni 2023 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 oktober 2021 en 29 maart 2023 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen appellantes en Stichting Proefprocessenfonds [naam 2] (hierna: Stichting [naam 2] ) als eiseressen en Klooster Euphrasia en het kerkgenootschap naar Frans recht Les Soeurs de Notre Dame de Charité du Bon Pasteur Belgique, France, Magyarország, Nederland (hierna: de Europese Provincie) als gedaagden. In hoger beroep zijn Stichting [naam 2] en de Europese Provincie geen partij.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Op 13 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Appellantes hebben de zaak laten toelichten door mr. Zegveld voornoemd en mr. A. Vossenberg, advocaat te Amsterdam, Klooster Euphrasia door mr. Nabben voornoemd en mrs. E.J.M. Dubach en

S. Vrij, advocaten te Haarlem. De advocaten hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd. Partijen hebben bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nadere producties in het geding gebracht, die zij op voorhand aan het hof hadden toegezonden.

Vervolgens is de zaak aangehouden ten behoeve van het beproeven van een minnelijke regeling tussen partijen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3. Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

De katholieke congregatie Onze Lieve Vrouw van Liefde van de Goede Herder (hierna: De Goede Herder) is in 1829 opgericht in de Franse stad Angers. In 1860 vestigde De Goede Herder zich ook in Nederland en in 1892 werd de Nederlandse Provincie als zelfstandige kerkprovincie van de congregatie opgericht. De Goede Herder had op vijf locaties kloosters waarbij instellingen waren gevestigd waar meisjes werden opgevangen: Zoeterwoude/Leiderdorp, Velp, Almelo, Tilburg/Someren en Bloemendaal. De laatste instelling is in 1982 gesloten. In 2003 is Klooster Euphrasia opgericht. Vanwege de afname van het aantal kloosters in Nederland is op 3 oktober 2005 besloten de Nederlandse Provincie met ingang van 6 januari 2006 onder algemene titel te laten overgegaan in Klooster Euphrasia. In 2012 heeft Klooster Euphrasia zich aangesloten bij de Europese Provincie waar op dat moment de onderdelen van de congregatie in België, Frankrijk en Hongarije onder vielen. Klooster Euphrasia heeft daarbij haar zelfstandigheid behouden. Zowel de Europese Provincie als Klooster Euphrasia bestaan nog.

Vanaf het einde van de 19e eeuw tot eind jaren 70 van de 20e eeuw hebben in totaal meer dan 10.000 meisjes in instellingen van de Goede Herder in Nederland verbleven.

In de periode 1951 tot en met 1979 verbleven ook appellantes in een of meer instellingen van de Goede Herder en hebben zij daar arbeid verricht. Zij waren toen tussen de 11 en 21 jaar oud. Appellantes waren in de instellingen op civielrechtelijke titel geplaatst door de kinderrechter of op verzoek van hun ouders of voogd. Hieronder is per appellante vermeld in welke instelling(en) zij was geplaatst, voor welke duur en hoe oud zij destijds was.

