Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 augustus 2026 en 8 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft partieel hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis (bij volmacht is het appel beperkt tot de strafzaak onder parketnummer 15-128293-23/ zaak A, feiten 1 t/m 4).
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat:
26 september 2023 door verbalisant [naam 1];
€ 7.500,- billijk voor.”) zal vervangen door de hierna volgende overwegingen;
Aanvullende overwegingen met betrekking tot de maatregel van TBS met dwangverpleging
Uit hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2026 naar voren is gebracht, volgt dat het hoger beroep gericht is tegen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging van overheidswege (dwangverpleging).
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte een ongemaximeerde TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Pro Justitia rapport (PBC) van 26 november 2025 – kort gezegd – ‘op gebrekkige wijze tot stand is gekomen, weinig onderbouwde standpunten en conclusies bevat, en dat het totaalbeeld van de verdachte niet op volledig correcte wijze is gepresenteerd zodat op basis van dit rapport niet kan worden geconcludeerd dat TBS met dwangverpleging de enige passende uitkomst is qua behandeling’. De verdediging meent dat weliswaar sprake is van een pedofiele stoornis, een parafiele stoornis, en autisme, en dat de verdachte graag behandeling wil, maar dat kan worden volstaan met een voorwaardelijk kader met strikte bijzondere voorwaarden of TBS met voorwaarden om het recidiverisico te verminderen.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte is in eerste aanleg onderzocht in het Pieter Baan Centrum maar heeft toen (grotendeels) niet willen meewerken aan dat onderzoek (rapport van 22 mei 2024). In hoger beroep wilde de verdachte wel meewerken en is opnieuw onderzoek gedaan naar de persoon van de verdachte, door psychiater
[naam 2] en GZ-psycholoog [naam 3]. De deskundigen hebben daarover op
26 november 2025 rapport uitgebracht. De verdachte heeft volledig meegewerkt aan hun onderzoek. De gedragsdeskundigen hebben – samengevat en voor zover hier van belang – het volgende gerapporteerd en geadviseerd.
Voorts is bij de verdachte sprake van een parafiele stoornis die verschillende verschijningsvormen en aspecten kent, namelijk: een pedofiele stoornis, een andere gespecificeerde parafiele stoornis (fantaseren over (seksuele handelingen met) dieren / zoöfilie / bestialiteit), fetisjisme en urofilie. Tot slot zijn er aanwijzingen voor seksueel masochisme en seksueel sadisme. De seksuele stoornissen, de autismespectrumstoornis en de persoonlijkheidsstoornis zijn bij de verdachte zeer nauw met elkaar verweven. De seksuele drang en drijfveer kan bij de verdachte alle kanten opgaan, alsof het linksom of rechtsom een uitweg zoekt. De verscheidenheid van de gedragsmatige uitingsvormen van deze seksuele drang is van een aard en omvang die zelden wordt gezien.
Overwegingen en gevolgtrekkingen van het hof
De onder (i), (ii) en (iii) genoemde conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen. Van gebreken die afdoen aan de conclusies en onderbouwing daarvan, zoals de verdediging – kort gezegd – heeft gesteld, is naar het oordeel van het hof geen sprake. Daarom maakt het hof de conclusies tot de zijne. Dit betekent dat vaststaat dat er bij de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, zoals bedoeld in artikel 37a Sr. Het hof is van oordeel dat de verdachte afgestraft en onbehandeld een té groot gevaar vormt voor de samenleving. Daartoe is redengevend hetgeen onder (ii) en (iv) is opgenomen. Verder neemt het hof in aanmerking de veelheid van de bewezenverklaarde feiten en de totale duur van de periode waarin deze zijn gepleegd. Het hof is in het licht van het voorgaande van oordeel dat het, teneinde het recidivegevaar dat de verdachte in zich bergt tot maatschappelijk verantwoorde proporties terug te brengen, noodzakelijk is dat hij langdurig klinisch wordt behandeld in een forensisch psychiatrische setting en wel op grond van een TBS-maatregel. Voorts is het hof van oordeel dat de modaliteit van TBS met voorwaarden in dit geval onvoldoende waarborgen biedt, gezien hetgeen hiervoor onder (v) is verwoord.
Slotoverwegingen
Het hof stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten immers sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, de door de verdachte begane feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar is gesteld, en naar het oordeel van het hof eist de algemene veiligheid van personen en goederen oplegging van TBS en het bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd.
Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege heeft opgelegd.
De maatregel is opgelegd wegens (onder andere) het vervaardigen en verspreiden van kinderporno en het plegen van ontucht met een (minderjarig) kind. Dat zijn misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit brengt met zich dat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.