appellante

instellingen van de Goede Herder

periode van verblijf

leeftijd tijdens verblijf

1

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

17-12-1964 tot 14-07-1965

15-16

2

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

Huize Sancta Maria te Velp

18-09-1968 tot 19-02-1969

19-02-1969 tot 01-08-1970

18-20

3

Huize Larenstein te Velp

26-03-1963 tot 09-04-1964

14-15

4

Huize Larenstein te Velp

11-01-1971 tot 11-11-1971

16-17

5

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

Huize Alexandria te Almelo

Huize Witven te Someren

13-10-1965 tot 16-02-1966

03-05-1966 tot 01-08-1967

01-08-1967 tot 01-01-1969

16-19

6

Huize Larenstein te Velp

29-08-1951 tot 14-07-1952

20-21

7

Huize De Goede Herder te Almelo

01-08-1959 tot 11-09-1961

18-20

8

Huize Alexandria te Almelo

09-02-1973 tot 17-06-1974

15-16

9

Huize Alexandria te Almelo

28-06-1977 tot 04-09-1979

17-19

10

Huize De Goede Herder te Almelo

Huize De Goede Herder te Almelo

Huize De Goede Herder te Almelo

21-07-1954 tot 06-03-1958

02-05-1958 tot 10-09-1958

15-01-1959 tot 11-03-1959

15-20

11

Huize De Goede Herder te Zoeterwoude

08-03-1967 tot 19-01-1970

16-19

12

Huize Larenstein te Velp

1962-1966

11-16

13

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

Huize De Goede Herder te Zoeterwoude

10-01-1962 tot 13-07-1962

13-07-1962 tot 01-06-1965

14-17

14

Huize Alexandria te Almelo

Huize Larenstein te Velp

24-05-1966 tot 19-05-1969

19-05-1969 tot 07-12-1970

12-17

15

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

Huize De Goede Herder te Zoeterwoude

Huize Sancta Euphrasia te Zoeterwoude

Huize De Goede Herder te Zoeterwoude

Huize Sancta Euphrasia te Zoeterwoude

03-08-1961 tot 16-01-1962

16-01-1962 tot 02-01-1964

02-01-1964 tot 19-04-1964

19-04-1964 tot 19-12-1964

19-12-1964 tot 04-07-1965

15-19

16

Huize Alexandria te Almelo

28-07-1971 tot 05-07-1974

14-17

17

Huize Witven te Someren

06-05-1966 tot 28-04-1969

16-19

18

Huize De Goede Herder te Zoeterwoude

25-07-1962 tot 26-09-1963

13-15

19

Huize Alexandria te Almelo

Huize Maria Immaculata te Bloemendaal

27-12-1966 tot 01-08-1969

12-08-1969 tot ca. 12-10-1969

14-16

In 2003 is een aflevering van het tv-programma ‘Heilig Vuur’ gewijd aan het leven dat appellante 12 had in de instelling Larenstein te Velp.

In de jaren daarna zijn in opdracht van de overheid onderzoeken verricht naar misstanden binnen de jeugdzorg en voor een deel ook binnen instellingen van De Goede Herder. De Commissie Samson heeft in 2012 een rapport uitgebracht over seksueel misbruik van kinderen die door de overheid uit huis waren geplaatst in de periode van 1945 tot 2012. Daarna heeft de Commissie Deetman in 2012 en 2013 rapporten uitgebracht over seksueel misbruik van minderjarigen in de Rooms-Katholieke kerk vanaf 1945.

Op 13 juli 2018 publiceerde de NRC een uitgebreid artikel van de journalist [naam 3] over de arbeid die meisjes in de instellingen van De Goede Herder moesten verrichten onder de kop: ‘De meisjes van de Goede Herder’. Het artikel bevat de opgetekende verhalen van verschillende vrouwen, onder wie appellantes 6, 9, 12, 15, 16 en 19.

Op 12 juni 2019 heeft de Commissie [naam 4] een rapport uitgebracht over geweld in de jeugdzorg. In dat kader is ook onderzoek gedaan naar instellingen van De Goede Herder. Over dat onderzoek is in 2019 gerapporteerd in Bronstudie 4 genaamd ‘Zusters van de Goede Herder (1945-1975)’, geschreven door [naam 5] en [naam 6] (hierna: de Bronstudie). In deze Bronstudie staat onder meer het volgende:

‘5. Conclusies

Wat is er gebeurd?

Uit de geraadpleegde bronnen blijkt dat veel meisjes in de internaten van de Zusters van de Goede Herder onder zware psychische druk leefden. Er was sprake van continue controle en een sterke nadruk op gehoorzaamheid, wat resulteerde in ervaringen van te weinig privacy en een tekort aan positieve aandacht. (…) Tot het einde van jaren zestig werden pupillen met een therapeutisch oogmerk verplicht dagelijks arbeid te verrichten. Dat gebeurde in de wasserijen en in de naaiateliers. Ze verdienden daar niet of nauwelijks geld. (…)

Van psychisch geweld was sprake bij het achter tralies moeten zitten bij de komst van voogd of familie, een praktijk die tot 1949 stand hield. Een andere vorm van psychisch geweld was opsluiting in isoleercellen. Dat gebeurde wanneer meisjes niet gehoorzaam waren of wanneer ze waren weggelopen. In de onderzochte periode 1945-1975 werd de strafmaat langzaamaan verzacht. Zo werden meisjes steeds minder vaak opgesloten in een ‘strafkamertje’. (…)

Tientallen vrouwen hebben negatieve herinneringen aan hun verblijf bij de Zusters van de Goede Herder. Dat blijkt zowel uit reacties op internet als uit reacties die binnenkwamen bij de NCRV en bij de zusters naar aanleiding van een documentaire in 2003. Hard werken zonder dat ze daar iets mee verdienden, hebben sommigen (achteraf) als onrecht en als een vorm van uitbuiting ervaren. Velen omschrijven hun verblijf als “een verschrikking” en “een hel”. Vooral de continue controle en het opgesloten worden in de isoleercel tekenen de herinneringen van diverse vrouwen. (…) Tegenover deze negatieve ervaringen van vrouwen staan die van oud-pupillen die meer positieve herinneringen hebben. Ze herinneren zich naast de strenge opvoeding leuke dingen als dansen, inkopen doen voor Sinterklaas in de stad en balletlessen. Uit de reacties blijkt dat het leefklimaat van de onderscheiden internaten verschillend was, al naar gelang de doelgroep, en dat de houding van de zusters onderling sterk verschilde. Het regime in Someren (Tilburg), Bloemendaal en Zoeterwoude lijkt minder streng te zijn geweest dan in Larenstein (Velp) en Almelo. Van privacy was weinig sprake. De strafmaat lijkt in de jaren zestig langzaamaan te zijn verzacht. Zo werden meisjes steeds minder vaak opgesloten in een ‘strafkamertje’ zoals dat in Larenstein bestond.’

Op 15 december 2019 is verschenen het rapport ‘Gedwongen arbeid bij De Goede Herder, De werkwijze in de instellingen van de kloosterorde De Goede Herder in de periode 1945-1975 en de rol van de overheid daarbij’ van de hoogleraren [naam 7] en [naam 8] (hierna ook: “het rapport van [naam 7] en [naam 8] ”).

De onderzoekers stellen zich in het rapport (in hoofdstuk 1.2) de volgende twee onderzoeksvragen:

‘Onderzoeksvragen

Kan de werkwijze in de instellingen van de Goede Herder ten aanzien van de aan hun zorg toevertrouwde kinderen in juridische zin worden gekwalificeerd als gedwongen arbeid wanneer deze werkwijze wordt bezien in het licht van de (internationaal-)rechtelijke normen van de periode (1945-1975) waarin genoemde werkwijze werd gehanteerd?

Indien bovenstaande vraag met ‘ja’ kan worden beantwoord: welke rol speelde de overheid bij de in de instellingen van de Goede Herder gehanteerde werkwijze ten aanzien van de aan hun zorg toevertrouwde kinderen?’

De onderzoekers beantwoorden de eerste onderzoeksvraag als volgt (in hoofdstuk 7.2):

“De arbeid zoals verricht in de instellingen van De Goede Herder valt onder de internationaal aanvaarde definitie van dwangarbeid.

In beginsel geldt een uitzondering op het verbod van dwangarbeid voor gedetineerden. (…) Voor de civielrechtelijk gedwongen geplaatste kinderen is onduidelijk of deze vallen onder deze uitzondering, gelet op de formulering van het EVRM.

Voor de vrijwillig geplaatsten geldt dat de kinderen zelf niet vrijwillig met het verrichten van arbeid instemden. Daarnaast is de vraag gerechtvaardigd in hoeverre deze vrijwilligheid ten aanzien van de te verrichten arbeid bij hun ouders en voogden wel bestond.

Het bestaan van een uitzondering betekent niet dat voor de daaronder vallende groep(en) elke vorm van arbeid geoorloofd was. Bij de toepassing hiervan diende het (her)opvoedingsdoel voorop te staan en de verplichting tot het verrichten van arbeid moest redelijk en proportioneel worden toegepast.

Een en ander geldt temeer nu het hier gaat om kwetsbare minderjarigen, voor wie een beperkte belastbaarheid geldt.