In het voorgaande ligt besloten dat het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om nader onderzoek te laten uitvoeren (indien het hof van oordeel zou zijn geweest dat een TBS maatregel met voorwaarden een passende gedragsinterventie zou zijn en/of het Pro Justitia rapport (PBC) van 26 november 2025 ontoereikend was geweest om een TBS maatregel met dwangverpleging te dragen) geen bespreking behoeft, nu de voorwaarde daarvoor niet in vervulling gaat.
Vervangende overweging ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1]
Het hof vervangt de laatste alinea op pagina 13 van het vonnis, betreffende de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade …. € 7.500,- billijk voor.) door de navolgende overweging.
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 17.500,00 gevorderd tot vergoeding van immateriële schade, en zich daarbij gebaseerd op de ernstige inbreuk die de verdachte heeft gemaakt op zijn recht van privacy, het zelfbeschikkingsrecht en het recht op lichamelijke integriteit. Daarbij komt dat de ontucht heeft geleid tot PTSS bij de benadeelde partij, zo blijkt uit een brief van twee orthopedagogen.
Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Dat er rechtstreeks immateriële schade is ontstaan door het handelen van de verdachte is in hoger beroep ook niet betwist. Sterker nog, de verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 7.500,00 billijk is.
Het hof is van oordeel dat sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), gelet op de aard en de ernst van de feiten en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij. Het gaat om zeer ernstige feiten: de verdachte heeft meermalen ontucht gepleegd met het destijds éénjarige slachtoffer op wie hij paste, en beelden van dat misbruik gemaakt en gedeeld met een derde. Dit alles heeft voor de benadeelde zeer nadelige gevolgen gehad. Daartoe verwijst het hof naar de brief van 2 mei 2024 waarin twee orthopedagogen schrijven dat bij de benadeelde partij sprake is van een posttraumatische stressstoornis als gevolg van de seksuele grensoverschrijdende ervaringen. Volgens dezelfde orthopedagogen heeft dit geleid tot ‘forse problemen op alle levensgebieden, vertraging in zijn ontwikkeling en een grote veiligheidsbehoefte’. De benadeelde partij kan dus aanspraak maken op een schadevergoeding.
Het hof neemt bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, tot uitgangspunt. In paragraaf 15.3 ‘aanranding’ wordt onder categorie (a) – waarbij de benadeelde partij veelal herhaaldelijk gedwongen wordt tot ontuchtige handelingen en er vaak sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen de dader en de benadeelde partij – een bandbreedte van € 5.000,00 – € 6.500,00 genoemd. In paragraaf 15.4 ‘openbaarmaking van seksueel getint beeldmateriaal’ wordt onder categorie (b) – waarbij het gaat om seksueel getint beeldmateriaal dat verspreid is binnen een beperkte groep mensen (veelal bekenden) – een bandbreedte tot € 2.500,00 genoemd.
Gelet op het voorgaande verenigt het hof zich dan ook met het oordeel van de rechtbank die de omvang van de immateriële schade naar billijkheid heeft vastgesteld op € 7.500,00.
Overweging ten aanzien van vordering hotelkosten van [slachtoffer 2] in verband met bijwonen zitting in hoger beroep
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de benadeelde partij een bedrag van € 171,05 gevorderd voor een hotelovernachting voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep. Deze kosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door de strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), maar dienen in beginsel onder proceskosten in de zin van artikel 532 Sv te worden geschaard. Voor zover deze kosten zijn opgevoerd als materiële schade wordt de benadeelde partij daarom in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof begrijpt de vordering echter aldus, dat de benadeelde partij de kosten heeft willen opvoeren als proceskosten.
De Hoge Raad heeft in algemene zin overwogen en geoordeeld dat bij de begroting van de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten dezelfde maatstaf dient te worden gehanteerd als in civiele procedures. Door de benadeelde partij zijn kosten voor een hotelovernachting voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling in hoger beroep gevorderd teneinde de zitting te kunnen bijwonen. Op grond van artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) komen deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking voor zover in persoon – dat wil zeggen: zonder gemachtigde (advocaat) – wordt geprocedeerd. Procedeert de benadeelde partij met een gemachtigde – zoals in de onderhavige zaak – dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238, eerste lid, Rv bedoelde kosten van de benadeelde partij. De vordering wordt in zoverre dan ook afgewezen.
Aanvullende overweging ten aanzien van de beslissing op de vordering van de ouders van [slachtoffer 1] tot vergoeding van immateriële schade
Immateriële schade
De benadeelde partijen hebben (ieder) in eerste aanleg een bedrag van € 2.500,00 aan schokschade dan wel affectieschade gevorderd. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd en hebben hun vorderingen tot vergoeding van schokschade dan wel affectieschade gehandhaafd.