De uitvoering van de arbeid door een kerkelijke organisatie en het beperkte karakter van het toezicht hierop door de overheid waren in strijd met verplichtingen aangegaan in internationale verdragen betreffende het verbod van dwangarbeid.

Afgezien van de formele criteria waaraan dwangarbeid kan worden getoetst, is ook de praktijk van belang. De praktijk, zoals beschreven door de pupillen die hebben meegewerkt aan de invulling van vragenlijsten, wijst op het bij alle drie de betrokken groepen vóórkomen van typische kenmerken van ongeoorloofde dwangarbeid, zoals het nagenoeg ontbreken van beloning, bovenmatige aandacht voor de arbeidsdiscipline, vrijheidsbeperkingen en willekeur bij bestraffing.’

Een aantal appellantes heeft Klooster Euphrasia aansprakelijk gesteld bij brief van17 januari 2019. De andere appellantes hebben dit gedaan bij brief van 16 juli 2019.

Naar aanleiding van de rapporten van de Commissie [naam 4] en van [naam 7] en [naam 8] is bij ministeriële regeling van 22 november 2020 onder meer bepaald, kort gezegd, dat slachtoffers die als minderjarigen in instellingen voor jeugdzorg hebben gezeten en daar ongeoorloofde dwangarbeid hebben moeten verrichten – waarbij is verwezen naar instellingen van De Goede Herder – in aanmerking komen voor een tegemoetkoming van

€ 5.000,-. De regeling is tot stand gebracht met het oog op de verantwoordelijkheid die de overheid had voor de minderjarigen die aan de jeugdzorg werden toevertrouwd.

4. Procedure bij de rechtbank

Appellantes en de Stichting [naam 2] hebben gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat De Goede Herder en de Europese Provincie onrechtmatig hebben gehandeld tegenover appellantes en aansprakelijk zijn voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van die onrechtmatige gedragingen;

De Goede Herder en de Europese Provincie te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die appellantes hebben geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen en nalaten, welke schade nader opgemaakt dient te worden bij staat en vermeerderd dient te worden met de wettelijke rente vanaf de dag waarop zij voor het eerst bij De Goede Herder waren geplaatst;

ten aanzien van de Stichting [naam 2] voor recht te verklaren dat De Goede Herder en de Europese Provincie onrechtmatig hebben gehandeld tegenover de overige meisjes die gedurende hun jeugd en minderjarigheid (anders dan op strafrechtelijke titel) in één of meer instellingen van De Goede Herder waren geplaatst en daar verbleven en aansprakelijk zijn voor de schade die deze vrouwen hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van gedaagden;

De Goede Herder en de Europese Provincie te veroordelen in de kosten van dit geding, vermeerderd met de wettelijke rente.

Appellantes en de Stichting [naam 2] hebben daarnaast een incidentele vordering ingesteld. Zij vorderden om De Goede Herder en de Europese Provincie op grond van artikel 843a Rv te veroordelen tot het verstrekken van afschriften van documenten die zijn omschreven in de inleidende dagvaarding. Nadat Klooster Euphrasia afschriften van diverse documenten had verstrekt, is de incidentele vordering ingetrokken.

In de loop van de procedure hebben appellantes en Stichting [naam 2] opnieuw een incidentele vordering ingesteld op grond van art. 843a Rv. Deze vordering betreft in de eerste plaats documenten die zien op de rechtsopvolging van de kloosters die de instellingen in stand hielden waar appellantes werden onderworpen aan dwangarbeid en van de Nederlandse

Provincie waaronder de kloosters vielen. Daarnaast betreft de vordering documenten die zien op de organisatie en interne structuur van De Goede Herder in Nederland ter onderbouwing van het standpunt dat de rechtsvoorgangers van Klooster Euphrasia zeggenschap hadden in de

instellingen waar appellantes waren ondergebracht. Appellantes en Stichting [naam 2] hebben in hun incidentele conclusie vermeld om welke documenten het gaat.

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 oktober 2021 (hierna: het exhibitievonnis) de incidentele vordering gedeeltelijk toegewezen. De Goede Herder en de Europese Provincie zijn veroordeeld tot het verstrekken van diverse documenten aan appellantes. Daarbij is bepaald dat appellantes de kosten die De Goede Herder en de Europese Provincie moeten maken, dienen te vergoeden voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de veroordeling, met een maximum van € 2.500,00. Klooster Euphrasia heeft vervolgens diverse documenten aan appellantes en Stichting [naam 2] verstrekt.

Bij conclusie van repliek hebben appellantes en Stichting [naam 2] hun eis gewijzigd ‘in die zin dat zij het ontbreken van onderwijs alsook de fysieke en psychische mishandeling niet langer als zelfstandig verwijt aanvoeren maar uitsluitend ter onderbouwing van de stelling dat er sprake was van dwangarbeid. (...) De kern van het verwijt ligt bij de dwangarbeid hetgeen strijd oplevert met de zorgvuldigheidsnorm. Wat eiseressen bij dagvaarding aanvoeren over hun leef- en arbeidsomstandigheden bij de Goede Herder dient dan ook in het kader van die dwangarbeid te worden bezien’.

Op 17 februari 2023 heeft de rechtbank de zaak inhoudelijk behandeld. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Volgens het proces-verbaal is geconstateerd dat tussen partijen niet langer in geschil is dat Klooster Euphrasia de rechtsopvolger is van alle kloosters die in de processtukken zijn genoemd.

De rechtbank heeft bij vonnis van 29 maart 2023 (hierna: het eindvonnis) de vorderingen van appellantes tegen Klooster Euphrasia afgewezen. De rechtbank heeft daartoe zeer kort samengevat overwogen dat de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 2 BW is verstreken en dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de verjaring wordt doorbroken. Het beroep van De Goede Herder op verjaring is volgens de rechtbank daarom niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar en slaagt. De vorderingen tegen de Europese Provincie zijn afgewezen omdat zij geen rechtsopvolger is van de Nederlandse Provincie, de partij die in de betreffende periode de gedragingen verrichtte en sinds 2006 niet meer bestaat. Tot slot heeft de rechtbank Stichting [naam 2] niet-ontvankelijk verklaard in haar collectieve vordering, omdat deze niet voldoet aan de vereisten van artikel 3:305a BW.

5. Vorderingen in hoger beroep

In hoger beroep zijn alleen appellantes en Klooster Euphrasia partij.

Appellantes vorderen vernietiging van de bestreden vonnissen en het alsnog

– uitvoerbaar bij voorraad – toewijzen van hun vorderingen, met veroordeling van Klooster Euphrasia in de kosten van het geding in beide instanties (inclusief de kosten in verband met het exhibitie-incident), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Klooster Euphrasia concludeert dat het hof appellantes niet-ontvankelijk zal verklaren in hun hoger beroep, althans de vorderingen van appellantes zal afwijzen, en het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van appellantes in de kosten van het geding in hoger beroep.

6. Beoordeling

Een woord vooraf

Appellantes verbleven in hun jeugd enige tijd in kloosters van De Goede Herder. Het gaat om de periode van 1951 tot in 1979. Tijdens het verblijf in de kloosters moesten appellantes arbeid voor De Goede Herder verrichten. Appellantes hebben bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep indringend verklaard over de werk- en leefomstandigheden in de kloosters. Zij hebben ook verwoord hoe het verblijf hun verdere leven heeft getekend.

Naar de arbeid en de omstandigheden waaronder die is verricht, is onderzoek gedaan door de hoogleraren [naam 7] en [naam 8] . Deze onderzoekers zijn in hun rapport tot de conclusie gekomen dat de arbeid die moest worden verricht, valt onder de internationaal aanvaarde definitie van dwangarbeid. De onderzoekers hebben daarbij vermeld dat zij hebben gekeken naar normen die ook destijds golden. Klooster Euphrasia weerspreekt echter dat De Goede Herder anders handelde dan was toegestaan volgens normen die destijds breed in de samenleving werden gedeeld.

Wat de uitkomst van deze procedure ook is, aan het leed van appellantes doet de uitkomst niets af. Het hof ziet wat het verblijf in de kloosters bij appellantes teweeg heeft gebracht. Erkenning daarvan kan worden gevonden in de rapporten die over het verblijf in de kloosters zijn uitgebracht. Ook Klooster Euphrasia heeft herhaaldelijk spijt betuigd en met een groot aantal van de toenmalige bewoonsters een verzoeningstraject gevolgd.