Het juridisch kader
Schokschade (HR 28 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:958))
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt (het primaire slachtoffer), kan ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie de directe confrontatie met de daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt (het secundaire slachtoffer).
Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens het secundaire slachtoffer zijn onder meer:
Deze gezichtspunten moeten in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de andere gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.
Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok, is beperkt tot de schade die volgt uit het veroorzaakte geestelijk letsel.
Affectieschade
Onder affectieschade wordt verstaan de schade in verband met het verdriet om het overlijden of het door ernstig en blijvend letsel gekwetst raken van een naaste (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.6). Ingevolge artikel 6:107, eerste lid, onder b, BW kunnen naasten van een slachtoffer met ernstig en blijvend letsel, onder welke naasten wordt gerekend degene die ten tijde van de gebeurtenis de ouder van een gekwetste is, zich voegen ter zake van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Of een naaste aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade wegens “ernstig en blijvend letsel” van de gekwetste als bedoeld in voormeld artikellid hangt in belangrijke mate af van de mate van de blijvende functiestoornis bij de gekwetste, waarbij volgens de wetsgeschiedenis “een zeer bijzondere ernst van letsel” is vereist.
Onderbouwing door de benadeelde partij
Schokschade
De schokschade is ter terechtzitting in hoger beroep namens de benadeelde partijen – samenvattend – als volgt onderbouwd. Het primaire slachtoffer ([slachtoffer 1]) was op het moment van het misbruik nog geen twee jaar oud, was geheel afhankelijk van de volwassenen aan wie hij was toevertrouwd en werd door de verdachte misbruikt in de woning. Het misbruik is plotseling aan het licht gekomen doordat beeldmateriaal van het misbruik van het primaire slachtoffer is aangetroffen op gegevensdragers van een ander. Politieambtenaren hebben de benadeelde partijen met die onderzoeksbevinding geconfronteerd. Tot slot behoeft de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en het secundaire slachtoffer (een ouder en haar éénjarige zoon) geen nadere toelichting. De benadeelde partijen hebben zich onder psychologische behandeling moeten stellen en hebben daarvoor kosten gemaakt.
Affectieschade
Het slachtoffer ([slachtoffer 1]) is gediagnosticeerd met PTSS. Die diagnose vormt een erkend ziektebeeld en levert daarmee de medische onderbouwing van ernstig geestelijk letsel op. Dat dit letsel niet alleen ernstig maar ook blijvend van aard is, volgt in het bijzonder uit de zeer jonge leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het misbruik.
Het oordeel van het hof
Schokschade
Uit de gegeven onderbouwing volgt dat de benadeelde partijen door de politie zijn geconfronteerd met de onderzoeksbevinding dat op de gegevensdragers van een ander kinderpornografisch materiaal van hun destijds éénjarige zoon (het primaire slachtoffer) was aangetroffen. Uit de gegeven onderbouwing blijkt echter niet dat de benadeelde partijen direct (visueel) zijn geconfronteerd met het kinderpornografisch materiaal dat van het (primaire) slachtoffer was gemaakt.
Het hof neemt zonder meer aan dat het gesprek met de politie over het aangetroffen kinderpornografische materiaal van hun zoon (het primaire slachtoffer) voor de benadeelde partijen een bijzonder traumatische ervaring is geweest die zij waarschijnlijk hun hele leven meedragen. De gegeven onderbouwing is echter onvoldoende om te oordelen dat de verdachte ook jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld en dat daardoor jegens hen een schadeplicht is ontstaan. De lat voor de vaststelling – als in de vaste jurisprudentie bedoeld – dat sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit ligt hoog. De omstandigheden die door en namens de benadeelde partijen zijn aangevoerd – hoe begrijpelijk ook dat hierdoor hevige emoties zijn ontstaan die langdurig en nog steeds doorwerken – halen die lat niet. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als bedoeld in artikel 361 Sv. Het hof verenigt zich dan ook met het oordeel van de rechtbank om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tot schokschade.
Affectieschade
Het hof oordeelt dat in de onderhavige zaak (nog) niet kan worden vastgesteld dat sprake is van “ernstig en blijvend” letsel van de gekwetste als bedoeld in voormeld artikellid. De vorderingen bieden, mede in aanmerking genomen de nog zeer jeugdige leeftijd van de gekwetste ([slachtoffer 1]), onvoldoende onderbouwing om tot die conclusie te komen. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren als bedoeld in artikel 361 Sv. Het hof verenigt zich dus ook met het oordeel van de rechtbank om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tot affectieschade.
BESLISSING
Het hof:
Wijst af de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] in hoger beroep gevorderde proceskosten (hotelovernachting).
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. N. van der Wijngaart en mr. T. de Bont, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
8 oktober 2026.