Wat de uitkomst in deze zaak bepaalt

De uitkomst in deze procedure wordt bepaald door de juridische vragen die het hof moet beantwoorden. Deze juridische vragen vloeien voort uit het feit dat appellantes in deze procedure vorderingen hebben ingesteld om schadevergoeding te verkrijgen, met name wegens de arbeid die zij tijdens hun verblijf in de kloosters hebben moeten verrichten en die zij als dwangarbeid kwalificeren. Tot deze juridische vragen behoort ook de vraag of de rechtsvorderingen van appellantes zijn verjaard en of de verjaring kan worden doorbroken.

De rechtsvorderingen van appellantes zijn verjaard

De rechtsvorderingen zijn volgens de wet verjaard. Klooster Euphrasia heeft hierop een beroep gedaan en appellantes ontkennen dit op zichzelf niet.

De verjaring volgt uit art. 3:306 en art. 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Art. 3:310 lid 1 BW luidt:

‘Een rechtsvordering tot vergoeding van schade of tot betaling van een bedongen boete verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade of de opeisbaarheid van de boete als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt of de boete opeisbaar is geworden.’

Onder het tot 1992 geldende recht was de lange verjaringstermijn van art. 3:306 BW en art. 3:310 lid 1 BW niet twintig, maar dertig jaar.

De lange verjaringstermijn heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter.

Volgens de Hoge Raad moet hieraan in het belang van de rechtszekerheid strikt de hand worden gehouden, hoe moeilijk dit ook te aanvaarden kan zijn uit het oogpunt van individuele gerechtigheid ten opzichte van wie schade heeft geleden (HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649). Het belang van de rechtszekerheid verlangt dat het aanvangsmoment van deze lange verjaringstermijn volgens objectieve maatstaven kan worden vastgesteld.

Dat aanvangsmoment is niet afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden van de schuldeiser. De termijn gaat dus ook niet pas lopen wanneer een benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering in te stellen. Het aanvangsmoment is het moment waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvond, in dit geval het verrichten van de arbeid in de kloosters. De objectieve verjaringstermijn is voor iedere appellante dus in elk geval begonnen direct nadat zij voor het laatst arbeid in de huizen hadden verricht. Voor alle appellantes geldt dat deze objectieve verjaringstermijn is verstreken.

Appellantes hebben in hoger beroep uitvoerig beargumenteerd dat bij hen ‘agency’ ontbrak, wat hen belette om in een eerder stadium de rechtsvorderingen in te stellen.

Dit ontbreken van agency is volgens hen voortgekomen uit het destijds heersende beeld van meisjes en vrouwen die behoorden tot de economisch- en sociaalmaatschappelijk achtergestelde laag van de samenleving en de wijze waarop het dwangarbeidsregime bij De Goede Herder hen psychisch heeft ondermijnd. Appellantes voeren aan dat het kloosterregime hen monddood heeft gemaakt. Het negatieve stigma dat zij opgespeld hebben gekregen, heeft hen gedepersonaliseerd en zij hebben dit negatieve stigma geïnternaliseerd, waardoor hun zelfredzaamheid en het vermogen om voor zichzelf op te komen definitief is ondermijnd.

Het hof is zich ervan bewust dat al deze factoren van betekenis zijn voor de vraag of en wanneer appellantes in staat waren rechtsvorderingen tegen De Goede Herder (Klooster Euphrasia) in te stellen. Het zijn echter wel omstandigheden die de appellantes persoonlijk betreffen. Deze persoonlijke omstandigheden kunnen niet het moment veranderen waarop de lange verjaringstermijn van twintig jaar (of dertig jaar) begon te lopen. Als dit anders was, zou het karakter van deze verjaringstermijn veranderen van objectief naar subjectief.

Het verjaren van de rechtsvorderingen brengt in beginsel mee dat het hof de vorderingen van appellantes niet meer inhoudelijk mag behandelen en zal moeten afwijzen. Dit is het uitgangspunt in deze zaak.

Van het uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als Klooster Euphrasia geen beroep op de verjaring mag doen. Daarvoor is nodig dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De Hoge Raad heeft in verschillende uitspraken uiteengezet wanneer dit het geval kan zijn. In de eerste plaats moet sprake zijn van een uitzonderlijk geval. Een dergelijk uitzonderlijk geval kan zich volgens de Hoge Raad voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken, inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven, terwijl de schade vervolgens daadwerkelijk is ontstaan, en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn al was verstreken. Er is in zo’n situatie feitelijk nooit een gelegenheid geweest om een rechtsvordering in te stellen en dat wringt met het recht op toegang tot de rechter, dat art. 6 EVRM beschermt.

Is sprake van een dergelijk uitzonderlijk geval, dan zal vervolgens met inachtneming van alle concrete omstandigheden moeten worden beoordeeld of het toepassen van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij die beoordeling moet de rechter de zeven gezichtspunten betrekken die de Hoge Raad in zijn uitspraken heeft geformuleerd. De Hoge Raad heeft deze rechtspraak bevestigd in het arrest van 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:649 (rov. 3.1.2-3.1.3).

Het hof moet dus eerst nagaan of in deze zaak sprake is van een uitzonderlijk geval, zoals de Hoge Raad bedoelt. Het hof is tot de conclusie gekomen dat dit niet zo is. Hierna licht het hof toe waarom het tot deze conclusie is gekomen.

Bij de vraag of sprake is van een uitzonderlijk geval, speelt het in art. 6 EVRM beschermde recht op toegang tot de rechter een belangrijke rol. Een geval is uitzonderlijk in de hier bedoelde betekenis, als het tijdens de objectieve verjaringstermijn feitelijk onmogelijk is geweest om een vordering in te stellen. Dat is zo bij schade die tijdens de verjaringstermijn naar haar aard verborgen is gebleven. De schade waarvan appellantes vergoeding vorderen, was echter niet naar haar aard verborgen. Appellantes wisten dat zij niet of weinig voor het werk in de kloosters betaald kregen en zij hebben uiteengezet hoezeer zij in de jaren na het verblijf in de kloosters te lijden hebben gehad van de gevolgen van de arbeid, althans van dat verblijf. Voor appellantes is het ongetwijfeld een uitzonderlijke situatie waarin zij zich bevonden en zich nog bevinden, maar het hof kan niet concluderen dat er wat betreft de schade ook sprake is van een uitzonderlijk geval zoals de Hoge Raad bedoelt.

Appellantes hebben verder aangevoerd dat het onrechtmatige karakter van de arbeid die zij moesten verrichten, lang verborgen is gebleven en zelfs door De Goede Herder verborgen is gehouden. Zij menen dat ook deze omstandigheid kan maken dat sprake is van een uitzonderlijk geval. Appellantes verwijzen in dit opzicht naar de conclusie van 27 oktober 2023 van advocaat-generaal Snijders (ECLI:NL:PHR:2023:958).

Het hof volgt appellantes niet in dit standpunt. De kernvraag is of het feitelijk onmogelijk was om een vordering in te stellen tijdens de objectieve verjaringstermijn. Als er in het verleden iets is gedaan of nagelaten wat de benadeelde niet wist en kon weten, maar dat wel onrechtmatig was en schade heeft veroorzaakt, kan onder omstandigheden worden gesproken van een ‘verborgen onrechtmatige daad’. Het gaat dan niet om onbekendheid met de onrechtmatigheid – en nog minder de juridische kwalificatie daarvan – maar om onbekendheid met het handelen of nalaten dat onrechtmatig was en de schade heeft veroorzaakt. Deze onbekendheid is er in deze zaak niet. Het handelen van De Goede Herder dat volgens appellantes de schade heeft veroorzaakt en waar het in deze zaak om gaat, is het laten verrichten van arbeid door appellantes onder de specifieke omstandigheden in de kloosters. Dat handelen was appellantes bekend. Dat de arbeid pas later is gekwalificeerd als dwangarbeid, maakt niet dat het handelen verborgen was.

Het hof voegt hieraan het volgende toe. Het gaat erom of het handelen van De Goede Herder bekend was bij appellantes, niet of dit handelen in de samenleving breed bekend was. In dat opzicht speelt geen rol of, zoals appellantes stellen, De Goede Herder voor de samenleving verborgen hield hoe het er in de kloosters aan toeging en dan met name wat betreft de dwang, opgelegd door een ‘centraal gedreven dwangarbeidsregime dat decennialang in alle instellingen van de Goede Herder werd toegepast’ (memorie van grieven nr. 224). Datzelfde geldt voor de stelling van appellantes dat De Goede Herder het benoemen en bespreken van misstanden afhield. Overigens geven appellantes in hun processtukken voorbeelden waaruit blijkt dat het ook buiten de kloostermuren bekend was wat de situatie in de kloosters was. Appellantes hebben deze voorbeelden ook vermeld in paragraaf 4.3 van hun spreekaantekeningen in hoger beroep.

De conclusie die het hof op basis van de feiten en de geldende rechtspraak trekt, is dat hier niet een uitzonderlijk geval aanwezig is waarin de objectieve verjaringstermijn buiten toepassing mag worden gelaten. Het hof beseft dat dit voor appellantes moeilijk te aanvaarden is vanwege hun verlangen dat alsnog, na al die jaren, recht zal worden gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen van appellantes zijn verjaard en de verjaring niet kan worden doorbroken. Dit brengt mee dat de zeven gezichtspunten die het hof heeft genoemd in 6.11, niet aan de orde kunnen komen. Verjaring brengt mee dat de vorderingen van appellantes niet kunnen worden toegewezen.

Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 2 en 3 van appellantes niet kunnen leiden tot een andere beslissing dan de rechtbank heeft gegeven. Dit brengt mee dat het hof het bewijsaanbod van appellantes niet honoreert, en evenmin een deskundige zal benoemen.

Er zijn immers geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, als ze worden bewezen of nader onderzocht, een andere uitkomst van deze procedure kunnen bewerkstelligen.

Het verstrekken van documenten

Grief 4 van appellantes betreft de eis van appellantes om Klooster Euphrasia te bevelen bepaalde documenten over te leggen (de exhibitievordering). Appellantes stellen dat zij deze documenten nodig hebben om aan te tonen, kort gezegd, hoe de zeggenschap binnen de congregatie was geregeld en wie de rechtsopvolger is van de kloosters waarin appellantes hebben verbleven.

Veel van de informatie die appellantes met de documenten hoopten te krijgen, is in de loop van de procedure boven tafel gekomen. Over de rechtsopvolging bestaat inmiddels duidelijkheid. Er is voor de uitkomst van deze procedure geen (voldoende) belang om nog meer informatie van Klooster Euphrasia te verkrijgen. De uitkomst kan door nog meer informatie immers niet anders worden. Grief 4 slaagt op dit onderdeel daarom niet.

Grief 4 houdt ook een bezwaar in tegen het oordeel van de rechtbank dat de kosten voor het uitvoeren van het exhibitievonnis van 13 oktober 2021 tot een maximum van € 2.500,- voor rekening van appellantes komen. Het gaat om de kosten van het verstrekken van afschriften van documenten door Klooster Euphrasia, behalve kosten van het zwartlakken van bepaalde passages.

Klooster Euphrasia heeft in hoger beroep verklaard dat zij afziet van de kostenvergoeding die de rechtbank heeft vastgesteld. Daarmee is het belang bij een beslissing over deze kosten ontvallen. Grief 4 hoeft op dit onderdeel dus niet verder te worden besproken.

De slotsom

De grieven leiden niet tot het vernietigen van het bestreden vonnis van de rechtbank.

Dit vonnis blijft dus in stand.

Proceskosten

Appellantes zijn in dit hoger beroep de partij die in het ongelijk is gesteld.

In overeenstemming met de wet zal het hof hen veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten aan de zijde van Klooster Euphrasia als volgt vast.

- griffierecht € 783,00

- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten à € 1.290,00)

Totaal € 3.363,00

7. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt appellantes in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van

Klooster Euphrasia vastgesteld op € 3.363,00.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, J.F. Aalders en J.M. van den Berg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026, en verbeterd op 13 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand